Onderwerp: Bezoek-historie

SVB Beleidsregels mei 2021
Geldigheid:27-05-2021 t/m Status: Geldig vandaag

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

SVB Beleidsregels - AOW, Anw, AKW, Participatiewet, OBR, Remigratiewet, TAS 2014 en TNS

Algemene bepalingen en begrippen

relaties 34

Vaststelling leeftijd, meerderjarigheid en minderjarigheid (SB1001)

Beleidsregel

De aanspraken op grond van de AOW, Anw, AKW, Participatiewet, OBR, en de Remigratiewet zijn mede afhankelijk van de leeftijd van de aanvrager, de overleden verzekerde, de (huwelijks)partner en de kinderen. Uit artikel 1.6 Wet basisregistratie personen en Bijlage 1 bij Besluit basisregistratie personen volgt dat de SVB bij het bepalen van de leeftijd dient uit te gaan van de geboortedatum zoals die is geregistreerd in de Basisregistratie personen (BRP).

In sommige gevallen is het geboortejaar wel, maar de precieze geboortedatum niet geregistreerd in de BRP. In dergelijke gevallen stelt de SVB een onderzoek in naar de werkelijke geboortedatum. Wanneer de SVB deze niet kan achterhalen, gaat zij uit van een fictieve geboortedatum. Is alleen het geboortejaar bekend dan hanteert de SVB 1 juli als fictieve geboortedatum. Zijn het geboortejaar en de geboortemaand bekend, maar de exacte datum niet dan hanteert de SVB de zestiende van de betreffende maand als fictieve geboortedatum. De SVB baseert deze gedragslijn op de werkafspraken over de vaststelling van geboortedata vastgelegd in de circulaire van de voormalige Sociale Verzekeringsraad van 12 december 1986. De CRvB heeft in zijn uitspraak van 7 april 1995 deze gedragslijn bevestigd.

Indien de aanvrager niet in de BRP bekend is en hij bij de aanvraag een andere geboortedatum opgeeft dan de geboortedatum waarmee hij eerder in Nederland bekend was, bijvoorbeeld bij inschrijving bij een zorgverzekeraar of de Belastingdienst, dan hanteert de SVB bij de vaststelling van de geboortedatum het volgende, op jurisprudentie gebaseerde beleid (zie onder meer de uitspraak van de CRvB van 23 maart 1988 en het arrest van het HvJ EG van 14 maart 2000).

De SVB gaat uit van de geboortedatum die bij binnenkomst in Nederland bij een bevoegde instantie is opgegeven. Van dit uitgangspunt wijkt de SVB af wanneer op basis van authentieke stukken die tot stand zijn gekomen vóór de datum van binnenkomst in Nederland een andere geboortedatum wordt aangetoond en de juistheid van die geboortedatum aannemelijker is (zie de uitspraken van de CRvB van 25 maart 1987 en 8 april 1987). De SVB houdt alleen rekening met een buitenlands rechterlijk vonnis over de geboortedatum wanneer dit is gebaseerd op controleerbare gegevens die doorslaggevende betekenis hebben (CRvB 1 november 1989). De SVB aanvaardt een medisch deskundig oordeel over het juiste geboortejaar niet als bewijs (zie CRvB 13 december 1989) en gaat evenmin af op de persoonlijke aanblik van betrokkene.

Als bij de wijziging van de geboortedatum na het onderzoek geen zekerheid is verkregen over de juiste geboortedatum, gaat de SVB uit van de datum waarmee de betrokkene voor het eerst bekend was in Nederland.

In een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 1 juli 1994 is bepaald dat een 'copie-intégrale' (een afschrift van een geboorteakte uit de Marokkaanse geboorteregisters) kan worden aangemerkt als een document waarmee kan worden aangetoond dat er sprake is van een andere geboortedatum dan die welke betrokkene bij binnenkomst in Nederland heeft opgegeven. Omdat de copie-intégrale slechts een afschrift is van de originele geboorteakte, stelt de SVB bepaalde voorwaarden aan dit document:

 

  • De in de copie-intégrale genoemde geboortedatum moet overeenstemmen met de in de oorspronkelijke geboorteakte vermelde datum.
  • De oorspronkelijke geboorteakte mag niet zijn opgemaakt op een tijdstip dat nauw verband houdt met de migratie of de afgifte van de copie-intégrale.

 

De Remigratiewet stelt het recht op dan wel de hoogte van een aantal voorzieningen afhankelijk van de vraag of een persoon minderjarig dan wel meerderjarig is. De SVB beantwoordt deze vraag, ongeacht het woonland of de nationaliteit van de betrokken persoon, op basis van artikel 1:233 van het Burgerlijk Wetboek.

Grondslag

artikel 7, artikel 8, eerste lid en artikel 9, leden 1 en 6 AOW, artikel 14, eerste  lid, artikel 15, derde lid, artikel 16, leden 1 en 2, artikel 26, leden 1 en 2, artikel 29,  tweede lid, artikel 66a en artikel 67, eerste lid Anw, artikel 7, eerste lid AKW, artikel  47a Participatiewet, artikel 3, artikel, 4, leden 1, 3 en 4, artikel 6, eerste lid, artikel  10, leden 1 en 2, artikel 11, artikel 15 OBR, artikel 1, onder d en artikel 2, onder a  Remigratiewet, artikel 1.6 Wet basisregistratie personen, bijlage 1 bij Besluit  basisregistratie personen

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 2

Niet-ingezetenen (SB1290)

Beleidsregel

De SVB houdt op grond van hoofdstuk 2, afdeling 2 van de Wet Basisregistratie personen (BRP) en hoofdstuk 2, afdeling 2 van het Besluit basisregistratie personen gegevens bij over niet-ingezetenen. De BRP bevat geen definitie van het begrip 'niet-ingezetene'. Voor de toepassing van de BRP verstaat de SVB onder een niet-ingezetene:

  • Een persoon die buiten Nederland woont en een uitkering uit Nederland ontvangt, zijn gezinsleden die van belang zijn voor deze uitkering.
  • Een persoon die in de BRP was ingeschreven en geëmigreerd is uit Nederland.
  • Een persoon die tijdelijk in Nederland verblijft, zoals een persoon die tijdelijk in Nederland werkzaam is.
Grondslag

artikel 2.62 tot en met artikel 2.81 Wet Basisregistratie personen, artikel 31 tot en  met 36 Besluit basisregistratie personen

Besluit beleidsregels SVB 2016

Leefvormen

relaties 8
Leefvormen (SB1291)
Beleidsregel

Bij de uitvoering van de AOW, Anw, Participatiewet, OBR, Remigratiewet, TAS 2014 en TNS is de leefvorm van belang voor het recht op of de hoogte van de uitkering. De SVB heeft beleid geformuleerd over de volgende leefvormen:

  • huwelijk en duurzaam gescheiden leven;
  • gezamenlijke huishouding; en
  • het delen van de kosten met een of meerdere huisgenoten (kostendelersnorm).

Het beleid over huwelijk en duurzaam gescheiden leven staat in SB1002 over huwelijk en duurzaam gescheiden leven. Waar in dit beleid verwezen wordt naar het huwelijk en de huwelijkspartner ziet dit tevens op het geregistreerd partnerschap en de geregistreerde partner. SB1003 over het voeren van een gezamenlijke huishouding bevat het beleid over het begrip gezamenlijke huishouding.

De kostendelersnorm is uitsluitend van toepassing in het kader van de Anw en de Participatiewet. Zie hiervoor het beleid beschreven in SB1292 over toepassing van de kostendelersnorm in de Anw en de Participatiewet.

Grondslag

artikel 1 AOW, artikel 3 Anw, artikel 3 Participatiewet, artikel 1 OBR, artikel 1 en

artikel 5 Remigratiewet, artikel 1 TAS 2014 en artikel 1 TNS

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 18
Huwelijk en duurzaam gescheiden leven (SB1002)
Beleidsregel

Indien gehuwde personen duurzaam gescheiden gaan leven is dit van invloed op het recht op of de hoogte van hun uitkering. Scheiding van tafel en bed en echtscheiding zijn niet van invloed op de uitkering als al sprake is van duurzaam gescheiden leven voorafgaand aan het moment van scheiding van tafel en bed of echtscheiding.

Het begrip duurzaam gescheiden leven is nader uitgewerkt in rechterlijke uitspraken. Uit onder meer het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 1960, leidt de SVB het volgende af. Voor het aannemen van duurzaam gescheiden leven is naast de feitelijke toestand ook de wil van de echtgenoten van belang, tenzij er sprake is van feitelijke onmogelijkheid tot hervatting van de samenleving. De CRvB heeft dit standpunt nadien bevestigd in de uitspraken van 17 december 1987 en 6 december 1989.

Volgens de CRvB (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 30 mei 1973, 5 september 1989 en 5 oktober 1989) is er sprake van duurzaam gescheiden leven in de situatie waarin:

  • de echtelijke samenleving is geëindigd door de wil van één of beide echtgenoten;
  • ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd; en
  • deze toestand door één of beide echtgenoten als bestendig is bedoeld.
     

De wil van (een van) de echtgenoten noch de feitelijke toestand is op zichzelf doorslaggevend. De echtelijke samenleving wordt pas verbroken geacht als de wil daartoe zich naar buiten toe uitdrukkelijk manifesteert of als zich een bestendige toestand van een verbroken samenleving voordoet (zie in dit verband de uitspraken van de CRvB van 25 februari 1985 en 21 november 1990). De SVB leidt uit een uitspraak van de CRvB van 17 december 2013 af dat het enkele feit dat een van de echtgenoten een gezamenlijke huishouding gaat voeren met een ongehuwde niet betekent dat hij duurzaam gescheiden leeft van zijn huwelijkspartner.

Op grond van deze jurisprudentie hanteert de SVB het volgende beleid.

De SVB merkt gehuwden als duurzaam gescheiden levend aan indien:

  • er sprake is van een door (een van) de echtgenoten gewilde en als bestendig bedoelde situatie waarbij de feitelijke toestand uitwijst dat beiden een afzonderlijk leven leiden alsof er geen huwelijk was, of
  • er sprake is van een door de echtgenoten ongewilde situatie waarbij de samenleving onmogelijk is geworden en feitelijk en (naar gangbare objectieve maatstaven beoordeeld) permanent is verbroken. Als beide echtgenoten in deze situatie echter aangeven dat zij als gehuwd willen worden aangemerkt dan respecteert de SVB deze wens. Daarbij is niet van belang of betrokkenen zich nog als echtgenoten gedragen en presenteren. Op een rechtens onaantastbare beschikking waarin is vastgesteld dat sprake is van duurzaam gescheiden leven komt de SVB uitsluitend terug op verzoek van de belanghebbende indien:
    • sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 Awb;
    • de beschikking onmiskenbaar onjuist moet worden geacht zoals bedoeld in SB1076 over terugkomen van een rechtens onaantastbaar besluit op verzoek van de belanghebbende; of
    • het rechtens onaantastbare besluit heeft geleid tot ernstige financiële gevolgen, zodat het evident onredelijk is om het verzoek af te wijzen. In deze situatie herziet de SVB het pensioen eenmalig vanaf de maand na het verzoek.

 

Indien een van de echtgenoten voor langere tijd wegens verpleging is opgenomen in een instelling, maar deze situatie niet op voorhand als onomkeerbaar is aan te merken, slaat de SVB bij de beoordeling of sprake is van duurzaam gescheiden leven ook acht op andere factoren, die erop duiden dat niet de wil bestaat tot verbreking van de echtelijke samenleving. Te denken valt aan regelmatig contact en gemeenschappelijke financiën.

De gevolgen van het aangaan van een huwelijk, dan wel het duurzaam gescheiden gaan leven van een huwelijkspartner verschillen per wet.

 

AOW:

Voor de toepassing van de AOW is het van belang of de pensioengerechtigde gehuwd of ongehuwd is in verband met de hoogte van het pensioenbedrag en het recht op toeslag. Indien een echtpaar waarvan beide partners pensioengerechtigd zijn duurzaam gescheiden gaat leven, dienen beide gehuwdenpensioenen verhoogd te worden tot het bedrag van het ongehuwdenpensioen. Als een echtpaar waarvan een van de partners de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, duurzaam gescheiden gaat leven heeft de pensioengerechtigde op grond van artikel 1, derde lid, onder b AOW recht op een ongehuwdenpensioen. Indien aan deze pensioengerechtigde tevens een recht op een toeslag is toegekend, vervalt dit recht op toeslag.

Wanneer aan het duurzaam gescheiden leven van twee pensioengerechtigden een einde komt, anders dan door overlijden, verlaagt de SVB beide ongehuwdenpensioenen tot het bedrag van het gehuwdenpensioen. Indien aan het duurzaam gescheiden leven een einde is gekomen na 31 december 2014 en een van de huwelijkspartners is jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, kan geen recht op toeslag meer ontstaan. Dit volgt uit artikel 8, tweede lid, onder b AOW.

 

Anw:

Voor de toepassing van de Anw is het van belang vast te stellen of een persoon als gehuwd moet worden aangemerkt in verband met zowel het verkrijgen als het vervallen van een recht op nabestaandenuitkering. Als een persoon aan wie een nabestaandenuitkering is toegekend een gezamenlijke huishouding gaat voeren moet deze persoon als gehuwd worden aangemerkt en vervalt het recht op nabestaandenuitkering. Daarentegen kan door het overlijden van een echtgenoot een recht op nabestaandenuitkering ontstaan voor de nog levende echtgenoot.

De Anw kent geen bepaling op grond waarvan duurzaam gescheiden levende echtgenoten als ongehuwd moeten worden aangemerkt. Dit heeft tot gevolg dat bij het overlijden van een van de duurzaam gescheiden levende echtgenoten de andere echtgenoot als nabestaande kan worden aangemerkt. Er kan zich de bijzondere situatie voordoen dat een gehuwde persoon duurzaam gescheiden leeft van zijn echtgenoot en een gezamenlijke huishouding voert met een andere persoon. Op grond van artikel 3, tweede lid Anw is hij dan gehuwd met degene met wie hij een gezamenlijke huishouding voert. De SVB interpreteert artikel 3, tweede lid Anw zo, dat hij als ongehuwd wordt aangemerkt ten opzichte van de echtgenoot van wie hij duurzaam gescheiden leeft. Dit betekent dat de SVB een gehuwde persoon na het overlijden van de echtgenoot van wie hij duurzaam gescheiden leeft niet als nabestaande aanmerkt. De SVB merkt hem wel als nabestaande aan na het overlijden van degene met wie hij een gezamenlijke huishouding voert.

Een andere situatie die zich kan voordoen, betreft de echtgenoot die duurzaam gescheiden leeft en geen gezamenlijke huishouding voert. Hij blijft gehuwd met zijn wettige echtgenoot, ook als deze echtgenoot een gezamenlijke huishouding voert met een andere persoon. Dit leidt tot de bijzondere situatie dat als de echtgenoot die een gezamenlijke huishouding voert met een andere persoon komt te overlijden, zowel zijn echtgenoot waarvan hij duurzaam gescheiden leeft als de persoon met wie hij een gezamenlijke huishouding voert als nabestaande in de zin van de Anw recht kunnen hebben op een nabestaandenuitkering. De SVB baseert deze interpretatie op de systematiek van de Anw, in het bijzonder artikel 3, tweede lid Anw.

 

Participatiewet:

Voor de toepassing van de Participatiewet is het van belang of de rechthebbende op een AIO-aanvulling gehuwd of ongehuwd is in verband met de hoogte van de toepasselijke norm. Het recht op AIO-aanvulling komt de echtgenoten gezamenlijk toe, tenzij een van de echtgenoten geen recht op een AIO-aanvulling heeft. Indien een echtpaar waarvan beide partners de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, duurzaam gescheiden gaat leven, kunnen beide echtgenoten een zelfstandig recht hebben op een AIO-aanvulling naar de norm van een alleenstaande. De hoogte van deze norm is afhankelijk van de vraag of de echtgenoot zijn hoofdverblijf deelt met een of meer kostendelende medebewoners als bedoeld in artikel 19a Participatiewet. Zie SB1292 over toepassing van de kostendelersnorm in de Anw en Participatiewet voor het beleid over kostendelende medebewoners. Als een echtpaar waarvan een van de partners jonger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, duurzaam gescheiden gaat leven heeft de oudste partner recht op een AIO-aanvulling naar de norm van een alleenstaande. De hoogte van deze norm is afhankelijk van de vraag of de echtgenoot zijn hoofdverblijf deelt met een of meer kostendelende medebewoners als bedoeld in artikel 19a Participatiewet. De jongste partner heeft in die situatie niet langer recht op een AIO-aanvulling.

Wanneer aan het duurzaam gescheiden leven een einde komt, anders dan door overlijden, verleent de SVB de AIO-aanvulling naar de norm van een gehuwde. De hoogte van deze norm is afhankelijk van de vraag of het echtpaar hun hoofdverblijf deelt met een of meer kostendelende medebewoners als bedoeld in artikel 19a Participatiewet.

 

OBR:

Voor de toepassing van de OBR is het van belang of de rechthebbende gehuwd of ongehuwd is in verband met de hoogte van de overbruggingsuitkering. Indien een echtpaar waarvan beide partners recht hebben op overbruggingsuitkering, duurzaam gescheiden gaat leven, dienen beide uitkeringen verhoogd te worden tot het bedrag van een ongehuwdenuitkering. Als een rechthebbende aan wie een overbruggingsuitkering voor gehuwden is toegekend, duurzaam gescheiden gaat leven, heeft hij recht op een ongehuwdenuitkering.

Wanneer aan het duurzaam gescheiden leven een einde komt, anders dan door overlijden, verlaagt de SVB beide ongehuwdenuitkeringen tot het bedrag van de uitkering voor gehuwden.

 

Remigratiewet:

De Remigratiewet kent de voorwaarde dat de gehuwde remigrant wiens echtgenoot of partner in Nederland woont slechts voor voorzieningen op grond van de Remigratiewet in aanmerking kan komen indien beide echtgenoten of partners tot remigratie overgaan. Deze voorwaarde geldt niet voor de remigrant die duurzaam gescheiden van zijn echtgenoot of partner leeft. Dit volgt uit artikel 2b, derde lid Remigratiewet.

De SVB leidt uit artikel 5, eerste lid Remigratiewet af dat de remigrant die duurzaam gescheiden van zijn echtgenoot leeft als ongehuwd wordt aangemerkt. Dit artikel bepaalt immers dat, indien de remigrant en zijn huwelijkspartner duurzaam gescheiden gaan leven, beiden een recht op de remigratievoorzieningen verkrijgen als waren zij alleenstaande remigranten.

 

TAS 2014/TNS:

Voor de toepassing van de TAS 2014 en de TNS is van belang of sprake is van duurzaam gescheiden leven omdat bij overlijden van de persoon bij wie maligne mesothelioom of asbestose is vastgesteld zijn echtgenoot recht op uitkering kan hebben. Op grond van de artikelen 1, derde lid TAS 2014 en 1, derde lid TNS merkt de SVB de persoon die duurzaam gescheiden leeft van degene bij wie maligne mesothelioom of asbestose is vastgesteld niet aan als echtgenoot.

Grondslag

artikel 1, derde lid, onder b AOW, artikel 3, tweede lid Anw, artikel 3, tweede lid,  onder b Participatiewet, artikel 1, derde lid OBR, artikel 2b, derde lid en artikel 5  Remigratiewet, artikel 1, derde lid TAS 2014 en artikel 1, derde lid TNS

Wijzigingsbesluit Beleidsregels SVB mei 2021

Een gezamenlijke huishouding voeren
relaties 11
Een gezamenlijke huishouding voeren (SB1003)
Beleidsregel

Ongehuwd samenwonenden worden in de AOW, de Anw en de Participatiewet gelijkgesteld met gehuwden. In de OBR, TAS 2014 en TNS is dit eveneens het geval door het van overeenkomstige toepassing verklaren van de desbetreffende bepalingen in de AOW. Het hiernavolgende beleid met betrekking tot het voeren van een gezamenlijke huishouding in het kader van de AOW geldt daarom eveneens voor de OBR, TAS 2014 en TNS.

Het ongehuwd samenwonen wordt in de AOW en de Anw omschreven als het voeren van een gezamenlijke huishouding door een ongehuwde meerderjarige met een andere ongehuwde meerderjarige, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of, een hiermee ingevolge artikel 1, achtste lid AOW of artikel 3, zevende lid Anw gelijkgesteld kind.

Het ongehuwd samenwonen wordt in de Participatiewet omschreven als het voeren van een gezamenlijke huishouding door een ongehuwde met een ander, tenzij het betreft een aanverwant in de eerste graad, een bloedverwant in de eerste graad of, een hiermee ingevolge artikel 1, achtste lid AOW of artikel 3, zevende lid Anw gelijkgesteld kind, of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten sprake is van zorgbehoefte (zie voor het begrip zorgbehoefte SB1238 over bijzondere situatie: hulpbehoevendheid). De SVB leidt uit de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie (CRvB 5 december 2005 en 30 september 2008) af dat van ongehuwd samenwonen in de Participatiewet sprake is als beide personen ongehuwd en meerderjarig zijn.

Voor de toepassing van de Remigratiewet vindt geen gelijkstelling van ongehuwden met gehuwden plaats, maar wordt het begrip partner van de remigrant gebruikt. Dit begrip ziet onder meer op de mee-remigrerende ongehuwd meerderjarige die met de remigrant een gezamenlijke huishouding voert. De SVB gaat ervan uit dat de criteria die zien op de gelijkstelling van ongehuwden aan gehuwden in de AOW en Anw naar analogie gelden voor de remigrant en zijn mee-remigrerende ongehuwde partner. Uit de formulering van artikel 1, tweede lid Remigratiewet blijkt voorts dat een persoon die op het moment waarop de remigrant uit Nederland vertrekt reeds in het bestemmingsland verblijft, uitsluitend kan gelden als partner van de remigrant, als er op dat moment sprake is van een huwelijk of een geregistreerd partnerschap tussen de remigrant en deze persoon.

De vraag of sprake is van het voeren van een gezamenlijke huishouding wordt beantwoord aan de hand van de omstandigheden welke objectief moeten zijn vast te stellen, aldus de Hoge Raad in zijn arrest van 20 maart 1992. Om een gezamenlijke huishouding te kunnen aannemen moet zijn voldaan aan de volgende wettelijke criteria:

 

  • de gerechtigde heeft zijn hoofdverblijf in dezelfde woning als een ander persoon (hoofdverblijfcriterium, zie SB1004 over hoofdverblijf in dezelfde woning) én
  • de betrokken personen geven blijk zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins (zorgcriterium, zie SB1005 over zorg dragen voor elkaar).

 

Degenen die voldoen aan beide voorwaarden (hoofdverblijfcriterium en zorgcriterium), worden geacht een gezamenlijke huishouding te voeren, mits sprake is van een tweepersoonshuishouding (zie SB1007 over meerpersoonshuishouding) en geen uitzondering op deze hoofdregel van toepassing is (zie SB1008, SB1236, SB1237, SB1238).

De wet geeft voorts een opsomming van situaties waarin in ieder geval een gezamenlijke huishouding aanwezig geacht wordt (onweerlegbaar rechtsvermoeden, zie SB1006 over onweerlegbaar rechtsvermoeden).

De wettelijke criteria met betrekking tot hoofdverblijf en zorg zijn nader uitgewerkt in de rechtspraak.

De SVB heeft gedragsregels ontwikkeld voor het bezoeken van belanghebbenden en het bezichtigen van hun woning in verband met het onderzoek naar de leefsituatie. Zie hiervoor SB4234 over gedragsregels bij huisbezoek en bezichtiging woning.

Grondslag

artikel 1, leden 3, 4 en 5 AOW, artikel 3, leden 2, 3, 4 en 7 Anw, artikel 3, leden 2,  3, 4, 6 en 7 Participatiewet, artikel 1, derde lid OBR, artikel 1, eerste lid, onderdeel g  Remigratiewet, artikel 1, tweede lid TAS 2014 en artikel 1, tweede lid TNS, Besluit regels  hoofdverblijf in dezelfde woning AOW

Wijzigingsbesluit Beleidsregels SVB oktober 2017

relaties 4
Hoofdverblijf in dezelfde woning (hoofdverblijfcriterium) (SB1004)
Beleidsregel

Uit vaste jurisprudentie van de CRvB (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 26 november 2002 en 27 oktober 2015) blijkt dat de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden moet worden beantwoord. Voor de toepassing van de AOW geldt dat twee personen die hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning onder bepaalde voorwaarden niet geacht worden hun hoofdverblijf in dezelfde woning te hebben (twee-woningen-regel).

Bij de beoordeling van de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, betrekt de SVB de volgende aan de jurisprudentie ontleende feiten en omstandigheden:

 

  • het adres waarop betrokkene in de Basisregistratie personen (BRP) is ingeschreven;
  • betrokkene maakt feitelijk gebruik van de woning;
  • de woning is ingericht om een huishouden te voeren;
  • betrokkene bewaart kleding of andere eigendommen in deze woning;
  • de woning heeft een slaapgelegenheid voor de betrokkene;
  • betrokkene ontvangt zijn post op dit adres;
  • betrokkene voert en bewaart zijn administratie op dit adres;
  • betrokkene oefent zijn hobby's uit op dit adres;
  • betrokkene heeft een sleutel van deze woning.

 

De SVB leidt uit het arrest van de Hoge Raad van 13 maart 2015 af dat ook personen die op afzonderlijke adressen staan ingeschreven hun hoofdverblijf kunnen hebben in dezelfde woning. Bij het aanhouden van afzonderlijke adressen zal aannemelijk moeten zijn dat hetzelfde adres als hoofdverblijf van beiden fungeert. De SVB leidt voorts uit bovengenoemd arrest van de Hoge Raad af dat zij het hoofdverblijf van iedere persoon afzonderlijk moet beoordelen.

Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad (arrest van 30 mei 2001) en de Centrale Raad van Beroep (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 november 2002) leidt de SVB af dat de vaststelling dat de betrokken personen feitelijk hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning voldoende is om aan te nemen dat aan het hoofdverblijfcriterium is voldaan, tenzij een deel van de woning op zuiver commerciële basis wordt verhuurd of ter beschikking van een kostganger wordt gesteld en deze huurder of kostganger in dat deel van die woning zijn hoofdverblijf heeft. Van deze uitzondering is naar het oordeel van de SVB in ieder geval geen sprake indien het deel van de woning dat door de huurder of kostganger wordt bewoond, niet geschikt is voor afzonderlijke, zelfstandige bewoning.

relaties 5
Zorg dragen voor elkaar (zorgcriterium) (SB1005)
Beleidsregel

Van een gezamenlijke huishouding is sprake als twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins(zorgcriterium).

De SVB leidt uit de jurisprudentie af dat het zorgcriterium inhoudt dat de huishouding en het levensonderhoud worden betaald uit de inkomsten van beiden (HR 22 februari 1985).

Indien de partners hun inkomsten en uitgaven strikt gescheiden houden dan wel indien een van de partners geen of een verwaarloosbaar laag inkomen heeft, kan er alleen sprake zijn van een gezamenlijke huishouding indien zij anderszins in elkaars verzorging voorzien (CRvB 15 juli 1993).

De SVB leidt uit de jurisprudentie af (zie bijvoorbeeld CRvB 11 juli 1995 en 6 januari 1998) dat geen sprake is van wederzijdse zorg indien betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en de financiële verstrengeling tussen hen beperkt is tot het uitsluitend delen van de woonlasten en daarmee samenhangende vaste lasten. Indien de financiële verstrengeling echter verder gaat dan het louter delen van de woonlasten en/of betrokkenen op enige andere wijze in elkaars verzorging voorzien, neemt de SVB aan dat betrokkenen wél een gezamenlijke huishouding voeren.

Bij de beoordeling of voldaan wordt aan het zorgcriterium betrekt de SVB de volgende elementen.

Ten aanzien van financiële verstrengeling:

  • gebruik van de woning en de betaling van de zuivere woonlasten, zoals huur en hypotheek en daaruit voortvloeiende vaste lasten, zoals energiekosten, verzekeringen en gemeentelijke heffingen; en
  • gebruik van duurzame goederen zoals auto of caravan; of
  • de betaling van de kosten van de huishouding, zoals voeding, boodschappen, vervoer en vakantie; of
  • de betaling van overige uit het huishouden voortvloeiende kosten, zoals verzekeringen en leningen.

 

Ten aanzien van zorg die niet tot uitdrukking komt in financiële verstrengeling:

 

  • verzorging van de huishouding, zoals schoonmaak, bewassing, koken;
  • persoonlijke verzorging bij ziekte of gebrek.

 

Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat het ondernemen van gezamenlijke activiteiten zoals het gezamenlijk op vakantie gaan, niet noodzakelijkerwijs gepaard gaat met verzorging (HR 15 juni 2012). Op gezamenlijke activiteiten, zoals het gezamenlijk afleggen van familiebezoek of op vakantie gaan, slaat de SVB daarom alleen acht als bij deze activiteiten sprake is van financiële verstrengeling of een andere vorm van zorg.

Indien ten aanzien van één of meer van de hierboven omschreven elementen zorg aanwezig is, zonder dat sprake is van een louter marginale of incidentele wederzijdse betrokkenheid, gaat de SVB ervan uit dat de betrokkenen aan het zorgcriterium voldoen. Dit is slechts anders indien sprake is van een commerciële relatie (zie SB1237 over bijzondere situatie: commerciële relatie en gezamenlijke huishouding).

relaties 11
Onweerlegbaar rechtsvermoeden (SB1006)
Beleidsregel

De AOW, Anw en Participatiewet geven een limitatieve opsomming van situaties waarin in ieder geval een gezamenlijke huishouding aanwezig geacht wordt. Dit is het geval indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:

  • zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de toepassing van de betreffende wet daarmee gelijk zijn gesteld, of
  • uit hun relatie een kind is geboren of de man een kind van de vrouw heeft erkend, of
  • zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract; of
  • zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding als bedoeld in de AOW, Anw of de Participatiewet (bijvoorbeeld de registratie als duurzame gezamenlijke huishouding op grond van de belastingwetgeving). Met betrekking tot dit laatste criterium zijn nadere regels gesteld in het Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998.

Indien zich een van deze situaties voordoet, is sprake van een onweerlegbaar rechtsvermoeden van het bestaan van een gezamenlijke huishouding. Degene die voldoet aan het hoofdverblijfcriterium én aan een van de hiervoor genoemde criteria wordt geacht een gezamenlijke huishouding te voeren zonder dat nader onderzocht behoeft te worden of wordt voldaan aan het zorgcriterium. Tegenbewijs is niet mogelijk. Betrokkene heeft alleen de gelegenheid aan te tonen dat een registratie op een administratieve vergissing berust. De gezamenlijke huishouding kan wel ten volle worden betwist, indien de SVB rekening heeft gehouden met een registratie waartegen voor de betrokkene geen rechtsmiddel open heeft gestaan (zie CRvB 7 november 2006). In de jurisprudentie is bepaald dat de in de wet genoemde criteria restrictief moeten worden uitgelegd, omdat de daarin genoemde situaties als onweerlegbaar rechtsvermoeden gelden (Pres. Rb. 's-Hertogenbosch 19 december 1996 en Pres. Rb. Amsterdam 13 juni 1997).

Met betrekking tot de vraag of zich een van de in de wet genoemde situaties voordoet en met betrekking tot de reikwijdte van het onweerlegbaar rechtsvermoeden geldt het volgende.

Een persoon wordt op grond van de tekst van de AOW dan wel de Anw geacht eerder gehuwd te zijn geweest of daarmee te zijn gelijkgesteld indien hij met dezelfde persoon gehuwd of als partner geregistreerd is geweest of indien door de SVB eerder voor de toepassing van de AOW dan wel de Anw is vastgesteld dat sprake was van een gezamenlijke huishouding met dezelfde persoon.

Op grond van jurisprudentie van de CRvB slaat de SVB slechts acht op een eerder huwelijk of een eerdere registratie in het kader van de AOW, Anw of Participatiewet als de echtscheiding respectievelijk de registratie heeft plaatsgevonden binnen twee jaar voorafgaande aan het moment waarop wordt besloten over het recht op AOW, Anw of AIO-aanvulling (CRvB 29 november 2005 respectievelijk CRvB 2 mei 2000). Indien evenwel uit het ontbonden huwelijk of de verbroken gezamenlijke huishouding een kind is geboren of een kind van de vrouw door de man is erkend, is er ongeacht de leeftijd van het kind alsnog sprake van een situatie waarin een gezamenlijke huishouding aanwezig wordt geacht (CRvB 21 maart 2006, HR 25 september 2009).

Als samenlevingscontract beschouwt de SVB een notarieel samenlevingscontract, waarin de verplichting is opgenomen financieel of anderszins bij te dragen in de gezamenlijke huishouding.

Als registratie geldt een registratie in de zin van het Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998. De SVB houdt voor de toepassing van deze bepaling geen rekening met registraties die door betrokkene betwist worden. Dit is het geval, indien betrokkene bezwaar heeft aangetekend tegen een beschikking waarin is bepaald dat hij een gezamenlijke huishouding voert en deze beschikking nog niet rechtens onaantastbaar is geworden en indien betrokkene een verzoek tot verbetering of wijziging van een registratie heeft gedaan bij de registratiehouder of een verzoek heeft ingediend bij de rechtbank tot aanpassing van de registratie.

De Remigratiewet noemt geen situaties die een onweerlegbaar rechtsvermoeden van een gezamenlijke huishouding opleveren. Indien echter sprake is van een situatie die in het kader van de AOW, Anw of Participatiewet een onweerlegbaar rechtsvermoeden oplevert, dan gaat de SVB er voor de toepassing van de Remigratiewet van uit dat een gezamenlijke huishouding bestaat.

Het bestaan van een onweerlegbaar rechtsvermoeden kan er niet toe leiden dat twee personen als gehuwd worden aangemerkt indien zij deel uitmaken van een meerpersoonshuishouding.

Grondslag

artikel 1, vijfde lid AOW, artikel 3, vierde lid Anw, artikel 3, vierde lid  Participatiewet, Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998

Besluit beleidsregels SVB 2016

Meerpersoonshuishouding (SB1007)
Beleidsregel

De gelijkstelling van personen die een gezamenlijke huishouding voeren met gehuwden vindt alleen plaats voor zover de gezamenlijke huishouding wordt gevoerd door twee meerderjarige personen. Voeren meer dan twee meerderjarige personen een gezamenlijke huishouding, dan is er sprake van een meerpersoonshuishouding en worden de betrokkenen niet aangemerkt als gehuwd.

De SVB acht een meerpersoonshuishouding in plaats van een gezamenlijke huishouding aanwezig als - ongeacht de verdere aard van de relatie - een meerderjarige ongehuwde persoon ten opzichte van twee andere meerderjarige personen voldoet aan de voorwaarden voor het voeren van een gezamenlijke huishouding. Op minderjarige personen wordt bij deze beoordeling geen acht geslagen.

Vóór de inwerkingtreding van de SVB Beleidsregels 2003 hanteerde de SVB afwijkend beleid wanneer een ouder en een meerderjarig kind het huishouden deelden met een derde persoon. In die situatie gaf het bestaan van bloedverwantschap in de eerste graad tussen de ouder en het kind aanleiding uitsluitend de relatie tussen de ouder en de derde persoon te beoordelen, zodat nimmer tot een meerpersoonshuishouding kon worden geconcludeerd. Op personen die met toepassing van deze oude regel recht op uitkering hebben verkregen krijgt het beleid dat geldt met ingang van de inwerkingtreding van de SVB Beleidsregels 2003 eerst toepassing indien:

  • de belanghebbende een daartoe strekkend verzoek indient. De uitkering of het pensioen wordt dan herzien met toepassing van de beleidsregels vervat in SB1076 over terugkomen van een rechtens onaantastbaar besluit op verzoek van de belanghebbende, tot uiterlijk de datum van inwerkingtreding van de SVB Beleidsregels 2003 (1 mei 2003), of
  • de toepassing van het nieuwe beleid bij een wijziging van de omstandigheden op een datum gelegen na inwerkingtreding van de SVB Beleidsregels 2003 leidt tot een zelfde of een hogere vaststelling van het recht op uitkering.
relaties 1
Bijzondere situatie: voortduren gezamenlijke huishouding bij (tijdelijk) verblijf elders (SB1008)
Beleidsregel

Hoewel slechts sprake is van een gezamenlijke huishouding als voldaan wordt aan het criterium van het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning, is in de rechtspraak bepaald (zie bijvoorbeeld CRvB 8 oktober 1992) dat er niet aanstonds een einde komt aan de gezamenlijke huishouding, wanneer één van de partners elders verblijft en dat verblijf kennelijk tijdelijk van aard is. Zulke tijdelijke onderbrekingen zijn bijvoorbeeld een ziekenhuisopname, vakantie en tijdelijke opname in een verpleeghuis.

Mede op grond van deze jurisprudentie heeft de SVB het volgende beleid ontwikkeld.

Als tijdelijke onderbreking geldt een periode van maximaal zes maanden. Na deze zes maanden is niet langer sprake van een gezamenlijke huishouding.

Er geldt een uitzondering als een van de partners is opgenomen in een verpleeghuis en de opname langer duurt dan zes maanden of kennelijk definitief is. In dat geval beschouwt de SVB de gezamenlijke huishouding niet zonder meer als beëindigd. Indien beide partners in deze situatie verzoeken om te worden behandeld alsof zij nog een gezamenlijke huishouding voeren, dan respecteert de SVB deze wens. De SVB honoreert dit verzoek alleen als de partners een notarieel samenlevingscontract hebben afgesloten, uit hun relatie een kind is geboren, of het eigen kind van één van de partners door de ander is erkend. De gezamenlijke huishouding eindigt echter wel als de feitelijke situatie zodanig is dat er geen financiële verstrengeling en zorg meer is, dan wel de wil tot samenleving niet meer aanwezig is. In situaties waarin nog een vorm van zorg of wederzijdse financiële verstrengeling bestaat, sluit de SVB zoveel mogelijk aan bij het beleid dat geldt voor wettig gehuwden van wie er één in een verpleeghuis is opgenomen. Zij worden op hun verzoek niet aangemerkt als duurzaam gescheiden levenden (zie SB1002 over duurzaam gescheiden leven). De SVB voert dit beleid ten aanzien van partners die een gezamenlijke huishouding voeren, omdat zij deze personen gelijk wil behandelen met gehuwden.

relaties 1
Bijzondere situatie: uitstelperiode bij de beoordeling (SB1236)
Beleidsregel

Het is mogelijk dat een onderzoek naar de leefsituatie aanleiding geeft tot het vermoeden dat sprake is van een gezamenlijke huishouding maar dat niet duidelijk is of de feiten en omstandigheden die tot dit vermoeden aanleiding geven bestendig zijn of een incidenteel karakter dragen. Bijvoorbeeld, twee personen die een eigen woning hebben, verblijven op het moment van beoordeling bij elkaar in verband met een ziekte. In dergelijke situaties kan de SVB het definitieve moment van beoordeling uitstellen naar een later gelegen datum. Voor het uitstel wordt standaard een periode van zes maanden gehanteerd, te rekenen vanaf het moment dat de SVB aan de betrokkenen het vermoeden van het bestaan van een gezamenlijke huishouding schriftelijk kenbaar heeft gemaakt. De SVB hanteert de periode van zes maanden naar analogie met de herlevingsperiode van de Anw (artikel 14, vierde lid en artikel 16, derde lid Anw).

relaties 4
Bijzondere situatie: commerciële relatie en gezamenlijke huishouding (SB1237)
Beleidsregel

Tussen twee ongehuwden die een commerciële relatie hebben, is geen sprake van een gezamenlijke huishouding. Het hebben van een commerciële relatie is uitsluitend relevant als er elementen van wederzijdse zorg aanwezig zijn. Zijn deze er niet, dan is niet voldaan aan het zorgcriterium en is geen sprake van een gezamenlijke huishouding.

Van een commerciële relatie is sprake indien twee personen zowel ten aanzien van huisvesting als ten aanzien van onderlinge zorg hun relatie op zakelijke wijze hebben vormgegeven. Dit betekent dat zowel ten aanzien van de huisvesting als ten aanzien van de zorg geen financiële verstrengeling optreedt, aangezien aan het gebruik van de woonruimte en het voeren van de huishouding een zakelijke relatie ten grondslag ligt, in die zin dat voor de te leveren prestaties een prijs is bedongen en wordt betaald. De prijs moet in verhouding staan tot de geleverde prestaties en datgene wat in het commerciële verkeer gebruikelijk is. Dit laatste veronderstelt tevens de periodieke aanpassing van de prijs. De SVB leidt voorts uit de jurisprudentie af dat alleen sprake kan zijn van een commerciële relatie als de kostganger of huurder kan beschikken over een ruimte die zich leent voor afzonderlijke, zelfstandige bewoning (CRvB 18 februari 2003 en CRvB 22 augustus 2006).

