Inleiding
De EU heeft overeenkomsten gesloten met landen die geen lid van de EU zijn. Het gaat hierbij om overeenkomsten met andere landen dan IJsland, Liechtenstein, Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk en Zwitserland. Uitkeringsgerechtigden kunnen zich in een gerechtelijke procedure meestal niet beroepen op bepalingen in deze overeenkomsten, omdat ze niet geschikt zijn om er individuele rechten aan te ontlenen. De bepalingen hebben daarom geen ‘rechtstreekse werking’. Uit de rechtspraak van het HvJⓘ blijkt dat er enkele uitzonderingen op dit uitgangspunt zijn.
Rechtstreeks werkende bepalingen in besluit 3/80 (Turkije)
De bepaling over gelijkheid van behandeling in artikel 3 lid 1 besluit nr. 3/80 van de Associatieraad EEG-Turkije (hierna: besluit 3/80) heeft rechtstreekse werking (arrest Sürül). Hetzelfde geldt voor artikel 6 lid 1 over ontheffing van de bepalingen inzake de woonplaats, op grond waarvan recht op ouderdomspensioen en nabestaandenuitkering kan bestaan voor iemand die in Turkije woont (arrest Akdas). Werknemers die naast de Turkse nationaliteit ook de nationaliteit van een EU-lidstaatⓘ hebben kunnen zich echter niet beroepen op de artikelen 3 lid 1 en 6 lid 1 van besluit 3/80 (arrest Demirci).
Beleid
De SVB past andere bepalingen dan artikel 3 lid 1 en 6 lid 1 niet rechtstreeks toe, zolang de Raad van de EU geen uitvoeringsmaatregelen heeft vastgesteld (arresten Taflan-Met en Sürül ).
Rechtstreeks werkende bepalingen in overeenkomsten met andere landen dan Turkije
Bepalingen over gelijke behandeling en de uitleg van het begrip gezinsleden
Uit de rechtspraak van het HvJ blijkt dat de bepalingen over gelijke behandeling in de samenwerkingsovereenkomsten met Marokko (artikel 41 lid 1) en Algerije (artikel 39 lid 1) rechtstreekse werking hadden (Arresten Kziber, Krid en Hallouzi). Die overeenkomsten zijn inmiddels vervallen en vervangen door de Europees-mediterrane overeenkomst met Algerije en de euro-mediterrane overeenkomst met Marokko. In deze overkomsten staan vergelijkbare bepalingen, die daarom eveneens rechtstreeks werken. Dit geldt ook voor de euro-mediterrane overeenkomst met Tunesië.
De bepalingen over gelijke behandeling gelden voor Algerijnse, Marokkaanse of Tunesische werknemers die in een EU-lidstaat werken en de met hen samenwonende gezinsleden. Het begrip gezinslid is niet gedefinieerd in de overeenkomsten. Het kan ook niet hetzelfde worden uitgelegd als het begrip gezinslid in Verordening (EG) nr. 883/2004ⓘ (arrest Mesbah).
Beleid
Voor de toepassing van de overeenkomsten met Algerije, Marokko en Tunesië beschouwt de SVB de volgende personen als gezinslid van de werknemer:
-
De kinderen van de werknemer of zijn partner; en
-
De ouders van de werknemer of zijn partner.
Bepalingen over het recht op vrije overmaking
De bepaling over het recht op vrije overmaking van ouderdomspensioenen en nabestaandenuitkeringen in artikel 68 lid 4 van de Europees-mediterrane overeenkomst met Algerije heeft rechtstreekse werking (Arrest Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank [Export van nabestaandenuitkeringen]).
Beleid
De Europees-mediterrane overeenkomst met Algerije
De SVB leidt uit het hierboven genoemde arrest af dat de volgende rechten kunnen worden ontleend aan artikel 68 lid 4 van de Europees-mediterrane overeenkomst met Algerije:
-
Algerijnse werknemers die in Algerije wonen kunnen recht hebben op export van AOW-toeslag en ouderdomspensioen voor gehuwden; en
-
In Algerije wonende nabestaanden of wezen van Algerijnse werknemers kunnen recht hebben op export van nabestaanden- of wezenuitkering. Op deze uitkeringen is het woonlandbeginsel van toepassing ( ECLI:NL:CRVB:2024:1194 ) .
De SVB toetst bij de export van AOW-toeslagen, nabestaandenuitkeringen en wezenuitkeringen naar Algerije niet of de uitkeringsgerechtigde een Algerijnse werknemer, nabestaande van een Algerijnse werknemer, of wees van een Algerijnse werknemer is. Het is voor de export van deze uitkeringen niet nodig dat de uitkeringsgerechtigde of de overledene onder de personele werkingssfeer van het verdrag valt (zie SB1406 ).
Vergelijkbare bepalingen in de overeenkomsten met Albanië, Moldavië en San Marino
De overeenkomsten tussen de EU en Albanië, Moldavië respectievelijk San Marino bevatten bepalingen over het recht op vrije overmaking die vergelijkbaar zijn met artikel 68 lid 4 van de Europees-mediterrane overeenkomst met Algerije. Daarom hebben uitkeringsgerechtigden die wonen in Albanië, Moldavië of San Marino recht op export van AOW-toeslag, ouderdomspensioen voor gehuwden, nabestaandenuitkering of wezenuitkering.
Bepalingen over de samentelling van tijdvakken
In de Europees-mediterrane overeenkomst met Algerije en de euro-mediterrane overeenkomsten met Marokko en Tunesië staan bepalingen over de samentelling van tijdvakken van verzekering.
Beleid
De SVB past de bepalingen over de samentelling van tijdvakken van verzekering niet rechtstreeks toe. Volgens de SVB zijn uitvoeringsregels van de associatieraden nodig voordat deze bepalingen kunnen worden toegepast. Deze uitvoeringsregels zijn er nog niet.