Een commerciële relatie dient door de betrokkene aan de hand van schriftelijke bewijsstukken te worden aangetoond. De SVB vereist in ieder geval een schriftelijke overeenkomst waarin de prestaties over en weer zijn omschreven. De SVB gaat ervan uit dat alleen sprake is van een commerciële relatie tussen de personen die staan vermeld op de huur- of kostgangersovereenkomst. In geval van een huwelijk geldt de overeenkomst evenwel voor beide echtgenoten, ook al is slechts een van hen in de overeenkomst opgenomen. Naast de schriftelijke overeenkomst vereist de SVB betalingsbewijzen in de vorm van bankafschriften.

Ten aanzien van de schriftelijke overeenkomst gelden de volgende voorwaarden:

  • de overeenkomst moet zijn ondertekend en gedateerd;
  • de personen tussen wie de overeenkomst geldt, moeten zijn genoemd;
  • de periode waarover de overeenkomst van toepassing is moet zijn genoemd; en
  • de te leveren prestaties en de daarvoor bedongen prijs dienen te zijn vastgelegd, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de prijs voor huisvesting en overige diensten.

 

Ten slotte stelt de SVB als voorwaarde dat de betrokkene een opgave doet van de inkomsten uit hoofde van de commerciële overeenkomst aan de Belastingdienst voor zover dit is vereist op grond van de belastingwetgeving.

Het begrip 'commerciële relatie' speelt ook een rol bij de toepassing van de kostendelersnorm. Zie in dat kader SB1292 over toepassing van de kostendelersnorm in de Anw en de Participatiewet.

Grondslag

artikel 19a, tweede lid Participatiewet, artikel 17, achtste lid Anw

Wijzigingsbesluit Beleidsregels SVB februari 2019

relaties 7
Bijzondere situatie: hulpbehoevendheid (SB1238)
Beleidsregel

In beginsel ontstaat geen recht op nabestaandenuitkering en eindigt een bestaand recht op nabestaandenuitkering, als de nabestaande een gezamenlijke huishouding voert of gaat voeren. Op dit uitgangspunt geldt een uitzondering voor het voeren van een gezamenlijke huishouding ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende (zorgrelatie). Voor de Participatiewet geldt ook een dergelijke uitzondering, omdat geen sprake is van een gezamenlijke huishouding als twee bloedverwanten in de tweede graad een gezamenlijke huishouding voeren omdat bij één van hen sprake is van een zorgbehoefte.

De SVB leidt uit de uitspraak van de CRvB van 21 mei 2014 af dat het begrip zorgbehoefte in de Participatiewet hetzelfde moet worden uitgelegd als het begrip hulpbehoevend in de zin van de Anw.

Onder een gezamenlijke huishouding ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende wordt verstaan:

  • de nabestaande die een gezamenlijke huishouding voert met een hulpbehoevende en de nabestaande of de overleden verzekerde een huishouding is gaan voeren met het doel de hulpbehoevende te gaan verzorgen; of
  • de nabestaande die hulpbehoevende is en een gezamenlijke huishouding voert met een ander en een huishouding is gaan voeren om door die ander te worden verzorgd.

Hulpbehoevende is de persoon die vanwege ziekte of een of meer stoornissen van lichamelijke, verstandelijke of geestelijke aard blijvend niet in staat is een eigen huishouding te voeren omdat hij dagelijks is aangewezen op intensieve zorg van anderen (artikel 1, onderdeel j Anw). De SVB heeft voor de toepassing van het begrip hulpbehoevende, mede op basis van de parlementaire geschiedenis, het volgende beleid vastgesteld.

Als hulpbehoevende wordt aangemerkt:

  • de persoon van wie reeds is vastgesteld dat hij vanwege ziekte of een stoornis van lichamelijke, verstandelijke of geestelijke aard in aanmerking komt voor duurzame opname in een Wlz-inrichting;
  • de persoon die vanwege ziekte of een stoornis van lichamelijke, verstandelijke of geestelijke aard duurzaam is aangewezen op dagelijkse hulp bij alle of de meeste algemene dagelijkse levensverrichtingen, of op constant toezicht teneinde mogelijk gevaar voor zichzelf of voor anderen te voorkomen.

De SVB neemt aan dat van duurzaamheid in de hierboven bedoelde zin sprake is bij een medisch stabiele of verslechterende situatie of bij een situatie waarin op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat. De SVB zoekt hiervoor aansluiting bij het duurzaamheidscriterium van artikel 4, tweede en derde lid WIA.

Er moet een causaal verband zijn tussen het gaan voeren van de gezamenlijke huishouding en de hulpbehoevendheid. Dit betekent dat betrokkenen de gezamenlijke huishouding moeten zijn gaan voeren juist vanwege de hulpbehoevendheid van een van beiden. Betrokkenen dienen dit aannemelijk te maken. Aan de hand van het medisch dossier van de hulpbehoevende moet kunnen worden vastgesteld dat de vereiste causaliteit redelijkerwijs aanwezig is op het moment dat de betrokkenen een gezamenlijke huishouding gaan voeren.

Bovenstaand beleid over hulpbehoevendheid in het kader van de Anw is van overeenkomstige toepassing voor de Participatiewet, met dien verstande dat dit uitsluitend geldt voor bloedverwanten in de tweede graad.

Ingeval een gezamenlijke huishouding wordt gevoerd ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende bestaat recht op een inkomensafhankelijke nabestaandenuitkering van 50% van het netto minimumloon. Voor personen die onder het overgangsrecht Anw vallen, geldt dat van deze uitkering een bedrag gelijk aan 30% van het bruto minimumloon vrijgesteld is van vermindering wegens inkomen. Bij een verzoek om toepassing van de regeling inzake de zorgrelatie beoordeelt de SVB de hulpbehoevendheid slechts wanneer de inkomenspositie van de uitkeringsgerechtigde van dien aard is (geworden) dat de uitkering of de verhoging (ten dele) tot uitkering zou kunnen komen. Het met ingang van 1 juli 2015 van toepassing worden van de kostendelersnorm op grond van artikel 17 Anw is niet van invloed op de hoogte van de nabestaandenuitkering in geval van hulpbehoevendheid.

Als twee bloedverwanten in de tweede graad een gezamenlijke huishouding voeren wegens zorgbehoefte van een van beiden, wordt de rechthebbende op een AIO-aanvulling aangemerkt als alleenstaande. De hoogte van zijn AIO-aanvulling is ook afhankelijk van de vraag of hij zijn hoofdverblijf deelt met een of meer kostendelende medebewoners als bedoeld in artikel 19a Participatiewet. Daarbij geldt dat de bloedverwanten in de tweede graad die een gezamenlijke huishouding voeren wegens zorgbehoefte van een van beiden in beginsel aangemerkt worden als kostendelende medebewoners. Zie SB1292 over toepassing van de kostendelersnorm in de Anw en Participatiewet voor het beleid over kostendelende medebewoners.

Grondslag

artikel 1, onderdeel j, artikel 15 eerste lid, onder d en artikel 16, eerste lid, onder  b Anw en artikel 3, tweede lid, onder a Participatiewet

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 9
Anw: opening dan wel herleving van het recht op uitkering na beëindiging van een gezamenlijke huishouding (SB1239)
Beleidsregel

Omdat het voeren van een gezamenlijke huishouding in de Anw, anders dan in de AOW en andere socialezekerheidswetten, tot gevolg heeft dat geen recht op nabestaandenuitkering ontstaat of een bestaand recht definitief eindigt dan wel wordt verminderd, zijn in artikel 14, vierde lid en artikel 16, derde lid Anw een openings- en een herlevingsbepaling opgenomen. Deze houden in dat degene die een gezamenlijke huishouding voert, gedurende zes maanden na het overlijden van de verzekerde respectievelijk na de intrekking van de nabestaandenuitkering de tijd krijgt om deze gezamenlijke huishouding te beëindigen. Indien de termijn van zes maanden leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard, dan is de SVB bevoegd een langere termijn vast te stellen (artikel 14, vijfde lid en artikel 16, vierde lid Anw).

Na beëindiging van de gezamenlijke huishouding ontstaat het recht op nabestaandenuitkering alsnog, of herleeft het recht op nabestaandenuitkering met ingang van de eerste dag van de maand waarin de gezamenlijke huishouding is beëindigd. Uit jurisprudentie van de CRvB en de Hoge Raad volgt dat de gezamenlijke huishouding alleen kan worden beëindigd doordat een van de partners een andere woning betrekt. Als men de relatie een andere, commerciële, vorm geeft dan staat het in SB1006 beschreven onweerlegbaar rechtsvermoeden eraan in de weg dat de gezamenlijke huishouding als beëindigd wordt beschouwd (CRvB 29 januari 2002 en HR 20 februari 2004). Dit betekent dat, indien de SVB een gezamenlijke huishouding heeft vastgesteld, betrokkenen deze gezamenlijke huishouding uitsluitend kunnen beëindigen door zich apart te huisvesten.

De nabestaandenuitkering van de nabestaande die voor de aanvang van de gezamenlijke huishouding recht op uitkering ontleent aan het overgangsrecht van artikel 67, eerste lid, aanhef Anw herleeft niet op grond van artikel 16, derde lid Anw, indien hij een gezamenlijke huishouding is gaan voeren en de nieuwe partner overlijdt binnen zes maanden nadat de gezamenlijke huishouding een aanvang heeft genomen. Deze nabestaande kan daarentegen in beginsel een nieuw recht op uitkering ontlenen aan de Anw. De SVB baseert deze interpretatie van de herlevingsbepaling op de samenhang tussen artikel 16, derde lid Anw en artikel 67, eerste lid, aanhef Anw. Deze uitleg is bevestigd in jurisprudentie van de CRvB (CRvB 25 april 2003 en CRvB 13 juni 2003).

Indien de SVB de uitkering met toepassing van artikel 16 Anw met terugwerkende kracht intrekt omdat een gezamenlijke huishouding is vastgesteld, vangt de termijn van een half jaar aan met ingang van de dag na bekendmaking van de primaire beschikking over het voeren van een gezamenlijke huishouding.

Betrokkene dient zich zo spoedig mogelijk na verbreking van de gezamenlijke huishouding en in beginsel vóór het verstrijken van de zesmaandentermijn bij de SVB te melden met het verzoek tot - eventueel hernieuwde - toekenning van een uitkering. De SVB onderzoekt dan of de gezamenlijke huishouding feitelijk is verbroken.

Indien de betrokkene het verzoek indient nadat de termijn van zes maanden is verlopen, is het voor de SVB moeilijker om uit directe observatie vast te stellen of de gezamenlijke huishouding tijdig is verbroken. De SVB stelt daarom in die situatie zwaardere eisen aan het door de betrokkene te leveren bewijs over het moment waarop de gezamenlijke huishouding is verbroken. De SVB is op grond van artikel 16, vierde lid Anw bevoegd af te wijken van de termijn van zes maanden indien toepassing van die termijn leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Van deze bevoegdheid maakt de SVB alleen gebruik indien de individuele omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven. Uit de toelichting van de wetgever op deze bepaling blijkt dat bijvoorbeeld kan worden gedacht aan de situatie waarin een van beide partners nieuwe woonruimte heeft gevonden, maar deze pas na de periode van zes maanden kan betrekken.

Grondslag

artikel 14, vierde en vijfde lid, artikel 16, derde lid en vierde lid en artikel 67,  eerste lid Anw

Besluit beleidsregels SVB 2016

AOW en Anw: Overgangsrecht t.a.v. de gezamenlijke huishouding (SB1240)
Beleidsregel

De gelijkstelling van het voeren van een gezamenlijke huishouding met het gehuwd zijn, is in de AOW ingevoerd op 1 januari 1987. Voor AOW-gerechtigden die vóór 1 januari 1987 recht hadden op het ongehuwdenpensioen is een overgangsbepaling vastgesteld. Deze luidt dat AOW-gerechtigden die een gezamenlijke huishouding voeren hun ongehuwdenpensioen behouden als de nieuwe wetgeving voor hen nadeliger is dan de oude wetgeving, én zij vóór 1 januari 1987 al een gezamenlijke huishouding voerden. De AOW-gerechtigde kan verzoeken om toepassing van de nieuwe wetgeving indien die voor hem voordeliger is. De overgangsmaatregel geldt zolang de AOW-gerechtigde een gezamenlijke huishouding blijft voeren met degene met wie hij dit vóór 1 januari 1987 al deed.

De SVB interpreteert het overgangsrecht zodanig dat, indien de AOW-gerechtigde met deze persoon trouwt of een gezamenlijke huishouding gaat voeren met een ander persoon, de nieuwe wetgeving van toepassing wordt.

De SVB hanteert dezelfde interpretatie ten aanzien van het overgangsrecht Anw. Indien degene die een gezamenlijke huishouding voert en op grond van het overgangsrecht Anw recht op nabestaandenuitkering behoudt, trouwt of een gezamenlijke huishouding gaat voeren met een andere persoon, wordt het recht op nabestaandenuitkering beëindigd.

Als degenen die een gezamenlijke huishouding vormen elkaars bloedverwanten in de eerste graad zijn, vindt er geen gelijkstelling met gehuwden plaats. Tot bloedverwanten in de eerste graad behoren ouders en kinderen tot wie de pensioengerechtigde in een familierechtelijke betrekking staat.

Tot 1 januari 1996 werden in de AOW ook personen die een gezamenlijke huishouding voerden met bloedverwanten in de tweede graad (grootouders, kleinkinderen, broers of zusters) niet met gehuwden gelijkgesteld. Ten aanzien van bloedverwanten in de tweede graad die op 31 december 1995 een gezamenlijke huishouding voerden en op die datum recht hadden op ouderdomspensioen, is een overgangsmaatregel getroffen; de betreffende groep pensioengerechtigden behoudt recht op een ongehuwdenpensioen. De overgangsmaatregel kent niet de mogelijkheid op verzoek van betrokkene ervan af te wijken. De wijze van toepassing van dit overgangsrecht vloeit rechtstreeks voort uit de wet.

relaties 3
Toepassing van de kostendelersnorm in de Anw en de Participatiewet (SB1292)
Beleidsregel

Door toepassing van de kostendelersnorm is de hoogte van de AIO-aanvulling of de nabestaandenuitkering afhankelijk van het aantal personen dat het hoofdverblijf heeft in dezelfde woning als de rechthebbende op een AIO-aanvulling of een nabestaandenuitkering.

Op grond van artikel 17, vijfde lid Anw heeft de nabestaande die met een of meer personen het hoofdverblijf heeft in dezelfde woning recht op een nabestaandenuitkering van 50% van het netto-minimumloon. De toepassing van de kostendelersnorm laat onverlet dat de nabestaande die een gezamenlijke huishouding voert of gaat voeren, geen recht heeft op een nabestaandenuitkering. Zie in dat verband ook SB1239 over opening dan wel herleving van het recht op nabestaandenuitkering na beëindiging van een gezamenlijke huishouding.

De hoogte van de AIO-aanvulling is afhankelijk van het aantal kostendelende medebewoners dat het hoofdverblijf heeft in dezelfde woning als de alleenstaande of de gehuwde rechthebbende(n) op een AIO-aanvulling. Op grond van artikel 22a, eerste lid Participatiewet leidt elke extra kostendelende medebewoner die het hoofdverblijf deelt met de alleenstaande of de gehuwden tot een lagere AIO-aanvulling.

Bij de beantwoording van de vraag of een uitkeringsgerechtigde met een of meer personen het hoofdverblijf heeft in dezelfde woning past SVB het beleid toe dat is beschreven in SB1004 over hoofdverblijf in dezelfde woning (hoofdverblijfcriterium).

Op grond van de artikelen 19a, eerste lid Participatiewet respectievelijk 17, zesde en zevende lid Anw, worden bepaalde categorieën personen niet gerekend tot kostendelende medebewoners of tot de personen die het hoofdverblijf delen met de nabestaande. Dit betreft de volgende personen:

  • personen jonger dan 21 jaar;
  • personen die onderwijs volgen waarvoor zij in aanmerking kunnen komen voor studiefinanciering of een tegemoetkoming op grond van de WTOS;
  • personen die een beroepsopleiding volgen (beroepsbegeleidende leerweg);
  • personen die buiten Nederland een vergelijkbaar soort onderwijs of beroepsopleiding als hiervoor bedoeld volgen;
  • personen die een commerciële relatie hebben met de nabestaande of de rechthebbende op een AIO-aanvulling.

 

De SVB past de uitzondering voor personen die onderwijs volgen als bedoeld in de artikelen 17, zevende lid, onder d Anw, respectievelijk 19a, eerste lid, onder d Participatiewet ook toe op personen die hun studie tijdelijk onderbreken wegens studieovergang of studiewijziging, mits tussen het moment van uitschrijving en inschrijving niet meer dan drie maanden zijn verstreken.

De uitzondering voor personen met een commerciële relatie geldt niet voor bloed- en aanverwanten in de eerste of tweede graad. Om die reden laat de SVB bij de toepassing van de artikelen 17, zevende lid Anw, respectievelijk 19a, eerste lid Participatiewet een commerciële relatie tussen bloed- en aanverwanten in de eerste of tweede graad buiten beschouwing.

Een commerciële relatie kan verschillende vormen aannemen. Er kan sprake zijn van:

  • een overeenkomst tussen een huurder of verhuurder en de uitkeringsgerechtigde over het gebruik van een deel van de woning; of
  • een kostgangersrelatie waarbij twee personen zowel ten aanzien van huisvesting als ten aanzien van onderlinge zorg hun relatie op zakelijke wijze hebben vormgegeven.

 

In beide gevallen geldt de voorwaarde dat er tussen de betreffende personen een schriftelijke overeenkomst moet zijn waarin een commerciële prijs is overeengekomen. Voor de vraag of aan de vereisten van een schriftelijke overeenkomst en een commerciële prijs is voldaan, past SVB het beleid toe dat is beschreven in SB1237 over bijzondere situatie: commerciële relatie en gezamenlijke huishouding.

Grondslag

artikel 17, vijfde, zesde en zevende lid Anw, artikel 19a, eerste lid, artikel 22a,  eerste en tweede lid Participatiewet

Wijzigingsbesluit Beleidsregels SVB juni 2020

Begrippen met betrekking tot kinderen

relaties 14
Eigen kinderen / adoptie / erkenning (SB1009)
Beleidsregel

Het vanaf 1 januari 2010 geldende artikel 4 AKW geeft vertaling aan jurisprudentie van de CRvB over het begrip eigen kind. Voor de Anw geldt dat deze voor het begrip eigen kind refereert aan de AKW, zodat artikel 4 AKW ook voor deze wet geldt.

In de Remigratiewet ontbreekt een definitie van het begrip eigen kind. Uit het oogpunt van een uniforme wetsuitvoering past de SVB artikel 4 AKW in het kader van de Remigratiewet naar analogie toe.

Grondslag

artikel 5, eerste lid Anw, artikel 4 AKW, artikel 1, eerste lid, onder d en derde lid  Remigratiewet

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 21
Pleegkinderen / pleegouderlijke zorg (SB1010)
Beleidsregel

Met betrekking tot het begrip pleegkind in de AKW, AOW, Anw, Participatiewet en de Remigratiewet heeft de SVB in de loop der tijd een door de jurisprudentie ondersteund beleid ontwikkeld. Hoewel de invulling van het pleegouderschap vooral in de AKW tot ontwikkeling is gekomen, gelden de uitkomsten van die ontwikkeling in beginsel ook voor de AOW, de Participatiewet en de Remigratiewet.

Ten aanzien van de Anw is de gelijke toepassing van de begrippen met betrekking tot kinderen in de AKW wettelijk geregeld. In een uitspraak van de CRvB van 15 mei 2008 is bevestigd dat daarbij eveneens aansluiting moet worden gezocht bij de Regeling gelijkstelling pleegkinderen. In zijn algemeenheid geldt dat, wil men kunnen spreken van een pleegkind, er dient te zijn voldaan aan de eis van opvoeding én onderhoud van het betrokken kind in een nauwe, exclusieve relatie tussen het kind en de verzekerde of pensioengerechtigde. Voor pleegkinderen is in de AKW geen onderhoudseis geformuleerd. Indien een pleegkind geheel wordt onderhouden, is er volgens de uitspraak van de CRvB van 19 januari 1993 geen plaats voor een onderhoudseis uitgedrukt in een minimumbedrag per week en wordt het kind geacht als eigen kind te worden onderhouden.

Onder opvoeden verstaat de SVB het bijdragen tot de verstandelijke ontwikkeling en de zedelijke, geestelijke en sociale vorming van het kind. Dit laatste veronderstelt een frequent aanwezig zijn van de verzekerde in de nabijheid van het kind. Indien de verzekerde en het betrokken kind op grote afstand van elkaar wonen, zal er blijkens de uitspraken van de CRvB van 4 maart 1987 en 4 november 1994 geen sprake kunnen zijn van een pleegkindsituatie.

Met opvoeding in een nauwe en exclusieve relatie wordt bedoeld dat het uitsluitend de pleegouders zijn die alle belangrijke beslissingen nemen die de vorming van het kind betreffen. Het gaat hierbij onder andere om religie en schoolkeuze. Uit de jurisprudentie van de CRvB (onder meer de uitspraak van 30 januari 1991) blijkt immers dat aan de opvoedingseis wordt voldaan, indien een verzekerde zich wat de opvoeding betreft, op een zodanige wijze gedraagt, dat hij de plaats van de ouders inneemt en indien er wat de opvoeding betreft tussen hem en het betrokken kind een verhouding bestaat als die tussen ouders en eigen kind. De pleegouders moeten daarom geacht worden geheel in de plaats van de ouders te zijn getreden. Indien een nog levende ouder van het kind bevoegd én in staat blijft belangrijke beslissingen te nemen, dan zal in beginsel geen pleegouderschap kunnen worden aangenomen. Dit is veelvuldig uitgemaakt in de jurisprudentie (zie onder meer de uitspraak van de CRvB 14 februari 1990). De verzekerde (verzorger van het kind) kan in een dergelijke situatie wel toezicht over het kind uitoefenen en belangrijke verantwoordelijkheid dragen, maar dit gebeurt dan niet exclusief. Zolang nog een ouder, die niet uit het ouderlijk gezag is ontzet, in leven is, wordt deze geacht nog beslissingen te nemen over de opvoeding van het kind. Indien echter de mogelijkheid tot uitoefening van het ouderlijk gezag en gebruikmaking van de ouderlijke bevoegdheden nog louter theoretisch is, staat dit er niet aan in de weg dat een ander op het punt van de opvoeding van het kind de plaats inneemt van de natuurlijke ouder(s) (zie onder meer CRvB 29 juli 1998). Met ingang van 1 april 2001 hanteert de SVB het beleid dat de beoordeling van de exclusiviteit van de opvoeding en verzorging door degene die zich als pleegouder presenteert slechts wordt getoetst aan de feitelijke situatie. Het antwoord op de vraag of er voor de eventuele eigen ouder(s) van het kind nog slechts een theoretische mogelijkheid is om zich met de opvoeding en verzorging van het kind bezig te houden, is daarbij verder niet meer van belang. Het is aan degene die zich als pleegouder presenteert om aannemelijk te maken dat de banden tussen de natuurlijke ouder en het betrokken kind (vrijwel) geheel zijn verbroken en dat daardoor de mogelijkheid is ontstaan om de opengevallen plaats van de ouder(s) in te nemen.

Blijkens de vaste jurisprudentie van de CRvB geldt het bovenstaande ook indien de gezinsvoogdij-instelling door de kinderrechter tot gezinsvoogd is benoemd (zie onder meer de uitspraak van de CRvB 3 mei 1995). Aangezien de wettelijke verantwoordelijkheid bij een Bureau Jeugdzorg of bij een andere met de voogdij belaste instelling berust, zal degene aan wie de opvoeding en verzorging van het kind is toevertrouwd het betreffende kind in beginsel niet opvoeden als eigen kind.

Indien de verzekerde krachtens een uitspraak van een Nederlandse rechter is belast met de (tijdelijke) voogdij over het betrokken kind en het kind tot diens huishouden behoort, dan wordt aangenomen dat in beginsel aan de vereisten van opvoeding en exclusiviteit is voldaan. Van dit principe wordt slechts in uitzonderlijke situaties afgeweken, bijvoorbeeld indien sprake is van voogdij over een broer of zus, waarbij er een zeer klein leeftijdsverschil is en de ouders zich daadwerkelijk met de opvoeding bemoeien dan wel daarin bijdragen (zie bijvoorbeeld CRvB 30 januari 1991).

In één situatie wordt voor het aannemen van pleegouderschap niet de eis van exclusiviteit gesteld. Dit betreft de situatie waarin een persoon die niet de eigen ouder is met toepassing van artikel 1:253t BW mede met het ouderlijk gezag over het betrokken kind is belast. Indien het kind tot het huishouden van die persoon behoort en die persoon het kind verzorgt en opvoedt, zal het kind als pleegkind worden aangemerkt, ongeacht de mate waarin de eigen ouder zich nog met de opvoeding en verzorging van het kind bezighoudt.

Ten aanzien van het recht op kinderbijslag doet zich een bijzonder feitencomplex voor bij adoptie van een kind uit het buitenland. De toekomstige ouder verneemt op een gegeven moment de personalia van het kind dat hij toegewezen krijgt. Vanaf dat moment wordt hij geacht een band met het kind te hebben en kan volgens het door de SVB gehanteerde beleid onder voorwaarden recht op kinderbijslag voor het kind als pleegkind bestaan. Dit is mede afhankelijk van de tijdsduur tussen het moment van de toewijzing of het vernemen van de personalia en het moment waarop het kind tot het huishouden van de verzekerde gaat behoren. Duurt deze periode korter dan zes maanden, dan kan het kind, mits aan de onderhoudseis wordt voldaan, voor die tijd zonder nadere eisen als pleegkind worden aangemerkt. Duurt deze periode langer dan zes maanden, dan kan het te adopteren kind voor de periode die voorafgaat aan de laatste zes maanden voordat het kind tot het huishouden van de adoptiefouders is gaan behoren toch als pleegkind worden aangemerkt indien in die periode:

 

  • de onderhoudsbijdrage werd betaald; én
  • het adoptieproces al in een onomkeerbaar stadium verkeerde, dat wil zeggen dat het kind al was toegewezen en geaccepteerd; én
  • de adoptiefouders contact hadden met het kind; én
  • de adoptiefouders invloed konden uitoefenen op de verblijfplaats en/of de opleiding van het kind.

 

Als geen sprake is van opvoeding in een nauwe en exclusieve relatie, kan een kind met een pleegkind worden gelijkgesteld als wordt voldaan aan de vereisten gesteld in de Regeling gelijkstelling pleegkinderen. Op grond van die regeling kan een kind met een pleegkind worden gelijkgesteld indien onder meer aan de voorwaarde wordt voldaan dat het kind door de verzekerde wordt onderhouden als ware het een eigen kind. De SVB hanteert ten aanzien van deze voorwaarde het beleid dat daaraan in ieder geval niet wordt voldaan als een derde, bijvoorbeeld een voogdij- of zorginstelling, bijdraagt aan het onderhoud van het kind, tenzij de derde deze bijdrage ook zou leveren in geval het kind nog ten minste een levende ouder heeft die niet uit het ouderlijk gezag is ontzet. De SVB baseert deze uitleg op jurisprudentie van de CRvB (CRvB 20 augustus 2010).

Grondslag

artikel 1, negende lid AOW, artikel 1, onder f, artikel 3, achtste lid, artikel 5, lid  1 Anw, artikel 4 AKW, artikel 1 Regeling gelijkstelling pleegkinderen, artikel 1, eerste  lid, onder d en derde lid Remigratiewet

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 8
Aangehuwde kinderen (SB1011)
Beleidsregel

Onder aangehuwd kind van de gerechtigde verstaat de SVB in elk geval het eigen kind van de huwelijkspartner van de gerechtigde dat door die huwelijkspartner in het huwelijk is ingebracht.

Daarnaast merkt de SVB in het kader van de AOW, Anw en Participatiewet als aangehuwd kind van de gerechtigde aan, het eigen kind van de partner van de gerechtigde dat door die partner in een niet-huwelijkse relatie is ingebracht. Dit is het geval indien de gerechtigde en diens partner als partner geregistreerd zijn in de zin van boek 1, titel 5a BW.

Omdat in de AOW, de Anw, de Participatiewet en de Remigratiewet het voeren van een gezamenlijke huishouding gelijk wordt gesteld met gehuwd zijn, beschouwt de SVB voor de toepassing van deze wetten eveneens als aangehuwde kinderen de kinderen van de partner met wie een gezamenlijke huishouding wordt gevoerd. Aangezien in de AKW de begrippen huwelijk, gehuwde of echtgenoot niet voorkomen, ontbreekt in de AKW een bepaling op grond waarvan een geregistreerd partnerschap of het voeren van een gezamenlijke huishouding gelijk worden gesteld met gehuwd zijn. Uit het oogpunt van een congruente wetstoepassing, beschouwt de SVB niettemin ook voor de toepassing van de AKW als aangehuwde kinderen de kinderen van de geregistreerde partner of de partner met wie een gezamenlijke huishouding wordt gevoerd als beschreven in SB1003 over een gezamenlijke huishouding voeren.

In geval van ontbinding van het huwelijk of beëindiging van het geregistreerd partnerschap of de gezamenlijke huishouding blijft een aangehuwd kind, ongeacht de reden van ontbinding of beëindiging, voor de toepassing van de AOW, Anw, AKW en Participatiewet de status van aangehuwd kind behouden.

Op grond van een arrest van de HR van 31 januari 1968 merkt de SVB schoonzoons of schoondochters niet aan als aangehuwde kinderen.

Grondslag

artikel 1, achtste lid AOW, artikel 3, zevende lid, artikel 5, eerste lid Anw, artikel  4 AKW, artikel 3, zevende lid Participatiewet, artikel 1, eerste lid, onder d  Remigratiewet

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 6
Ouderloos (SB1013)
Beleidsregel

Artikel 26 Anw opent het recht op wezenuitkering voor het kind dat door het overlijden van een verzekerde ouder ouderloos is geworden. Onder ouderloos wordt in de rechtspraak verstaan de situatie dat niemand het juridisch ouderschap op grond van het Nederlands burgerlijk recht meer heeft over het kind. Hieruit leidt de SVB af dat door het overlijden van pleeg- of stiefouders een kind niet ouderloos kan worden in de zin van de Anw.

Grondslag

artikel 1, onder f, artikel 9, artikel 26, eerste lid, artikel 27, eerste lid, onder b,  en artikel 28, derde lid Anw

Besluit beleidsregels SVB 2016

Tot het huishouden behoren
relaties 12
Tot het huishouden behoren (SB1014)
Beleidsregel

Het begrip huishouden is in de Anw en AKW niet gedefinieerd. De SVB heeft op grond van de jurisprudentie de volgende beleidslijn ontwikkeld. Het begrip ziet op het bestaan van een gezinseenheid, waarbij zowel het element van gezamenlijk wonen als aspecten van sociale, economische en educatieve binding in onderlinge samenhang een rol kunnen spelen. Het begrip huishouden is niet beperkt tot de situatie waarin gehuwde personen of personen tussen wie een familierechtelijke relatie bestaat, samenleven. Ook wanneer tussen personen geen huwelijkse of familierechtelijke relatie bestaat kunnen deze personen een huishouden vormen (zie onder andere de uitspraak van de CRvB van 6 december 1985).

Blijkens vaste jurisprudentie van de CRvB ziet het begrip huishouden op de feitelijke situatie van het samenwonen. Daarbij wordt als hoofdregel gehanteerd dat van één huishouden sprake kan zijn indien de te beoordelen persoon op dezelfde plaats woont als waar zijn overige gezinsleden wonen. Bij twijfel of hiervan sprake is wordt een persoon geacht daar te wonen waar hij het merendeel van de voor de nachtrust bestemde tijd doorbrengt (ten minste vier nachten per week).

In uitzonderingsgevallen kan een persoon meer huishoudens hebben, bijvoorbeeld in het geval van meerdere huwelijken, maar dit zal ondubbelzinnig moeten blijken (zie onder meer de uitspraak van de CRvB van 15 juni 1988).

Met betrekking tot gedetineerden voert de SVB het volgende beleid. Als een verzekerde is gedetineerd en zijn kind is in een ander huishouden ondergebracht, dan behoort het kind tot het huishouden van een ander. Als een verzekerde korter dan zes maanden is gedetineerd en hij een huishouden achterlaat dat in stand blijft, dan wordt het kind geacht tot zijn huishouden te behoren. Bij bepaalde penitentiaire inrichtingen bestaat de mogelijkheid om het kind bij de vrouwelijke gedetineerde te laten verblijven. In dat geval blijft het kind tot haar huishouden behoren.

In sommige gevallen is niet op voorhand duidelijk tot welk huishouden een kind behoort. In dat geval hanteert de SVB het criterium dat het kind behoort tot het huishouden waar het merendeel van de voor de nachtrust bestemde tijd doorbrengt (minimaal vier nachten per week). Bestaat er evenwel een opgelegde of overeengekomen regeling betreffende opvoeding en verblijf van het kind, dan acht de SVB hetgeen daarover in de betrokken regeling is geregeld doorslaggevend (zie ook de uitspraak van de CRvB van 29 mei 1991, alsmede SB1096 over kinderbijslagbetaling bij gescheiden huishoudens; echtscheiding en co-ouderschap).

Een kind wordt ook geacht tot een huishouden te behoren wanneer het daar normaal deel van uitmaakt maar tijdelijk - bijvoorbeeld vanwege vakantie of opname in een inrichting of ziekenhuis - elders verblijft. De SVB beschouwt een verblijf van het kind in een inrichting of ziekenhuis als tijdelijk indien dit verblijf naar verwachting niet langer dan zes maanden zal duren. Als de opname onvoorzien langer duurt dan zes maanden, dan wordt het kind na afloop van die periode niet meer geacht tot het huishouden te behoren. Is al bij aanvang van de opname bekend dat het verblijf langer dan zes maanden zal duren dan wordt het kind vanaf de eerste dag geacht niet meer tot het huishouden te behoren.

Een verblijf van het kind in een instelling vanwege detentie of een verplichte of vrijwillige uithuisplaatsing beschouwt de SVB niet als tijdelijk, ongeacht of dit verblijf korter of langer dan zes maanden duurt. Het kind wordt dan niet geacht tot het huishouden te behoren. Een uitzondering geldt als sprake is van een crisisplaatsing van maximaal een maand. In dat geval wordt het kind wel geacht tot het huishouden te blijven behoren.

In de situatie waarin een kind wordt vermist of is ontvoerd zal niet meteen duidelijk zijn of het kind heeft opgehouden te behoren tot het huishouden van de kinderbijslaggerechtigde. De SVB hanteert in dat geval het beleid dat het kind geacht wordt tot het huishouden van de gerechtigde te behoren tot zes maanden na de dag van vermissing dan wel ontvoering. Indien na zes maanden nog geen duidelijkheid is verkregen over de verblijfplaats van het kind, beëindigt de SVB het recht op kinderbijslag.

Het recht op nabestaandenuitkering kan afhankelijk zijn van de voorwaarde dat een kind niet tot het huishouden van een ander behoort (artikel 14, eerste lid, onder a Anw). Als het kind tot het huishouden behoort van de nabestaande dan is in ieder geval aan deze voorwaarde voldaan. De vraag of het kind tevens behoort tot een ander huishouden - dit kan bij co-ouderschap (zie SB1096 over kinderbijslagbetaling bij gescheiden huishoudens; echtscheiding en co-ouderschap) - is in dat geval niet relevant. Dit blijkt uit de uitspraak van de CRvB van 28 november 2003.

Als een kind niet als eigen, aangehuwd of pleegkind tot het huishouden van de verzekerde of nabestaande behoort, kan bij de toepassing van de AKW en Anw de vraag rijzen of een kind zelfstandig woont dan wel of het al dan niet behoort tot het huishouden van een ander. Ter beantwoording van deze vraag hanteert de SVB het volgende beleid. Kinderen vanaf 16 jaar worden in ieder geval geacht zelfstandig te wonen, indien zij:

 

  • op kamers bij een hospita wonen:
  • samenwonen of;
  • over zelfstandige woonruimte beschikken.

 

Ook kinderen jonger dan 16 jaar kunnen zelfstandig wonen. Bij de vraag of dit het geval is wordt door de SVB niet zonder meer teruggevallen op de hierboven geformuleerde criteria, maar wordt afzonderlijk onderzoek ingesteld naar de omstandigheden van het geval.

Een kind wordt in ieder geval geacht tot het huishouden van een ander te behoren indien het kind woont bij:

 

  • familie;
  • de ex-echtgenoot van de verzekerde;
  • de echtgenoot van de verzekerde, waarmee de verzekerde geen huishouden (meer) vormt;
  • een gastgezin.

 

Grondslag

artikel 14, leden 1 en 3 Anw, artikel 7, leden 1 en 6 en artikel 7a, eerste lid  AKW

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 9
Huishouden in het buitenland bij verblijf in Nederland (SB1015)
Beleidsregel

Op de algemene regel dat het huishouden ziet op de feitelijke situatie van samenwonen is een uitzondering mogelijk als een verzekerde naar Nederland is gekomen en zijn gezin in het land van herkomst woont. De verzekerde kan in dat geval met zijn gezin nog één huishouden blijven vormen. Ter beoordeling van de vraag of in de bedoelde situatie sprake is van één huishouden hanteert de SVB het volgende beleid.

Indien een verzekerde naar Nederland is gekomen en zijn gezin in het land van herkomst woont, kan hij één huishouden blijven vormen met zijn gezin indien zijn binding met het land van herkomst zo sterk is dat hij geacht kan worden daar te lande woonplaats te houden. Hij dient dan tevens een voortdurende band met zijn gezin te onderhouden, hetgeen moet blijken uit regelmatige contacten. Indien aan deze voorwaarden niet of niet langer wordt voldaan, dan is sprake van een 'breuk' in het huishouden en worden de verzekerde en zijn gezin niet geacht één huishouden te vormen. De vraag of het hem kan worden verweten dat een breuk met zijn huishouden is opgetreden kan bij de beoordeling van de desbetreffende feiten en omstandigheden geen rol spelen (zie hiervoor onder meer de uitspraak van de CRvB van 19 juli 2000).

Aan het voortbestaan van het huishouden komt een einde op het moment dat de verzekerde als ingezetene van Nederland kan worden aangemerkt. Vanaf dat moment staat de sterke binding met Nederland eraan in de weg om ook nog woonplaats in het land van herkomst aan te nemen. Op deze regel bestaan twee uitzonderingen.

  • Een breuk wordt geacht niet te hebben plaatsgevonden indien de verzekerde een aanvraag om gezinshereniging heeft ingediend vóór het moment waarop hij als ingezetene van Nederland wordt aangemerkt. In deze situatie is de beslissing op de aanvraag bepalend voor de vraag of het huishouden blijft voortbestaan. Indien afwijzend op de aanvraag wordt beslist, wordt een breuk in het huishouden aangenomen vanaf het moment waarop deze beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.
  • De tweede uitzondering wordt gevormd door de situatie waarin de verzekerde volgens de maatstaven van de toepasselijke bepalingen uit de AOW, de Anw en de AKW en het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2013 zowel in Nederland als in een ander land woont. Deze uitzondering is niet aan de orde indien met toepassing van de criteria neergelegd in artikel 11, eerste lid Verordening (EG) nr. 987/2009 wordt geconstateerd dat de verzekerde zijn woonplaats in Nederland heeft.

In deze uitzonderingssituaties kan niettemin een breuk in het huishouden optreden indien betrokkene niet langer regelmatige contacten met zijn gezin onderhoudt.

Aparte vermelding verdient de situatie van de asielzoeker die zijn gezin achterlaat in zijn land van herkomst zonder het voornemen daarnaar nog terug te keren. In een dergelijke situatie wordt volgens de jurisprudentie van de CRvB (zie onder meer de uitspraken van 16 september 1987, 7 december 1988, 27 oktober 1999 en 5 september 2003) een breuk geacht niet te zijn opgetreden indien betrokkene spoedig na zijn aankomst in Nederland de nodige - reële kansen biedende - stappen tot gezinshereniging heeft ondernomen. De SVB hanteert hierbij het uitgangspunt dat stappen tot gezinshereniging spoedig zijn genomen als deze binnen zes maanden na aankomst in Nederland zijn ondernomen.

Indien een breuk in het huishouden is opgetreden, kan het huishouden weer 'herleven' indien betrokkene de nodige stappen onderneemt tot gezinshereniging. In deze situatie wordt één huishouden aangenomen vanaf het moment dat op de aanvraag om gezinshereniging in begunstigende zin is beslist. Als vervolgens niet binnen twaalf maanden daadwerkelijk gezinshereniging plaatsvindt, treedt wederom een breuk in het huishouden op.

Wet- en regelgeving
Onderwijs in de zin van de Leerplichtwet 1969
relaties 5
Onderwijs van kinderen in Nederland (SB1016)
Beleidsregel

Op grond van de Leerplichtwet 1969 zijn kinderen verplicht onderwijs te volgen tot zij een startkwalificatie hebben verkregen, door het behalen van een diploma op havo, vwo of mbo2-niveau.

Voor kinderen van 16 jaar of 17 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald, bestaat uitsluitend recht op kinderbijslag of wezenuitkering als zij voldoen aan de verplichtingen van de Leerplichtwet 1969.

Het toezicht op de naleving van de Leerplichtwet 1969 wordt uitgeoefend door leerplichtambtenaren. Op grond van artikel 7, derde lid AKW en artikel 26, zesde lid, Anw meldt de leerplichtambtenaar aan de SVB wanneer een kind niet voldoet aan de verplichtingen van de Leerplichtwet 1969. De SVB gaat er daarom van uit dat een kind aan de verplichtingen uit de Leerplichtwet 1969 voldoet, tenzij de leerplichtambtenaar de SVB meedeelt dat dit niet het geval is. In dat geval beëindigt de SVB het recht op kinderbijslag of wezenuitkering. Dit recht herleeft met ingang van het kwartaal respectievelijk de maand waarin het kind naar het oordeel van de leerplichtambtenaar opnieuw aan de verplichtingen voldoet.

Voor een kind van 16 of 17 jaar dat een startkwalificatie heeft behaald, gelden voor het recht op kinderbijslag geen nadere voorwaarden ten aanzien van de tijdbesteding van het kind. Een wees van 16 of 17 jaar die een startkwalificatie heeft behaald, kan recht hebben op een wezenuitkering als hij een vervolgstudie volgt. Een wees van 18 jaar of ouder maar jonger dan 21 jaar die een vervolgstudie volgt, kan ook recht hebben op een wezenuitkering. Deze wees hoeft geen startkwalificatie te hebben behaald.

Voor een nadere invulling van het begrip vervolgstudie sluit de SVB aan bij de artikelen 4a en 4c van de Leerplichtwet 1969. Het kind moet zijn ingeschreven bij een school of instelling die volledig dagonderwijs verzorgt (of een bij wet geregelde combinatie van leren en werken die ook een volledige dag beslaat) en het kind moet de school geregeld bezoeken. Ten aanzien van deze laatste voorwaarde sluit de SVB aan bij het bepaalde in artikel 21 van de Leerplichtwet 1969. Dit betekent dat het kind een school niet geregeld bezoekt als het gedurende een periode van vier weken 16 uren les- of praktijkles zonder geoorloofde reden afwezig is. Als geoorloofde reden worden bijvoorbeeld de volgende omstandigheden beschouwd: ziekte van het kind, sluiting van de school, of tijdelijke ontzegging van de toegang tot de school bij wijze van tuchtmaatregel.

Grondslag

artikel 26, tweede lid Anw, artikel 7, tweede lid onder a, b en c en derde lid, onder a  sub i

Wijzigingsbesluit Beleidsregels SVB Mei 2021

Onderwijs van kinderen in het buitenland (SB1293)
Beleidsregel

Kinderen die in het buitenland wonen, vallen niet onder de Leerplichtwet 1969. Daarom onderzoekt de SVB of kinderen van 16 of 17 jaar die in het buitenland wonen, voldoen aan de volgende aan de Leerplichtwet 1969 ontleende verplichtingen:

  • ingeschreven zijn bij een school of instelling met een inschrijvings- en verzuimadministratie,
  • een opleiding volgen die leidt tot het behalen van een startkwalificatie,
  • de school geregeld bezoeken, en
  • volledig dagonderwijs of een combinatie van leren en werken volgen.

De SVB gaat ervan uit dat met een opleiding een startkwalificatie kan worden behaald als de opleiding voldoet aan de volgende criteria:

  • deskundige begeleiding of toezicht door de onderwijsinstelling;
  • voorbereidend op enig examen, resulterend in een diploma of getuigschrift;
  • de mogelijkheid tot het beroepsmatig verrichten van activiteiten overeenkomstig de opleiding;

De SVB merkt algemeen vormend onderwijs dat wordt afgesloten met een examen resulterend in een diploma of getuigschrift en dat toegang geeft tot vervolgonderwijs of dat als minimumvereiste geldt voor een functie of beroep, aan als onderwijs waarmee een startkwalificatie kan worden behaald.

De SVB beschouwt praktische lessen of werkzaamheden als opleiding voor zover deze een verplicht karakter hebben en een integrerend onderdeel van het theoretische onderwijs vormen.

Ten aanzien van de voorwaarde dat een kind de school of instelling regelmatig bezoekt, sluit de SVB aan bij het bepaalde in artikel 21 van de Leerplichtwet 1969 zoals beschreven in SB1016 over onderwijs van kinderen in Nederland. Als het onderwijs niet aan de bovenstaande criteria voldoet, maar dient als noodzakelijke voorbereiding op ander onderwijs dat wel aan de criteria voldoet, merkt de SVB deze vooropleiding ook aan als onderwijs waarmee een startkwalificatie kan worden behaald.

Als een kind van 16 of 17 jaar geen startkwalificatie heeft behaald en evenmin onderwijs volgt dat voldoet aan de hiervoor genoemde voorwaarden kan recht op kinderbijslag of wezenuitkering bestaan als:

  • het in het bezit is van een getuigschrift of schooldiploma praktijkonderwijs;
  • het als zeer moeilijk lerend of meervoudig gehandicapt kind het speciaal onderwijs heeft bezocht;
  • zich een situatie voordoet die overeenkomt met een van de gronden waaronder de leerplichtambtenaar ingevolge de Leerplichtwet 1969 vrijstelling kan verlenen van de verplichting om ingeschreven te staan bij een school of instelling.

De SVB beoordeelt aan de hand van de feiten en omstandigheden van het individuele geval of betrokkene zich op een van deze gronden kan beroepen.

Voor een kind van 16 of 17 jaar dat een startkwalificatie heeft behaald of in het buitenland een opleiding heeft afgerond die gelijkgesteld wordt met het behalen van een startkwalificatie, gelden voor het recht op kinderbijslag geen nadere voorwaarden ten aanzien van de tijdbesteding van het kind. Als dit kind een wees is, kan recht op een wezenuitkering bestaan als de wees een vervolgstudie volgt. Een wees van 18 jaar of ouder maar jonger dan 21 jaar die een vervolgstudie volgt, kan ook recht hebben op een wezenuitkering. Deze wees hoeft geen startkwalificatie te hebben behaald. Of sprake is van een vervolgstudie beoordeelt de SVB aan de hand van de criteria die gelden voor een vervolgstudie in Nederland (zie SB1016 over onderwijs voor kinderen in Nederland).

relaties 2
Tijdelijke onderbreking van het onderwijs (SB1294)
Beleidsregel

Het kan voorkomen dat een kind het volgen van onderwijs tijdelijk onderbreekt. De SVB beoordeelt of hiervan sprake is bij:

  • kinderen van 16 of 17 jaar die in het buitenland wonen; en
  • wezen die recht hebben op een wezenuitkering omdat zij een vervolgstudie doen.

De SVB leidt uit de jurisprudentie af dat bij een tijdelijke onderbreking van de opleiding, veroorzaakt door bijvoorbeeld studie-overgang of ziekte, het kind nog geacht wordt onderwijs te volgen (zie bijvoorbeeld CRvB 27 augustus 1986 en CRvB 25 juli 1990). De SVB beschouwt een onderbreking van de studie als tijdelijk als die minder dan zes maanden duurt en de opleiding zowel voor als na de onderbreking recht op kinderbijslag of wezenuitkering kan geven.

relaties 5

Arbeidsongeschiktheid (SB1018)

Beleidsregel

Op grond van de Anw bestaat recht op Anw-uitkering indien iemand arbeidsongeschikt is. Voor de formulering van het arbeidsongeschiktheidscriterium in de Anw heeft de wetgever aangesloten bij het arbeidsongeschiktheidscriterium van de arbeidsongeschiktheidswetten, zoals vervat in onder meer artikel 18, eerste lid WAO. Uit jurisprudentie volgt voorts dat de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de Anw moet worden gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek overeenkomstig de vereisten van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Stb. 2000, 307). Tevens dient, evenals bij de arbeidsongeschiktheidswetten, de onderzoeksmethode die wordt gebruikt bij de Anw betrouwbaar, objectief, toetsbaar, consistent en reproduceerbaar te zijn.

Ten aanzien van de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de Anw, hanteert de SVB de volgende beleidslijn. Indien een persoon op grond van de WIA, de WAO, de WAZ of de Wet WAJONG voor minimaal 45% arbeidsongeschikt is verklaard, volgt de SVB dit oordeel. Hiervan wordt slechts afgeweken indien er concrete aanwijzingen of vermoedens bestaan dat de mate van arbeidsongeschiktheid niet of niet langer juist is voor het bepalen van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de Anw. In dat geval verricht de SVB een eigen keuring. De SVB verricht tevens een eigen keuring als een persoon niet eerder is gekeurd of als de persoon die arbeidsongeschikt is in de zin van de WIA, de WAO, de WAZ of de Wet WAJONG daarom vraagt.

Als de SVB een eigen keuring verricht, vergelijkt de SVB de resterende verdiencapaciteit van de nabestaande met het inkomen per uur dat gezonde personen, als genoemd in artikel 11 Anw, met arbeid gewoonlijk verdienen (het zogenoemde maatmaninkomen). Indien de nabestaande op de dag bedoeld in artikel 14, eerste lid, onder b Anw ten minste 2 jaar geen inkomen uit beroepswerkzaamheden heeft ontvangen of geen loongerelateerde socialeverzekeringsuitkering heeft genoten, gebruikt de SVB het wettelijk minimumuurloon als maatmaninkomen.

Grondslag

artikel 11, artikel 14, eerste lid, onder b en artikel 26, tweede lid, onder b  Anw

Besluit beleidsregels SVB 2016

Nabestaande en pseudo-nabestaande

relaties 3
Nabestaande (SB1019)
Beleidsregel

De SVB leidt uit de jurisprudentie af dat een persoon niet als nabestaande wordt aangemerkt indien hij meerdere echtgenotes heeft en één van zijn echtgenotes overlijdt (zie CRvB 12 oktober 1994).

Grondslag

artikel 1, onder d Anw

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 2
Pseudo-nabestaande (SB1020)
Beleidsregel

Op grond van de Anw kan een man of vrouw ook recht op nabestaandenuitkering ontlenen aan het overlijden van een verzekerde met wie hij of zij op het moment van overlijden niet langer was gehuwd. Betrokkene kan in dergelijke situaties slechts recht hebben op een nabestaandenuitkering indien hij onmiddellijk voorafgaand aan het overlijden van de ex-echtgenoot krachtens rechterlijke uitspraak, een notarieel verleden overeenkomst of een mede door een advocaat ondertekende akte, recht had op alimentatie van deze ex-echtgenoot op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. De SVB interpreteert artikel 4 Anw zo dat indien de juridische verplichting tot het betalen van alimentatie ten tijde van het overlijden bestond, niet van belang is of feitelijke betaling van de alimentatie plaatsvond.

De verplichting tot het verschaffen van levensonderhoud moet krachtens artikel 4 Anw tot stand zijn gekomen door tussenkomst van de rechter of een bij de echtscheiding betrokken advocaat. Deze voorwaarde wordt blijkens de wetsgeschiedenis vooral gehanteerd om te verzekeren dat de alimentatie-overeenkomst niet onder misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen. Aan dit uitgangspunt kan echter eveneens zijn voldaan als bij de echtscheiding gebruik is gemaakt van bepaalde vormen van alternatieve geschillenbeslechting zoals mediation. De SVB hanteert daarom het beleid dat aan de voorwaarden gesteld in artikel 4, onder b Anw wordt geacht te zijn voldaan, indien sprake is van een schriftelijke alimentatie-overeenkomst die ten tijde van de echtscheiding tot stand is gekomen in een met voldoende waarborgen omklede procedure. Een alimentatie-overeenkomst die tot stand is gekomen door bemiddeling van een bij het Nederlands Mediation Instituut geaccrediteerde bemiddelaar wordt daarom door de SVB aangemerkt als een alimentatie-overeenkomst zoals bedoeld in artikel 4, onder b Anw.

Indien een alimentatieverplichting is opgelegd naar buitenlands recht, hanteert de SVB als beleid dat de buitenlandse alimentatie wordt gelijkgesteld aan een verplichting tot levensonderhoud zoals bedoeld in Boek 1 van het BW als de vereisten voor en de rechtsgevolgen van de buitenlandse rechtsfiguur overeenkomen met die van hun Nederlandse equivalent.

Voor de toepassing van artikel 4 Anw worden (voormalig) ongehuwd samenwonenden niet met gehuwden gelijkgesteld.

Artikel 4, onder c Anw stelt aan het recht op uitkering voor een pseudo-nabestaande de nadere voorwaarde dat deze slechts recht op een nabestaandenuitkering kan doen gelden indien hij recht op een nabestaandenuitkering zou hebben gehad als de ex-echtgenoot op de datum van de echtscheiding was overleden. Uit de jurisprudentie van de CRvB blijkt dat deze voorwaarde zo moet worden verstaan dat indien zich na de datum van echtscheiding een situatie voordoet die aanleiding geeft tot het intrekken van een nabestaandenuitkering, de pseudo-nabestaande nadien geen recht op uitkering kan ontlenen aan het overlijden van de ex-echtgenoot. Dit is slechts anders indien de intrekkingsgrond zou zijn gelegen in het voeren van een gezamenlijke huishouding en deze gezamenlijke huishouding binnen zes maanden na aanvang is verbroken.

De hoogte van de nabestaandenuitkering waarop een nabestaande op grond van artikel 4 Anw aanspraak kan maken, is gerelateerd aan de hoogte van de alimentatieverplichting op het moment van overlijden. Indien de alimentatie gelijk aan of hoger was dan de maximale bruto nabestaandenuitkering, bestaat in beginsel recht op de maximale bruto nabestaandenuitkering. Bij een alimentatie die lager was dan de maximale bruto nabestaandenuitkering, wordt het recht op de nabestaandenuitkering uitgedrukt in een percentage dat overeenstemt met de verhouding waarin de laatst ontvangen alimentatie tot de maximale bruto nabestaandenuitkering stond.

Met betrekking tot de duur van het recht op een nabestaandenuitkering op grond van deze bepaling heeft de SVB als beleidslijn vastgesteld dat deze wordt bepaald door de verdere voorwaarden van de Anw en dus niet samenhangt met de looptijd van de oorspronkelijke alimentatieverplichtingen.

Wet- en regelgeving

Kring van verzekerden

relaties 14

Algemeen (SB1021)

Beleidsregel

De kring van verplicht verzekerden voor de AOW, de Anw en de AKW wordt gevormd door ingezetenen van Nederland, door niet-ingezetenen die hier te lande in loondienst werken en op grond daarvan aan de loonbelasting zijn onderworpen, en door niet-ingezetenen die in Nederland als zelfstandige werken. Sinds 1 juli 1998 (de datum van inwerkingtreding van de Koppelingswet) is op grond van artikel 6, tweede lid AOW, artikel 13, tweede lid Anw en artikel 6, tweede lid AKW niet verzekerd de vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijft in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000. Het gaat hier om de vreemdeling die niet onvoorwaardelijk tot Nederland is toegelaten.

Op deze regels zijn uitzonderingen geformuleerd in het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (KB 746). In dit besluit is aan de SVB in artikel 24 de discretionaire bevoegdheid gegeven om in geval van onbillijkheden van overwegende aard van de in het besluit gestelde regels af te wijken.

Ten aanzien van de kring van verzekerden moet worden opgemerkt, dat de nationaalrechtelijke situatie sterk bepaald wordt door het internationale recht, met name Verordening (EG) nr. 883/2004 en bilaterale verdragen. Indien de verordening of een verdrag van toepassing is, wordt de verzekeringspositie van de betrokkene bij voorrang op grond daarvan bepaald. Slechts indien geen internationaal instrument toepasselijk is, wordt de verzekeringspositie uitsluitend beoordeeld op basis van de nationaalrechtelijke bepalingen.

De beleidsregels die betrekking hebben op internationaal recht, zijn opgenomen in het deel Internationaal.

Grondslag

artikel 2 (oud), 2, 3, 6 en 6a AOW, artikel 6, 7, 13 en 13a Anw, artikel 2, 3, 6 en 6a  AKW, artikel 9 KB 746, artikel 8 Vreemdelingenwet 2000

Besluit beleidsregels SVB 2016

Ingezetene / wonen

relaties 15
Ingezetene / wonen (SB1022)
Beleidsregel

Op basis van artikel 6, eerste lid, onder a van de AOW en AKW, en artikel 13, eerste lid, onder a van de Anw is een ingezetene verplicht verzekerd, behoudens als hij niet onvoorwaardelijk tot Nederland is toegelaten, dan wel als er sprake is van één van de uitzonderingen opgesomd in KB 746. Ingezetene is degene die in Nederland woont (artikel 2 AOW en AKW en artikel 6 Anw). Waar iemand woont of waar een lichaam gevestigd is, wordt naar de omstandigheden beoordeeld (artikel 3 AOW en AKW en artikel 7 Anw).

Bij de beoordeling van het ingezetenschap steunt de SVB in de praktijk sterk op de basisregistratie personen (BRP). De SVB kan echter periodes van ingezetenschap aannemen die afwijken van de BRP-indicatie. De SVB verricht nader onderzoek als zij over aanwijzingen beschikt die duiden op een van de BRP-indicatie afwijkende situatie of wanneer de betrokkene daar uitdrukkelijk om verzoekt. Daarbij hanteert de SVB het volgende beleid, dat is ontwikkeld op grond van omvangrijke jurisprudentie.

Een persoon wordt geacht in Nederland te wonen als tussen hem en Nederland een duurzame band van persoonlijke aard bestaat. Of sprake is van zulk een band, moet worden beoordeeld aan de hand van alle in aanmerking komende feiten en omstandigheden van het geval (HR 21 januari 2011 en HR 4 maart 2011). Objectieve en subjectieve factoren als woon- en werkomgeving, gezin, financiën en inschrijving in het bevolkingsregister worden tegen elkaar afgewogen om tot een eindoordeel te komen; er wordt niet beslist op basis van één factor, het onderlinge verband van factoren is doorslaggevend.

Uit de jurisprudentie blijkt voorts dat de wil van een betrokkene om in Nederland te wonen van belang kan zijn. De intentie dient echter te worden beoordeeld aan de hand van het gedrag en dient te blijken uit de feiten en omstandigheden. Op de intentie van een betrokkene wordt geen acht geslagen als deze niet objectief kan worden vastgesteld. Evenmin komt aan de intentie enig belang toe als deze niet kan worden verwezenlijkt. Het enkele voornemen zich in Nederland te vestigen vormt op zichzelf nimmer een afdoende omstandigheid voor het aannemen van ingezetenschap (HR 17 januari 1996).

Een factor waarop de SVB in het bijzonder acht slaat is de duurzaamheid van het verblijf in Nederland of elders. Voor zover de verdere feiten en omstandigheden geen uitsluitsel geven over de woonplaats van een betrokkene past de SVB daarom naar analogie de beleidsregels toe ten aanzien van het verlies van ingezetenschap na vertrek uit Nederland (zie SB1027 over einde verplichte verzekering na vertrek uit Nederland).

Uit het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2013 volgt dat de mogelijkheid bestaat dat iemand volgens de maatstaven van de toepasselijke bepalingen uit de AOW, de Anw en de AKW zowel in Nederland als in een ander land woont, al zal dat zich slechts in uitzonderlijke gevallen voordoen. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 mei 2013 in de zaak Wencel blijkt echter dat de mogelijkheid om in twee landen te wonen zich niet voordoet bij toepassing van het Unierecht. Het Hof heeft in dat verband verklaard dat, wanneer de rechtspositie van een persoon kan vallen onder de wetgeving van meerdere lidstaten, het begrip 'lidstaat waar een persoon woont' doelt op de lidstaat waar de betrokkene zijn normale woonplaats heeft en waar zich ook het gewone centrum van zijn belangen bevindt. Bij toepassing van het Unierecht geeft de SVB daarom onverkorte toepassing aan de jurisprudentie van het Hof van Justitie en de daaraan ontleende criteria neergelegd in artikel 11, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 987/2009.

Grondslag

artikel 2, artikel 3 en artikel 6, eerste lid, onder a, en tweede lid AOW en AKW,  artikel 6, artikel 7 en artikel 13 Anw, KB 746

Wijzigingsbesluit Beleidsregels SVB september 2019

relaties 1
Band met Nederland (SB1273)
Beleidsregel

Bij het onderzoek naar de duurzame band van persoonlijke aard van een betrokkene met Nederland is onder meer de wijze waarop hij voorziet in zijn onderhoud van belang. Ingeval een betrokkene in loondienst of als zelfstandige in Nederland werkt, zal er veelal sprake zijn van een sterke band. In een dergelijke situatie zal in combinatie met andere factoren gemakkelijker ingezetenschap kunnen worden aangenomen. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de uitspraak van de CRvB van 19 december 1985.

Bij de beoordeling van de band met Nederland slaat de SVB voorts bijvoorbeeld acht op de volgende feiten en omstandigheden:

  • de plaats waar het gezinsleven van de betrokkene zich afspeelt;
  • het naar school gaan in Nederland door de kinderen;
  • het volgen van onderwijs gericht op integratie of participatie op de arbeidsmarkt;
  • politieke, culturele en/of andere activiteiten (bijvoorbeeld aangesloten zijn bij een politieke partij, een sportvereniging, een kerk, moskee of tempel);
  • de aanwezigheid van een in Nederland wonend familielid dat reeds geruime tijd in Nederland woont en/of werkt;
  • aanwijzingen die erop duiden dat de betrokkene binnen afzienbare tijd of in de toekomst Nederland zal verlaten en zich elders zal vestigen.
Duurzame woning (SB1274)
Beleidsregel

Hoewel de vraag waar iemand woont, moet worden beantwoord aan de hand van alle relevante feiten en omstandigheden, blijkt uit de jurisprudentie dat aan het kunnen beschikken over een duurzame woning veel belang toekomt.

Uit de jurisprudentie blijkt dat een woning als duurzaam moet worden beschouwd als de woning permanent ter beschikking staat van de belanghebbende en door hem te allen tijde kan worden betrokken. Het is niet van belang of een belanghebbende de woning in eigendom heeft of huurt. Wel moet duidelijk zijn dat de woning niet slechts bedoeld is voor korte verblijven, zoals in geval van een vakantiewoning, een pied à terre voor zakelijk gebruik, studie en dergelijke.

Van een duurzame woning kan ook sprake zijn als de belanghebbende daar enige tijd niet verblijft. Het is in dat geval voldoende indien hij de woning permanent ter beschikking houdt en de intentie heeft daarnaar terug te keren. Het achterlaten van het aanwezige meubilair in een woning kan deze intentie tot uitdrukking brengen.

relaties 5
Invloed van nationaliteit en vreemdelingenrecht (SB1023)
Beleidsregel

Of tussen een persoon en Nederland een duurzame band van persoonlijke aard bestaat, kan mede worden afgeleid uit de verblijfsrechtelijk status in de zin van de Vreemdelingenwet 2000. De duurzame band tussen een vreemdeling en Nederland is immers groter naarmate de zekerheid op voortgezet verblijf in Nederland die een vreemdeling aan zijn verblijfstitel kan ontlenen, groter is. Voor het bestaan van een duurzame band van persoonlijke aard acht de SVB daarom van belang of de belanghebbende beschikt over een verblijfstitel voor bepaalde (artikelen 14 en 28 Vw 2000) of voor onbepaalde tijd (artikelen 20 en 33 Vw 2000). Hierbij hanteert de SVB het volgende beleid.

Indien de belanghebbende in het bezit is van een vergunning voor onbepaalde tijd neemt de SVB in het algemeen ingezetenschap aan. Als iemand een vergunning voor bepaalde tijd heeft, dan kan dit, bezien in het licht van de overige van belang zijnde omstandigheden, bijdragen tot de conclusie dat hij in Nederland woont. Als iemand (nog) niet beschikt over een vergunning tot verblijf bestaat in beginsel geen zekerheid op voortgezet verblijf in Nederland. In een dergelijke situatie kan een gerealiseerde verblijfsduur van drie jaar in Nederland echter een positieve aanwijzing vormen voor het aannemen van ingezetenschap.

Van verzekering op grond van ingezetenschap is pas sprake vanaf het moment dat de belanghebbende rechtmatig in Nederland verblijft. Wordt een vergunning tot verblijf verleend met terugwerkende kracht dan neemt de SVB met terugwerkende kracht verzekering aan tot het moment waarop het ingezetenschap is ontstaan; de verzekering kan echter niet ingaan voor de ingangsdatum van de vergunning.

Ten aanzien van een persoon met de Nederlandse nationaliteit of een in Nederland verblijvende vreemdeling die op grond van EU-recht beschikt over een materieel verblijfsrecht, slaat de SVB met name acht op de nationaliteit van de belanghebbende als de overige feiten en omstandigheden geen uitsluitsel bieden over de vraag of deze persoon in Nederland of elders woont. De SVB wenst hiermee te vermijden dat een persoon als ingezetene wordt aangemerkt uitsluitend wegens het bestaan van een juridische band met Nederland (HR 17 januari 1996).

Grondslag

artikel 14, 20, 28 en 33 Vreemdelingenwet 2000

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 2
Einde verplichte verzekering na vertrek uit Nederland (SB1027)
Beleidsregel

Indien een ingezetene uit Nederland vertrekt, heeft dit niet altijd tot gevolg dat de verzekering direct eindigt omdat als uitgangspunt geldt dat de band met Nederland, na vertrek naar het buitenland, slechts geleidelijk verdwijnt (zie bijvoorbeeld CRvB 15 juni 1994 en 22 juni 1994). Of de band met Nederland verbroken is, stelt de SVB vast op basis van het totaalbeeld van de feiten, waaruit in het concrete geval moet blijken of de betrokkene zijn woonplaats in Nederland heeft opgegeven. De SVB beoordeelt dit aan de hand van dezelfde criteria als die welke gelden voor ingezetenschap in Nederland (Zie SB1022 over ingezetene en wonen).

In dit verband onderscheidt de SVB drie situaties:

  • Betrokkene vertrekt uit Nederland met het voornemen om zich definitief in een ander land te vestigen. In dat geval geldt dat het ingezetenschap eindigt op de datum volgend op die van het feitelijk vertrek uit Nederland. Of het vertrek een definitief karakter heeft, moet blijken uit het totaal beeld van alle relevante omstandigheden.
  • Betrokkene heeft het voornemen om minder dan een jaar buiten Nederland te verblijven. In die situatie geldt dat het ingezetenschap niet eindigt, mits het - voorgenomen - verblijf buitenslands bedoeld is tijdelijk te zijn. Of sprake is van een tijdelijk verblijf buiten Nederland van minder dan een jaar moet blijken uit het totaalbeeld van alle relevante omstandigheden.
  • Betrokkene heeft het voornemen om langer dan een jaar buiten Nederland te verblijven en het vertrek heeft geen definitief karakter.

In de laatste situatie geldt als uitgangspunt dat naarmate betrokkene langer buiten Nederland verblijft het waarschijnlijk is dat de band met Nederland minder sterk wordt. In gevallen waarin het onderzoek naar de feitelijke omstandigheden niet leidt tot de conclusie dat sprake is van een definitief verblijf in het buitenland beschouwt de SVB betrokkene het eerste jaar na het feitelijk vertrek uit Nederland (nog) als ingezetene. Na dat jaar beschouwt de SVB het ingezetenschap als geëindigd, tenzij betrokkene zelf aantoont dat de feitelijke omstandigheden het (voorlopig) handhaven van het ingezetenschap rechtvaardigen. Als drie jaar zijn verlopen na de datum van vertrek uit Nederland, beschouwt de SVB het ingezetenschap zonder meer als geëindigd. De periode van verblijf buiten Nederland heeft dan zo lang geduurd, dat betrokkene niet langer geacht wordt een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland te hebben. Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen maakt de SVB op deze regel een uitzondering.

Indien met toepassing van voorgaande beleidsregels op de datum van vertrek uit Nederland vaststaat dat het ingezetenschap verloren zal gaan, dan merkt de SVB - ongeacht de vraag of de belanghebbende het voornemen heeft zich permanent in het buitenland te vestigen - het vertrek uit Nederland direct als definitief aan.

Indien vreemdelingen naar het buitenland vertrekken, kan dit al eerder dan na ommekomst van de genoemde termijnen negatieve gevolgen hebben voor de verblijfstitel. Indien de verblijfstitel komt te vervallen kan de vreemdeling sinds 1 juli 1998 niet meer op grond van ingezetenschap verzekerd zijn.

relaties 10
Uitsluiting van verzekering op grond van de verblijfsstatus (SB1029)
Beleidsregel

Op grond van de AOW, Anw en AKW is een vreemdeling niet verzekerd als hij niet rechtmatig in Nederland verblijft in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l van de Vreemdelingenwet 2000. Een vreemdeling verblijft rechtmatig in Nederland in de zin van deze bepaling als hij:

  • over een geldige verblijfstitel beschikt; of
  • zijn verblijfsrecht rechtstreeks aan het Unierecht ontleent.

 

De SVB stelt een vreemdeling die zonder verblijfstitel in de BRP is opgenomen in de gelegenheid om op andere wijze aan te tonen dat hij desondanks rechtmatig in Nederland verblijft in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l van de Vreemdelingenwet 2000. Dit kan door een vaststelling van de IND of door bewijs te leveren van een rechtstreeks aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht. Slaagt de vreemdeling daarin niet of reageert hij niet binnen de door de SVB gestelde termijn, dan gaat de SVB ervan uit dat hij niet rechtmatig in Nederland verblijft.

Onderdanen van de Europese Unie, de Europese Economische Ruimte en Zwitserland hebben op grond van Europese regels een rechtstreeks verblijfsrecht in Nederland. Bij deze personen neemt de SVB aan dat pas sprake is van onrechtmatig verblijf vanaf het moment dat dit door de IND is vastgesteld en bij besluit bekend is gemaakt. Dit volgt uit de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 19 maart 2013 en 20 januari 2015.

Uit het arrest Ruiz Zambrano volgt dat een staatsburger van een derde land met een kind met de Nederlandse nationaliteit een recht op verblijf in Nederland kan ontlenen aan artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Dit is het geval als de weigering van het verblijfsrecht van deze ouder tot gevolg zou hebben dat het kind feitelijk wordt verplicht om Nederland en de Unie als geheel te verlaten. Uit het arrest Chavez-Vilchez volgt dat hiervan sprake is als deze ouder zorg- en opvoedingstaken verricht jegens het kind. Als hij geen zorg- en opvoedingstaken verricht, vraagt de SVB de IND om advies over de mate waarin het kind afhankelijk is van deze ouder alvorens te beslissen over de vraag of de ouder recht op verblijf ontleent aan het Unierecht.

relaties 8

Verzekering op grond van werken (SB1030)

Beleidsregel

Behalve ingezetenen zijn verzekerd personen die niet in Nederland wonen maar wel in Nederland werkzaam zijn. Enerzijds gaat het om de persoon die arbeid verricht in dienstbetrekking en op grond daarvan onderworpen is aan de loonbelasting. Onder het begrip dienstbetrekking vallen zowel een publiekrechtelijke als een privaatrechtelijke arbeidsverhouding. De SVB leidt uit de jurisprudentie af dat geen eisen mogen worden gesteld aan de omvang van de dienstbetrekking (vergelijk HvJ EG 3 mei 1990 en HR 12 juni 1991). Een vreemdeling kan alleen verzekerd zijn op grond van het verrichten van arbeid in loondienst als deze arbeid wordt verricht in overeenstemming met de Wet arbeid vreemdelingen. Anderzijds gaat het om de niet-ingezetene die in Nederland werkt als zelfstandige. Deze persoon is verzekerd als hij winst (daaronder mede begrepen negatieve winst) uit Nederlandse onderneming geniet als bedoeld in artikel 7.2, tweede lid, onder a Wet op de Inkomstenbelasting 2001.

Binnen de groep van personen die verzekerd is op basis van werken zijn er personen die in Nederland verblijven, maar van wie (nog) niet gezegd kan worden dat zij naar de omstandigheden beoordeeld in Nederland wonen en dus (nog) niet verzekerd zijn op basis van ingezetenschap. In een dergelijke situatie kan de verzekeringsgrond na verloop van tijd wijzigen. Indien bepaalde signalen wijzen op verzekering op grond van ingezetenschap stelt de SVB hiernaar een onderzoek in en wordt zo nodig de verzekeringsgrond aangepast. Na een periode van drie jaar onderzoekt de SVB welke verzekeringsgrond de meest aangewezen is, waarbij ten aanzien van onvoorwaardelijk tot Nederland toegelaten vreemdelingen als uitgangspunt geldt dat na drie jaar veelal sprake zal zijn van verzekering op grond van ingezetenschap, tenzij er aanwijzingen zijn die op het tegendeel wijzen.

Het kan voorkomen dat een persoon in het verleden in Nederland arbeid heeft verricht maar daarvan geen bewijs meer voorhanden heeft. In beginsel leidt dit ertoe dat geen verzekering op grond van werken kan worden aangenomen. Als vaststaat dat de betrokken persoon in Nederland verbleef en hij geloofwaardig verklaart arbeid te hebben verricht, maar ter zake van deze arbeid geen bewijs meer kan worden verkregen, neemt de SVB wel aan dat er sprake is geweest van verzekering op grond van werken als aannemelijk is dat hij met zijn verblijf tot doel had arbeid in dienstbetrekking te verrichten.

Grondslag

artikel 6, eerste lid, onder b AOW en AKW, artikel 13, eerste lid, onder b Anw en  artikel 9 KB 746

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 4

Voortzetting van het recht op kinderbijslag (SB1040)

Beleidsregel

Tot 1 januari 2000 konden personen met langlopende socialezekerheidsuitkeringen verplicht verzekerd zijn voor de volksverzekeringen ingevolge de achtereenvolgende besluiten uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen. De verzekeringspositie van deze personen was laatstelijk geregeld in artikel 26 van KB 746. Met ingang van 1 januari 2000 is die bepaling komen te vervallen en geldt als hoofdregel dat personen met langlopende socialezekerheidsuitkeringen niet verzekerd zijn voor de volksverzekeringen indien zij in het buitenland wonen. De wetgever heeft een uitzondering gemaakt voor personen die vóór 1 januari 2000 verzekerd waren ingevolge artikel 26 en op die grond recht op kinderbijslag hadden. Deze uitzondering was vervat in artikel 27 van KB 746. Sedert 1 januari 2006 is deze overgangsregel voortgezet in artikel 7c AKW, welke materieel gelijk is aan artikel 27 van KB 746. Met deze bepalingen wordt de volgende rechtssituatie verwoord. Teneinde vanaf 1 januari 2000 recht te hebben op kinderbijslag dient de persoon genoemd in artikel 7c AKW op 31 december 1999 verzekerd te zijn geweest ingevolge artikel 26 én dient hij in het vierde kwartaal van 1999 recht te hebben gehad op kinderbijslag voor een kind dat jonger was dan 18 jaar. Aan deze voorwaarde is voldaan indien een persoon in genoemd kwartaal voldeed aan de materiële voorwaarden die gelden voor het recht op kinderbijslag. Het is niet vereist dat aan deze persoon op basis van een aanvraag daadwerkelijk kinderbijslag is toegekend over het vierde kwartaal van 1999. Dit blijkt uit een arrest van de HR van 8 april 2011. Indien een persoon wel verzekerd was in het kwartaal voorafgaande aan 1 januari 2000 maar geen recht op kinderbijslag kon doen gelden, bijvoorbeeld omdat zijn kind eerst na 1 oktober 1999 is geboren of omdat hij voor het vierde kwartaal anderszins geen recht had op kinderbijslag, voldoet hij niet aan de voorwaarden gesteld in artikel 27 en is hij met ingang van 1 januari 2000 niet verzekerd voor de AKW. Ditzelfde geldt voor de persoon die in het vierde kwartaal van 1999 wel recht had op kinderbijslag voor een kind dat jonger was dan 18 jaar, maar op 31 december 1999 niet verplicht verzekerd was ingevolge artikel 26 van KB 746.

Indien een persoon voldoet aan de voorwaarden van artikel 7c AKW, dan heeft hij voor al zijn kinderen recht op kinderbijslag mits aan de voorwaarden voor het recht op kinderbijslag wordt voldaan. Dit geldt ook ten aanzien van kinderen voor wie hij in het vierde kwartaal 1999 geen recht op kinderbijslag kon doen gelden, bijvoorbeeld omdat zij nog niet geboren waren.

Op grond van artikel 27 werd de voortgezette verzekering beëindigd indien:

  • de verzekerde persoon niet langer voldoet aan de voorwaarden voor de verzekering vervat in artikel 26 zoals die bepaling luidde vóór 1 januari 2000 (het beleid ter zake van dat artikel is terug te vinden in de Beleidsregels SVB 1999); of
  • indien het (jongste) kind waarvoor in het vierde kwartaal van 1999 kinderbijslag werd genoten, de leeftijd van 18 jaar bereikt.

Artikel 27 KB 746 stelde niet als eis dat voor het kind waarvoor in het vierde kwartaal van 1999 recht op kinderbijslag heeft bestaan, bij voortduring recht blijft bestaan. Indien derhalve na 31 december 1999 in enig kwartaal geen recht op kinderbijslag bestond voor dat kind, bijvoorbeeld omdat het uitwonend was en niet aan de onderhoudseis werd voldaan, kon in een later kwartaal weer recht op kinderbijslag voor dat kind ontstaan.

Grondslag

artikel 7c AKW, artikel 26 en 27 KB 746

Besluit beleidsregels SVB 2016

Uitbreiding en beperking kring van verzekerden

Uitbreiding en beperking kring van verzekerden (SB1031)
Beleidsregel

De artikelen 6, derde lid AOW en AKW en 13, derde lid Anw bevatten de grondslag om bij algemene maatregel van bestuur de kring van verzekerden voor de volksverzekeringen uit te breiden en te beperken. Dit is laatstelijk gebeurd in het besluit van 24 december 1998 (KB 746). Dit KB is in werking getreden op 1 januari 1999 en is van belang voor de beoordeling van de verzekering over tijdvakken vanaf die datum. Met betrekking tot tijdvakken gelegen vóór 1 januari 1999 zijn de aan KB 746 voorafgaande besluiten kring verzekerden volksverzekeringen van belang. De SVB heeft beleid vastgesteld over de opeenvolgende besluiten KB 557,KB 164 en KB 746. KB 557 gold in de periode van 1 oktober 1976 tot 1 juli 1989 en KB 164 gold in de periode 1 juli 1989 tot 1 januari 1999.

Beoordeling verzekering over tijdvakken vóór 1 januari 1999
relaties 5
Vrouwen waarvan de echtgenoot van de kring der verzekerden is uitgesloten (SB1032)
Beleidsregel

De gehuwde vrouw waarvan de echtgenoot was uitgesloten van verzekering, bijvoorbeeld in verband met grensarbeid, werd op grond van artikel 2, eerste lid, onder j van KB 557, zoals deze bepaling laatstelijk luidde, gedurende de niet verzekerde tijdvakken van haar echtgenoot uitgesloten van verzekering ingevolge de volksverzekeringswetten. Deze bepaling van KB 557 is ingetrokken met ingang van 1 april 1985, maar de SVB laat deze bepaling op grond van een arrest van de HR van 26 augustus 1998 buiten toepassing met ingang van 1 januari 1980.

Op 1 januari 2002 is artikel 13a aan de AOW toegevoegd. Op grond van die bepaling mogen niet langer kortingen uit hoofde van de hiervoor aangeduide KB-bepaling worden toegepast bij de berekening van het AOW-pensioen van de gehuwde vrouw. Dit geldt eveneens ten aanzien van de toeslag op het ouderdomspensioen ten behoeve van de gehuwde vrouw.

In internationale situaties kan de hoogte van een Anw-uitkering afhankelijk zijn van de duur van de verzekering in Nederland (pro-rata uitkering), zodat de hiervoor beschreven uitsluiting van verzekering van de gehuwde vrouw bij haar overlijden leidt tot een lagere uitkering voor de nabestaande wegens het ontbreken van een met artikel 13a AOW vergelijkbare bepaling in de Anw. Voor de Anw kunnen echter wel rechten worden ontleend aan het arrest Wessels-Bergervoet van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 4 juni 2002. Naar aanleiding van dit arrest en latere jurisprudentie (zie bijvoorbeeld CRvB 11 mei 2007) neemt de SVB de betreffende tijdvakken in aanmerking als tijdvakken van verzekering in Nederland bij een pro rata nabestaandenuitkering. Dit betekent dat de SVB geen korting uit hoofde van artikel 2, eerste lid, onder j van KB 557 toepast.

Grondslag

artikel 2, eerste lid, onder j KB 557 (zoals deze tekst luidde voor 1 april 1985),

artikel 13a AOW

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 4
Ingezetenen die een buitenlandse uitkering ontvangen (SB1033)
Beleidsregel

De ingezetene die ingevolge een buitenlandse wettelijke regeling een uitkering wegens ouderdom, overlijden of arbeidsongeschiktheid ontvangt, is uitgezonderd van de verzekering ingevolge de Nederlandse volksverzekeringen indien hij 'verzekerd blijft' op grond van de buitenlandse wettelijke regeling. Uit de jurisprudentie (zie HR 2 juli 1986, CRvB 13 maart 1996 en 27 maart 1996) leidt de SVB het volgende af.

Betrokkene wordt geacht aan deze voorwaarde te voldoen indien hij uit hoofde van zijn aanspraak ingevolge het buitenlandse stelsel van sociale verzekering, van dat stelsel een bescherming ondervindt die naar aard en omvang op één lijn is te stellen met de bescherming die de Nederlandse volksverzekeringen bieden. Dat wil zeggen dat het geheel van aanspraken dat betrokkene aan die buitenlandse sociale verzekering ontleent, zich naar aard en omvang niet wezenlijk onderscheidt van het geheel van aanspraken dat hij zou hebben als verzekerde krachtens de volksverzekeringen. De beoordeling of hiervan sprake is, is feitelijk van aard. Er wordt nauwgezet nagegaan of het buitenlandse verzekeringspakket zowel wat de dekking van het verzekerde risico als wat de reikwijdte en de hoogte van de te verlenen prestaties betreft, overeenkomt met het Nederlandse verzekeringspakket. Een vergelijking van de aard en de omvang van de uitkering die betrokkene op het moment van de beoordeling geniet, blijft evenwel achterwege.

In voorkomende gevallen wordt bovenstaande uitleg van het begrip 'verzekerd blijven krachtens een buitenlandse wettelijke regeling' analoog toegepast op de uitsluitingsgronden in de onderdelen a, b, e en g van artikel 2, eerste lid KB 557.

Grondslag

artikel 2, eerste lid, onder c KB 557

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 3
Personeel van volkenrechtelijke organisaties en hun gezinsleden (SB1034)
Beleidsregel

Personeel in dienst van een volkenrechtelijke organisatie is in beginsel niet verzekerd voor de volksverzekeringen. Hierbij kan worden onderscheiden tussen personeel dat buiten Nederland arbeid verricht (dit was van de verzekering uitgesloten op grond van artikel 10 van KB 164) en personeel dat in Nederland arbeid verricht (dit was uitgesloten op grond van artikel 13 van KB 164). Artikel 13, derde lid, van KB 164 voorzag in uitsluiting van gezinsleden van in Nederland werkend personeel. Gezinsleden van buiten Nederland werkend personeel werden niet uitgesloten van de verzekering voor de volksverzekeringen. Om te voorkomen dat de gezinsleden van in Nederland werkend personeel minder gunstig worden behandeld dan de gezinsleden van buiten Nederland werkend personeel, geeft de SVB alleen toepassing aan artikel 13, derde lid KB 164 indien de zetelovereenkomst tussen de volkenrechtelijke organisatie en Nederland tot de uitsluiting van de gezinsleden dwingt. In alle andere gevallen gaat de SVB, in afwijking van de tekst van KB 164, uit van de verzekering van de gezinsleden. Met deze beleidsregel sluit de SVB aan bij de voorwaarden vervat in artikel 14, derde lid KB 746. De SVB leidt uit de jurisprudentie af dat deze beleidsregel uitsluitend ziet op de toepassing van KB 164 en niet geldt voor perioden gelegen voor de inwerkingtreding van dat besluit (zie CRvB 16 oktober 2015).

relaties 9
Personen die niet geacht kunnen worden blijvend binnen het Rijk te wonen (SB1295)
Beleidsregel

Tot 1 januari 1965 bepaalde artikel 6, tweede lid AOW dat personen die voor in Nederland verrichte arbeid wedde of loon genieten ten laste van een andere mogendheid, uitgesloten zijn van de verzekering voor de AOW onder de voorwaarde dat zij niet geacht kunnen worden blijvend binnen het Rijk te wonen. Eenzelfde regeling was voor het personeel van volkenrechtelijke organisaties opgenomen in de opeenvolgende Besluiten over de uitbreiding en beperking van de kring van verzekerden voor de volksverzekeringen. Het "niet geacht kunnen worden blijvend binnen het Rijk te wonen" is tevens als voorwaarde gehanteerd voor de uitsluiting van de verzekering van personen bedoeld in een aantal Besluiten aanwijzing volkenrechtelijke organisaties alsmede in enkele besluiten van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

De SVB neemt aan dat aan het criterium "niet geacht kunnen worden blijvend binnen het Rijk te wonen" is voldaan als een persoon, komend vanuit het buitenland, in Nederland arbeid is gaan verrichten waarvoor hij beloond is door een vreemde mogendheid en ter zake van die arbeid onder de pensioenregeling van die mogendheid valt. Voor medewerkers van volkenrechtelijke organisaties of van door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangeduide private bedrijven neemt de SVB aan dat het criterium wordt voldaan zolang de pensioenregeling van de volkenrechtelijke organisatie dan wel de private werkgever van toepassing is gebleven.

De SVB leidt deze uitleg van het criterium "niet geacht kunnen worden blijvend binnen het Rijk te wonen" af uit de wetsgeschiedenis bij artikel 6, eerste lid, onder c AOW zoals dit artikel luidde tot 1 januari 1965 over personen die door de Nederlandse overheid zijn uitgezonden en wedde of loon genieten ten laste van het Rijk. Uit de toelichting op die bepaling blijkt dat de wetgever van oordeel is dat een dergelijke persoon zich blijvend buiten Nederland heeft gevestigd vanaf het moment dat hij niet langer onder de in Nederland geldende ambtelijke pensioenregeling valt.

Grondslag

artikel 6, eerste en tweede lid AOW (zoals de tekst luidde tot 1 januari 1965), artikel  2, onder e en f KB 624, artikel 2, onder e en f KB 230, artikel 2, onder e en f KB 24,  artikel 2, eerste lid, onder h KB 575, artikel 2, eerste lid, onder h KB 557, artikel 1,  onder b, Besluit aanwijzing volkenrechtelijke organisaties 1967, artikel 1, onder b, Besluit  aanwijzing volkenrechtelijke organisaties 1971, artikel 2 Besluit aanwijzing  volkenrechtelijke organisaties 1980

Besluit beleidsregels SVB 2016

Beoordeling verzekering over tijdvakken vanaf 1 januari 1999
relaties 1
Tijdelijke onderbreking van arbeid in Nederland (SB1332)
Beleidsregel

Artikel 6 KB746 bepaalt dat de niet-ingezetene die uitsluitend in Nederland arbeid verricht, verzekerd blijft voor de volksverzekeringen als de arbeid tijdelijk wordt onderbroken wegens ziekte, gebreken, zwangerschap, bevalling, werkloosheid, staking, verlof of uitsluiting. De SVB leidt uit de toelichting op artikel 6 KB746 af dat een onderbreking van de arbeid in beginsel slechts tijdelijk is, als het de bedoeling is dat de werkzaamheden weer zullen worden hervat. Als de betrokkene direct voorafgaand aan het einde van het dienstverband zijn resterend, op basis van verrichte werkzaamheden opgebouwd, betaald verlof opneemt dan merkt de SVB dit eveneens aan als een tijdelijke onderbreking van de arbeid.

Als de arbeid tijdelijk wordt onderbroken vanwege een periode van onbetaald verlof, beschouwt de SVB de betrokkene verzekerd zolang de verzekering voor de werkloosheidswet doorloopt. De cumulatieve voorwaarden die worden genoemd in SB2263 over tijdvakken op grond van Verordening (EG) nr. 883/2004 zijn hierop van overeenkomstige toepassing.

Wet- en regelgeving
relaties 4
Wonen in Nederland, werken buiten Nederland (SB1035)
Beleidsregel

Artikel 12, eerste lid, KB 746 bepaalt dat personen die langer dan drie maanden buiten Nederland werken voor een in Nederland gevestigde werkgever verzekerd blijven voor de volksverzekeringen. Voorwaarde is dat men in Nederland woont. Uit het beleid van de SVB over de territoriale werking van Verordening (EG) nr. 883/2004 volgt dat, indien de betrokkene onmiddellijk voorafgaand aan het werken buiten Nederland in Nederland verzekerd was, het wonen in een andere lidstaat van de EU of de EER of het wonen in Zwitserland gelijkgesteld moet worden met het wonen in Nederland.

Het komt voor dat een persoon beurtelings in en buiten Nederland werkt en tussenliggende perioden van kort verlof geniet. Bij de beoordeling of er ten aanzien van een dergelijke persoon sprake is van een aaneengesloten periode van arbeid buiten Nederland van ten minste drie maanden hanteert de SVB inzake verlofperiodes de volgende beleidsregel. Uitgangspunt is dat een periode van verlof die wordt genoten in aansluiting op een periode van werken, wordt toegerekend aan de direct voorafgaande werkperiode. Indien het verlof evenwel wordt genoten in aansluiting op een periode van werken buiten Nederland die korter is dan drie maanden, en de werknemer direct na de betreffende verlofperiode weer in Nederland gaat werken, wordt het verlof niet toegerekend aan de buitenlandse werkperiode.

Op grond van het arrest van de HR van 17 december 1997 acht de SVB artikel 12 van KB 746 mede van toepassing op zeevarenden die in Nederland wonen en varen in dienst van een buiten Nederland gevestigde werkgever.

De SVB interpreteert het begrip 'arbeid' in de zin van artikel 12 op gelijke wijze als het begrip arbeid zoals werd bedoeld in artikel 22 van de (ingetrokken) Wet op de inkomstenbelasting 1964. Hieronder vallen zowel arbeid in dienstbetrekking als buiten een dergelijk verband verrichte werkzaamheden. In de belastingrechtspraak zijn daarbij als voorwaarden gesteld dat de arbeid moet zijn verricht in het economisch verkeer en dat met de arbeid het verkrijgen van enig geldelijk voordeel moet zijn beoogd of volgens de in het maatschappelijk verkeer geldende regelen redelijkerwijs moet kunnen worden verwacht. De SVB hanteert deze interpretatie van het begrip 'arbeid' eveneens ten aanzien van de overige bepalingen uit KB 746 waarin het begrip wordt genoemd of beleidsmatig toepassing verkrijgt.

relaties 1
Personeel van diplomatieke zendingen en consulaire posten (SB1036)
Beleidsregel

Met ingang van 1 september 1984 werden de buitenlandse leden van het administratieve, technische en bedienend personeel van diplomatieke of consulaire ambtenaren of posten van een vreemde mogendheid verzekerd geacht indien zij duurzaam in Nederland verbleven (artikel 2, lid 1 onder f KB 557). Met ingang van 1 augustus 1987 heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken de interpretatie van het begrip 'duurzaam verblijf' aangescherpt, waarbij aan de leden van het personeel die reeds vóór 1 augustus 1987 in Nederland werkzaam waren is toegezegd dat geen verandering in hun verzekeringspositie zou optreden. Teneinde aan deze toezegging tegemoet te komen, heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken aan personen op wie artikel 13, derde lid van toepassing is, de mogelijkheid geboden vóór 15 december 1999 te kiezen tussen verzekering en niet-verzekering. Het beleid van de SVB is de door deze personen gemaakte keuzes te respecteren zodat degenen die kenbaar hebben gemaakt verplicht verzekerd te willen zijn, door de SVB als verplicht verzekerd worden aangemerkt.

Grondslag

artikel 13, derde lid, KB 746

Besluit beleidsregels SVB 2016

Wet- en regelgeving
relaties 2
Tijdelijk in Nederland studerenden (SB1037)
Beleidsregel

Uit de toelichting op KB 746 blijkt dat van studie in de zin van artikel 20 sprake is indien de voor werkzaamheden beschikbare tijd grotendeels in beslag wordt genomen door het volgen van onderwijs of van een beroepsopleiding. Aan deze voorwaarde wordt volgens beleid van de SVB voldaan als meer dan de helft van de voor werkzaamheden beschikbare tijd, berekend op basis van een 38-urige werkweek, besteed wordt aan onderwijs of een beroepsopleiding. Voor de toepassing van artikel 20 KB 746 is volgens de SVB sprake van onderwijs of een beroepsopleiding wanneer is voldaan aan de volgende criteria:

  • deskundige begeleiding of toezicht door de onderwijsinstelling;
  • voorbereidend op enig examen, resulterend in een diploma of getuigschrift;
  • de mogelijkheid tot het beroepsmatig verrichten van activiteiten overeenkomstig de opleiding.

Praktische lessen of werkzaamheden worden als opleiding beschouwd voor zover deze een verplicht karakter hebben en een integrerend onderdeel van de theoretische opleiding vormen. Als het onderwijs niet aan de bovenstaande criteria voldoet, maar dient als noodzakelijke voorbereiding op ander onderwijs dat wel aan de criteria voldoet, wordt deze vooropleiding ook als onderwijs aangemerkt. Voor de beoordeling van het aantal uren dat wordt besteed aan het volgen van onderwijs worden schooluren, huiswerkuren alsmede de reistijd in verband met het volgen van het onderwijs in aanmerking genomen.

Indien een persoon 19 uren of meer per week studeert, dient te worden bezien of de reden waarom de persoon in Nederland verblijft uitsluitend bestaat uit het volgen van onderwijs. Een persoon wordt in ieder geval niet geacht uitsluitend wegens studieredenen in Nederland te wonen indien hij arbeid gaat verrichten, met uitzondering van arbeid ten behoeve van de studie zoals een stage. Tot deze regel concludeert de SVB naar analogie van artikel 8 van KB 746, waarin het verrichten van arbeid in het buitenland leidt tot beëindiging van de verzekering van tijdelijk buiten Nederland studerende personen. In die bepaling - waarvan artikel 20 het spiegelbeeld vormt - wordt geen voorwaarde gesteld aan de omvang van de arbeid.

Grondslag

artikel 8 en artikel 20 KB 746

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 4
Ontheffing van de verplichte verzekering: artikel 18 en artikel 22 (SB1038)
Beleidsregel

In KB 746 is bepaald dat de SVB ontheffing van de verzekeringsplicht verleent indien een belanghebbende voldoet aan de in de artikelen 18 of 22 genoemde criteria.

Bij de vaststelling van de hoogte van de buitenlandse uitkering of de uitkering van een volkenrechtelijke organisatie in de zin van artikel 22, eerste lid van KB 746, hanteert de SVB het in SB1049 over inkomenstoets, herleiding naar maandinkomen en wisselkoersen neergelegde beleid over de omrekening van in buitenlandse valuta uitgedrukt inkomen en koerswijzigingen.

De SVB verleent ontheffing van de verzekeringsplicht met ingang van de eerste dag waarop aan de voorwaarden voor ontheffing is voldaan mits de SVB het verzoek tot ontheffing binnen één jaar na die dag ontvangt. Als het verzoek tot ontheffing op een latere datum wordt ingediend dan verleent de SVB ontheffing van de verzekeringsplicht met ingang van de datum waarop het verzoek om ontheffing bij de SVB is ingediend. In gevallen waarin deze handelwijze leidt tot onbillijkheden van overwegende aard, is de SVB echter bevoegd de ontheffing te verlenen met een terugwerkende kracht van ten hoogste drie jaar. De SVB beziet bij elk verzoek aan de hand van de individuele feiten en omstandigheden of zich een onbillijkheid van overwegende aard voordoet. De volgende - niet-limitatief genoemde - gevallen kunnen zich daarbij voordoen:

  • Het verzoek om ontheffing is ingediend binnen een jaar nadat de reeds in Nederland wonende betrokkene de beschikking heeft ontvangen waarbij aan hem de buitenlandse uitkering is toegekend.
  • De late indiening van het verzoek om ontheffing is een aantoonbaar gevolg van het verstrekken van onjuiste en/of onvolledige voorlichting door een publiekrechtelijk orgaan (bijvoorbeeld de Belastingdienst) en betrokkene had redelijkerwijs niet aan die voorlichting hoeven te twijfelen.
  • Het verzoek om ontheffing is laat ingediend omdat de betrokkene als gevolg van een geestelijke stoornis of een zware lichamelijke handicap niet in staat was tijdig een verzoek in te dienen en niet van hem gevergd kon worden dat hij zich liet vertegenwoordigen.

De SVB gaat ervan uit dat van onbillijkheden van overwegende aard in ieder geval geen sprake kan zijn in gevallen die geen bijzonder geval opleveren volgens de beleidsregels neergelegd in SB1071 over bijzonder geval.

Grondslag

artikel 18 en 22 KB 746

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 3
Onbillijkheden van overwegende aard: artikel 24 (SB1039)
Beleidsregel

Artikel 24 van KB 746 geeft de SVB de bevoegdheid in geval van een onbillijkheid van overwegende aard af te wijken van de in KB 746 gestelde regels inzake uitbreiding en beperking van de kring van verzekerden volksverzekeringen, dan wel deze regels buiten toepassing te laten. Deze bevoegdheid komt de SVB uitsluitend toe voor zover de onbillijkheid van overwegende aard voortvloeit uit de toepassing van KB 746.

De SVB hanteert als beleid dat de onbillijkheid van overwegende aard uitsluitend voortvloeit uit de toepassing van KB 746 indien:

  • betrokkene door toepassing van KB 746 verplicht verzekerd dan wel niet verplicht verzekerd geraakt, of
  • een bepaling van KB 746 ziet op de situatie van betrokkene, maar betrokkene niet voldoet aan de nadere voorwaarden die in die bepaling worden gesteld aan de uitbreiding of beperking van de verzekeringsplicht.

Op basis van het samenspel van alle relevante feiten en factoren wordt in het individuele geval een gemotiveerde beschikking genomen, waarbij wordt vastgesteld of de toepassing van KB 746 tot een onredelijke uitkomst zou leiden en het in het individuele geval van bijzondere hardheid of onredelijkheid zou getuigen geen gebruik te maken van de bevoegdheid gegeven in artikel 24 van KB 746.

In het kader van de toepassing van artikel 24 van KB 746 heeft de SVB de volgende toetsingscriteria geformuleerd op grond waarvan besloten wordt om iemand in afwijking van de van toepassing zijnde regel uit te sluiten van dan wel op te nemen in de verzekering:

  • Als een ingezetene van een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap verzekerd is, met inachtneming van het door de SVB gevoerde beleid, op grond van artikel 12 van KB 746 en in de situatie geraakt dat sprake is van dubbele verzekering maar geen sprake zou zijn van dubbele verzekering als de betrokkene in Nederland zou wonen, dan sluit de SVB de betrokkene met toepassing van artikel 24 op verzoek uit van de verzekering ingevolge de volksverzekeringen. Als iemand overigens in de situatie geraakt, dat sprake is van dubbele verzekering en dubbele premie-afdracht ten gevolge waarvan het inkomen dubbel wordt belast zonder dat daar dubbele aanspraken tegenover staan, en zou het gezien alle feiten en omstandigheden, met name de financiële situatie van betrokkene, van bijzondere hardheid getuigen als aan die situatie geen einde wordt gemaakt door het treffen van een afwijkende regel ter zake van de verzekering, dan kan eveneens besloten worden tot uitsluiting van verplichte verzekering.
  • Als iemand in de situatie geraakt, dat hij wat zijn verzekeringspositie betreft tussen wal en schip valt in die zin dat materieel geen sprake is van een adequate verzekering en zou het, gezien alle feiten en omstandigheden, dat wil zeggen gelet op de zorgplicht die de Nederlandse overheid heeft ten aanzien van bepaalde personen en gelet op de financiële positie van de betrokkene en diens mogelijkheid om op private basis een adequate dekking te bewerkstelligen, van bijzondere hardheid getuigen, indien aan die situatie geen einde wordt gemaakt door het treffen van een afwijkende regeling ter zake van de verzekering, dan kan tot opneming in de verzekering worden besloten.

Naast de hierboven genoemde factoren kunnen er ook andere factoren zijn waarmee in het voorliggende geval rekening dient te worden gehouden bij de vraag of de hardheidsclausule moet worden toegepast.

Een postuum verzoek om toepassing van artikel 24 dat wordt ingediend door rechtverkrijgenden van een overleden persoon wordt door de SVB niet gehonoreerd. De SVB stelt zich op het standpunt dat de betrokkene zelf een beroep moet hebben gedaan op het bestaan van onbillijkheden van overwegende aard.

Wet- en regelgeving

Gemoedsbezwaarden

relaties 6
Ontheffing van de verzekeringsplicht (SB1041)
Beleidsregel

Een gemoedsbezwaarde kan bij de SVB een ontheffing van de premieplicht aanvragen voor één of meer volksverzekeringen of alle werknemersverzekeringen. Ingevolge artikel 2, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet (Zvw) leidt een ontheffing voor de Wlz tevens tot een ontheffing voor de Zvw.

Indien een minderjarig kind en zijn ouders van mening verschillen over de aanvraag van een ontheffing voor het minderjarige kind, dan voert de SVB de wens van het kind uit (SVR circulaire 146, 27 februari 1959).

Op grond van artikel 4.2, tweede lid, Regeling Wfsv moet de gemoedsbezwaarde bij het indienen van zijn aanvraag verklaren dat hij noch zichzelf, noch iemand anders, noch zijn eigendommen heeft verzekerd. Indien de gemoedsbezwaarde een lopende verzekering heeft opgezegd, maar aan een opzegtermijn is gebonden, dan zal de SVB toch een ontheffing verlenen indien een bevestiging van de opzegging wordt overlegd. Dit geldt niet voor een verzekering op grond van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen. De opzegtermijn van deze verzekering moet wel zijn afgelopen.

Indien deelname aan een verzekering door de overheid of door de werkgever verplicht is gesteld (bijvoorbeeld verplichte deelname aan een bedrijfspensioenfonds) en het niet mogelijk is om hiervan te worden vrijgesteld, werpt de SVB de deelname aan deze verzekering niet tegen. Een aan de hypotheek gekoppelde levensverzekering vormt voor de SVB geen grond om een ontheffing te weigeren.

De SVB neemt na afloop van de voor rechtspersonen geldende ontheffingstermijn van vijf jaar niet zelf contact op met de gemoedsbezwaarde rechtspersonen en werkgevers. Het initiatief om tot verlenging van de ontheffing te komen ligt bij betrokkenen zelf. Als zij een hernieuwd ontheffingsverzoek doen, wordt, indien aan de voorwaarden voldaan wordt, opnieuw ontheffing verleend. Zo niet, dan vervalt de ontheffing gemoedsbezwaarden.

Grondslag

artikel 64, eerste lid, Wfsv, artikel 2, leden 1 en 2, Zvw, artikel 4.1, eerste lid,

artikel 4.2, leden 1 en 2, artikel 4.9, achtste lid Regeling Wfsv

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 1
Overlijdensuitkering (SB1042)
Beleidsregel

De SVB betaalt de overlijdensuitkering in principe altijd uit, ongeacht het saldo van de spaarrekening van de overledene. Ingeval de rechthebbenden op de overlijdensuitkering niet in aanmerking wensen te komen voor deze uitkering omdat het spaarsaldo nihil is, kunnen zij uiteraard de overlijdensuitkering terugstorten.

De overlijdensuitkering wordt niet uitbetaald, indien de gemoedsbezwaarde gedurende zijn leven te kennen heeft gegeven niet langer voor een uitkering in aanmerking te willen komen omdat het spaarsaldo was uitgeput.

Indien een gemoedsbezwaarde géén uitkering gemoedsbezwaarden heeft aangevraagd of deze heeft laten stopzetten, wordt een postume aanvraag AOW of uitkering gemoedsbezwaarden van nabestaanden afgewezen. Nabestaanden kunnen dus geen verandering brengen in een situatie die een gewetensbezwaarde op grond van zijn overtuiging tot stand gebracht heeft.

Grondslag

artikel 3 Regeling uitkering aan gemoedsbezwaarden ex artikel 48 AOW

Besluit beleidsregels SVB 2016

Vrijwillige verzekering

Aanvraag

relaties 8
Aanvraag (SB1043)
Beleidsregel

De artikelen 35 en 38 AOW en 63a Anw regelen de mogelijkheid om na het einde van de verplichte verzekering deze op vrijwillige basis voort te zetten of bij aanvang van de verplichte verzekering tot 'inkoop' over te gaan van de achterliggende niet verzekerde periode. De aanvraag voor vrijwillige verzekering moet worden ingediend binnen een termijn van één jaar na beëindiging van de verplichte verzekering respectievelijk tien jaar na aanvang van de verplichte verzekering. Voor personen voor wie de SVB een fictieve aanvangsleeftijd hanteert op grond van het beleid in SB1275 over de ingangsdatum van de vrijwillige verzekering AOW geldt voor de vrijwillige verzekering als bedoeld in artikel 35 AOW een uitzondering op de aanmeldtermijn van één jaar. De SVB laat deze personen toe als zij een aanvraag indienen binnen een jaar na het bereiken van de fictieve aanvangsleeftijd.

Uit het oogpunt van dienstverlening bevordert de SVB aanvragen voor bij de SVB bekende personen die potentieel het recht hebben om zich vrijwillig te verzekeren. Het betreft onder meer de volgende categorieën personen:

  • de AOW-gerechtigde die Nederland metterwoon verlaat;
  • de jongere echtgenoot van een persoon met een AOW-pensioen, indien de SVB verneemt dat deze met de pensioengerechtigde Nederland metterwoon verlaat;
  • de gezinsleden die tot het huishouden behoren van degene die zich heeft aangemeld voor vrijwillige verzekering;
  • nabestaanden met een Anw-uitkering indien bekend is dat zij Nederland metterwoon verlaten;
  • personen die bij de SVB of bij het socialeverzekeringsorgaan van hun woonland een aanvraag om AOW-pensioen hebben ingediend binnen een jaar na het einde van hun verplichte verzekering.

De verantwoordelijkheid voor het indienen van een aanvraag blijft echter te allen tijde bij de betrokkene zelf berusten.

De termijn van tien jaar die geldt voor de 'inkoop' vangt aan op het moment waarop betrokkene voor het eerst verzekerd wordt ingevolge de AOW. De SVB maakt hierbij geen onderscheid tussen verzekering op grond van artikel 6 AOW of artikel 6a AOW.

Grondslag

artikel 6, 6a, 35, eerste lid, artikel 36, eerste lid, artikel 38, eerste lid, artikel  39, eerste lid, AOW en artikel 63a, eerste lid, artikel 63b, eerste lid, Anw

Wijzigingsbesluit Beleidsregels SVB oktober 2017

relaties 4

Overschrijding van de aanvraagtermijn (SB1044)

Beleidsregel

Als een betrokkene zijn aanvraag indient na het verstrijken van de termijn van één respectievelijk tien jaar dan is hij in beginsel niet meer bevoegd tot deelname aan de vrijwillige verzekering. De SVB acht een termijnoverschrijding alleen verschoonbaar als sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de betrokkene niet kan worden tegengeworpen dat hij zijn aanvraag niet tijdig heeft ingediend. Bij de beoordeling hiervan geeft de SVB overeenkomstige toepassing aan het beleid dat is beschreven in SB1071 over bijzonder geval.

Als ten onrechte premies volksverzekeringen op het salaris of de uitkering zijn ingehouden over een tijdvak waarin de betrokkene niet verplicht verzekerd was, hanteert de SVB het volgende beleid dat is gebaseerd op de uitspraak van de CRvB van 14 december 1972. Als de betrokkene redelijkerwijs in de veronderstelling kon verkeren verzekerd te zijn geweest kan een uitzondering worden gemaakt op de regel dat aanmelding voor vrijwillige verzekering binnen één jaar moet plaatsvinden. De veronderstelling dat er sprake van verzekering was dient dan door of namens betrokkene te worden geuit. Vrijwillige verzekering wordt aangeboden als de betrokkene aangeeft in het vertrouwen te hebben verkeerd over de litigieuze periode verzekerd te zijn geweest op basis van de onverplichte inhouding van premies volksverzekering. Indien de veronderstelling wordt geuit binnen één jaar nadat de (verplichte) premiebetaling is gestopt, kan eveneens voortzetting van de vrijwillige verzekering worden aangeboden.

Als niet daadwerkelijk premie is betaald, kan betrokkene zich ook niet beroepen op een veronderstelling deswege verzekerd te zijn geweest.

Het hiervoor beschreven beleid is mede van toepassing op lokaal aangeworven personeel werkzaam bij Nederlandse diplomatieke of consulaire posten in het buitenland en personen werkzaam bij de Nederlandse vrijwilligersorganisatie SNV. Deze personen zijn tot 1 januari 1998 ten onrechte verzekerd geacht door hun werkgever, het Ministerie van Buitenlandse Zaken. In overleg met de SVB heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken deze situatie met ingang van 1 januari 1998 beëindigd en de betrokken personen hierover geïnformeerd. De SVB hanteert ten aanzien van deze personen als beleid dat zij tot 1 januari 1998 verzekerd worden geacht, voor zover geen restitutie van de premieheffing heeft plaatsgevonden.

Voor werknemers die gedetacheerd zijn geweest door een van de vijf staatsuitleenbedrijven genoemd in het (tijdelijk) Akkoord tussen Nederland en Joegoslavië van 11 maart 1987 (Trb. 1987, 187) geldt in aanvulling op het hiervoor beschreven beleid het volgende. De door deze bedrijven gedetacheerde werknemers zijn op grond van artikel 36 van KB 164 en de Wet verduidelijking verzekerings- en premieplicht (Stb. 1998, 267) vanaf 1 januari 1989 niet verzekerd voor de volksverzekeringen. Omdat vanaf 1 januari 1989 niettemin premies volksverzekeringen zijn geheven, laat de SVB een korting op het AOW-pensioen of de toeslag achterwege voor tijdvakken vanaf 1 januari 1989 waarover ten onrechte premies zijn betaald. De SVB past deze regel slechts toe als geen premierestitutie heeft plaatsgevonden en geen sprake is van verzekeringsopbouw in Kroatië of Slovenië.

Indien aantoonbaar en doelbewust handelen of nalaten van betrokkene zelf ertoe heeft geleid dat deze in een positie is gekomen dat ten onrechte premies volksverzekeringen werden ingehouden, is het beleid van de SVB geen vrijwillige verzekering aan te bieden (zie ook de uitspraak van de CRvB van 10 december 1993). Zo gaat de SVB ervan uit dat personen die niet rechtmatig in Nederland verblijven dan wel in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen arbeid in loondienst verrichten en om die reden niet verplicht verzekerd zijn, zich redelijkerwijs bewust moeten zijn van de onrechtmatigheid van hun verblijf of arbeid in Nederland. Derhalve kunnen deze personen aan onterechte inhouding van volksverzekeringspremies geen rechtens te honoreren vertrouwen van verplichte verzekering ontlenen, op grond waarvan de SVB de betrokkenen in weerwil van het dwingendrechtelijke voorschrift inzake de aanmeldingstermijn tot de vrijwillige verzekering zou kunnen toelaten.

relaties 3

Ingangsdatum vrijwillige verzekering AOW (SB1275)

Beleidsregel

Artikel 35, eerste lid AOW bepaalt dat de vrijwillige verzekering ingaat op de dag na de dag dat de verplichte verzekering is geëindigd. In afwijking van dit artikellid hanteert de SVB voor bepaalde gewezen verzekerden het beleid dat de vrijwillige verzekering ingaat op de dag waarop de fictieve aanvangsleeftijd wordt bereikt. De fictieve aanvangsleeftijd is de hoogste aanvangsleeftijd die bekend is gemaakt. Deze afwijking geldt alleen voor de gewezen verzekerde die nog niet de fictieve aanvangsleeftijd heeft bereikt op de dag nadat zijn verplichte verzekering is geëindigd. Dit beleid voorkomt dat jongeren premie verschuldigd zijn over tijdvakken waarvan bij voorbaat vaststaat dat deze niet worden meegeteld bij de berekening van het ouderdomspensioen. De periode van maximaal tien jaar waarover men zich vrijwillig kan verzekeren, vangt voor deze gewezen verzekerden aan op de ingangsdatum van de vrijwillige verzekering in plaats van op de dag na de dag waarop de verplichte verzekering is geëindigd.

Artikel 38 AOW regelt de mogelijkheid om bij aanvang van de verplichte verzekering tot 'inkoop' over te gaan van de achterliggende niet verzekerde periode. Op grond van artikel 38, eerste lid AOW vangt die vrijwillige verzekering aan op de aanvangsleeftijd als bedoeld in artikel 7a AOW die geldt op de eerste dag van de verplichte verzekering. De SVB hanteert ook bij de toepassing van artikel 38 AOW het beleid dat zij geen premies heft over tijdvakken die liggen voor het bereiken van de fictieve aanvangsleeftijd.

Grondslag

artikel 35, eerste lid, artikel 36, eerste lid, artikel 38 AOW

Wijzigingsbesluit Beleidsregels SVB oktober 2017

De premie voor de vrijwillige verzekering

relaties 1
De premie voor de vrijwillige verzekering (SB1046)
Beleidsregel

Artikel 3.3. Besluit Wfsv schrijft voor op welke wijze de SVB de premie die is verschuldigd voor toelating tot de vrijwillige verzekering dient vast te stellen.

Op grond van het derde lid van artikel 3.3 Besluit Wfsv kan de SVB uitgaan van het feitelijk premie-inkomen als bedoeld in de onderdelen b van het eerste en het tweede lid van artikel 3.3 Besluit Wfsv. Bij de vaststelling van het feitelijk premie-inkomen neemt de SVB de premies van buitenlandse particuliere inkomensdervingsverzekeringen op gelijke wijze in aanmerking als de premies voor buitenlandse wettelijke inkomensdervingsverzekeringen. Eerstbedoelde premies zijn als uitgave voor inkomensvoorziening aftrekbaar van het premie-inkomen. Omdat daarmee het eindresultaat gelijk is aan de situatie waarin premies voor wettelijke inkomensdervingsverzekeringen op het inkomen worden ingehouden, maakt de SVB voor de inkomensvaststelling geen onderscheid tussen de particulier betaalde premies en de wettelijke verzekeringspremies.

In artikel 3.3, vijfde lid, Besluit Wfsv is bepaald dat de minimumpremie voor de vrijwillige verzekering over een achterliggende periode (inkoop) gelijk is aan de premie die verschuldigd is over het op het moment van aanvraag geldende wettelijk minimumloon (inclusief vakantietoeslag). Voor inkoop van jaren waarin de vrijwillig verzekerde jonger was dan 21 jaar wordt daarbij uitgegaan van het op het moment van aanvraag geldende wettelijk minimum jeugdloon. De SVB hanteert het beleid dat zij voor elk te verzekeren kalenderjaar in de inkoopperiode uitgaat van de leeftijd die de vrijwillig verzekerde had op 1 januari van dat jaar.

relaties 4
Betaling van de premie (SB1047)
Beleidsregel

De SVB stelt op grond van artikel 70 van de Wfsv de termijnen vast waarbinnen de premie betaald moet worden. De SVB heeft deze termijn vastgesteld op maximaal drie maanden vanaf het moment waarop betrokkene is geïnformeerd over de hoogte van het door hem verschuldigde bedrag.

Indien een belanghebbende gemotiveerd verzoekt om uitstel of spreiding van de betaling, kan een betalingsregeling overeengekomen worden. De betalingsregeling kan bijvoorbeeld een maandelijkse betaling gespreid over ten hoogste twaalf maanden zijn.

De SVB hanteert als beleid dat de premiebetaling in euro's dient te geschieden. De wisselkosten die hierbij een rol kunnen spelen komen voor rekening van de belanghebbende.

Uit de toepasselijke wetsbepalingen (artikel 37, eerste lid, onder e AOW en artikel 63c, eerste lid, onder d Anw) vloeit voort dat als de door de SVB gestelde termijn met meer dan drie maanden wordt overschreden, de bevoegdheid tot deelname aan de vrijwillige verzekering vervalt (zie SB1258 over het einde van de vrijwillige verzekering)

Uit artikel 37, eerste lid, onder e, AOW, artikel 63c, eerste lid, onder d, Anw en artikel 3.8, derde lid, van het Besluit Wfsv leidt de SVB af dat de mededeling over de verschuldigde premie niet leidt tot een verplichting tot betaling van een geldsom als bedoeld in titel 4.4 Awb.

Grondslag

artikel 70 Wfsv en artikel 3.5 Besluit Wfsv

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 3

De maximale termijn voor deelname aan de vrijwillig voortgezette verzekering (SB1257)

Beleidsregel

Op grond van artikel 35, eerste lid AOW en artikel 63a, eerste lid Anw kan een gewezen verzekerde zich vrijwillig verzekeren over een termijn van ten hoogste tien jaar na de dag waarop zijn verplichte verzekering eindigt.

Voor bepaalde categorieën gewezen verzekerden alsmede hun echtgenoten en inwonende minderjarige kinderen geldt op grond van artikel 35, derde en vierde lid AOW en artikel 63a, derde en vierde lid Anw geen maximale deelnametermijn. De SVB legt deze bepalingen zo uit dat tijdvakken waarin een gewezen verzekerde behoort tot een van de aangewezen categorieën niet meetellen voor de termijn van tien jaar. Indien de echtgenoot of de inwonende minderjarige kinderen deelnemen aan de vrijwillige verzekering past de SVB deze regel ook toe als de gewezen verzekerde zelf niet deelneemt aan de vrijwillige verzekering.

Grondslag

artikel 35 AOW, artikel 63a Anw, artikel VII Wet herziening vrijwillige verzekering AOW

en Anw

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 3

Einde van de vrijwillige verzekering (SB1258)

Beleidsregel

Artikel 37 AOW en artikel 63c Anw geven aan op welk moment de vrijwillige verzekering eindigt.

De SVB restitueert in afwijking van artikel 3.6 Besluit Wfsv te veel betaalde premies ongeacht de reden van beëindiging van de vrijwillige verzekering. Als het terug te betalen bedrag lager is dan € 10,- en moet worden overgemaakt op een buitenlandse bankrekening, restitueert de SVB de premie alleen op verzoek van betrokkene. De kosten die de bank in dat geval in rekening brengt zijn vaak hoger dan het te restitueren bedrag.

Grondslag

artikel 37 AOW, artikel 63c Anw, artikel 3.8 Besluit Wfsv

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 1

Onjuiste vaststelling tijdvakken van vrijwillige verzekering bij inkoop (SB1296)

Beleidsregel

In artikel 38, eerste lid AOW is bepaald onder welke voorwaarden een verzekerde zich vrijwillig kan verzekeren over de achterliggende periode (inkoop). Hij kan zich alleen vrijwillig verzekeren, voor zover hij in die achterliggende periode niet onderworpen was aan een buitenlandse wettelijk verplichte ouderdomsverzekering, die bij het bereiken van de daarin aangegeven leeftijd recht geeft op ouderdomspensioen.

Op het moment van vaststellen van het AOW-pensioen gaat de SVB er in beginsel van uit dat tijdvakken van vrijwillige verzekering terecht zijn ingekocht. Als op dat moment echter blijkt dat er tijdvakken zijn ingekocht die de verzekerde op grond van artikel 38, eerste lid AOW niet mocht inkopen, dan hanteert de SVB het volgende beleid. De SVB honoreert de ingekochte tijdvakken als het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel zich ertegen verzetten om deze tijdvakken niet in aanmerking te nemen. De SVB gaat ervan uit dat het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel zich hier alleen niet tegen verzetten als de tijdvakken ten onrechte zijn ingekocht, omdat de verzekerde onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt. Hiermee sluit de SVB aan bij het beleid in SB1255 over het terugkomen van een beschikking betreffende de vaststelling van verzekerde tijdvakken.

Als de SVB bij het toekennen van een AOW-pensioen beslist om ingekochte tijdvakken niet te honoreren, dan restitueert zij de voor dat tijdvak betaalde premie aan de betrokkene. Omdat dit zich alleen voordoet als de betrokkene onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt, vergoedt zij daarbij geen wettelijke rente.

Grondslag

artikel 38, eerste lid AOW

Besluit beleidsregels SVB 2016

Recht op uitkering

AOW, Anw, en OBR

relaties 5
Voortvluchtigen (SB1276)
Beleidsregel

Op grond van de artikelen 8c AOW en 32e en 32f Anw ontstaat geen recht op pensioen of uitkering dan wel eindigt het recht op pensioen of uitkering indien de belanghebbende zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een vrijheidsbelemmerende maatregel. Op grond van artikel 7, derde lid OBR is het bepaalde in artikel 8c AOW van overeenkomstige toepassing op de OBR.

De SVB verstaat onder onttrekken als bedoeld in artikel 8c AOW en de artikelen 32e en 32f Anw in ieder geval de situatie waarin een onherroepelijke veroordeling tot een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel nog niet ten uitvoer is gelegd, de veroordeelde in verband daarmee in het landelijk opsporingsregister is opgenomen en door de politie of andere daartoe bevoegde instanties tevergeefs één of meer pogingen zijn ondernomen tot tenuitvoerlegging van de straf of maatregel te komen. Deze uitleg is door de Centrale Raad van Beroep bevestigd in een uitspraak van 12 december 2012.

Grondslag

artikel 8c AOW, artikel 32e en 32f Anw, artikel 7, derde lid OBR

Besluit beleidsregels SVB 2016

Inkomenstoets, herleiding naar maandinkomen, wisselkoersen
relaties 14
Inkomenstoets, herleiding naar maandinkomen, wisselkoersen (SB1049)
Beleidsregel

De pensioengerechtigde die voor 1 januari 2015 is gehuwd, voor die datum recht heeft op ouderdomspensioen en van wie de (huwelijks)partner jonger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, heeft mogelijk recht op een toeslag voor zijn (huwelijks)partner. Als de partner inkomen uit arbeid of overig inkomen heeft, wordt dit inkomen geheel of gedeeltelijk op de toeslag in mindering gebracht. In geval voor de partner geen recht op toeslag bestaat vanwege een te hoog inkomen van die partner, volgt uit artikel 8, tweede lid AOW onder meer dat vanaf 1 januari 2015 geen recht op toeslag meer kan ontstaan als gevolg van een wijziging van het inkomen. Artikel 8, derde lid AOW maakt hierop een uitzondering voor de situatie waarin het recht op toeslag is geëindigd als gevolg van een incidentele stijging van het inkomen van de partner. Het beleid over het begrip 'incidentele stijging van het inkomen' is opgenomen in SB1297.

De hoogte van de nabestaandenuitkering en de overbruggingsuitkering zijn eveneens inkomensafhankelijk. Voor de nabestaandenuitkering geldt dat inkomen uit arbeid gedeeltelijk en overig inkomen geheel in mindering wordt gebracht. Voor personen die ten tijde van de inwerkingtreding van de Algemene nabestaandenwet een weduwenpensioen op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet ontvingen geldt een deels afwijkende regeling die is opgenomen in artikel 67 Anw.

Voor de overbruggingsuitkering geldt dat inkomen uit arbeid gedeeltelijk en overig inkomen geheel in mindering wordt gebracht. Daarnaast geldt voor de opening van het recht op overbruggingsuitkering op grond van artikel 4, eerste lid, onder b OBR een aparte inkomenstoets. Het hierna volgende beleid is niet van toepassing op deze inkomenstoets.

Het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (hierna: Inkomensbesluit) bepaalt wat moet worden verstaan onder inkomen uit arbeid en overig inkomen. In geval van werknemers in de zin van de werknemersverzekeringen sluit dit besluit voor de invulling van het loonbegrip aan bij de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv). In geval van personen die niet verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen maar wel werknemer zijn, sluit het Inkomensbesluit voor de invulling van het loonbegrip aan bij de Wet op de Loonbelasting 1964 (Wet LB 1964). Voor de vaststelling van de hoogte van het overig inkomen verwijst het Inkomensbesluit noch naar de Wfsv noch naar de Wet LB 1964. Het beleid van de SVB is om bij de vaststelling van het overig inkomen aan te sluiten bij de bepalingen van de Wfsv.

Uit artikel 2:2, eerste lid, onder d, Inkomensbesluit juncto artikel 3.70 van de Wet IB 2001 volgt dat de afname van de fiscale oudedagsreserve als inkomen uit arbeid moet worden aangemerkt. Op grond van de uitspraak van de CRvB van 19 januari 2016 merkt de SVB de afname van de oudedagsreserve echter niet aan als inkomen uit arbeid als aan de volgende twee voorwaarden is voldaan:

  • De afname is volledig besteed aan het treffen van een inkomensvoorziening als compensatie van een pensioentekort. Daarbij is cruciaal dat de afname is besteed aan een lijfrente die uitsluitend leidt tot betaling van periodieke lijfrentetermijnen nadat betrokkene de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt.
  • De Belastingdienst heeft de afname geheel onbelast gelaten. 

Volgens artikel 2:4, eerste lid, onder j, Inkomensbesluit is een uitkering op grond van de Anw overig inkomen in de zin van de AOW. De SVB beschouwt de vergoeding Zvw en de tegemoetkoming Anw niet als een uitkering op grond van de Anw en derhalve niet als overig inkomen.

Artikel 4:1, eerste tot en met achtste lid Inkomensbesluit schrijft voor op welke wijze het inkomen dient te worden bepaald op een bedrag per maand. Indien dit leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat, geeft artikel 4:1, elfde lid van het Inkomensbesluit de SVB de bevoegdheid het inkomen op andere wijze te bepalen. Ten aanzien van deze bepaling voert de SVB het volgende beleid:

  • De SVB rekent incidentele betalingen zoals: overwerkvergoedingen, winstdelingsuitkeringen en eindejaarsuitkeringen, toe aan het tijdstip waarop ze worden genoten. Dit leidt er over het algemeen toe dat een incidentele uitkering in mindering wordt gebracht in de maand waarin deze wordt uitbetaald. Uit een uitspraak van de CRvB van 15 november 2002 volgt echter dat deze regel kan leiden tot een kennelijk onredelijk resultaat als een incidentele uitkering door - maandelijkse - opbouw tot stand is gekomen en deze uitkering geheel of gedeeltelijk is opgebouwd vóór het moment waarop recht op nabestaandenuitkering of ouderdomspensioen is ontstaan. In een dergelijk geval geeft de SVB toepassing aan artikel 4:1, elfde lid Inkomensbesluit. Op grond daarvan neemt de SVB het gedeelte van de incidentele uitkering dat is opgebouwd voordat recht op de nabestaandenuitkering of AOW-pensioen is ontstaan, niet in aanmerking als in mindering te brengen inkomen.
  • Als de SVB een uitkering in mindering brengt, rekent de SVB bedragen die worden nabetaald toe aan de uitkeringstermijnen waarop de nabetaling betrekking heeft. In het geval van een eenmalige betaling van aanvullend pensioen die voortvloeit uit een indexering door een pensioenfonds neemt de SVB deze betaling geheel in aanmerking in de maand van uitbetaling.

Daarnaast wijkt de SVB met toepassing van artikel 4:1, elfde lid van het Inkomensbesluit in de volgende gevallen af van de bepalingen in het besluit:

  • Voor een kleine groep AOW-gerechtigden met een wegens inkomen gekorte toeslag valt het gezinsinkomen lager uit dan het gezinsinkomen van AOW-gerechtigden van wie het gezinsinkomen bestaat uit een AOW-pensioen met volledige toeslag. De verklaring hiervoor is dat de Nederlandse loonheffing verschillende tarieven kent voor personen die de pensioengerechtigde leeftijd als bedoeld in artikel 7a hebben bereikt en personen die die leeftijd nog niet hebben. Als de Nederlandse loonheffing tot resultaat heeft dat het netto inkomen van de AOW-gerechtigde en zijn partner lager uitvalt dan het netto AOW-pensioen met volledige toeslag, verlaagt de SVB het overig inkomen van de partner zodanig, dat het netto gezinsinkomen van de AOW-gerechtigde even hoog is als het netto AOW-pensioen met volledige toeslag. Of dit beleid toegepast moet worden, beoordeelt de SVB zoveel mogelijk zelf, aan de hand van de door de AOW-gerechtigde aangeleverde gegevens over zijn inkomen en dat van zijn partner.
  • Ten aanzien van nabestaanden van personen die als Belgisch grensarbeider in Nederland hebben gewerkt en die voor de jaren van arbeid in Nederland van Belgische zijde een aanvulling ontvangen op het Belgische overlevingspensioen, hanteert de SVB het volgende beleid. Om een spiraalwerking van een steeds hoger wordende aanvulling uit België en een steeds groter wordende korting op de Nederlandse nabestaandenuitkering te voorkomen, beschouwt de SVB de Belgische aanvulling niet als inkomen in de zin van het Inkomensbesluit.
  • Krachtens artikel 2:5, eerste lid Inkomensbesluit worden vakantiebonnen niet aangemerkt als inkomen uit arbeid of overig inkomen. Een vakantiebon wordt aan sommige werknemers en uitkeringsgerechtigden verstrekt en vervangt de vakantie-uitkering waarop de meeste werknemers of uitkeringsgerechtigden aanspraak kunnen maken. In sommige situaties vervangt de vakantiebon eveneens de loondoorbetaling tijdens verlof. Op het moment dat een vakantiebon wordt verzilverd wordt het daardoor verkregen inkomen door de SVB als inkomen in de zin van het Inkomensbesluit aangemerkt. De SVB voert daarbij als beleid dat zij slechts het gedeelte van de vakantiebon dat bedoeld is als loondoorbetaling tijdens verlof in aanmerking neemt als inkomen. Het gedeelte van de vakantiebon dat bedoeld is als vakantie-uitkering wordt derhalve niet in mindering gebracht op de uitkering. Dit beleid hanteert de SVB eveneens bij reserveringen van loon voor vakantie- en verlofperioden bij uitzendkrachten.

Op grond van artikel 4:1, zesde lid, Inkomensbesluit heeft de SVB de bevoegdheid om bij per maand wisselende inkomsten op basis van een geschat inkomen een gemiddeld inkomen te bepalen. In dat geval dient na een periode van ten hoogste twaalf maanden een herberekening plaats te vinden op basis van het reëel genoten inkomen.

Bij wisselende inkomsten vraagt de SVB de betrokkene een schatting te maken van het te verwachten inkomen per maand. Periodiek onderzoekt de SVB het werkelijk genoten inkomen. Als dit inkomen gedurende de volledige periode, of gedurende een deel daarvan, heeft gelegen binnen de grenzen waartussen een gekorte toeslag of nabestaandenuitkering wordt verleend, wordt het recht over de betreffende periode vastgesteld met behulp van het gemiddelde inkomen per maand in deze periode. Voor zover het inkomen buiten deze grenzen heeft gelegen wordt de hoogte van het recht vastgesteld op basis van het feitelijk in de betreffende maand genoten inkomen. In totaal ontvangt betrokkene dan een even groot bedrag aan toeslag of nabestaandenuitkering als hij zou ontvangen bij vaststelling per maand op basis van het feitelijk genoten inkomen.

De SVB brengt alleen het inkomen in mindering dat betrekking heeft op het tijdvak waarover recht op AOW-toeslag, Anw-uitkering of overbruggingsuitkering bestaat. Als het inkomen van de betrokkene betrekking heeft op een volledige kalendermaand en het recht op AOW-toeslag, Anw-uitkering of overbruggingsuitkering niet op de eerste dag van de maand ingaat of eindigt, neemt de SVB niet het volledige inkomen over die maand in aanmerking. In plaats daarvan brengt de SVB alleen het inkomen in mindering dat betrekking heeft op het gedeelte van de maand waarover recht op uitkering bestaat. Voor deze tijdsevenredige berekening maakt het niet uit op welke dag van die maand het inkomen is uitbetaald.

Op grond van artikel 4:3, eerste lid Inkomensbesluit rekent de SVB niet in euro's uitgedrukt inkomen om in euro's met behulp van de door de Europese Centrale Bank geadviseerde wisselkoersen.

In gevallen van hyperinflatie gaat de SVB uit van een meer recente koers. Van hyperinflatie is volgens het beleid van de SVB sprake als valuta binnen één kwartaal een devaluatie ten opzichte van de euro ondergaan van 20 procent of meer, of als valuta tijdens twee aaneensluitende kwartalen een devaluatie ten opzichte van de euro ondergaan van 10 procent of meer per kwartaal.

Grondslag

artikel 8, 10 en 11 AOW, artikel 10, 18, 19 en 67 Anw, artikel 9 OBR en artikel 2:2,  2:4, 4:1 en 4:3 Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten

Wijzigingsbesluit Beleidsregels SVB september 2018

relaties 1
Incidentele stijging van het inkomen (SB1297)
Beleidsregel

Artikel 8, tweede lid, onder a, en derde lid AOW bepalen dat vanaf 1 januari 2015 geen recht op toeslag kan ontstaan als gevolg van een wijziging van het inkomen van de partner van de AOW-gerechtigde, tenzij het recht op toeslag is geëindigd als gevolg van een incidentele stijging van het inkomen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat met een incidentele stijging van het inkomen wordt gedoeld op een stijging van het inkomen die niet permanent is, zoals bij de afkoop van pensioen, het incidenteel meer werken, de ontvangst van een overwerkvergoeding, de ontvangst van een eindejaarsuitkering, de ontvangst van een dertiende of veertiende maand, de ontvangst van een gratificatie in de vorm van een geldbedrag, de ontvangst van een nabetaling en de afname van een fiscale oudedagsreserve.

Op basis van deze wetsgeschiedenis hanteert de SVB het volgende beleid. Er is in ieder geval sprake van een incidentele stijging van het inkomen indien als gevolg van een wijziging van het inkomen gedurende maximaal drie maanden achtereen geen recht op toeslag bestaat. Naar aanleiding van een verzoek van de AOW-gerechtigde of een ander signaal neemt de SVB tevens aan dat sprake is van een incidentele stijging van het inkomen in geval van:

  • meerdere incidentele stijgingen achter elkaar, zoals de combinatie van drie maanden overwerk met de afkoop van een pensioen. Er is dan sprake van een incidentele stijging van het inkomen gedurende de periode waarin meerdere incidentele inkomsten worden ontvangen.
  • wisselende inkomsten als gevolg van een arbeidscontract met flexibele uren of een variabele vergoeding. In dat geval neemt de SVB aan dat sprake is van een incidentele stijging van het inkomen indien gedurende maximaal twaalf maanden geen recht op toeslag bestaat als gevolg van de wisselende inkomsten.
  • inkomsten in buitenlandse valuta. De SVB rekent de buitenlandse valuta minimaal een keer per jaar om naar euro's. Indien na deze omrekening het inkomen in euro's is gestegen en het recht op toeslag eindigt, is sprake van een incidentele stijging van het inkomen indien de wisselkoers weer daalt binnen twaalf maanden na de beëindiging van het recht op toeslag.

 

Tijdelijk beleid in verband met de Covid-19 pandemie

In verband met de coronacrisis ontstaat wel weer recht op AOW-partnertoeslag, als dit recht is onderbroken voor een langere periode dan drie maanden en het recht op AOW-partnertoeslag is geëindigd doordat de jongere partner vanwege de coronacrisis tijdelijk (meer) is gaan werken in een cruciaal beroep. 
Het recht op AOW-partnertoeslag ontstaat weer zodra de jongere partner stopt met werken of minder gaat werken en het inkomen zodanig is dat recht bestaat op AOW-partnertoeslag. Dit beleid wordt toegepast zo lang de noodmaatregelen van het kabinet, zoals de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo) en de Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor Werkgelegenheid (NOW), van kracht zijn.

Grondslag

artikel 8, tweede en derde lid AOW

Wijzigingsbesluit Beleidsregels SVB mei 2021

relaties 1
Recht op ouderdomspensioen: tijdvakken korter dan een jaar (SB1298)
Beleidsregel

Artikel 7, eerste lid, onderdeel b AOW bepaalt dat er geen recht op ouderdomspensioen ontstaat als een persoon minder dan een vol jaar verzekerd is geweest. De SVB kent niettemin een pensioen toe als de toepassing van een verdrag of Verordening (EG) nr. 883/2004 daartoe dwingt. Dit is het geval als een verdrag voorschrijft dat, voor de opening van het recht op ouderdomspensioen, tijdvakken uit een andere staat moeten worden samengeteld met tijdvakken van AOW-verzekering en in het verdrag niet uitdrukkelijk is voorzien in de mogelijkheid een pensioen te weigeren als sprake is van een tijdvak van minder dan een jaar. Verordening (EG) nr. 883/2004 voorziet wel in de weigering van een pensioen als dit is gebaseerd op een tijdvak van minder dan een jaar. Bijlage XI, Nederland, onder 2, b Verordening (EG) nr. 883/2004 schrijft echter voor dat de personen die aan die bepaling voordelen kunnen ontlenen, in afwijking van artikel 7 van de AOW geacht worden recht te hebben op een pensioen. Dit betekent dat de SVB ook in deze gevallen een pensioen toekent als het tijdvak waaruit de aanspraak op ouderdomspensioen voortvloeit korter is dan een vol jaar.

Grondslag

artikel 7, eerste lid, onderdeel b AOW

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 5
Schuldige nalatigheid (SB1050)
Beleidsregel

Iedere persoon die verplicht verzekerd is voor de AOW, is over een deel van zijn belastbaar inkomen uit werk en woning AOW-premie verschuldigd. Als deze premie niet of niet geheel via voorheffing is betaald, legt de Belastingdienst de premieplichtige een gecombineerde aanslag voor de inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen op.

Als de premieplichtige de op aanslag verschuldigde AOW-premie niet of niet volledig voldoet, beslist de SVB op voordracht van de Belastingdienst of sprake is van schuldig nalaten als bedoeld in de artikelen 13 AOW en 10 OBR. Schuldige nalatigheid kan leiden tot een (hogere) korting op het AOW-pensioen, de AOW-toeslag, de inkomensondersteuning AOW of de overbruggingsuitkering.

Als de aanslag ambtshalve is opgelegd of de premieplichtige onbereikbaar was omdat hij niet woont op het adres waar hij staat ingeschreven, verklaart de SVB de premieplichtige altijd schuldig nalatig. Dit volgt uit artikel 61, tweede lid Wfsv. In andere situaties probeert de SVB de oorzaak van het niet betalen van de AOW-premie te achterhalen, voordat zij een beslissing neemt over de schuldige nalatigheid. Als de premieplichtige aangeeft dat er omstandigheden zijn op grond waarvan het niet betalen hem niet kan worden verweten, beoordeelt de SVB of het niet betalen toerekenbaar is. Hierbij kunnen financiële en sociale omstandigheden van de premieplichtige een rol spelen, zoals: ernstige verslaving, detentie of problematische schulden.

Blijkt niet van bijzondere omstandigheden waarom de premieplichtige niet heeft betaald, dan verklaart de SVB hem schuldig nalatig. Van bijzondere omstandigheden is in beginsel geen sprake als het niet betalen van de verschuldigde premie uitsluitend het gevolg is van:

  • het handelen of nalaten van een gemachtigde (CRvB 21 februari 2014);
  • de wijze van bedrijfsvoering (CRvB 16 januari 2002).
     

Lukt het niet om de premieplichtige te bereiken, of reageert hij niet op het verzoek om bijzondere omstandigheden aan te dragen, dan verklaart de SVB hem eveneens schuldig nalatig als dergelijke omstandigheden ook niet anderszins zijn gebleken.

Grondslag

artikel 13 AOW, artikel 10 OBR, artikel 61 Wfsv

Wijzigingsbesluit Beleidsregels SVB september 2019

Overgangsvoordelen AOW
relaties 8
Overgangsvoordelen AOW (SB1051)
Beleidsregel

De AOW is op 1 januari 1957 in werking getreden. Zonder nadere regeling had niemand voor het jaar 2007 aanspraak kunnen maken op een volledig pensioen. Om deze situatie op te lossen, is in de artikelen 55 en 56 AOW een overgangsregeling getroffen. Deze houdt in dat tijdvakken tussen de 15e verjaardag van de verzekerde en 1 januari 1957 worden gelijkgesteld met verzekerde jaren op grond van de AOW. De gelijkgestelde tijdvakken worden 'overgangsvoordelen' genoemd.

Om recht te hebben op de overgangsvoordelen moet de verzekerde voldoen aan de volgende voorwaarden uit de artikelen 55 en 56 AOW:

  • na zijn 59ste verjaardag zes jaren in Nederland hebben gewoond,
  • in Nederland wonen en
  • Nederlander zijn.


Deze nationaliteits- en wooneisen kunnen opzij worden gezet als is voldaan aan de voorwaarden uit het Besluit gelijkstelling niet-Nederlanders met Nederlanders (KB 605) respectievelijk het Besluit gelijkstelling van wonen buiten het Rijk met wonen binnen het Rijk (KB 632).

De in de artikelen 55 en 56 AOW opgenomen wooneisen ter verkrijging van het recht op de nationale overgangsvoordelen kunnen niet met een beroep op artikel 7 Verordening (EG) nr. 883/2004 terzijde worden gesteld. Dit blijkt uit het arrest Winter-Lutzins.

De nationaliteitseis van artikel 56 AOW en de nationaliteitseisen in de op artikel 57 AOW gebaseerde Koninklijke Besluiten kunnen opzij worden gezet door de in internationale regelingen opgenomen discriminatieverboden naar nationaliteit. Op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie EU is dit gegeven mede van belang voor gezinsleden en nabestaanden van personen die vallen onder de werkingssfeer van Verordening (EG) nr. 883/2004 en de overeenkomsten die tussen de EG en enkele derde landen zijn afgesloten (zie hiervoor tevens SB2123 over personele werkingssfeer en SB2166 over de reikwijdte van de non-discriminatiebepalingen ten aanzien van gezinsleden).

In het bijzonder naar aanleiding van de arresten Cabanis en Hallouzi, heeft de SVB voor dergelijke gezinsleden en nabestaanden het volgende beleid ontwikkeld.

Gezinsleden en nagelaten betrekkingen van werknemers en zelfstandigen die onder de personele werkingssfeer van Verordening (EG) nr. 883/2004 vallen

De nationale overgangsvoordelen AOW worden ook toegekend aan gezinsleden en nagelaten betrekkingen, voor zover zij voldoen aan de wooneisen van de artikelen 55 en 56 AOW. De gezinsleden en nagelaten betrekkingen aan wie de nationale overgangsvoordelen AOW zijn toegekend, kunnen deze exporteren binnen de EU. Artikel 3, onder e, van het Besluit gelijkstelling van wonen buiten Nederland met wonen in Nederland, verschaft aan Nederlanders het recht toegekende overgangsvoordelen over de gehele wereld te exporteren. De nationaliteit van het gezinslid of de nagelaten betrekking wordt voor de toepassing van deze bepaling met de Nederlandse gelijkgesteld zolang deze zich beweegt binnen de grenzen van de territoriale werkingssfeer van Verordening (EG) nr. 883/2004.

Gezinsleden en nagelaten betrekkingen van Marokkaanse, Algerijnse, Tunesische en Turkse werknemers

Gezinsleden en nagelaten betrekkingen van Marokkaanse, Algerijnse, Tunesische en Turkse werknemers moeten op dezelfde wijze worden behandeld als een Nederlander. Dit geldt zolang de werknemers en hun gezinsleden of nagelaten betrekkingen in de EU wonen. Zij komen dus evenzeer, ongeacht hun nationaliteit, voor de nationale overgangsvoordelen in aanmerking voor zover zij voldoen aan de wooneisen van de artikelen 55 en 56 AOW. Tevens kunnen zij de overgangsvoordelen binnen de EU exporteren. De SVB leidt uit het arrest Hallouzi af dat de verplichting tot gelijkstelling van de nationaliteit eindigt zodra de werknemer, het gezinslid of de nagelaten betrekking zich buiten de EU vestigt. De toegekende overgangsvoordelen kunnen dus niet worden geëxporteerd buiten het grondgebied van de EU.

Grondslag

artikel 55, artikel 56 en artikel 57 AOW

Wijzigingsbesluit Beleidsregels SVB mei 2021

Uitsluitingsgronden Anw
relaties 2
Uitsluitingsgronden Anw (SB1054)
Beleidsregel

In bepaalde gevallen, geregeld in de artikelen 15 en 27 Anw, komt de nabestaande of wees niet voor een uitkering ingevolge de artikelen 14 en 26 Anw in aanmerking omdat een uitsluitingsgrond van toepassing is. De uitsluitingsgronden beogen bepaalde vormen van misbruik van de Anw te voorkomen.

Grondslag

artikel 15 en artikel 27 Anw

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 4
Gezondheidstoestand ten tijde aanvang verzekering of ten tijde huwelijkssluiting (SB1055)
Beleidsregel

In artikel 15, eerste lid, onder b, en artikel 27, eerste lid, onder a Anw is geregeld dat als de verzekerde binnen een jaar na aanvang van de verzekering is overleden, de nabestaande of wees geen recht heeft op uitkering, indien de gezondheidstoestand van de verzekerde dit overlijden ten tijde van de aanvang van de verzekering redelijkerwijs moest doen verwachten. In artikel 15, eerste lid, onder a Anw is voorts geregeld dat ook geen recht op nabestaandenuitkering bestaat indien de echtgenoot van de nabestaande is overleden binnen een jaar na de huwelijkssluiting en dit overlijden redelijkerwijs was te verwachten. Uit de jurisprudentie blijkt dat bij de toepassing van deze bepalingen doorslaggevend is of deze verwachting bij de aanvang van de verzekering of ten tijde van de huwelijkssluiting redelijkerwijs aanwezig moet zijn geweest bij de verzekerde en/of de nabestaande. Voor toepassing van deze uitsluitingsgrond is dus geen plaats als het overlijden slechts voor medici redelijkerwijs te voorzien is geweest. Als sprake is van een onderbroken verzekering, moet als datum van aanvang van de verzekering steeds worden uitgegaan van de dag waarop de laatste verzekeringsperiode voorafgaande aan het overlijden begon.

De SVB neemt in ieder geval aan dat bij de verzekerde, de echtgenoot of beiden de verwachting aanwezig is geweest dat het overlijden binnen één jaar zou plaatsvinden, indien het overlijden op medische gronden redelijkerwijs binnen één jaar te verwachten was én deze verwachting door een arts aan een van beiden is medegedeeld. Bij de beoordeling of het overlijden op medische gronden redelijkerwijs binnen één jaar te verwachten was vraagt de SVB medisch advies aan een externe organisatie. Het advies bevat informatie over de levensverwachting, de behandelende artsen en hun conclusies, en welke mededelingen zij daarover hebben gedaan aan de patiënt.

De SVB hanteert de lijn dat met de datum van huwelijkssluiting de datum van aanvang van het voeren van een gezamenlijke huishouding wordt gelijkgesteld. Indien de nabestaande en de overledene met wie hij gehuwd was, voor het huwelijk al een gezamenlijke huishouding voerden, merkt de SVB het moment van aanvang van de gezamenlijke huishouding aan als het moment van huwelijkssluiting.

Artikel 15, vierde lid, Anw bepaalt dat de uitsluitingsgronden als bedoeld in artikel 15, eerste lid, sub a en b, Anw niet van toepassing zijn indien de nabestaande recht op nabestaandenuitkering zou hebben gehad als hij niet opnieuw was gehuwd. Op grond van de wetsgeschiedenis bij het vierde lid van artikel 15 Anw legt de SVB deze bepaling aldus uit dat ondanks het bestaan van bedoelde uitsluitingsgronden geen nieuw recht ontstaat dat is gebaseerd op het laatste overlijden, maar dat het recht dat de nabestaande had op het moment dat hij opnieuw in het huwelijk trad, herleeft.

Voor de toepassing van artikel 6 Verordening (EG) nr. 883/2004 moeten tijdvakken van verzekering vervuld krachtens de wettelijke regeling van een lidstaat van de EU worden opgeteld bij de periode van verzekering in Nederland als waren die tijdvakken in Nederland vervuld (zie SB2150 over in aanmerking te nemen tijdvakken voor de opening van het recht op uitkering).

Grondslag

artikel 15, eerste lid, onder a en b, en artikel 27, eerste lid, onder a Anw

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 4
Opzettelijke levensberoving (SB1056)
Beleidsregel

De nabestaande of wees die zijn of haar (huwelijks)partner of de betrokken verzekerde, al of niet als medepleger, opzettelijk van het leven heeft beroofd, kan op grond van artikel 15, eerste lid, onder c en artikel 27, eerste lid, onder b geen aanspraken ontlenen aan de Anw.

Het begrip 'opzettelijk van het leven beroven' wordt uitgelegd conform het strafrechtelijke begrip omschreven in de artikelen 287 tot en met 295 van het Wetboek van Strafrecht.

Op grond van de uitspraak van 18 december 1996 van de CRvB mogen de genoemde uitsluitingsbepalingen niet worden toegepast in een situatie waarin strafrechtelijk is bewezen verklaard dat de betrokkene de (huwelijks)partner of de verzekerde opzettelijk van het leven heeft beroofd, maar waarbij betrokkene wegens de aanwezigheid van een strafuitsluitingsgrond is ontslagen van alle rechtsvervolging. Conform deze uitspraak voert de SVB als beleid dat hierbij geen onderscheid wordt gemaakt of er sprake is van een schulduitsluitingsgrond of een rechtvaardigingsgrond.

Grondslag

artikel 15, eerste lid, onder c en artikel 27, eerste lid, onder b Anw

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 2
Compensatieregeling vervallen hoge Anw-uitkering (SB1334)
Beleidsregel

Op 1 januari 2015 is de hoge Anw-uitkering vervallen. Deze uitkering voorzag in een Anw-uitkering van 90% van het wettelijk minimumloon voor nabestaanden met een ongehuwd kind dat jonger is dan achttien jaar en niet tot het huishouden van een ander behoort. Sinds het vervallen van deze hoge uitkering bedraagt de Anw-uitkering maximaal 70% van het wettelijk minimumloon. Nabestaanden die de hoge Anw-uitkering ontvingen, kunnen aanspraak maken op de alleenstaande-ouderkop (alo-kop) uit de Wet op het kindgebonden budget (Wet kgb) als zij aan de daarvoor geldende vereisten voldoen. De alo-kop voorziet in een verhoging van het kindgebonden budget voor alleenstaanden met één of meer minderjarige kinderen. Eén van de vereisten voor het recht op de alo-kop is dat de alleenstaande verzekerd is voor de AKW. 

 

CRvB: ongeoorloofd onderscheid naar woonplaats
Op 13 december 2019 heeft de CRvB geoordeeld dat het herzien van de Anw-uitkering van 90% naar 70% van het wettelijk minimumloon ongeoorloofd onderscheid naar woonplaats oplevert, als een betrokkene enkel vanwege zijn woonplaats niet verzekerd is voor de AKW en daardoor niet in aanmerking komt voor de alo-kop. 

Naar aanleiding van de uitspraak van de CRvB biedt de SVB compensatie aan betrokkenen die zich in een vergelijkbare positie bevinden als de betrokkenen die procespartij waren. 

 

De voorwaarden voor compensatie
Als de betrokkene aan de volgende voorwaarden voldoet, bestaat recht op compensatie:

  • de betrokkene had op 31 december 2014 recht op een hoge Anw-uitkering;
  • de betrokkene was op 1 januari 2015 niet verzekerd voor de AKW; 
  • de betrokkene woonde op 31 december 2014 in een land buiten de EU/EER of Zwitserland;
  • de betrokkene heeft geen toeslagpartner in de zin van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir); en
  • het vermogen van de betrokkene ligt onder de vermogensgrens bedoeld in artikel 1, vierde lid Wet kgb.

 

De hoogte van de compensatie
De compensatie vindt plaats op maandelijkse basis en heeft materieel tot gevolg dat de oude hoge Anw-uitkering wordt hersteld. Bij de berekening van het totaalbedrag hanteert de SVB de fictie dat de Anw en het maximale compensatiebedrag één uitkering zijn. Dat betekent bijvoorbeeld dat als de betrokkene inkomen geniet of recht heeft op een pro rata Anw-uitkering, de SVB de bijbehorende berekeningen toepast op het totaalbedrag van Anw-uitkering en compensatie.

 

Beëindiging van de compensatie

Het recht op compensatie eindigt, als:

  • niet langer recht zou hebben bestaan op hoge Anw-uitkering, volgens de voorwaarden zoals die tot 1 januari 2015 golden; 
  • de betrokkene niet meer voldoet aan de voorwaarden voor recht op Anw-uitkering; 
  • de betrokkene verhuist naar Nederland, een EU/EER-lidstaat of Zwitserland;
  • de betrokkene een toeslagpartner heeft in de zin van de Awir; of
  • het vermogen van de betrokkene boven de vermogensgrens bedoeld in artikel 1, vierde lid Wet kgb ligt.

Als zich na de beëindiging van het recht op compensatie een wijziging in de omstandigheden voordoet waardoor weer aan de voorwaarden wordt voldaan, dan herleeft het recht op compensatie niet.

 

Toekomstige wetgeving
De SVB past haar hierboven vermelde beleid aan dan wel schaft de compensatie geheel af als wijzigingen in de wetgeving over de alo-kop daartoe aanleiding geven. 

AKW

relaties 11
Voldoen aan de onderhoudsvoorwaarden (SB1057)
Beleidsregel

Voor kinderen die tot zijn huishouden behoren, hoeft een verzekerde niet aan te tonen dat zij door hem worden onderhouden. Voor uitwonende kinderen gelden de voorwaarden van het Besluit uitvoering kinderbijslag. De artikelen 5 en 6 van het Besluit uitvoering kinderbijslag bepalen hoeveel een verzekerde voor een uitwonend kind moet bijdragen om in aanmerking te komen voor enkelvoudige of dubbele kinderbijslag. Voorts bepaalt artikel 8 Besluit uitvoering kinderbijslag welke bijdragen van andere rechthebbenden worden opgeteld bij de bijdrage van de verzekerde in de onderhoudskosten van het kind.

Uit vaste jurisprudentie van de CRvB (zie onder meer de uitspraak van 10 februari 1988) blijkt dat betalingen geacht worden gelijkelijk besteed te zijn voor de in het betreffende huishouden verblijvende kinderen waarvoor aanspraak op kinderbijslag kan bestaan. Als in een huishouden zowel kinderen zijn waarvoor het onderhoud moet worden aangetoond als kinderen waarvoor dit niet is vereist, gaat de SVB ervan uit dat de betalingen gelijkelijk zijn besteed aan de kinderen waarvoor het onderhoud moet worden aangetoond.

Uit vaste jurisprudentie van de CRvB (zie onder meer de uitspraak van 12 december 1990) komt ook als vaste regel naar voren dat betalingen die in een bepaald kwartaal zijn verricht worden geacht te zijn gedaan ten behoeve van de kosten van levensonderhoud in dat betreffende kwartaal.

Als in een kwartaal meer is betaald dan het minimumbedrag voor een bepaalde onderhoudsnorm kan het 'overschot' volgens de jurisprudentie van de CRvB in beginsel niet worden aangewend ter voldoening van de onderhoudsbijdrage voor het volgende kwartaal. Volgens de uitspraak van de CRvB van 27 december 1995 kunnen betalingen verricht in een bepaald kwartaal wel beschouwd worden als bijdrage voor een volgend kwartaal indien uit een vast systeem van betalingen valt af te leiden dat de bijdrage niet anders dan (mede) bestemd kan zijn voor een volgend kwartaal. De SVB hanteert het beleid dat betalingen die in een bepaald kwartaal verricht worden, maar naar hun aard betrekking hebben op het hele jaar, als onderhoudsbijdragen voor volgende kwartalen beschouwd worden. Een voorbeeld hiervan is het schoolgeld dat de verzekerde voor het hele jaar ineens vooruit betaalt.

Voorts hanteert de SVB het beleid dat zij bijdragen voor levensonderhoud niet toerekent aan kwartalen die vooraf gaan aan het kwartaal waarin de betaling plaatsvindt. Hierop maakt de SVB de volgende uitzonderingen:

  • De verzekerde voldoet een in rechte vaststaande vordering die betrekking heeft op een voorafgaand kwartaal, zoals een door de rechter getroffen voorziening met betrekking tot alimentatie of een van overheidswege vastgestelde bijdrage voor een kind dat in een instelling is geplaatst. De betaling van een dergelijke vordering rekent de SVB toe aan de kwartalen waarop deze betrekking heeft ongeacht het moment waarop de vordering komt vast te staan.
  • Voordat adoptie plaatsvindt, betalen de (pleeg)ouders vaak de kosten van verzorging en overdracht van het kind. Deze betalingen rekent de SVB toe aan de kwartalen gelegen voor de datum van de betaling.
  • Wanneer een kind achteraf ten onrechte studiefinanciering blijkt te hebben genoten, wordt het recht op studiefinanciering met terugwerkende kracht ingetrokken. De ten onrechte uitbetaalde studiefinanciering wordt in het algemeen teruggevorderd. Indien over deze periode recht op kinderbijslag bestaat voor een onderwijs volgend kind en de verzekerde de ten onrechte uitbetaalde studiefinanciering heeft terugbetaald, merkt de SVB dit aan als bijdrage in de onderhoudskosten over de betrokken kwartalen.

 

Op grond van artikel 7 Besluit uitvoering kinderbijslag hanteert de SVB een fictieve onderhoudsbijdrage als het kind bij de verzekerde verblijft of de verzekerde bij het kind verblijft, terwijl het kind niet tot het huishouden van verzekerde behoort. De verzekerde moet dit verblijf aannemelijk maken. Feitelijk aantoonbare extra uitgaven ten behoeve van het kind worden bij de fictieve onderhoudsbijdrage opgeteld.

Uit vaste jurisprudentie van de CRvB (zie onder meer de uitspraak van 17 juli 1996) blijkt dat onderhoudsbijdragen voor kinderen die in het buitenland verblijven op een voor de SVB eenvoudig te controleren wijze moeten plaatsvinden. Dit betekent dat de onderhoudsbijdrage voor kinderen in het buitenland in beginsel moet worden gedaan door middel van een bankoverschrijving aan de verzorger van het kind of het kind zelf. Bij het vaststellen van de hoogte van de betaalde onderhoudsbijdrage tellen overmakingskosten ook mee.

Voor de uitvoering van het vereiste van de eenvoudige controleerbaarheid van het aantonen van onderhoudsbijdragen hanteert de SVB de volgende voorwaarden:

  • De SVB accepteert uitsluitend betalingen, die zijn verricht via betalingsinstellingen en banken die op basis van het toepasselijke nationale recht bevoegd zijn om financiële transacties te verrichten.
  • Bij overschrijving van een bedrag van de rekening van de verzekerde naar de rekening van de verzorger van het kind is het (internet)bankafschrift voldoende bewijs voor het aantonen van de betaling.
  • Bij storting op de bankrekening van de verzorger van het kind of het kind, moet de verzekerde het stortingsbewijs overleggen.
  • Bij opname van een bedrag van de bankrekening van de verzekerde moet de verzekerde een bankafschrift overleggen waaruit blijkt dat het bedrag met de bankpas van de verzorger van het kind of van het kind is opgenomen. Het nummer van die bankpas moet bekend zijn bij de SVB.
  • Bij overmaking van bedragen door tussenkomst van erkende intermediairs, bijvoorbeeld via de Western Union Money Transfer, dienen zowel de storting door de verzekerde als de opname door de verzorger van het kind of het kind zelf, te worden aangetoond.

 

Alleen als door uitzonderlijke omstandigheden betaling via een erkende bank of betalingsinstelling niet mogelijk is, mag de verzekerde ook op andere wijze aantonen dat hij heeft voldaan aan de onderhoudsbijdrage. Het is dan echter aan de verzekerde om de onmogelijkheid van betaling op de voorgeschreven wijze aannemelijk te maken. Ook zal hij in die gevallen elke door hem gevolgde stap van de wijze van betaling moeten aantonen.

Postpakketten worden niet geaccepteerd als middel om de onderhoudsbijdrage aan te tonen, aangezien deze wijze van voldoen van de onderhoudsbijdrage voor de SVB oncontroleerbaar is.

Grondslag

artikel 7 AKW, artikel 5, artikel 6, artikel 7, artikel 8 Besluit uitvoering  kinderbijslag

Wijzigingsbesluit Beleidsregels SVB mei 2021

relaties 3
Recht op dubbele kinderbijslag voor uitwonende kinderen (SB1300)
Beleidsregel

Op grond van artikel 7, zesde lid AKW bestaat recht op dubbele kinderbijslag voor bepaalde categorieën kinderen die niet tot het huishouden van de verzekerde behoren en ook niet als eigen kind, aangehuwd of pleegkind tot het huishouden van een ander behoren. Daarbij is vereist dat de verzekerde voldoet aan de onderhoudsbijdrage bedoeld in artikel 6 Besluit uitvoering kinderbijslag (zie ook SB1057 over voldoen aan de onderhoudsvoorwaarden). Het gaat om kinderen die:

  • uitwonend zijn in verband met ziekte of gebreken;
  • uitwonend zijn in verband met het volgen van onderwijs of een beroepsopleiding.

 

De woorden 'in verband met' brengen tot uitdrukking dat er een causaal verband moet zijn tussen het uitwonend worden van het kind en de ziekte of gebreken, respectievelijk het volgen van het onderwijs of de beroepsopleiding. Voor de vraag of sprake is van een causaal verband hanteert de SVB het volgende beleid. De SVB beoordeelt uitsluitend na een verhuisbeweging van het kind of recht bestaat op dubbele kinderbijslag.

Voor het vaststellen van het recht op dubbele kinderbijslag heeft de SVB voorts beleid geformuleerd over de volgende onderwerpen:

  • als eigen, aangehuwd of pleegkind tot het huishouden van een ander behoren;
  • onderwijs of een beroepsopleiding;
  • beroep van de verzekerde;
  • verzekerden die wonen in een geïsoleerd gebied.

 

ALS EIGEN, AANGEHUWD OF PLEEGKIND TOT HET HUISHOUDEN VAN EEN ANDER BEHOREN

Er kan alleen recht bestaan op dubbele kinderbijslag voor een uitwonend kind, als het kind niet tot het huishouden van de verzekerde behoort en ook niet als eigen kind, aangehuwd of pleegkind tot het huishouden van een ander behoort. Zie voor het beleid over deze begrippen SB1009 over eigen kinderen/adoptie/erkenning, SB1011 over aangehuwde kinderen en SB1010 over pleegkinderen/pleegouderlijke zorg.

Bij de beoordeling tot welk huishouden een kind behoort, hanteert de SVB het beleid dat staat in SB1014 over tot het huishouden behoren. Daarnaast hanteert de SVB uitsluitend voor de beoordeling van het recht op dubbele kinderbijslag het volgende beleid. De SVB gaat ervan uit dat een kind als eigen, aangehuwd of pleegkind tot een huishouden behoort, als een ouder veelvuldig bij het uitwonende kind verblijft. De SVB neemt aan dat de ouder en het kind een huishouden vormen als:

  • de ouder 46 dagen of meer in een kwartaal bij het kind verblijft. Het hoeft niet om een aaneengesloten periode van verblijf te gaan. De SVB neemt aan dat sprake is van een huishouden op de peildatum van het kwartaal waarin het verblijf bij het kind aanvangt;
  • de ouder in twee opeenvolgende kwartalen gedurende een aaneengesloten periode van 46 dagen of meer bij het kind verblijft. In dit geval neemt de SVB het huishouden niet in aanmerking op de peildatum van het kwartaal waarin het verblijf bij het kind aanvangt, maar houdt zij daarmee rekening op de peildatum van het daaropvolgende kwartaal.

 

Bij de toepassing van dit beleid beschouwt de SVB de persoon of de personen van wie het kind een eigen, aangehuwd, of pleegkind is als ouder. Als ouders die een huishouden vormen afwisselend bij het kind verblijven, telt de SVB de periodes van verblijf samen voor zover deze niet met elkaar overlappen. Van een verblijf bij het kind is alleen sprake als de ouder de voor de nachtrust bestemde tijd bij het kind doorbrengt. De SVB gaat uit van een termijn van 46 dagen, omdat dit gemiddeld genomen de helft van het aantal dagen in een kwartaal is.

ONDERWIJS OF EEN BEROEPSOPLEIDING

Er kan recht bestaan op dubbele kinderbijslag als de verzekerde aantoont dat het kind uitwonend is, omdat het een opleiding volgt die is aangewezen in bijlagen bij de Regeling dubbele kinderbijslag om onderwijsredenen.

Deze bijlagen hebben betrekking op beroepsopleidingen en scholen in Nederland. Voor kinderen die in het buitenland wonen, hanteert de SVB het volgende beleid. De verzekerde moet aannemelijk maken dat het kind uitwonend is, omdat het een beroepsopleiding of school voor voortgezet onderwijs bezoekt die vergelijkbaar is met de opleidingen en scholen die worden genoemd in een van de bijlagen bij de Regeling dubbele kinderbijslag om onderwijsredenen. Als het kind een school bezoekt die vergelijkbaar is met de scholen die worden genoemd in Bijlage B of D, moet de verzekerde tevens aannemelijk maken dat het kind is aangemerkt als topsporter op tenminste toptalentniveau of als toptalent op het gebied van dans en muziek.

Naast de inhoud van het onderwijs is de afstand tot de dichtstbijzijnde beroepsopleiding of school van belang voor het recht op dubbele kinderbijslag. De locatie van de beroepsopleiding of school moet zich op minimaal 25 kilometer afstand bevinden van het woonadres van de verzekerde of het woonadres van de ander tot wiens huishouden het kind laatstelijk behoorde. Met uitzondering van de situaties genoemd in artikel 7, tiende lid AKW geldt bovendien als voorwaarde dat er geen vergelijkbare school of opleiding mag zijn binnen de afstand van 25 kilometer. De SVB leidt uit de wetsgeschiedenis af dat geen sprake is van een vergelijkbare school of opleiding als deze dichterbij is maar geen vooropleiding biedt voor de gewenste dansopleiding, of niet voorziet in een opleiding voor de specifieke sport die het kind uitoefent.

Voor het bepalen van de afstand van minimaal 25 kilometer hanteert de SVB het volgende beleid. De SVB berekent de afstand met behulp van www.routenet.nl. Daarbij gaat de SVB uit van de kortst mogelijke route. Als de verzekerde aantoont dat de kortst mogelijke route minimaal 25 kilometer bedraagt bij het gebruik van een andere gangbare routeplanner, dan gaat de SVB van deze afstand uit.

In geval van co-ouderschap waarbij de ene ouder op een afstand van meer dan 25 kilometer woont en de ander op een afstand van minder dan 25 kilometer, gaat de SVB voor de afstand uit van de langste afstand. (Zie voor het beleid over co-ouderschap SB1096 over kinderbijslagbetaling bij echtscheiding en co-ouderschap).

De afstandseis geldt niet als het kind een opleiding volgt die is aangewezen in Bijlage C van de Regeling dubbele kinderbijslag om onderwijsredenen en verplicht is gedurende het schooljaar meer dan drie nachten per kalenderweek op een aan de school gelieerde locatie te overnachten. Dit volgt uit artikel 7, zesde lid, onder b, onderdeel 5 AKW.

BEROEP VAN DE VERZEKERDE

Als een gezin een trekkend of varend bestaan leidt vanwege het beroep van de verzekerde of zijn partner kan een kind uit een dergelijk gezin om studieredenen uitwonend zijn. In dat geval kan recht op dubbele kinderbijslag bestaan. Uit artikel 7, zesde lid, onderdeel b AKW juncto artikel 15, eerste lid Besluit uitvoering kinderbijslag volgt dat dit uitsluitend geldt voor personen met het beroep van binnenschipper, kermisexploitant of circusartiest en de persoon die hiermee is gelijkgesteld op basis van artikel 1, tweede lid Subsidieregeling opvang kinderen met een trekkend/varend bestaan.

Ten aanzien van verzekerden die in het buitenland het beroep van binnenschipper, kermisexploitant of circusartiest uitoefenen, hanteert de SVB het volgende beleid. Deze verzekerden kunnen in aanmerking komen voor dubbele kinderbijslag als zij aannemelijk maken dat zij met hun gezin een varend of trekkend bestaan leiden en het  kind uitwonend is in verband met studie.

VERZEKERDEN DIE WONEN IN GEÏSOLEERD GEBIED

Verzekerden die wonen in een geïsoleerd gebied kunnen voor hun uitwonende onderwijs volgende kinderen in aanmerking komen voor dubbele kinderbijslag. Artikel 7, zesde lid, onderdeel b AKW juncto artikel 15, tweede lid van het Besluit uitvoering kinderbijslag regelen dat het gaat om Ameland, Vlieland, Terschelling of Schiermonnikoog.

Voor de Europese Unie, de Europese Economische Ruimte, Zwitserland en verdragslanden geldt eveneens dat recht kan bestaan op dubbele kinderbijslag als de verzekerde of de ander van wiens huishouden het kind laatstelijk deel uitmaakte, woont in een geïsoleerd gebied. De SVB neemt aan dat hiervan sprake is als de school- en reistijd van het kind meer dan 12 uur per dag in beslag neemt of als dagelijks reizen naar school onmogelijk is. Het gaat daarbij om een reis op basis van openbaar vervoer inclusief voor- en natransport of om eigen vervoer.

Grondslag

artikel 7, zesde lid AKW, artikel 15 Besluit uitvoering kinderbijslag, Regeling dubbele  kinderbijslag om onderwijsredenen

Wijzigingsbesluit Beleidsregels SVB februari 2019

relaties 1
Recht op extra bedrag aan kinderbijslag voor thuiswonende kinderen met intensieve zorgbehoefte (SB1333 )
Beleidsregel

Artikel 7a AKW bepaalt dat een verzekerde recht kan hebben op een extra bedrag aan kinderbijslag voor thuiswonende kinderen die zijn aangewezen op intensieve zorg. Een van de voorwaarden hiervoor is dat de verzekerde gedurende het hele kalenderjaar recht had op een verdubbeling van het bedrag aan kinderbijslag en dat dit aan hem is uitbetaald. Met deze voorwaarde heeft de wetgever willen waarborgen dat het extra bedrag alleen wordt toegekend als het kind gedurende het volledige kalenderjaar was aangewezen op intensieve zorg. 

Als de dubbele kinderbijslag niet gedurende het volledige kalenderjaar aan dezelfde verzekerde ouder tot uitbetaling is gekomen, dan kan er bij een letterlijke toepassing van artikel 7a AKW geen recht op het extra bedrag bestaan. Volgens de SVB kan letterlijke toepassing van deze voorwaarde leiden tot een onredelijk resultaat, als gedurende een kalenderjaar een wisseling heeft plaatsgevonden in de ouder die de kinderbijslag heeft aangevraagd. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij co-ouderschap, echtscheiding of overlijden van een van de ouders. Daarom voert de SVB het volgende beleid.

Als gedurende het kalenderjaar de andere ouder aanvrager wordt van de kinderbijslag, dan kent de SVB het extra bedrag toe als:

  • het kind met de intensieve zorgbehoefte in het volledige kalenderjaar tot het huishouden van deze andere ouder heeft behoord;
  • gedurende het volledige kalenderjaar dubbele kinderbijslag voor dit kind is uitbetaald; en
  • is voldaan aan de overige voorwaarden die artikel 7a, tweede lid AKW stelt voor het recht op het extra bedrag aan kinderbijslag.

Toepassing van dit beleid kan er niet toe leiden dat twee ouders voor hetzelfde kind recht op het extra bedrag aan kinderbijslag hebben. Als beide ouders voldoen aan de hierboven genoemde voorwaarden, dan beoordeelt de SVB op de volgende manier aan welke ouder zij het extra bedrag toekent:

  • Als de ouders gezamenlijk een huishouden vormen, dan kent de SVB het extra bedrag toe aan de ouder die aanvrager van de kinderbijslag is op het moment dat het extra bedrag wordt uitbetaald;
  • In geval van co-ouderschap kent de SVB het extra bedrag toe aan de ouder wiens recht op dubbele kinderbijslag tot uitbetaling kwam in het laatste kwartaal van het kalenderjaar waarop het extra bedrag betrekking heeft.

Als het recht op dubbele kinderbijslag niet gedurende het volledige kalenderjaar tot uitbetaling is gekomen vanwege toepassing van de anti-cumulatieregels van Verordening (EG) nr. 883/2004, dan kan er bij een letterlijke toepassing van artikel 7a AKW geen recht op het extra bedrag bestaan. Naar het oordeel van de SVB kan er dan niettemin recht op het extra bedrag aan kinderbijslag bestaan, als de ouder aan alle overige voorwaarden voor dat recht voldoet.

Wet- en regelgeving

Recht op AOW, Anw, kinderbijslag en OBR in het buitenland

relaties 19
Export van uitkeringen (SB1058)
Beleidsregel

Op grond van de artikelen 8a en 9a AOW, de artikelen 32a en 32b Anw en artikel 7b AKW vindt export van uitkeringen naar het buitenland niet of beperkt plaats. Op grond van artikel 7, tweede lid OBR bestaat ook geen recht op overbruggingsuitkering als de rechthebbende niet in Nederland woont. Het tweede en vierde lid van artikel 8a AOW zijn van overeenkomstige toepassing. Daarom geldt het beleid over de export van uitkeringen in het kader van de AOW ook voor de OBR.

Hoofdregel voor de AOW, Anw en OBR is dat een gedeeltelijk (AOW) of geen (Anw en OBR) recht op uitkering bestaat als de betrokkene niet in Nederland woont. Voor de AKW geldt als hoofdregel dat geen recht op kinderbijslag bestaat als het kind niet in Nederland woont. Het begrip wonen in de hiervoor genoemde bepalingen wijkt niet af van het begrip wonen bij de beoordeling van ingezetenschap. De beleidsregels in SB1022 over ingezetene/wonen zijn daarom van overeenkomstige toepassing.

Bijzonderheden voor de AOW en Anw

De AOW, Anw en het Besluit regels export uitkeringen bevatten uitzonderingen op de hoofdregel dat er een gedeeltelijk of geen recht op uitkering bestaat als de betrokkene niet in Nederland woont. Een van de uitzonderingen doet zich voor als de betrokkene woont in een land waarin op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie recht op een uitkering kan bestaan. Een andere uitzondering geldt voor betrokkenen die een beroep kunnen doen op het overgangsrecht van de artikelen 62 AOW, 62a AOW, 68 Anw of 68a Anw. Met betrekking tot deze uitzonderingen voert de SVB het volgende beleid.

Betrokkenen die wonen in een land waarin op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie recht op uitkering kan bestaan

Als een betrokkene woont in een land waarnaar export van een uitkering mogelijk is op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie, bestaat ook recht op die uitkering als de betrokkene zelf geen rechten kan ontlenen aan het verdrag of het besluit (bijvoorbeeld omdat hij niet onder de personele werkingssfeer van het verdrag of besluit valt). Het is wel noodzakelijk dat de uitkering onder de materiële werkingssfeer van het verdrag of besluit valt. Dit leidt de SVB af uit de tekst en de parlementaire geschiedenis van de artikelen 8a en 9a AOW en 32a en 32b Anw.

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid maakt de landen bekend waarin recht op een uitkering kan bestaan op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie. De SVB gaat ervan uit dat deze bekendmaking slechts declaratoire werking heeft. Dit betekent dat een betrokkene die woont in een land waarin recht op uitkering kan bestaan op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie, ook recht heeft op deze uitkering als het land niet voorkomt op de lijst van landen die door de minister is bekendgemaakt.

Betrokkenen op wie het overgangsrecht van de artikelen 62 en 62a AOW, of de artikelen 68 en 68a Anw van toepassing is

De artikelen 62 AOW en 68 Anw bevatten overgangsrecht voor bepaalde betrokkenen die op 31 december 1999 niet in een verdragsland woonden en recht hadden op een AOW-pensioen of Anw-uitkering. Daarnaast bevatten de artikelen 62a, eerste lid AOW en 68a, eerste lid Anw overgangsrecht voor betrokkenen die in een verdragsland wonen en die hun recht op uitkering (gedeeltelijk) zouden verliezen, als gevolg van buitenwerkingtreding van het verdrag door opzegging, beëindiging van de voorlopige toepassing of een daarmee gelijk te stellen situatie. 

Het overgangsrecht is van toepassing zolang de betrokkene blijft wonen in hetzelfde land en blijft voldoen aan de voorwaarden voor het recht op AOW-pensioen of Anw-uitkering. De SVB legt de zinsnede "blijft voldoen aan de voorwaarden voor het recht" zo uit, dat moet zijn voldaan aan de materiële voorwaarden voor het recht als bedoeld in Hoofdstuk III, paragraaf 1, AOW respectievelijk Hoofdstuk 3, afdeling 1, Anw. Geen vereiste is dat het recht op uitkering op aanvraag is vastgesteld. De SVB baseert deze uitleg mede op het arrest van de Hoge Raad van 8 april 2011 waarin een soortgelijk overgangsrecht aan de orde was.

Bijzonderheden voor de AKW

Hoofdregel van artikel 7b AKW is dat er geen recht op kinderbijslag bestaat als het kind niet in Nederland woont. Op grond van de AKW, het Besluit regels export uitkeringen en op grond van verdragsbepalingen gelden er uitzonderingen op deze hoofdregel. Een van de uitzonderingen is dat wel recht op kinderbijslag bestaat als het kind niet in Nederland woont, maar er een verdrag van toepassing is dat in de weg staat aan toepassing van artikel 7b AKW. Met betrekking tot deze uitzondering voert de SVB het volgende beleid.

Verdragen die in de weg staan aan toepassing van artikel 7b AKW

Toepassing van artikel 7b AKW is in strijd met de verdragen met: Australië, Bosnië-Herzegovina, Canada, Indonesië, Israël, Marokko, Montenegro, Nieuw-Zeeland, Quebec, Servië, Suriname, Tunesië, Verenigd Koninkrijk, Verenigde Staten, Zuid-Afrika en Zuid-Korea. Op grond van deze verdragen mag het recht op kinderbijslag niet worden beëindigd of verminderd vanwege het feit dat het kind woont op het grondgebied van de andere verdragsluitende partij. Daarvoor is wel noodzakelijk dat de betrokkene onder de personele werkingssfeer van het verdrag valt.

Verder blijkt uit de uitspraak van de CRvB van 14 februari 2019 dat toepassing van artikel 7b AKW soms in strijd is met artikel 33, eerste lid van het verdrag met Turkije. Hiervan is sprake als:

  • het kind in Turkije woont;
  • de betrokkene uitsluitend de Turkse nationaliteit heeft; en
  • de betrokkene werkzaamheden in loondienst verricht in Nederland, of een uitkering op grond van de WW of ZW ontvangt.
     

​Als aan deze voorwaarden is voldaan, dan past de SVB artikel 7b AKW niet toe.

Wijziging, opzegging of beëindiging van de voorlopige toepassing van een verdrag dat aan de toepassing van artikel 7b AKW in de weg staat

Artikel 41b AKW bevat overgangsrecht voor betrokkenen van wie het recht op kinderbijslag eindigt door wijziging, opzegging, beëindiging van de voorlopige toepassing van een verdrag of een daarmee gelijk te stellen situatie. Dit artikel is niet van toepassing als het verdrag voorziet in een overgangsregeling die specifiek bedoeld is voor de beëindiging van de export van kinderbijslag. Daarnaast past de SVB artikel 41b AKW niet toe als het verdrag een algemene overgangsbepaling bevat die bepaalt dat een recht op uitkering dat is verkregen op grond van het verdrag niet mag worden beëindigd in geval van opzegging van dat verdrag. De SVB geeft hiermee toepassing aan de uitspraak van de CRvB van 12 december 2014. Uit deze uitspraak blijkt dat de kinderbijslag een duuruitkering is die kan zijn 'verkregen' op grond van een verdrag. Uit de uitspraak van de CRvB van 29 juli 2011 volgt dat rechten die worden ontnomen als gevolg van de wijziging van een verdrag ook vallen onder de bescherming van een verdragsbepaling als hiervoor is bedoeld.

 

 

Grondslag

artikel 8a, artikel 9a, artikel 62, artikel 62a AOW, artikel 32a, artikel 32b, artikel 68, artikel 68a Anw,

artikel 7b, artikel 41b AKW, artikel 7, tweede lid OBR

Wijzigingsbesluit Beleidsregels SVB mei 2021

relaties 8
Toepassing van het woonlandbeginsel in de Anw en AKW (SB1301)
Beleidsregel

Op grond van de artikelen 17, derde lid Anw en 12, tweede lid AKW is het woonlandbeginsel van toepassing als recht op een Anw-uitkering of kinderbijslag bestaat voor een Anw-gerechtigde of kind dat niet in Nederland, de EU, EER of Zwitserland woont. Dit betekent dat de hoogte van de Anw-uitkering of de kinderbijslag afhankelijk is van het woonland van de gerechtigde respectievelijk het kind.

Uit de uitspraken van de CRvB van 21 maart 2014, 9 mei 2014, 12 december 2014, 20 januari 2017 en 5 april 2018 blijkt dat toepassing van het woonlandbeginsel op de Anw-uitkering of de kinderbijslag in strijd is met artikel 6 Besluit 3/80, artikel 11 Europees Verdrag inzake sociale zekerheid en bepalingen over de betaling van uitkeringen in verschillende bilaterale verdragen. Op grond van deze uitspraken past de SVB het woonlandbeginsel niet toe op:

  • de Anw-uitkering van gerechtigden die wonen in: Argentinië, Belize, Bosnië-Herzegovina, Canada, Chili, Ecuador, Egypte, Filipijnen, Hong Kong, Indonesië, Israël, Japan, Jordanië, Monaco, Montenegro, Noord-Macedonië, Panama, Paraguay, Quebec, Servië, Suriname, Thailand, Tunesië, Turkije, Uruguay, Verenigd Koninkrijk, Verenigde Staten, Zuid-Afrika of Zuid-Korea.
  • de kinderbijslag voor kinderen die wonen in: Bosnië-Herzegovina, Canada, Indonesië, Israël, Montenegro, Quebec, Servië, Suriname, Tunesië, Verenigd Koninkrijk, Verenigde Staten, Zuid-Afrika of Zuid-Korea.

 

In SB1058 over de export van uitkeringen staat dat op grond van de uitspraak van de CRvB van 14 februari 2019 onder bepaalde voorwaarden recht op kinderbijslag bestaat als een kind in Turkije woont. Als is voldaan aan deze voorwaarden, dan past de SVB het woonlandbeginsel niet toe op de kinderbijslag.

Ten aanzien van personen die wonen in Australië of Nieuw-Zeeland past de SVB het woonlandbeginsel evenmin toe, omdat de verdragen inzake sociale zekerheid met deze landen hieraan in de weg staan.

Grondslag

artikel 17, derde lid Anw, artikel 12, tweede lid AKW

Wijzigingsbesluit Beleidsregels SVB mei 2021

Participatiewet

relaties 2
Gelijkstelling met een Nederlander (SB1331)
Beleidsregel

Uit artikel 11, eerste lid Participatiewet in samenhang met artikel 47a volgt dat recht bestaat op een AIO-aanvulling voor iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien.

Op grond van artikel 11, tweede lid Participatiewet wordt met een Nederlander gelijkgesteld de vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijft in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l van de Vreemdelingenwet 2000, met uitzondering van de gevallen, bedoeld in artikel 24, tweede lid, van Richtlijn 2004/38/EG. Voor de vraag of een vreemdeling rechtmatig in Nederland verblijft in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l van de Vreemdelingenwet 2000, past de SVB het beleid in SB1029 over uitsluiting van verzekering op grond van de verblijfsstatus overeenkomstig toe.

Grondslag

Artikel 11, eerste en tweede lid Participatiewet

Wijzigingsbesluit Beleidsregels SVB juni 2020

relaties 8
Verblijf buiten Nederland (SB1302)
Beleidsregel

Op grond van artikel 13 Participatiewet is het personen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt toegestaan per kalenderjaar maximaal 13 weken in het buitenland te verblijven. Voor personen die jonger zijn dan de pensioengerechtigde leeftijd geldt een maximum verblijfsduur van 4 weken per kalenderjaar. De SVB leidt uit de jurisprudentie af dat een betrokkene op de dag van vertrek verblijf houdt in Nederland en op de dag van terugkeer verblijf houdt buiten Nederland (CRvB 22 maart 2011).

Het verblijf in het buitenland hoeft niet een aaneengesloten periode te zijn, mits de 4 of 13 weken niet worden overschreden. Als een aaneengesloten periode van verblijf in twee opeenvolgende kalenderjaren valt, mag de maximale duur van dit verblijf niet langer zijn dan de duur die voor één kalenderjaar is toegestaan. Dat wil zeggen 4 of 13 weken.

Als de betrokkene de toegestane verblijfsduur in het buitenland overschrijdt dan eindigt in beginsel het recht op AIO-aanvulling. Dit recht eindigt evenwel niet als sprake is van zeer dringende redenen om de AIO-aanvulling betaalbaar te blijven stellen na het verstrijken van de toegestane verblijfsduur. De SVB leidt uit de jurisprudentie af (bijvoorbeeld CRvB 19 februari 2008) dat hiervan alleen sprake is in geval van een acute noodsituatie die niet aan de betrokkene is toe te rekenen en de behoeftige omstandigheden waarin hij verkeert niet op een andere manier te verhelpen zijn dan door het verlenen van de AIO-aanvulling. Van een acute noodsituatie is bijvoorbeeld sprake als een situatie levensbedreigend van aard is of als die blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben (zie CRvB 1 december 2009). De SVB leidt voorts uit de jurisprudentie af dat het op de weg van de betrokkene ligt om aan te tonen dat hij niet tijdig naar Nederland kon terugkeren (zie CRvB 1 februari 2005).

Indien een alleenstaande rechthebbende niet tijdig uit het buitenland terugkeert of als gehuwde rechthebbenden op dezelfde datum de toegestane duur van het verblijf in het buitenland overschrijden en geen sprake is van dringende redenen, dan trekt de SVB het recht op AIO-aanvulling in met ingang van het moment waarop de toegestane verblijfsduur in het buitenland is overschreden. Tevens beoordeelt de SVB of de AIO-aanvulling die ten gevolge van de intrekking onverschuldigd is betaald, moet worden teruggevorderd.

Indien een AIO-aanvulling is verleend voor gehuwden, een van beide echtgenoten langer dan toegestaan in het buitenland verblijft en voor deze echtgenoot geen recht meer op AIO-aanvulling bestaat, dan behoudt de andere echtgenoot recht op AIO-aanvulling. Na het verstrijken van de wettelijke vakantieduur wordt het recht op AIO-aanvulling ten behoeve van de te lang in het buitenland verblijvende echtgenoot beëindigd of ingetrokken met ingang van de dag waarop de toegestane verblijfsduur in het buitenland is overschreden. Tevens beoordeelt de SVB of de AIO-aanvulling die ten gevolge van de intrekking onverschuldigd is betaald, moet worden teruggevorderd. De AIO-aanvulling van de echtgenoot die recht op een AIO-aanvulling behoudt, wordt herzien naar de norm voor een alleenstaande.

Op een hernieuwde aanvraag om AIO-aanvulling van een persoon die na een te lang verblijf terugkeert, past de SVB het beleid in SB1307 over ingangsdatum bij aanvraag AIO-aanvulling mutatis mutandis toe.

Grondslag

artikel 11, artikel 13, eerste lid, onderdeel d en vierde lid, artikel 16, artikel 17

Participatiewet

Besluit beleidsregels SVB 2016

Inkomen en vermogen
relaties 4
Inkomen (SB1303)
Beleidsregel

Uit artikel 19 Participatiewet volgt dat alleen recht op AIO-aanvulling bestaat als het in aanmerking te nemen inkomen van de alleenstaande of het gezin lager is dan de toepasselijke bijstandsnorm. Dit geldt ook als een van de echtgenoten geen recht op AIO-aanvulling heeft. Op grond van artikel 32, derde en vierde lid Participatiewet moet de SVB bij de vaststelling van de AIO-aanvulling rekening houden met de middelen van de echtgenoot die geen recht op AIO-aanvulling heeft. Een speciale situatie doet zich voor bij de toeslag op het ouderdomspensioen van een rechthebbende op AIO-aanvulling met een echtgenoot die wegens tijdelijk verblijf of wonen in het buitenland geen recht op AIO-aanvulling heeft. Hoewel de SVB de toeslag aan deze rechthebbende toekent en over het algemeen ook aan hem betaalt, behoort de toeslag ingevolge artikel 31, tweede lid, onder a Participatiewet niet tot zijn middelen. De SVB rekent deze toeslag op grond van jurisprudentie van de CRvB (CRvB 16 augustus 2011) toe aan de middelen van de niet-rechthebbende echtgenoot.

De Participatiewet bevat geen regels over het vaststellen van inkomsten uit eigen bedrijf of zelfstandig beroep van een AIO-gerechtigde die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. Deze inkomsten zijn veelal pas na afloop van het boekjaar bekend. De SVB hanteert hierbij het volgende beleid. Totdat de inkomsten definitief zijn vastgesteld, stelt de SVB de AIO-aanvulling van betrokkene vast aan de hand van een fictief inkomen. Dit fictief inkomen is gelijk aan het gemiddelde inkomen per maand gedurende de twee boekjaren die direct aan het desbetreffende jaar voorafgaan en waarover de Belastingdienst het inkomen heeft vastgesteld. De SVB stelt de AIO-aanvulling definitief vast na afloop van een boekjaar. Voor de berekening van het inkomen van een zelfstandige gaat de SVB uit van de netto winst minus de verschuldigde inkomstenbelasting, de premies volksverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet.

Grondslag

Artikel 19, artikel 31 en artikel 32 Participatiewet

Wijzigingsbesluit Beleidsregels SVB mei 2021

relaties 5
Vermogen (SB1304)
Beleidsregel

Het recht op AIO-aanvulling is mede afhankelijk van het vermogen van de alleenstaande of het gezin. Als dit vermogen een bepaalde grens te boven gaat, bestaat geen recht op AIO-aanvulling. Op grond van artikel 34, eerste lid, onder a, Participatiewet is het vermogen bij aanvang van de AIO-aanvulling gelijk aan de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikken of redelijkerwijs kunnen beschikken, verminderd met de aanwezige schulden. Indien de schulden de waarde van de bezittingen overtreffen, stelt de SVB het vermogen vast op nihil. Dit volgt uit de jurisprudentie (CRvB 23 december 2008 en 14 september 2010).

De middelen die betrokkene ontvangt in de periode waarover een AIO-aanvulling is toegekend, behoren op grond van artikel 34, eerste lid, onder b, Participatiewet eveneens tot het vermogen, tenzij deze middelen inkomsten vormen als bedoeld in de artikelen 32 en 33 Participatiewet. De SVB brengt schulden die ontstaan tijdens de verlening van de AIO-aanvulling niet in mindering op het vermogen (CRvB 23 december 2008). Uit de wetsgeschiedenis bij artikel 34 Participatiewet blijkt dat de SVB hetzelfde moet handelen indien betrokkene tijdens de verlening van de AIO-aanvulling zijn vermogen aanspreekt voor uitgaven.

Als de verlening van een AIO-aanvulling minder dan dertig dagen wordt onderbroken, bijvoorbeeld door een te lang verblijf in het buitenland, stelt de SVB het vermogen vast alsof geen onderbreking heeft plaatsgevonden. Bij een onderbreking van ten minste dertig dagen stelt de SVB het vermogen bij hervatting van de AIO-aanvulling vast alsof het een eerste aanvraag betreft (CRvB 29 april 2008).

Onder bezittingen verstaat de SVB geld en op geld waardeerbare goederen.

GELD

Voorbeelden van geld zijn: contant geld, geld op een betaalrekening, spaargeld, deposito's, aandelen, obligaties en de afkoopwaarde van een koopsom of levensverzekeringspolis.

Bij de vaststelling van het vermogen hanteert de SVB het beleid dat zij een deel van het positief saldo op een betaalrekening buiten aanmerking laat zodat betrokkene nog lopende uitgaven kan doen. De SVB laat een bedrag ter hoogte van de van toepassing zijnde bijstandsnorm vrij.

Bij overlijden keert een uitvaartverzekering in natura of in geld uit. De SVB laat de waarde in natura alsmede het in geld uitgekeerde bedrag volledig buiten aanmerking. Wanneer een uitvaartverzekering ontbreekt, laat de SVB een door betrokkene voor zijn begrafenis of crematie gereserveerd bedrag vrij indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • Het gereserveerde bedrag staat op een aparte rekening.
  • Het gestorte bedrag is niet hoger dan € 5.000,-.
  • Het bedrag is tussentijds niet opvraagbaar.

 

Op grond van artikel 31, tweede lid, onder m, Participatiewet en artikel 34, tweede lid, onder e, Participatiewet behoren vergoedingen voor immateriële schade niet tot de middelen van betrokkene, voor zover deze vergoedingen naar het oordeel van de SVB uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn. De SVB hanteert het beleid om een derde deel van de schadevergoeding buiten aanmerking te laten, met een maximum van € 45.000,-.

GOEDEREN

Bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn, of die noodzakelijk zijn gelet op de omstandigheden van betrokkene en zijn gezin, merkt de SVB op grond van artikel 34, tweede lid, onder a, Participatiewet niet aan als vermogen. Te denken valt aan de inboedel van betrokkene. Bij een waarde van de inboedel groter dan € 85.000,- verricht de SVB nader onderzoek naar het bezit van goederen die - gelet op hun waarde - niet als algemeen gebruikelijk zijn aan te merken.

De SVB hanteert het beleid dat een auto met een waarde tot € 4.500,- naar zijn aard en waarde algemeen gebruikelijk is. Voor auto's met een waarde van meer dan € 4.500,- geldt een vrijlating van € 4.500,-. Beschikt betrokkene over meer dan één auto dan wordt de waarde van de tweede en volgende auto geheel als vermogen in aanmerking genomen.

Voor de vaststelling van de waarde van een auto gaat de SVB in beginsel uit van de verkoopwaarde die volgens de ANWB/BOVAG-koerslijst geldt bij verkoop tussen particulieren. De SVB wijkt alleen van de koerslijst af als uit voldoende andere gegevens blijkt dat de waarde van de auto niet overeenkomt met de waarde die daarin wordt genoemd. Als de auto vanwege zijn leeftijd niet voorkomt op de koerslijst, neemt de SVB aan dat de waarde nihil is. Dit tenzij het een oldtimer betreft.

Motoren, boten, caravans, campers en tuinhuisjes acht de SVB vanwege hun aard niet algemeen gebruikelijk. Beschikt betrokkene niet over een auto dan merkt de SVB een motor aan als noodzakelijk. In dat geval is het hierboven weergegeven beleid ten aanzien van vermogen in de vorm van een auto van overeenkomstige toepassing.

Grondslag

Artikel 31, tweede lid, onder m en artikel 34, eerste en tweede lid  Participatiewet

Wijzigingsbesluit Beleidsregels SVB mei 2021

relaties 4
Krediethypotheek en pandrecht (SB1305)
Beleidsregel

De SVB kan een AIO-aanvulling in de vorm van een geldlening verlenen aan een eigenaar van een woning wanneer hij de woning zelf bewoont en sprake is van een overwaarde van de woning die het vrij te laten vermogen als bedoeld in artikel 34, tweede lid, onderdeel d Participatiewet te boven gaat. Het bedrag van de overwaarde is gelijk aan de waarde van de woning minus de daarop rustende schuld. De SVB hanteert bij het verlenen van een AIO-aanvulling in de vorm van een geldlening het volgende beleid.

De SVB neemt ter bepaling van de waarde van een woning de jaarlijks vastgestelde WOZ-waarde over. Deze wijze van vaststellen is in de jurisprudentie aanvaard (CRvB 6 april 1999). Indien voor een woning geen WOZ-waarde is vastgesteld, laat de SVB zich adviseren door een gecertificeerd taxateur die in overleg met de belanghebbende wordt aangewezen.

Aan de verlening van een AIO-aanvulling in de vorm van een geldlening verbindt de SVB de verplichting dat een recht van hypotheek of pand wordt gevestigd als zekerheid voor de nakoming van de rente- en aflossingsverplichtingen. De SVB verplicht hiertoe niet indien de overwaarde van de woning minus het vrij te laten vermogen als bedoeld in artikel 34, tweede lid, onderdeel d Participatiewet minder bedraagt dan € 5000,-.

De SVB vestigt een pandrecht door middel van een onderhandse akte die wordt geregistreerd bij de Belastingdienst. De kosten die zijn verbonden aan taxatie, het vestigen van een hypotheek of pandrecht komen voor rekening van de belanghebbende, maar op verzoek kan de SVB deze kosten voorfinancieren.

In geval van beëindiging van de AIO-aanvulling moet de betrokkene de geldlening binnen een periode van tien jaar terugbetalen. Indien het inkomen van de betrokkene hierdoor op enig moment minder bedraagt dan de toepasselijke bijstandsnorm, dan verlengt de SVB deze periode zodat de betrokkene ten minste beschikt over een inkomen ter hoogte van de toepasselijke bijstandsnorm. Indien de betrokkene de geldlening geheel of gedeeltelijk met zijn vermogen kan aflossen, geldt hiervoor geen aflossingsduur van tien jaar. De betrokkene moet in dat geval zijn vermogen zo snel mogelijk aanwenden om de geldlening af te lossen.

De SVB brengt na beëindiging van de AIO-aanvulling geen rente in rekening bij de betrokkene. Indien naar het oordeel van de SVB de betrokkene de geldlening verwijtbaar niet aflost, eist de SVB het restant van de geldlening direct op en is, in geval van niet tijdige betaling, over dit restant wel wettelijke rente verschuldigd.

Grondslag

artikel 34, eerste lid, onderdeel a en tweede lid, onderdeel d, artikel 48, derde lid,  artikel 50 Participatiewet

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 2

Remigratiewet (SB1059)

Beleidsregel

In artikel 2b Remigratiewet staan voorwaarden waaraan een remigrant moet voldoen om in aanmerking te komen voor een remigratievoorziening. Bij de toepassing van deze bepaling hanteert de SVB het volgende beleid.

Artikel 2b, eerste lid, onderdeel d Remigratiewet bepaalt dat de remigrant zijn schulden aan het Rijk moet hebben voldaan, of een afbetalingsregeling moet hebben getroffen ten behoeve van deze schulden. Als een rijksorgaan een schuld schriftelijk buiten invordering stelt, dan beschouwt de SVB dit als een afbetalingsregeling ten behoeve van een schuld aan het Rijk.

Uit artikel 2b, eerste lid, onderdeel f, artikel 2b, tweede lid en artikel 6a Remigratiewet volgt dat een remigrant of zijn partner geen recht hebben op remigratievoorzieningen als de remigrant of zijn partner zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel. In SB1276 over voortvluchtigen is uitgewerkt wat de SVB verstaat onder onttrekken als bedoeld in artikel 8c AOW en de artikelen 32e en 32f Anw. De SVB past dit beleid overeenkomstig toe in het kader van de Remigratiewet.

De SVB verstaat onder een schriftelijk bewijs als bedoeld in artikel 2b, eerste lid, onderdeel g Remigratiewet een door de bevoegde autoriteiten van het bestemmingsland afgegeven document waaruit blijkt dat het de remigrant en zijn mee-remigrerende partner en kinderen is toegestaan gedurende ten minste een jaar na het vertrek uit Nederland onafgebroken in het bestemmingsland te verblijven.

Van remigratie door beide echtgenoten als bedoeld in artikel 2b,derde lid is naar het oordeel van de SVB sprake als beide echtgenoten binnen de termijn van zes maanden na dagtekening van de toekenningsbeschikking als bedoeld in artikel 4, vijfde lid Remigratiewet, dan wel in geval van verlenging van die termijn binnen uiterlijk twaalf maanden na dagtekening van die beschikking zijn geremigreerd (zie SB1081 over bijzonderheden met betrekking tot de Remigratiewet).

Grondslag

artikel 2b en artikel 6a, eerste lid Remigratiewet

Wijzigingsbesluit Beleidsregels SVB september 2019

TAS 2014

relaties 2
Werknemers (SB1063)
Beleidsregel

De Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers 2014 (TAS 2014) heeft tot doel een uitkering te verstrekken aan personen die lijden aan de door asbest veroorzaakte ziekte maligne mesothelioom of asbestose en die in verband met die ziekte (nog) geen civielrechtelijke vergoeding van hun voormalige werkgever kunnen krijgen.

Op grond van de TAS 2014 heeft recht op een voorschot de persoon bij wie de ziekte maligne mesothelioom of asbestose is vastgesteld en die aannemelijk heeft gemaakt dat deze ziekte is veroorzaakt door blootstelling aan asbest tijdens het verrichten van arbeid als werknemer. De regeling hanteert de term voorschot. Juridisch gezien is van een voorschot geen sprake aangezien het besluit over de verlening van een voorschot geen voorlopige maar een definitieve vaststelling van het recht op uitkering betreft.

Het voorschot is bedoeld als een tegemoetkoming die voor zover mogelijk bij leven van de werknemer tot uitbetaling komt. De SVB baseert zich daarom bij de beoordeling van de vraag of de ziekte asbestose is vastgesteld, op het oordeel van het Nederlands Asbestose Panel (NAP) zoals bedoeld in artikel 4.2 van het Protocol diagnostiek asbestose. Voor de vraag of de ziekte maligne mesothelioom is vastgesteld, gaat de SVB uit van het voorlopig verslag van het Nederlands Mesotheliomenpanel (NMP) zoals bedoeld in artikel 3.2 van het Protocol diagnostiek maligne mesothelioom. Deze protocollen zijn als bijlagen gepubliceerd bij de TAS 2014.

De SVB legt het voorschrift dat de blootstelling aan asbest moet hebben plaatsgevonden tijdens het verrichten van arbeid als werknemer zo uit, dat sprake moet zijn geweest van loondienst tijdens de blootstelling aan asbest.

De SVB acht in ieder geval een oorzakelijk verband aanwezig tussen de ziekte maligne mesothelioom en blootstelling aan asbest tijdens het verrichten van arbeid als werknemer als:

  • de betrokkene ten minste zes maanden werkzaam is geweest in de primaire of secundaire asbestindustrie, of
  • de betrokkene ten minste zes maanden werkzaam is geweest in een functie of beroep voorkomend op de beroepenlijst die deel uitmaakt van het advies van de Gezondheidsraad aan de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 15 april 1998 en op basis van zijn stellige verklaring aannemelijk is dat hij tijdens dit dienstverband aan asbest is blootgesteld.

In andere situaties stelt het Instituut asbestslachtoffers (IAS) vast of in het individuele geval sprake is geweest van een relevante blootstelling aan asbest tijdens het verrichten van arbeid voordat de SVB een voorschot toekent. De aanvrager kan een dergelijke blootstelling aantonen door aanvullende informatie te verstrekken over door hem verrichte taken en werkzaamheden, alsmede het gebruik van asbesthoudende materialen en de toepassing daarvan.

De SVB laat zich bij de uitvoering van de TAS 2014 adviseren door het IAS. De SVB acht zich aan de adviezen van het IAS gebonden voor zover deze tot stand zijn gekomen overeenkomstig de hiervoor weergegeven beleidsregels. Adviezen die afwijken van deze beleidsregels leiden slechts tot toekenning van een voorschot indien het IAS voldoende motiveert waarom in het individuele geval van de beleidsregels moet worden afgeweken.

Grondslag

artikel 3, onder a, artikel 10, onder a TAS 2014

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 3
Huisgenoten (SB1064)
Beleidsregel

De bepalingen van de TAS 2014 over het recht op voorschot bij de ziekte maligne mesothelioom zijn van overeenkomstige toepassing op huisgenoten van werknemers. Dit betekent dat de voor werknemers geldende eisen en beleidsregels in SB1063 over het voorschot bij de ziekte maligne mesothelioom ook van toepassing zijn op huisgenoten.

Een huisgenoot komt slechts in aanmerking voor een voorschot als ten tijde van de asbestblootstelling sprake is geweest van een duurzaam hoofdverblijf met de werknemer. De SVB hanteert het uitgangspunt dat van gezamenlijk hoofdverblijf in ieder geval sprake is geweest indien de huisgenoot ten tijde van de asbestblootstelling:

  • met de werknemer gehuwd was, of
  • het eigen of aangehuwde kind van de werknemer en minderjarig was.

Aan het criterium van duurzaamheid wordt voldaan als het gezamenlijk hoofdverblijf minimaal zes maanden heeft geduurd. Dit blijkt uit de toelichting op de TAS 2014. In geval het gezamenlijk hoofdverblijf minder dan zes maanden heeft geduurd, merkt de SVB dit hoofdverblijf toch als duurzaam aan, indien vaststaat dat een relevante asbestblootstelling heeft plaatsgevonden en de perioden van gezamenlijk verblijf en asbestblootstelling elkaar geheel overlappen.

Grondslag

artikel 7, artikel 8 en artikel 9 TAS

Besluit beleidsregels SVB 2016

TNS

relaties 2
Verblijfsduur (SB1306)
Beleidsregel

De Regeling tegemoetkoming niet-loongerelateerde slachtoffers van mesothelioom en asbestose (TNS) heeft tot doel een tegemoetkoming te verstrekken aan personen die lijden aan de door asbest veroorzaakte ziekte asbestose of maligne mesothelioom waarbij de blootstelling aan asbest niet heeft plaatsgevonden als gevolg van arbeid in loondienst.

Om voor een tegemoetkoming op grond van de TNS in aanmerking te komen, moet een persoon gedurende een zodanige aaneengesloten periode woonplaats in Nederland hebben gehad dat aannemelijk is dat de blootstelling aan asbest in Nederland heeft plaatsgevonden. Op grond van artikel 2, onder i TNS bedraagt deze aaneengesloten periode ten minste tien jaar, gelegen in het tijdvak tussen tien en zestig jaar voorafgaand aan het tijdstip van indiening van de aanvraag om een tegemoetkoming.

De SVB is op grond van artikel 9, tweede lid TNS bevoegd af te wijken van de aaneengeslotenheid van de periode van tien jaar wonen in Nederland, indien de SVB van oordeel is dat het belang van de TNS daartoe noodzaakt. In dat kader hanteert de SVB het volgende beleid. Aan de voorwaarde bedoeld in artikel 2, onder i TNS is eveneens voldaan indien een persoon in de referteperiode van vijftig jaar ten minste vijftien jaar in Nederland heeft gewoond, waarvan ten minste twee maal een aaneengesloten periode van vijf jaar.

Grondslag

artikel 2, onder i, artikel 9, tweede lid TNS

Besluit beleidsregels SVB 2016

Aanvraag en herziening

Toekenning op aanvraag

relaties 8
Toekenning op aanvraag (SB1065)
Beleidsregel

Om voor een AOW-pensioen, een Anw-uitkering, kinderbijslag, een AIO-aanvulling, een overbruggingsuitkering, een remigratie-uitkering, een voorschot op grond van de TAS 2014 dan wel een tegemoetkoming op grond van de TNS in aanmerking te komen moet een aanvraag worden ingediend bij de SVB.

De SVB bevordert aanvragen om AOW-pensioen voor in Nederland wonende personen die de pensioengerechtigde leeftijd als bedoeld in artikel 7a AOW bereiken. Deze personen ontvangen vijf maanden voordat zij de pensioengerechtigde leeftijd bereiken, een brief van de SVB waarin zij worden gewezen op de mogelijkheid om elektronisch een aanvraag in te dienen. Zie ook SB3195 over indiening en gegevensverstrekking.

De SVB bevordert aanvragen om een overbruggingsuitkering zoveel mogelijk op basis van inkomensgegevens uit de polisadministratie en vermogensgegevens van de Belastingdienst.

Personen aan wie de SVB een onvolledig AOW-pensioen heeft toegekend, ontvangen twee maanden voor de ingangsdatum van het AOW-pensioen een brief van de SVB waarin ze worden gewezen op de mogelijkheid om een AIO-aanvulling aan te vragen.

Indien een in Nederland wonende persoon overlijdt, wijst de SVB de achterblijvende huwelijkspartner of geregistreerde partner in een brief op de mogelijkheid om een nabestaandenuitkering aan te vragen.

Indien een AOW-gerechtigde overlijdt en de langstlevende (huwelijks-)partner buiten Nederland woont, bevordert de SVB dat de achterblijvende partner een aanvraag om een Anw-uitkering indient, als uit de gegevens blijkt dat hierop mogelijk recht bestaat. Eveneens bevordert de SVB een aanvraag om wezenuitkering indien bij het overlijden van een AOW- of Anw-gerechtigde uit de dossiergegevens van betrokkene blijkt dat mogelijk een recht op wezenuitkering bestaat.

De SVB bevordert aanvragen om kinderbijslag voor in Nederland wonende personen die nog geen kinderbijslag ontvangen, als zij na de geboorte van een kind aangifte doen bij de burgerlijke stand. Als al recht op kinderbijslag bestaat, bevordert de SVB bij de geboorte van volgende kinderen geen aanvraag. De toekenning van kinderbijslag vindt dan automatisch plaats op basis van gegevensuitwisseling tussen de BRP en de SVB. Zie SB1067 over toekenning zonder aanvraag.

In alle overige situaties, berust de verantwoordelijkheid voor het indienen van een aanvraag bij de betrokkene.

De SVB is met het Instituut Asbestslachtoffers overeengekomen dat dit instituut een aanvraag voor een voorschot op grond van de TAS 2014 en een tegemoetkoming op grond van de TNS zal bevorderen indien het in het desbetreffende geval een positief advies kan verstrekken over het recht op een voorschot of een tegemoetkoming.

Grondslag

artikel 14, eerste lid AOW en artikel 33, eerste lid Anw en artikel 14, leden 1 en 2  AKW, artikel 43, eerste lid jo, artikel 47b Participatiewet, artikel 13 OBR, artikel 14,  leden 1 en 2 TAS 2014, artikel 5, leden 1 en 2 TNS

Wijzigingsbesluit Beleidsregels SVB juni 2020

relaties 3
Postume aanvraag (SB1066)
Beleidsregel

Indien een pensioen- of uitkeringsgerechtigde bij leven geen aanvraag om uitkering heeft ingediend, kunnen diens erfgenamen na zijn overlijden alsnog een aanvraag indienen. Dit is een zogenaamde postume aanvraag. De aanvraag kan ook worden ingediend door een executeur die van rechtswege gemachtigde is van de erfgenamen. Een postume aanvraag in geval van gemoedsbezwaren wordt niet gehonoreerd (zie SB1042 over overlijdensuitkering). Gelet op de aard van de uitkering wordt een postume aanvraag om AIO-aanvulling evenmin gehonoreerd.

Grondslag

artikel 14, eerste lid AOW, artikel 33, eerste lid Anw en artikel 14, eerste lid  AKW

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 2
Toekenning van voorschotten (SB1068)
Beleidsregel

De SVB is op grond van artikel 4:95 Awb bevoegd om een voorschot te verlenen. Ten aanzien van de verlening van voorschotten hanteert de SVB het volgende beleid.

Een voorschot kan worden verleend indien het onderzoek naar de voor het recht op uitkering relevante gegevens nog niet is afgerond en:

  • de SVB binnen de wettelijke termijn niet definitief kan beslissen op de aanvraag, of
  • de SVB weliswaar binnen de wettelijke termijn zal kunnen beslissen, maar van betrokkene gezien zijn financiële situatie niet gevergd kan worden dat hij een definitieve beslissing afwacht. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als een persoon te laat zijn aanvraag om ouderdomspensioen heeft ingediend of een nabestaande geen overige inkomsten heeft.

Tot verlening van een voorschot kan in deze situaties worden overgegaan voor zover redelijkerwijs geen twijfel hoeft te bestaan aan het recht op uitkering. Per individueel geval wordt bepaald of bij wijze van voorschot een uitkering wordt verstrekt, en zo ja, of dit een volledige dan wel een gedeeltelijke uitkering zal zijn. Het voorschot wordt dan berekend aan de hand van de reeds beschikbare gegevens waarbij wordt uitgegaan van de juistheid van gedocumenteerde opgaven van betrokkenen, tenzij er contra-indicaties zijn om van die juistheid uit te gaan. Met name bij de AOW zal veelal bij wijze van voorschot een gedeeltelijk ouderdomspensioen worden verstrekt dat is gebaseerd op door de aanvrager gedocumenteerde en/of reeds door de SVB geverifieerde tijdvakken van verzekering.

De beslissing een voorschot te verlenen wordt aan de betrokkene door middel van een beschikking in de zin van artikel 1:3 Awb bekendgemaakt. Als definitief op het recht om uitkering kan worden beslist, wordt de voorschotbeslissing met terugwerkende kracht herzien in een definitieve beslissing. Indien het voorschot te laag is vastgesteld, vindt nabetaling plaats na de definitieve toekenning. Indien de toekenning van het voorschot ten onrechte of tot een te hoog bedrag heeft plaatsgevonden, vindt verrekening of terugvordering plaats.

Remigratievoorzieningen worden bij wege van voorschot verstrekt met ingang van de eerste dag van de maand na die waarin de aanvrager heeft aangegeven, te zullen remigreren. Het voorschot wordt omgezet in een definitieve toekenning zodra de SVB bericht van de BRP heeft ontvangen dat de aanvrager uit Nederland is vertrokken.

In alle gevallen geldt ingevolge de Awb als voorwaarde dat de aanvraag volledig en juist is (zie SB3196 over aanvulling van de aanvraag).

Wet- en regelgeving
relaties 2

Toekenning zonder aanvraag (SB1067)

Beleidsregel

In enkele situaties kent de SVB een uitkering toe zonder dat daarvoor een aanvraag is gedaan. Het gaat om de ambtshalve toekenning van een AOW-pensioen en de automatische toekenning van kinderbijslag voor het tweede kind en volgende kinderen.

AOW-pensioen

De SVB gebruikt de bevoegdheid om een pensioen ambtshalve toe te kennen aan personen die in het buitenland wonen als de SVB al een uitkeringsrelatie heeft met de betrokkene of zijn partner. Dit betekent dat de SVB een AOW-pensioen ambtshalve toekent aan de volgende personen:

  • de jongere partner van de pensioengerechtigde, mits de pensioengerechtigde voor die partner een toeslag ontvangt;
  • de Anw-gerechtigde;
  • gerechtigden op een remigratie-uitkeringen partners van gerechtigden op een remigratie-uitkering.
     

Kinderbijslag

Bij de geboorte van het eerste kind bevordert de SVB de aanvraag om kinderbijslag, zie SB1065 over toekenning op aanvraag. Bij de geboorte van volgende kinderen kent de SVB automatisch kinderbijslag toe als na de geboorte van het kind aangifte is gedaan bij de burgerlijke stand in Nederland. De toekenning van kinderbijslag vindt dan plaats op basis van gegevensuitwisseling tussen de basisregistratie personen (BRP) en de SVB.

Eventuele fouten in deze gegevensuitwisseling die tot gevolg hebben dat de SVB de kinderbijslag niet of niet tijdig toekent, komen voor risico en rekening van de SVB. In deze gevallen kent de SVB de kinderbijslag voor het volgende kind toe met een terugwerkende kracht van maximaal vijf jaar. De SVB zoekt voor deze termijn aansluiting bij de civielrechtelijke verjaringstermijn bij geldvorderingen in het Burgerlijk Wetboek (BW). Deze termijn wordt berekend vanaf het moment waarop de SVB de fout in de gegevensuitwisseling heeft geconstateerd, of de betrokkene heeft gemeld dat hij geen kinderbijslag voor het volgende kind heeft ontvangen.

Naar analogie van artikel 14, derde lid AKW laat de SVB de kinderbijslag echter niet vroeger ingaan dan een jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kalenderkwartaal tijdens welke de aangifte van de geboorte van het volgende kind is gedaan.  

Grondslag

artikel 14, tweede lid AOW, artikel 14, derde lid AKW

Wijzigingsbesluit Beleidsregels SVB juni 2020

Ingangsdatum uitkering

relaties 8
Ingangsdatum uitkering (SB1069)
Beleidsregel

Het recht op ouderdomspensioen krachtens de AOW gaat in op de dag waarop aan de voorwaarden voor het recht op ouderdomspensioen is voldaan (artikel 16, eerste lid AOW). Het recht op een uitkering krachtens de Anw gaat in op de eerste dag van de maand, waarin aan de voorwaarden voor het recht op uitkering is voldaan, (artikel 26, vierde lid Anw) dan wel op de eerste dag van de maand van het overlijden van verzekerde (artikel 14, tweede lid Anw).Voor de vaststelling van de concrete inhoud van een recht is de situatie op de dag waarop de aanspraakgevende gebeurtenis zich voordoet, beslissend en niet die op de eerste dag van de maand (zie ter bevestiging van dit uitgangspunt CRvB 14 september 1976).

Ingevolge de artikelen 16, tweede lid AOW en 33, vierde lid Anw wordt het recht op de desbetreffende uitkering niet vastgesteld over perioden gelegen voor één jaar voorafgaand aan de dag van ontvangst van de aanvraag. Op grond van artikel 14, derde lid van de AKW kan het recht op kinderbijslag eveneens niet worden vastgesteld over perioden gelegen voor één jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kalenderkwartaal waarin de aanvraag om kinderbijslag werd ingediend. Voor aanvragen om dubbele kinderbijslag voor thuiswonende kinderen die intensieve zorg nodig hebben, geldt een andere termijn. Zie hiervoor SB1260 over recht op dubbele kinderbijslag voor thuiswonende kinderen die intensieve zorg nodig hebben.

Ingevolge de Remigratiewet vindt toekenning van een uitkering in beginsel plaats zonder terugwerkende kracht.

De SVB kan van de hiervoor weergegeven hoofdregels in bijzondere gevallen afwijken (zie SB1070 over terugwerkende kracht van meer dan een jaar).

Indien de aanvrager aan de voorwaarden voor het recht op een AOW-pensioen, Anw-uitkering, of kinderbijslag voldoet en de aanvraag één jaar of meer na de maand respectievelijk het kwartaal waarin aan de voorwaarden voor het recht op uitkering wordt voldaan, is ingediend, verleent de SVB altijd een terugwerkende kracht van minimaal één jaar.

Bij een postume aanvraag om AOW-pensioen of Anw-uitkering is de terugwerkende kracht beperkt tot maximaal één jaar vanaf de eerste dag van de maand van aanvraag. Een verdergaande terugwerkende kracht is in deze gevallen niet aan de orde, omdat er geen hardheid aanwezig kan zijn bij degene die een postume aanvraag indient. De beoordeling van hardheid is strikt gebonden aan de omstandigheden van de gerechtigde zelf (zie ter bevestiging van dit uitgangspunt CRvB 21 februari 2008).

Het komt voor dat een uitkering is toegekend en de gerechtigde daarna deze uitkering niet wenst te ontvangen. De SVB stopt in die gevallen de betaling van de uitkering. Als de gerechtigde later alsnog verzoekt om betaling van de uitkering dan acht de SVB de voorschriften betreffende de ingangsdatum van de uitkering niet van toepassing. De reden hiervoor is dat er geen wettelijke basis is om het recht op uitkering op aanvraag in te trekken zodat de SVB op verzoek van een gerechtigde uitsluitend de betaling van een uitkering kan staken. De SVB geeft daarom bij een verzoek om hervatting van de uitkering toepassing aan het beleid betreffende de invordering van de uitkering (zie SB1089 over invordering van de uitkering).

Grondslag

artikel 16 AOW, artikel 14, leden 2 en 3, artikel 26, vierde lid en artikel 33, vierde  lid Anw en artikel 14, derde lid AKW, artikel 7, leden 1, 2 en 3 Remigratiebesluit

Wijzigingsbesluit beleidsregels SVB september 2018

Terugwerkende kracht van meer dan een jaar
relaties 3
Terugwerkende kracht van meer dan een jaar (SB1070)
Beleidsregel

In bijzondere gevallen waarin de AOW- of Anw-aanvraag meer dan één jaar te laat wordt ingediend, is de SVB bevoegd deze uitkering met een terugwerkende kracht van meer dan één jaar toe te kennen. Als een aanvraag meer dan één jaar te laat is ingediend toetst de SVB eerst of er sprake is van een bijzonder geval. Alleen als dit het geval is, is de SVB bevoegd de uitkering met een terugwerkende kracht van meer dan één jaar toe te kennen. Van deze bevoegdheid maakt de SVB alleen gebruik als het van hardheid zou getuigen, de terugwerkende kracht tot één jaar te beperken. Dit beleid is in de jurisprudentie in algemene zin aanvaard (zie CRvB 1 juli 1998).

Grondslag

artikel 16, tweede lid AOW, artikel 33, vierde lid Anw

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 14
Bijzonder geval (SB1071)
Beleidsregel

Volgens het beleid van de SVB is er sprake van een bijzonder geval:

  • indien de belanghebbende door een niet aan hem toe te rekenen oorzaak niet in staat was tijdig een aanvraag in te dienen of te laten indienen;

  • indien de belanghebbende onbekend was met zijn mogelijke recht op pensioen of uitkering én deze onbekendheid verschoonbaar was.

Dit beleid is in de jurisprudentie aanvaard (zie onder andere de uitspraken van de CRvB van 13 maart 1984, 30 januari 1991 en 29 april 1993).

Op grond van dit beleid wordt in elk voorkomend geval aan de hand van de individuele feiten en omstandigheden bezien of het geval als bijzonder kan worden aangemerkt. Beoordeeld wordt of het complex van omstandigheden in onderlinge samenhang een bijzonder geval oplevert.

De volgende - niet limitatief opgesomde - gevallen kunnen zich voordoen:

  • De aanvraag is te laat ingediend omdat de aanvrager als gevolg van een geestelijke stoornis of een zware lichamelijke handicap niet in staat was tijdig een aanvraag in te dienen (zie bijvoorbeeld CRvB 6 oktober 1992). In deze situatie wordt echter geen bijzonder geval aangenomen indien van betrokkene redelijkerwijs gevergd mocht worden dat hij zich liet vertegenwoordigen.

  • De te late aanvraag is een aantoonbaar gevolg van onjuiste en/of onvolledige voorlichting door het daartoe bevoegde bestuursorgaan en betrokkene had redelijkerwijs niet aan die voorlichting hoeven twijfelen (zie CRvB 14 juni 1960).

  • De te late aanvraag is een gevolg van onbekendheid met rechten, welke voortvloeien uit verdragsbepalingen of uit bijzondere nationale bepalingen (CRvB 15 november 1995). Hoofdregel is, dat onbekendheid met de wet of een internationale regeling niet zonder meer leidt tot het aannemen van een bijzonder geval, tenzij blijkt van een bijkomende omstandigheid op grond waarvan betrokkene niet op de hoogte kon zijn van zijn wettelijke rechten (zie hiervoor bijvoorbeeld CRvB 27 september 1983).

    ​Het uitgangspunt hierbij is dat iedereen weet dat hij als hij de pensioengerechtigde leeftijd als bedoeld in artikel 7a AOW bereikt of als zijn echtgenoot overlijdt, waarschijnlijk een pensioen- of uitkeringsrecht geldend kan maken. Gebeurt dit in Nederland, dan zullen uitvoeringsorganen wijzen op eventuele rechten in andere lidstaten van de EU of verdragslanden. Dient men in een ander land een aanvraag in, dan zullen de uitvoeringsorganen in dat land attenderen op het bestaan van eventuele rechten in Nederland. Dit laatste hoeft echter niet altijd het geval te zijn omdat:
     

    • iemand na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd doorgaat met werken;​

    • een buitenlands pensioen kan ingaan vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd;

    • iemand in het buitenland geen recht heeft op een uitkering.
       

    Deze concrete situaties kunnen volgens de jurisprudentie een bijkomende omstandigheid vormen, waardoor onbekendheid met rechten kan worden geëxcuseerd. Er kan dan sprake zijn van een bijzonder geval.
     

  • De wetgever heeft nationale bepalingen niet tijdig in overeenstemming gebracht met internationale, rechtstreeks werkende bepalingen. De hoogste bevoegde rechter acht op een zeker moment strijdigheid met een dergelijke internationale bepaling aanwezig. Voorwaarde is dat de betrokkene naar aanleiding van zo'n omslag in jurisprudentie, die voldoende bekend is gemaakt, een aanvraag heeft ingediend. Indien niet binnen één jaar na de bekendmaking van de jurisprudentie een aanvraag wordt ingediend, is er geen sprake van een bijzonder geval, omdat algemeen bekend is geworden dat die aanspraken (kunnen) bestaan. Voor de termijn van één jaar is aansluiting gezocht bij de in de wet gehanteerde termijnen.

 

De SVB leidt voorts uit de jurisprudentie af dat de volgende situaties geen bijzonder geval opleveren:

  • een fout van de belangenbehartiger van de betrokkene (CRvB 17 november 1965 en 25 mei 1966);

  • onvoldoende activiteit van de betrokkene (CRvB 16 november 1966 en 27 september 1967);

  • het niet-aangetekend verzenden van stukken door de betrokkene;

  • onvoldoende oplettendheid van de betrokkene;

  • enkele onbekendheid met de wettelijke bepalingen (CRvB 9 januari 1963 en 27 september 1983);

  • een noodgedwongen verblijf in het buitenland;

  • niet kunnen lezen en schrijven, terwijl men over voldoende hulp kan beschikken;

  • niet op de hoogte zijn van gepubliceerde beleidswijzigingen en voldoende bekend geworden jurisprudentie vormt na verloop van een bepaalde termijn - in het algemeen een jaar - geen verschoonbare onbekendheid en derhalve geen bijzonder geval (CRvB 12 november 1993 en 29 april 1993).

relaties 9
Hardheid (SB1072)
Beleidsregel

Wanneer er volgens de hierboven aangeduide criteria sprake is van een bijzonder geval, moet de SVB vervolgens beoordelen of zij gebruik zal maken van haar bevoegdheid om het pensioen of de uitkering met terugwerkende kracht van meer dan een jaar toe te kennen.

De SVB maakt gebruik van deze bevoegdheid wanneer het van hardheid zou getuigen, te volstaan met een terugwerkende kracht van één jaar. Het door de SVB ontwikkelde hardheidsbeleid, waarin gerelateerd wordt aan de inkomenspositie van de betrokkenen, is in bestendige jurisprudentie aanvaard (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 30 januari 1991, 12 november 1993 en 26 mei 1994).

Volgens dit beleid is er sprake van hardheid indien een persoon schade heeft geleden als gevolg van het niet aanvragen van de uitkering waarop hij op grond van de desbetreffende aanspraakgevende gebeurtenis recht zou hebben gehad. Deze schade wordt geacht te zijn opgetreden indien zijn netto inkomen mede door het niet tijdig aanvragen van de desbetreffende uitkering, onder de voor hem geldende minimumnorm is gedaald in de periode welke is gelegen tussen de datum van de aanspraakgevende gebeurtenis en de datum die ligt één jaar voor de aanvraag.

Voor de bepaling van het netto-inkomen worden alle inkomensbestanddelen van de gerechtigde en zijn eventuele partner, zoals bijvoorbeeld inkomen uit arbeid, uitkeringen, bovenwettelijke pensioenen of inkomen uit vermogen, in aanmerking genomen. Op dit genoten inkomen kunnen eventueel bijzondere uitgaven in mindering worden gebracht welke verband houden met het verzekerde risico zoals bijvoorbeeld kosten van leningen die betrokkene heeft moeten maken om te kunnen voorzien in de behoeften waarvoor de desbetreffende uitkeringen zijn bedoeld. Als minimumnorm voor toepassing op de AOW gelden de op de desbetreffende situatie toepasselijke volledige netto uitkeringsbedragen zoals vervat in artikel 9 AOW. Indien het AOW-pensioen als minimumnorm wordt gehanteerd voor een aanvrager met een partner wordt de norm die voor de aanvrager geldt verhoogd met het desbetreffende normbedrag voor zijn partner.

Ten aanzien van de nabestaandenuitkering en de halfwezenuitkering krachtens de Anw geldt als minimumnorm het maximale netto bedrag aan nabestaandenuitkering als bedoeld in artikel 17 Anw, eventueel vermeerderd met de halfwezenuitkering als bedoeld in artikel 25 Anw (zoals dit artikel gold tot 1 juli 2013), voor zover hierop in de periode waarover de eventuele hardheid wordt beoordeeld, recht zou hebben bestaan.

De betrokkene dient de geleden schade aannemelijk te maken door overlegging van schriftelijke stukken.

Mate van terugwerkende kracht (SB1073)
Beleidsregel

De mate van terugwerkende kracht van het recht op het pensioen of de nabestaandenuitkering hangt af van de omvang van het schadebedrag. De SVB verleent zoveel terugwerkende kracht als nodig is om het vastgestelde schadebedrag te compenseren, met een maximum van vijf jaar gerekend vanaf het moment van de aanvraag. Bij het bepalen van deze termijn is aansluiting gezocht bij de verjaringstermijn voor rechtsvorderingen tot betaling van periodieke geldsommen (art. 3:308 BW).

Als schadebedrag merkt de SVB aan het verschil tussen de voor betrokkene geldende minimumnorm en zijn netto inkomen in de in aanmerking te nemen periode, met dien verstande dat het in aanmerking te nemen schadebedrag nooit hoger kan zijn dan het recht waarop betrokkene in de desbetreffende periode ten hoogste aanspraak had kunnen maken.

relaties 2
Ingangsdatum ouderdomspensioen bij bereiken 65-jarige leeftijd vóór 1 april 2012 (SB1283)
Beleidsregel

Met ingang van 1 april 2012 bepaalt artikel 16, eerste lid AOW dat het ouderdomspensioen ingaat op de dag dat de pensioengerechtigde leeftijd wordt bereikt. Indien echter een belanghebbende op of na 1 april 2012 een aanvraag om ouderdomspensioen indient en de ingangsdatum van het pensioen vóór 1 april 2012 ligt, gaat het ouderdomspensioen in op de eerste dag van de maand waarin daarop recht bestaat.

Grondslag

artikel 7 (tekst op 31 maart 2012), artikel 16 (tekst op 31 maart 2012) AOW

Wijzigingsbesluit Beleidsregels SVB oktober 2017

relaties 1
Ingangsdatum dubbele kinderbijslag voor thuiswonende kinderen die intensieve zorg nodig hebben (SB1260)
Beleidsregel

Op grond van artikel 7a, eerste lid AKW bestaat recht op dubbele kinderbijslag voor thuiswonende kinderen die intensieve zorg nodig hebben. Artikel 14, derde lid AKW regelt dat het recht op dubbele kinderbijslag voor deze kinderen niet eerder kan ingaan dan de eerste dag van het kalenderkwartaal waarin de aanvraag wordt ingediend. Voor de vraag of een kind intensieve zorg nodig heeft, wint de SVB voor zowel kinderen die in Nederland wonen als die in het buitenland wonen advies in bij het CIZ. Dit advies ziet niet op kwartalen die liggen voor de datum waarop het is afgegeven. De SVB neemt echter aan dat het ook geldt voor de periode die ligt tussen de datum van de aanvraag en de datum van het advies.

Grondslag

artikel 14, derde lid AKW

Besluit beleidsregels SVB 2016

Ingangsdatum AIO-aanvulling
relaties 13
Ingangsdatum bij aanvraag AIO-aanvulling (SB1307)
Beleidsregel

Op grond van artikel 47a, eerste lid Participatiewet ontstaat het recht op een AIO-aanvulling op de dag waarop de pensioengerechtigde leeftijd wordt bereikt. Uit artikel 44 van de Participatiewet volgt dat de SVB een AIO-aanvulling toekent vanaf de dag waarop het recht is ontstaan, maar niet eerder dan de dag waarop de aanvrager zich heeft gemeld om een AIO-aanvulling aan te vragen. Onder een melding verstaat de SVB het moment waarop de aanvrager kenbaar maakt dat hij een AIO-aanvulling wil aanvragen.

Nadat de aanvrager zich kenbaar heeft gemaakt, stuurt de SVB hem een aanvraagformulier. De aanvrager moet zijn aanvraag zo spoedig mogelijk indienen bij de SVB. De SVB beschouwt een aanvraag als zo spoedig mogelijk ingediend als de SVB het aanvraagformulier ontvangt binnen twee weken na de datum van dagtekening van de begeleidende brief bij het aanvraagformulier. Voldoet de aanvrager hieraan, dan wordt de AIO-aanvulling toegekend vanaf de dag waarop hij zich voor het eerst bij de SVB kenbaar heeft gemaakt om een AIO-aanvulling aan te vragen. Voldoet de aanvrager hier niet aan en valt hem dit te verwijten, dan kent de SVB de AIO-aanvulling toe vanaf de dag dat het aanvraagformulier is ontvangen.

Op grond van jurisprudentie kan de SVB de AIO-aanvulling toekennen tot een datum die ligt voor de datum van melding dan wel de datum van de aanvraag indien sprake is van bijzondere omstandigheden. De SVB leidt uit jurisprudentie af dat hiervan in ieder geval sprake is als:

  • de aanvrager door een niet aan hem toe te rekenen oorzaak niet in staat was tijdig een aanvraag in te dienen of te laten indienen;
  • de te late aanvraag een aantoonbaar gevolg is van onjuiste en/of onvolledige voorlichting door het daartoe bevoegde bestuursorgaan en de aanvrager redelijkerwijs niet aan die voorlichting had hoeven twijfelen.

 

De SVB baseert dit op de volgende - niet limitatief opgesomde - voorbeelden uit de jurisprudentie:

  • De aanvrager die een aanvraag indient is door de gemeente op onjuiste wijze of onvoldoende voorgelicht (CRvB 22 april 2008 en Rechtbank Amsterdam 9 juli 2008).
  • De aanvrager was absoluut en voortdurend buiten staat zich te melden en zelf dan wel met behulp van derden een aanvraag in te dienen (CRvB 7 februari 2006 en CRvB 6 juni 2006).
  • De aanvrager aan wie een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht is toegekend en wiens recht op uitkering in het verleden vanwege het ontbreken van een verblijfsvergunning is afgewezen of ingetrokken (CRvB 24 mei 2011 en CRvB 27 mei 2014 (1)).

 

Uit de jurisprudentie leidt de SVB verder af dat in de volgende - niet limitatief opgesomde - situaties geen sprake is van bijzondere omstandigheden om de AIO-aanvulling met terugwerkende kracht te verlenen:

  • De enkele omstandigheid dat de aanvrager in de periode vóór de aanvraag niet beschikte over middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien (CRvB 7 november 2000 en CRvB 27 mei 2014 (2)).
  • Het feit dat een eerder verstrekte uitkering wordt teruggevorderd (CRvB 25 maart 2003).
  • Het enkele feit dat de gevraagde gegevens in een later stadium alsnog zijn verstrekt, in een geval waarin het niet verstrekken van gevraagde gegevens heeft geleid tot intrekking van de uitkering en waarin de aanvrager een nieuwe aanvraag indient (CRvB 19 juli 2005).

 

Als sprake is van bijzondere omstandigheden toetst de SVB of er overigens geen beletselen zijn om de AIO-aanvulling met terugwerkende kracht te verlenen. Voor de verlening van een AIO-aanvulling met terugwerkende kracht is immers slechts ruimte indien de aanvrager in de betreffende periode voorafgaand aan de melding bij de SVB over onvoldoende middelen beschikte om in de noodzakelijke bestaanskosten te voorzien (zie ook CRvB 16 januari 2007). Uit een uitspraak van de CRvB van 24 mei 2011 leidt de SVB af dat de aanvrager aannemelijk moet maken dat hiervan sprake is. Uit deze uitspraak volgt daarnaast dat het complementaire karakter van de Participatiewet meebrengt dat betrokkene dan aannemelijk moet maken dat derden feitelijk in de noodzakelijke bestaanskosten hebben voorzien en hij om die reden een reële schuld met een daadwerkelijke, concrete terugbetalingsverplichting is aangegaan. Het complementaire karakter van de Participatiewet leidt er volgens de CRvB tevens toe dat de verlening van de AIO-aanvulling beperkt dient te blijven tot de hoogte van die reële schuld. In de situatie dat een vreemdeling met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning heeft gekregen, kan deze ook op andere wijze aantonen dat hij kosten van levensonderhoud heeft gemaakt waarin nog niet is voorzien. Ook in dat geval geldt dat de verlening van de AIO-aanvulling beperkt dient te blijven tot de omvang van die kosten. De SVB baseert dit op een uitspraak van de CRvB van 27 mei 2014 (1).

Gelet op de hiervoor genoemde jurisprudentie verleent de SVB in geval van bijzondere omstandigheden een AIO-aanvulling met terugwerkende kracht als de aanvrager aannemelijk maakt dat hij niet in de noodzakelijke kosten van bestaan heeft kunnen voorzien en ten behoeve van die kosten schulden is aangegaan waaraan daadwerkelijk terugbetalingsverplichtingen zijn verbonden. In de situatie dat een vreemdeling met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning heeft gekregen, kan deze ook op andere wijze aantonen dat hij kosten van levensonderhoud heeft gemaakt waarin nog niet is voorzien. De mate van terugwerkende kracht hangt af van de omvang van die kosten dan wel de terugbetalingsverplichting die bestaat op het moment van aanvraag. De SVB verleent zoveel terugwerkende kracht als nodig is om de vastgestelde kosten van levensonderhoud dan wel de terugbetalingsverplichting te compenseren, met een maximum van vijf jaar gerekend vanaf het moment van de aanvraag. Bij het bepalen van deze termijn is aansluiting gezocht bij de verjaringstermijn voor rechtsvorderingen tot betaling van periodieke geldsommen (artikel 3:308 BW). In geval de SVB gelijktijdig met de AIO-aanvulling ook AOW-pensioen met terugwerkende kracht toekent, stelt de SVB de kosten van levensonderhoud dan wel de terugbetalingsverplichting vast op het bedrag dat resteert na aftrek van de nabetaling van het AOW-pensioen.

Grondslag

artikelen 11, eerste lid, 44 en 47a Participatiewet

Wijzigingsbesluit Beleidsregels SVB mei 2021

relaties 2
Ingangsdatum inrichtingsnorm (SB1308)
Beleidsregel

Artikel 23 Participatiewet bepaalt dat voor personen die zijn opgenomen in een inrichting aparte normbedragen gelden, de zogenaamde "inrichtingsnorm" of "zak- en kleedgeldnorm". Onder inrichting wordt verstaan: een instelling die zich richt op verpleging of verzorging van hulpbehoevenden die daar verblijven, of een instelling die slaapgelegenheid biedt en waarbij de mogelijkheid van hulpverlening of begeleiding gedurende meer dan de helft van ieder etmaal aanwezig is. Uit jurisprudentie volgt dat een (algemeen) ziekenhuis ook een inrichting is in de zin van de Participatiewet (CRvB 18 februari 2003).

De SVB past de inrichtingsnorm toe vanaf de dag waarop de opname drie maanden onafgebroken heeft geduurd.

Grondslag

artikel 23 Participatiewet

Besluit beleidsregels SVB 2016

Ingangsdatum overbruggingsuitkering
relaties 3
Ingangsdatum overbruggingsuitkering (SB1284)
Beleidsregel

Artikel 15 OBR regelt de ingangsdatum van het recht op overbruggingsuitkering. De SVB kent de overbruggingsuitkering met terugwerkende kracht van maximaal een jaar toe, als de rechthebbende de aanvraag om overbruggingsuitkering indient voordat hij de pensioengerechtigde leeftijd bereikt (artikel 15, derde lid OBR).

Als de gerechtigde de aanvraag indient nadat hij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, dan bestaat geen recht op een overbruggingsuitkering. In bijzondere gevallen kan de SVB hiervan afwijken en met terugwerkende kracht een overbruggingsuitkering toekennen (artikel 13, tweede lid OBR). De SVB past hierbij het beleid in SB1071 over bijzonder geval overeenkomstig toe. De SVB past beleid in SB1072 over hardheid is echter niet overeenkomstig toe, omdat zij - gelet op de voorwaarden voor het recht op overbruggingsuitkering - ervan uitgaat dat aan het vereiste van hardheid is voldaan.

In deze bijzondere gevallen kent de SVB een overbruggingsuitkering toe met een terugwerkende kracht van maximaal een jaar gerekend van het moment van de aanvraag.

Het voorgaande is niet van toepassing in geval van een postume aanvraag om overbruggingsuitkering. Bij een dergelijke aanvraag kan geen sprake zijn van hardheid, omdat de beoordeling daarvan strikt gebonden is aan de omstandigheden van de gerechtigde zelf (zie ter bevestiging van dit uitgangspunt CRvB 21 februari 2008).

Grondslag

artikel 13, tweede lid, artikel 15, leden 1, 2 en 3 OBR

Wijzigingsbesluit Beleidsregels SVB oktober 2017

relaties 2
Ingangsdatum remigratie-uitkering (SB1074)
Beleidsregel

Het recht op een periodieke remigratie-uitkering en op een eventuele tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering, gaat in op de dag nadat de remigrant naar het bestemmingsland is vertrokken. Is de remigrant al vertrokken voordat de SVB een beschikking op zijn aanvraag neemt, dan gaat de uitkering in op de eerste dag van de maand na die waarin de beschikking wordt genomen. Wanneer deze laatste regel leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard kan de SVB de regel buiten toepassing laten of hiervan afwijken ten gunste van de remigrant. De SVB acht een onbillijkheid van overwegende aard aanwezig als de remigrant om redenen van klemmende aard de beschikking niet in Nederland heeft kunnen afwachten. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan de situatie waarin een remigrant de beslissing niet heeft kunnen afwachten:

  • wegens ernstige ziekte van een in het bestemmingsland verblijvend gezinslid; of
  • wegens het aanvangen van een studie in het bestemmingsland, mits in redelijkheid niet gevergd kan worden dat de studie later wordt aangevangen; of
  • wegens zwaarwegende zakelijke belangen in het land van bestemming.

Ingeval de SVB een onbillijkheid van overwegende aard aanwezig acht, geeft de SVB toepassing aan haar bevoegdheid om de remigratievoorzieningen met terugwerkende kracht toe te kennen indien het van hardheid zou getuigen om de voorzieningen niet met terugwerkende kracht te doen ingaan. Bij de beoordeling of sprake is van hardheid en de vaststelling van de mate van terugwerkende kracht wordt het beleid vervat in SB1072 over hardheid en SB1073 over mate van terugwerkende kracht mutatis mutandis toegepast.

Herziening en intrekking

Herziening ten voordele van de gerechtigde
relaties 5
Verhoging wegens wijziging van de omstandigheden (SB1075)
Beleidsregel

Het ouderdomspensioen, de Anw-uitkering en de overbruggingsuitkering moeten worden verhoogd als de belanghebbende door een wijziging van de omstandigheden voor een hoger pensioen of een hogere uitkering in aanmerking komt.

De herziening van het ouderdomspensioen, de Anw-uitkering of de overbruggingsuitkering door een wijziging van de omstandigheden die leidt tot een verhoging, gaat in op de eerste dag van de maand waarin de wijziging heeft plaatsgevonden (artikel 17, derde lid AOW, artikel 19 Anw en artikel 16, tweede lid OBR). Voor de AOW wijkt de SVB van deze hoofdregel af als de herziening van het ouderdomspensioen het gevolg is van de inkoop van niet verzekerde tijdvakken door de pensioengerechtigde of zijn echtgenoot. De SVB herziet het ouderdomspensioen in dat geval op het moment dat de verschuldigde premie volledig is voldaan. Zij verhoogt het ouderdomspensioen met terugwerkende kracht tot de eerste dag van de maand waarin de aanvraag om inkoop is gedaan, mits de premie binnen de door de SVB gestelde termijn is betaald.

Als de wijziging van de omstandigheden die leidt tot een verhoging van het AOW-pensioen of de overbruggingsuitkering, meer dan een jaar na de maand waarin deze heeft plaatsgevonden aan de SVB wordt gemeld, herziet de SVB het AOW-pensioen of de overbruggingsuitkering in beginsel met een jaar terugwerkende kracht.

Uit artikel 17, derde lid AOW en artikel 16, tweede lid OBR volgt dat de SVB in bijzondere gevallen bevoegd is meer dan één jaar terugwerkende kracht aan de verhoging te verlenen. De SVB maakt gebruik van deze bevoegdheid in bijzondere gevallen waarin het van hardheid zou getuigen om de terugwerkende kracht tot een jaar te beperken. De beleidsregels die zijn beschreven in SB1070, SB1071, SB1072 en SB1073 over terugwerkende kracht van meer dan een jaar zijn daarbij van toepassing. Voor de toepassing van de OBR gaat de SVB er - gelet op de voorwaarden voor het recht op overbruggingsuitkering - van uit dat aan het vereiste van hardheid is voldaan.

Voor de Anw geldt geen wettelijke beperking van de terugwerkende kracht. Doet zich een wijziging van omstandigheden voor die leidt tot een verhoging van de Anw-uitkering dan verhoogt de SVB de Anw-uitkering met ingang van de eerste dag van de maand waarin de wijziging van omstandigheden heeft plaatsgevonden (zie de artikelen 19 en 67, zesde lid Anw).

De AKW kent geen bepaling over de herziening van kinderbijslag wegens een wijziging van omstandigheden die leidt tot een verhoging van de kinderbijslag. Desondanks acht de SVB zich gehouden om ook tot herziening van kinderbijslagrechten over te gaan als sprake is van een wijziging in de omstandigheden die leidt tot een verhoging. De SVB verhoogt de kinderbijslag in dat geval met ingang van de eerste peildatum waarop de gewijzigde omstandigheden van kracht zijn. Op grond van artikel 14, derde lid AKW geldt daarbij een maximale terugwerkende kracht van een jaar.

De Participatiewet bevat geen bepalingen ten aanzien van de herziening van de AIO-aanvulling die leidt tot een verhoging van de AIO-aanvulling. De SVB leidt uit de artikelen 11, 19 en 45, eerste lid Participatiewet in samenhang bezien af dat het recht op AIO-aanvulling ook in dat geval moet worden herzien. De SVB past in dat geval het beleid toe in SB1309 over verhoging AIO-aanvulling wegens wijziging van de omstandigheden. 

Door de systematiek van de Remigratiewet kunnen wijzigingen van omstandigheden die plaatsvinden na het vertrek van de remigrant niet leiden tot verhoging van de aan een persoon toegekende remigratievoorzieningen.

Grondslag

artikel 17, leden 1 en 3 AOW, artikel 19 en 67, zesde lid Anw, artikel 14 AKW en  artikel 16 OBR

Wijzigingsbesluit Beleidsregels SVB oktober 2017

relaties 9
Terugkomen van een rechtens onaantastbaar besluit op verzoek van de belanghebbende (SB1076)
Beleidsregel

Soms is er geen sprake van een wijziging van omstandigheden of van nieuwe feiten, maar verzoekt de belanghebbende de SVB niettemin om terug te komen van een rechtens onaantastbaar besluit over de hoogte van een uitkering. Bij de beoordeling van dit verzoek maakt de SVB onderscheid tussen de periode die ligt voor de datum waarop zij het verzoek om herziening ontvangt en de periode vanaf die datum. Voor zover het herzieningsverzoek ziet op de periode die ligt na de datum waarop de SVB het ontvangt, beoordeelt de SVB het verzoek op basis van de gronden die de belanghebbende aanvoert. Voor zover het herzieningsverzoek ziet op de periode die ligt voor de datum waarop de SVB het ontvangt, is de SVB bevoegd om het verzoek om herziening zonder nader onderzoek af te wijzen onder verwijzing naar het eerdere besluit, tenzij dit evident onredelijk is. Dit volgt uit artikel 4:6 Awb en de jurisprudentie van de CRvB (zie CRvB 6 november 2003 en CRvB 20 december 2016).

Het hierna volgende beleid beschrijft in welke gevallen het evident onredelijk is om een herzieningsverzoek zonder nader onderzoek af te wijzen. Dit beleid geldt niet voor zover de SVB bijzondere beleidsregels over herzieningsverzoeken heeft opgesteld. Het gaat bijvoorbeeld om het beleid over de Participatiewet in SB1310 over terugkomen van een rechtens onaantastbaar AIO-besluit op verzoek van de belanghebbende. Een ander voorbeeld is het beleid in SB1100 over niet of niet correct voldoen aan een verzoek van de SVB.

De SVB acht het evident onredelijk om zonder terugwerkende kracht terug te komen van een rechtens onaantastbaar besluit als de SVB uit hetgeen belanghebbende in zijn herzieningsverzoek aanvoert, concludeert dat dit besluit onmiskenbaar onjuist is. Voor de mate van terugwerkende kracht die de SVB vervolgens hanteert, is van belang of de onjuistheid het gevolg is van:

  • een fout van de SVB;
  • een wijziging van het beleid van de SVB; of
  • overige omstandigheden, zoals een fout van de belanghebbende of een derde.

FOUT VAN DE SVB

Van een onjuist besluit als gevolg van een fout van de SVB is sprake als de SVB op basis van de gegevens die op de datum van dat besluit  beschikbaar waren of die bij een normaal onderzoek van de SVB beschikbaar zouden zijn geweest, de uitkering correct had kunnen vaststellen aan de hand van de toen geldende wetgeving en beleidsregels, en de belanghebbende alle relevante informatie tijdig heeft verstrekt. De SVB verhoogt het AOW-pensioen, de Anw-uitkering en de overbruggingsuitkering in dergelijke gevallen met volledige terugwerkende kracht, echter tot een maximum van vijf jaar. Op grond van artikel 14, derde lid AKW verhoogt de SVB het recht op kinderbijslag met een maximale terugwerkende kracht van een jaar. De SVB berekent de terugwerkende kracht vanaf het moment waarop zij het verzoek om herziening heeft ontvangen.

WIJZIGING VAN HET BELEID VAN DE SVB

Als een besluit bij nader inzien onmiskenbaar onjuist is als gevolg van een wijziging in het beleid van de SVB in het voordeel van de belanghebbende, gelden de volgende aan de jurisprudentie van de CRvB ontleende regels (zie onder meer CRvB 24 september 1987, CRvB 18 december 1997 en CRvB 21 maart 2001).

De SVB beslist per categorie van gevallen of zij reeds vastgestelde uitkeringen herziet en zo ja, met welke terugwerkende kracht. Daarbij hanteert de SVB in het algemeen de volgende uitgangspunten. Belanghebbenden moeten zelf een verzoek indienen voor herziening op basis van nieuw beleid. Als het nieuwe beleid is gebaseerd op een rechterlijke uitspraak zal de SVB de beleidswijziging in het algemeen laten ingaan op de datum van die uitspraak. Andere beleidswijzigingen zullen in het algemeen ingaan op de datum waarop de SVB tot beleidswijziging beslist of op een andere, apart vastgestelde datum.

De SVB herziet een rechtens onaantastbaar geworden besluit met een terugwerkende kracht van ten hoogste één jaar vanaf het moment waarop de SVB het verzoek om herziening ontvangt, tot uiterlijk de ingangsdatum van het nieuwe beleid. In dit verband neemt de SVB aan dat van een rechtens onaantastbaar besluit sprake is als hiertegen op de ingangsdatum van het nieuwe beleid geen rechtsmiddelen meer openstaan.

Voor de AOW en de Anw geldt daarnaast het volgende. In bijzondere gevallen waarin het van hardheid zou getuigen om de terugwerkende kracht tot een jaar te beperken, herziet de SVB de uitkering met een langere terugwerkende kracht tot ten hoogste de ingangsdatum van het nieuwe beleid of de datum van de rechterlijke uitspraak. De beleidsregels die zijn beschreven in SB1070, SB1071, SB1072 en SB1073 over terugwerkende kracht van meer dan een jaar zijn daarbij van overeenkomstige toepassing. Dit beleid geldt ook voor de OBR. Daarbij neemt de SVB aan dat - gelet op de voorwaarden voor het recht op overbruggingsuitkering - aan het vereiste van hardheid is voldaan.

OVERIGE OMSTANDIGHEDEN, ZOALS EEN FOUT VAN DE BELANGHEBBENDE OF EEN DERDE

In overige gevallen waarin sprake is van een onmiskenbaar onjuist besluit verhoogt de SVB de uitkering met een terugwerkende kracht van een jaar vanaf het moment waarop zij het herzieningsverzoek heeft ontvangen.

Voor de AOW en de Anw geldt daarnaast het volgende. De SVB verhoogt het ouderdomspensioen of de nabestaandenuitkering met volledige terugwerkende kracht, tot een maximum van vijf jaar, als zich een bijzonder geval voordoet waarin het van hardheid zou getuigen om de terugwerkende kracht tot een jaar te beperken. De SVB past hiervoor de regels toe van SB1070, SB1071, SB1072 en SB1073 over terugwerkende kracht van meer dan een jaar. Dit beleid geldt ook voor de OBR. Daarbij neemt de SVB aan dat - gelet op de voorwaarden voor het recht op overbruggingsuitkering - aan het vereiste van hardheid is voldaan.

Wet- en regelgeving
Ambtshalve terugkomen van een rechtens onaantastbaar besluit ten voordele van de belanghebbende (SB1328)
Beleidsregel

Soms stelt de SVB ambtshalve vast dat sprake is van een onmiskenbaar onjuist besluit dat rechtens onaantastbaar is. In dat geval herziet de SVB het besluit met terugwerkende kracht volgens de uitgangspunten die zijn beschreven in SB1076 over terugkomen van een rechtens onaantastbaar besluit op verzoek van de belanghebbende. In geval van een ambtshalve herziening berekent de SVB  de termijnen vanaf het moment dat zij heeft geconstateerd dat het besluit onjuist is.

Herziening of intrekking ten nadele van de belanghebbende
relaties 8
Verlaging of intrekking ex nunc wegens wijziging van de omstandigheden (SB1077)
Beleidsregel

Artikel 17, vierde lid AOW, artikel 16, tweede lid Anw en artikel 19, tweede lid Anw bepalen dat een verlaging of beëindiging van de uitkering die voortvloeit uit een wijziging van de omstandigheden, ingaat op de eerste dag van de maand volgende op die waarin de wijziging van de omstandigheden heeft plaatsgevonden. Artikel 16, tweede lid OBR verklaart artikel 17, tweede tot en met het zevende lid AOW en de daarop berustende bepalingen van overeenkomstige toepassing. Om die reden geldt het hiernavolgende het beleid in het kader van de AOW eveneens voor de OBR.

Indien de beëindiging van een nabestaandenuitkering uitsluitend het gevolg is van de toegenomen arbeidsgeschiktheid van de nabestaande wijkt de SVB af van het bepaalde in artikel 16, tweede lid Anw (zie hiervoor SB1287 over beëindiging nabestaandenuitkering wegens toegenomen arbeidsgeschiktheid). In geval van wijziging van het inkomen herziet de SVB de uitkering evenwel met ingang van de eerste dag van de maand waarin die wijziging zich voordoet, ongeacht of de uitkering moet worden verhoogd of verlaagd. Dit is bepaald in artikel 1a van de Regeling nadere regels inzake intrekking en herziening van het ouderdomspensioen en in artikel 19, eerste lid Anw.

De Participatiewet kent geen expliciete bepaling over de herziening of intrekking van de AIO-aanvulling wegens wijziging van de omstandigheden. Uit artikel 45, eerste lid Participatiewet vloeit echter voort dat de SVB tot verlaging van een al vastgestelde AIO-aanvulling moet overgaan indien zich een wijziging in de omstandigheden voordoet die tot een lagere uitkering leidt.

In geval van wijziging van het inkomen herziet de SVB de AIO-aanvulling met ingang van de eerste dag van de maand waarin die wijziging zich voordoet, tenzij de betrokkene door de wijziging van het inkomen ten minste gedurende dertig dagen geen recht meer heeft op een AIO-aanvulling. In het laatste geval geeft de SVB toepassing aan artikel 45, derde lid Participatiewet en trekt de AIO-aanvulling in met ingang van de dag waarop de wijziging van het inkomen zich voordoet.

In geval van een wijziging in de leefsituatie hanteert de SVB het beleid dat het recht op AIO-aanvulling met ingang van dezelfde dag als het ouderdomspensioen wordt herzien. Als een wijziging in de leefsituatie ertoe leidt dat geen recht meer bestaat op AIO-aanvulling, beëindigt de SVB het recht op AIO-aanvulling, zo nodig in afwijking van artikel 45, derde lid Participatiewet, met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de wijziging plaatsvond.

Uit artikel 6 Remigratiewet en artikel 10 Remigratiebesluit volgt dat de verlaging of intrekking van voorzieningen ingevolge de Remigratiewet als regel ingaat op de eerste dag van de maand volgende op die waarin de wijziging van omstandigheden heeft plaatsgevonden. De AKW kent geen expliciete bepalingen inzake de herziening van kinderbijslag wegens wijziging van de omstandigheden. Ondanks dat feit wordt de SVB geacht ook tot verlaging van reeds vastgestelde kinderbijslagrechten over te gaan indien zich een wijziging in de omstandigheden heeft voorgedaan die hiertoe noopt. De herziening geldt in dat geval met ingang van het kwartaal waarin op de peildatum de gewijzigde omstandigheden van kracht waren.

In zeer uitzonderlijke situaties kan het voorkomen dat het rechtszekerheids- of vertrouwensbeginsel zich verzet tegen een herziening of intrekking met ingang van de maand of het kwartaal na die waarin de wijziging plaatsvond. In dergelijke situaties kan de SVB - afhankelijk van de omstandigheden van het individuele geval - geheel van herziening of intrekking afzien, of een afbouwregeling toepassen.

Indien de SVB een afbouwregeling toepast, verlaagt zij de uitkering stapsgewijs gedurende maximaal een jaar. Van een afbouwregeling kan uitsluitend sprake zijn als ten minste wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • de SVB heeft onjuiste of onvolledige inlichtingen verstrekt, dan wel nagelaten noodzakelijke inlichtingen te verstrekken, waardoor betrokkene intrekking of verlaging van de uitkering niet behoefde te verwachten;
  • betrokkene was niet op andere wijze op de hoogte van de noodzaak tot intrekking of verlaging van de uitkering, terwijl deze hem ook niet redelijkerwijs duidelijk behoefde te zijn;
  • door herziening of intrekking vindt een ingrijpend verlies aan inkomen plaats.
Grondslag

artikel 17, vierde lid AOW en artikel 17, zesde lid AOW jo. Regeling nadere regels  inzake intrekking en herziening van het ouderdomspensioen, artikel 16, tweede lid Anw en  artikel 19, tweede lid Anw, artikel 16, tweede lid OBR, artikel 12, leden 1, 2 en 6  Remigratiewet en artikel 10 Remigratiebesluit

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 5
Verlaging of intrekking met terugwerkende kracht wegens wijziging van de omstandigheden (SB1078)
Beleidsregel

Het kan voorkomen dat een verlaging of intrekking van een uitkering wegens wijziging van de omstandigheden niet tijdig plaatsvindt omdat de SVB niet tijdig van de wijziging op de hoogte was of omdat zij een wijziging waarvan zij wel tijdig op de hoogte was niet heeft verwerkt. De SVB is dan op grond van artikel 17a, eerste lid AOW, artikel 34, eerste lid Anw, artikel 14a, eerste lid AKW, artikel 16, tweede lid OBR en artikel 6c, eerste lid Remigratiewet verplicht de toekenningsbeschikking te herzien of in te trekken. Op grond van artikel 54, derde lid, eerste volzin Participatiewet is de SVB eveneens verplicht om het besluit tot toekenning van een AIO-aanvulling te herzien of in te trekken indien de betrokkene de SVB niet of niet tijdig op de hoogte stelt van een wijziging van de omstandigheden. Indien de AIO-aanvulling anderszins ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, is de SVB op grond van artikel 54, derde lid, tweede volzin Participatiewet bevoegd om de toekenningsbeschikking te herzien of in te trekken. De SVB maakt in beginsel gebruik van deze bevoegdheid.

De SVB kan geheel of gedeeltelijk afzien van herziening of intrekking indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn (artikel 17a, tweede lid AOW, artikel 34, tweede lid Anw, artikel 14a, tweede lid AKW, artikel 16, tweede lid OBR en artikel 6c, derde lid Remigratiewet). Bij de toepassing van artikel 54, derde lid, tweede volzin Participatiewet hanteert de SVB eveneens het beleid dat zij geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking afziet als sprake is van dringende redenen. De SVB matigt de terugwerkende kracht van de herziening of intrekking niet indien de toepassing van de zes-maanden-jurisprudentie gunstiger is voor de betrokkene. Zie SB1327 over zes-maanden-jurisprudentie.

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van dringende redenen spelen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur een rol, zoals het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. De SVB hanteert in dit verband de volgende beleidsregels.

De SVB gaat niet tot herziening met volledig terugwerkende kracht over als de uitkeringsgerechtigde al zijn verplichtingen is nagekomen, en hij voorts niet heeft kunnen begrijpen dat de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag werd verleend. In een dergelijk geval herziet de SVB de uitkering in beginsel zonder terugwerkende kracht. Deze regel vloeit wat betreft remigratievoorzieningen direct voort uit artikel 6c, vierde lid Remigratiewet. Het kan voorkomen dat de uitkeringsgerechtigde hierdoor een niet te rechtvaardigen voordeel geniet. In die situatie beperkt de SVB de herziening tot het bedrag van het voordeel dat de betrokkene heeft genoten.

Is het niet tijdig herzien van de uitkering een gevolg van een fout van de SVB, maar heeft de betrokkene deze fout kunnen onderkennen, dan vindt herziening of intrekking in beginsel plaats met volledig terugwerkende kracht.

Bij de beantwoording van de vraag of de betrokkene heeft kunnen onderkennen dat hij te veel ontving hanteert de SVB de volgende stelregels:

  • Bij de beoordeling of de betrokkene kon onderkennen dat hem ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verleend past de SVB het beleid in SB1071 over bijzonder geval mutatis mutandis toe.
  • Bij toekenning van een uitkering deelt de SVB aan betrokkene mee welke wijzigingen hij spontaan aan de SVB moet melden. Hiertoe verwijst de SVB in de toekenningsbeschikking naar het overzicht van te melden wijzigingen op de website van de SVB. Als deze mededeling heeft plaatsgevonden gaat de SVB ervan uit dat het de betrokkene redelijkerwijs duidelijk kan zijn dat deze feiten en omstandigheden van invloed konden zijn op de uitkering.

 

Voorts ziet de SVB wegens dringende redenen geheel of gedeeltelijk af van herziening als de bijzondere omstandigheden van het geval leiden tot het oordeel dat een volledig terugwerkende kracht onevenredig is. Bij de beoordeling of er sprake is van onevenredigheid hecht de SVB belang aan:

  • de mate waarin de betrokkene een verwijt kan worden gemaakt; en
  • de mate waarin de SVB een verwijt kan worden gemaakt.

 

Als volledige herziening op grond van deze factoren onevenredig is, matigt de SVB de terugwerkende kracht van de herziening of intrekking.

Grondslag

artikel 17a AOW, artikel 34 Anw, artikel 14a AKW, artikel 16, tweede lid OBR, artikel  6c Remigratiewet

Wijzigingsbesluit Beleidsregels SVB mei 2021

relaties 5
Terugkomen van een rechtens onaantastbaar besluit ten nadele van de belanghebbende (SB1079)
Beleidsregel

Het kan voorkomen dat de SVB een onjuist besluit heeft genomen als gevolg van door de betrokkene of een derde verstrekte onjuiste of onvolledige gegevens, dan wel omdat de SVB een fout heeft gemaakt bij het nemen van het besluit. In deze gevallen is de SVB op grond van artikel 17a, eerste lid AOW, artikel 34, eerste lid Anw, artikel 14a, eerste lid AKW, artikel 16, tweede lid OBR en artikel 6c, eerste lid Remigratiewet verplicht terug te komen van haar besluit, ook als deze rechtens onaantastbaar is geworden. De uitkering moet in beginsel worden verlaagd of ingetrokken met volledig terugwerkende kracht. Op grond van artikel 54, derde lid, eerste volzin Participatiewet is de SVB eveneens verplicht om het besluit tot toekenning van een AIO-aanvulling te herzien of in te trekken indien de betrokkene de SVB niet of niet tijdig op de hoogte heeft gesteld van een wijziging van de omstandigheden. Indien de AIO-aanvulling anderszins ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, is de SVB op grond van artikel 54, derde lid, tweede volzin Participatiewet bevoegd om de toekenningsbeschikking te herzien of in te trekken. De SVB maakt in beginsel gebruik van deze bevoegdheid.

De SVB kan geheel of gedeeltelijk afzien van herziening of intrekking indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn (artikel 17a, tweede lid AOW, artikel 34, tweede lid Anw, artikel 14a, tweede lid AKW, artikel 16, tweede lid OBR en artikel 6c, derde lid Remigratiewet). Bij de toepassing van artikel 54, derde lid, tweede volzin Participatiewet hanteert de SVB eveneens het beleid dat zij geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking afziet als sprake is van dringende redenen. De SVB past hiervoor het beleid, beschreven in SB1078 over verlaging of intrekking met terugwerkende kracht wegens wijziging van de omstandigheden, mutatis mutandis toe.

In geval van wijziging in het beleid van de SVB bijvoorbeeld naar aanleiding van gewijzigde inzichten of nieuwe jurisprudentie, komt de SVB niet met terugwerkende kracht ten nadele van de belanghebbende terug van een rechtens onaantastbaar geworden besluit. Bestaande rechten worden gedurende een periode van een half tot een heel jaar na bekendmaking van het gewijzigde beleid ongemoeid gelaten.

Grondslag

artikel 17a AOW, artikel 34 Anw, artikel 14a AKW, artikel 16, tweede lid OBR en artikel  6c Remigratiewet

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 5
Verlaging of intrekking bij onzekerheid over voortbestaan aanspraak wegens niet nakomen controlevoorschriften of mededelingsverplichting (SB1080)
Beleidsregel

Artikelen 17a, eerste lid, onder c AOW, artikel 34, eerste lid, onder c Anw, artikel 14a, eerste lid, onder c AKW, artikel 16, tweede lid OBR en artikel 6c, eerste lid, onder c Remigratiewet bepalen dat de SVB een besluit tot toekenning van pensioen of uitkering herziet of intrekt, als het niet of niet behoorlijk nakomen van de controlevoorschriften of een mededelingsverplichting ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op uitkering bestaat. De wijze waarop de SVB deze bepaling toepast wordt beschreven in SB1100 over niet of niet correct voldoen aan een verzoek van de SVB.

De SVB kan geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking op grond van de genoemde bepalingen afzien als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Aangezien het hier gaat om gevallen waarin de SVB geen duidelijk beeld van de omstandigheden kan krijgen, en waarin het recht op (een deel van de) uitkering aan ernstige twijfel onderhevig is, zal deze bevoegdheid in de onderhavige gevallen zelden of nooit worden toegepast.

Grondslag

artikel 17a AOW, artikel 34 Anw, artikel 14a AKW, artikel 16, tweede lid OBR en artikel  6c Remigratiewet

Besluit beleidsregels SVB 2016

Herziening van een AIO-aanvulling in het voordeel van de belanghebbende

relaties 4
Verhoging AIO-aanvulling wegens wijziging van de omstandigheden (SB1309)
Beleidsregel

De Participatiewet bevat geen bepalingen ten aanzien van de herziening van de AIO-aanvulling die leidt tot een verhoging van de AIO-aanvulling. De SVB leidt evenwel uit de artikelen 11, 19 en 45, eerste lid Participatiewet in samenhang bezien af dat het recht op AIO-aanvulling ook in dat geval moet worden herzien.

Daarnaast leidt de SVB uit artikel 44, eerste lid Participatiewet af, dat de wet geen ruimte biedt voor een verhoging van de AIO-aanvulling met terugwerkende kracht. De SVB verhoogt de AIO-aanvulling daarom vanaf het moment van melding door de belanghebbende. In de hierna volgende situaties wijkt de SVB van dit uitgangspunt af.

Tijdig of verschoonbaar te laat voldoen aan de mededelingsverplichting:

Bij een tijdige melding door de belanghebbende van een wijziging in de omstandigheden herziet de SVB de AIO-aanvulling met ingang van de dag waarop de wijziging zich heeft voorgedaan. Onder een tijdige melding verstaat de SVB: binnen vier weken nadat het van belang zijnde feit heeft plaatsgevonden of de relevante wijziging van omstandigheden is ingetreden.

Als een belanghebbende een wijziging in zijn omstandigheden niet binnen vier weken na de desbetreffende wijziging doorgeeft, verhoogt de SVB de AIO-aanvulling met ingang van de dag van melding. In geval van bijzondere omstandigheden die de te late melding verschoonbaar maken, verhoogt de SVB de AIO-aanvulling met terugwerkende kracht als de belanghebbende aannemelijk maakt dat hij ten behoeve van de noodzakelijke kosten van bestaan reële schulden is aangegaan waaraan daadwerkelijk terugbetalingsverplichtingen zijn verbonden. Bij het bepalen van de mate van terugwerkende kracht en de vraag of sprake is van bijzondere omstandigheden, past de SVB het beleid in SB1307 over ingangsdatum bij aanvraag AIO-aanvulling overeenkomstig toe.

Aanslag inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen:

De SVB maakt gebruik van de bevoegdheid om de AIO-aanvulling met terugwerkende kracht te verhogen als de belanghebbende over het in aanmerking genomen bruto inkomen alsnog op aanslag inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen of inkomensafhankelijke bijdrage Zvw is verschuldigd. Als de belanghebbende een belastingschuld niet hoeft te voldoen, verhoogt de SVB de AIO-aanvulling niet met terugwerkende kracht. De SVB baseert dit beleid op de wetsgeschiedenis.

Het kan voorkomen dat een voorlopige teruggaaf te hoog was door onterecht ontvangen heffingskortingen en de SVB de bedragen van de voorlopige teruggaaf als inkomen in mindering heeft gebracht op de AIO-aanvulling. Uit paragraaf 8.2 van de Rekenregels en handleiding loonheffingen over bijstandsuitkeringen 2015 van de Belastingdienst volgt dat de SVB in dat geval de aanslag moet voldoen. De SVB geeft hieraan invulling door de AIO-aanvulling met terugwerkende kracht te verhogen tot het bedrag van de aanslag. De SVB acht zich niet gehouden deze aanslag te voldoen als zij de bedragen van de voorlopige teruggaaf niet eerder in aanmerking heeft genomen voor de hoogte van de AIO-aanvulling.

Wijziging in de leefsituatie:

Bij een wijziging in de leefsituatie hanteert de SVB het beleid dat het recht op AIO-aanvulling met ingang van dezelfde dag als het ouderdomspensioen wordt herzien. Dit betekent dat de SVB het recht op AIO-aanvulling, zo nodig in afwijking van artikel 45, derde lid Participatiewet, verhoogt met ingang van de eerste dag van de maand waarin de wijziging plaatsvond als de belanghebbende een dergelijke wijziging tijdig meldt. In geval de belanghebbende een wijziging in zijn leefsituatie niet tijdig meldt, verhoogt de SVB het recht op AIO-aanvulling, zo nodig in afwijking van artikel 45, derde lid Participatiewet, met ingang van de eerste dag van de maand waarin de melding plaatsvond.

Grondslag

artikel 11, artikel 19, artikel 44, eerste lid, artikel 45, eerste en derde lid  Participatiewet

Wijzigingsbesluit Beleidsregels SVB september 2019

relaties 3
Terugkomen van een rechtens onaantastbaar AIO-besluit op verzoek van de belanghebbende (SB1310)
Beleidsregel

Soms is er geen sprake van een wijziging van omstandigheden of van nieuwe feiten, maar verzoekt de belanghebbende de SVB niettemin om terug te komen van een rechtens onaantastbaar besluit over de hoogte van de AIO-aanvulling. Bij de beoordeling van dit verzoek maakt de SVB onderscheid tussen de periode die ligt voor de datum waarop zij het verzoek om herziening ontvangt en de periode vanaf die datum. Voor zover het herzieningsverzoek ziet op de periode die ligt na de datum waarop de SVB het ontvangt, beoordeelt de SVB het verzoek op basis van de gronden die de belanghebbende aanvoert. Voor zover het herzieningsverzoek ziet op de periode die ligt voor de datum waarop de SVB het ontvangt, is de SVB bevoegd om het verzoek om herziening zonder nader onderzoek af te wijzen, tenzij dit evident onredelijk is. Dit volgt uit artikel 4:6 Awb en de jurisprudentie van de CRvB (zie CRvB 6 november 2003 en CRvB 20 december 2016).

De SVB acht het evident onredelijk om niet terug te komen van een rechtens onaantastbaar besluit als de SVB uit hetgeen belanghebbende in zijn herzieningsverzoek aanvoert, concludeert dat dit besluit onmiskenbaar onjuist is.

Als de SVB terugkomt van een eerder besluit stelt zij met toepassing van het volgende beleid vast of zij terugwerkende kracht geeft aan het nieuwe besluit.

Een besluit kan onmiskenbaar onjuist zijn als gevolg van:

  • een fout van de SVB;
  • een wijziging in het beleid van de SVB;
  • een fout van de belanghebbende.

FOUT VAN DE SVB

Van een onmiskenbaar onjuist besluit als gevolg van een fout van de SVB is sprake als de SVB op basis van de gegevens die op de datum van dat besluit beschikbaar waren of die bij een normaal onderzoek van de SVB beschikbaar zouden zijn geweest, de AIO-aanvulling correct had kunnen vaststellen aan de hand van de toen geldende wetgeving en beleidsregels, en de belanghebbende alle relevante informatie tijdig heeft verstrekt. De SVB verhoogt de AIO-aanvulling in dergelijke gevallen met toepassing van het beleid in SB1307 over de mate van terugwerkende kracht bij een toekenning op een eerste aanvraag. Tevens past de SVB dat beleid naar analogie toe als de belanghebbende aantoonbaar heeft ingeteerd op zijn vrij te laten vermogen. De SVB berekent de terugwerkende kracht vanaf het moment waarop zij het verzoek om herziening ontvangt. Als niet blijkt dat de belanghebbende schulden is aangegaan of op zijn vrij te laten vermogen heeft ingeteerd, herziet de SVB de AIO-aanvulling niet met terugwerkende kracht maar verhoogt zij de uitkering met ingang van het moment waarop zij het verzoek om herziening ontvangt.

WIJZIGING VAN HET BELEID VAN DE SVB

Het beleid uit de vorige alinea geldt ook als een besluit bij nader inzien onjuist is als gevolg van een wijziging in het beleid van de SVB in het voordeel van de belanghebbende. De SVB herziet de AIO-aanvulling echter niet over perioden gelegen voor de datum van inwerkingtreding van het gewijzigde beleid.

Betreft de wijziging van het beleid de invulling van een discretionaire bevoegdheid dan verhoogt de SVB de AIO-aanvulling vanaf het moment dat de SVB het verzoek om herziening ontvangt, dan wel vanaf de datum die de SVB heeft bepaald voor de desbetreffende beleidswijziging.

FOUT VAN DE BELANGHEBBENDE 

Is het onmiskenbaar onjuiste besluit het gevolg van een fout van de belanghebbende dan past de SVB het beleid toe over tijdig en verschoonbaar te laat voldoen aan de mededelingsverplichting in SB1309 over verhoging AIO-aanvulling wegens wijziging van de omstandigheden.

Wet- en regelgeving
Ambtshalve terugkomen van een rechtens onaantastbaar AIO-besluit ten voordele van de belanghebbende (SB1329)
Beleidsregel

Soms stelt de SVB ambtshalve vast dat sprake is van een onmiskenbaar onjuist besluit dat rechtens onaantastbaar is. In dat geval herziet de SVB het besluit met terugwerkende kracht volgens de uitgangspunten die zijn beschreven in SB1310 over terugkomen van een rechtens onaantastbaar AIO-besluit op verzoek van de belanghebbende. In geval van een ambtshalve herziening berekent de SVB de termijnen vanaf het moment dat zij heeft geconstateerd dat het besluit onjuist is.

relaties 1

Herziening of intrekking van een ouderdomspensioen wegens schuldige nalatigheid (SB1286)

Beleidsregel

Het kan voorkomen dat de SVB een belanghebbende schuldig nalatig verklaart nadat de belanghebbende de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. De SVB is dan op grond van artikel 17a, eerste lid AOW verplicht de toekenningsbeschikking te herzien of in te trekken. Dat is ook het geval indien zij tijdig op de hoogte was van de schuldige nalatigheid maar deze wijziging niet heeft verwerkt.

Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan de SVB op grond van artikel 17a, tweede lid AOW besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van dringende redenen spelen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur een rol, zoals het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Deze kunnen er eveneens toe nopen dat de SVB geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking afziet. De SVB hanteert in dit verband het volgende beleid.

De SVB gaat niet tot herziening met volledig terugwerkende kracht over als de pensioengerechtigde niet heeft kunnen onderkennen dat hij de op aanslag verschuldigde premie volksverzekeringen niet of niet volledig heeft betaald waardoor het ouderdomspensioen ten onrechte of tot een te hoog bedrag werd verleend. In dat geval herziet de SVB het ouderdomspensioen in beginsel zonder terugwerkende kracht.

Bij de beantwoording van de vraag of de pensioengerechtigde heeft kunnen onderkennen dat hij te veel ouderdomspensioen ontving, hanteert de SVB de volgende stelregels:

  • De SVB beoordeelt of de betrokkene kon onderkennen dat hij de op aanslag verschuldigde premie volksverzekeringen niet of niet volledig heeft betaald.
  • Alvorens de SVB een betrokkene schuldig nalatig verklaart, neemt de Belastingdienst in het algemeen invorderingsmaatregelen. De SVB neemt daarom in beginsel aan dat een belanghebbende kon onderkennen dat hij de op aanslag verschuldigde premie volksverzekeringen niet of niet volledig heeft betaald.

Voorts ziet de SVB af van herziening met terugwerkende kracht als zij te lang heeft gedaan over het nemen van een beschikking over de schuldige nalatigheid van de belanghebbende. Bij het nemen van een beschikking over schuldige nalatigheid past de SVB artikel 51 AOW overeenkomstig toe, met dien verstande dat de beslistermijn aanvangt op het moment van ontvangst van het verzoek tot schuldige nalatigheid verklaring van de Belastingdienst.

Wet- en regelgeving
relaties 2

Terugkomen van een beschikking betreffende de vaststelling van verzekerde tijdvakken (SB1255)

Beleidsregel

In het kader van de verzekerdenadministratie neemt de SVB beschikkingen waarin zij vaststelt gedurende welke tijdvakken een belanghebbende verzekerd was voor de volksverzekeringen. De SVB neemt deze beschikkingen voordat het AOW-pensioen of de Anw-uitkering ingaat.

Bij de toekenning van het AOW-pensioen of de Anw-uitkering stelt de SVB alle verzekerde tijdvakken definitief vast. Als betrokkene de SVB verzoekt om in zijn voordeel terug te komen op de vaststelling van verzekerde tijdvakken, moet hij deugdelijk en toereikend motiveren waarom de eerdere vaststelling naar zijn mening onjuist was (zie CRvB 13 mei 2015). Als betrokkene voor de ingangsdatum van het AOW-pensioen of de Anw-uitkering aantoont dat de eerder vastgestelde tijdvakken onmiskenbaar onjuist zijn, komt de SVB terug op de rechtens onaantastbare beschikking. In afwijking van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 6 juni 2016 beoordeelt de SVB hierbij niet of zij ook voor het verleden moet terugkomen op deze beschikking. De SVB wijkt van de uitspraak af, omdat het met terugwerkende kracht herzien van verzekerde tijdvakken geen rechtsgevolg heeft, zolang betrokkene nog geen recht op AOW-pensioen of Anw-uitkering heeft.

Als correctie van de eerder vastgestelde verzekerde tijdvakken ertoe zal leiden dat de belanghebbende recht heeft op een lager AOW-pensioen of een lagere Anw-uitkering, toetst de SVB in hoeverre het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel zich verzetten tegen een herziening van de vastgestelde tijdvakken. De SVB gaat ervan uit dat het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel zich hier in ieder geval niet tegen verzetten als de verzekerde tijdvakken onjuist zijn vastgesteld doordat de belanghebbende onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt en hem dit kan worden verweten.

relaties 7

Beëindiging nabestaandenuitkering wegens toegenomen arbeidsgeschiktheid (SB1287)

Beleidsregel

Op grond van artikel 16, eerste lid, onderdeel a Anw eindigt het recht op nabestaandenuitkering als de nabestaande niet langer voor ten minste 45% arbeidsongeschikt is (zie SB1018 over arbeidsongeschiktheid). Het tweede lid van artikel 16 Anw schrijft voor dat de nabestaandenuitkering in dat geval eindigt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin deze wijziging zich voordoet. De CRvB heeft in het kader van de arbeidsongeschiktheidswetten meermalen overwogen dat het zorgvuldigheidsbeginsel met zich meebrengt dat, indien een uitkering wordt verlaagd of ingetrokken vanwege toegenomen arbeidsgeschiktheid, een uitlooptermijn in acht moet worden genomen. Deze uitlooptermijn bedraagt in beginsel twee maanden (zie bijvoorbeeld CRvB 21 februari 1992 en 24 juli 1992). Voor personen die buiten Nederland wonen moet een langere termijn in acht genomen worden, omdat de toegankelijkheid van de Nederlandse arbeidsmarkt hierbij een rol speelt (zie bijvoorbeeld CRvB 14 juli 1999 en 19 april 2000). Uit de uitspraak van 15 juli 2011 van de CRvB blijkt dat deze zogenoemde 'aanzegjurisprudentie' ook geldt bij de beëindiging van een nabestaandenuitkering wegens toegenomen arbeidsgeschiktheid.

De SVB hanteert in dit kader het volgende beleid.

Indien de beëindiging van een nabestaandenuitkering uitsluitend het gevolg is van de toegenomen arbeidsgeschiktheid van de nabestaande wijkt de SVB af van het bepaalde in artikel 16, tweede lid Anw en past zij een uitlooptermijn toe. De SVB hanteert voor nabestaanden die in Nederland wonen een uitlooptermijn van twee maanden, voor buiten Nederland wonende EU-onderdanen vier maanden en voor overige in het buitenland wonende nabestaanden zes maanden.

De uitlooptermijn begint op de dag volgend op de dag waarop de SVB het beëindigingsbesluit heeft verzonden. Indien het UWV de nabestaande al voorafgaand aan de verzending van het beëindigingsbesluit schriftelijk heeft geïnformeerd over de eindconclusie van de herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid en de voorgehouden functies waarop die conclusie is gebaseerd, begint de uitlooptermijn op de dag volgend op de dag waarop de nabestaande door het UWV schriftelijk is geïnformeerd.

Rekening houdend met de uitlooptermijnen en artikel 16, tweede lid Anw beëindigt de SVB de nabestaandenuitkering op de eerste dag van de derde, respectievelijk vijfde respectievelijk zevende kalendermaand volgend op de maand waarin de uitlooptermijn is gaan lopen.

De SVB past geen uitlooptermijn toe indien het de nabestaande redelijkerwijs duidelijk kan zijn dat geen recht meer bestaat op een nabestaandenuitkering. Hiervan is in ieder geval sprake als de nabestaande het eigen werk volledig heeft hervat.

Grondslag

artikel 14, eerste lid, onderdeel b, artikel 16, leden 1 en 2 Anw

Wijzigingsbesluit Beleidsregels SVB oktober 2017

relaties 17

Bijzonderheden met betrekking tot de Remigratiewet (SB1081)

Beleidsregel

VERTREK BINNEN ZES MAANDEN NA DAGTEKENING BESCHIKKING

De SVB kan de beschikking tot toekenning van remigratievoorzieningen geheel of gedeeltelijk intrekken als de remigrant en zijn eventuele partner en kinderen niet binnen zes maanden na de dagtekening van de beschikkingen zijn geremigreerd, tenzij de remigrant of zijn partner redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt van de overschrijding van deze termijn (artikel 4, vijfde lid Remigratiewet). De SVB heeft voor de toepassing van deze bevoegdheid het volgende beleid vastgesteld.

Is de remigrant nog niet uit Nederland vertrokken, dan trekt de SVB de beschikking in beginsel geheel of gedeeltelijk in. Volledige intrekking vindt plaats als de remigrant dan wel zijn echtgenoot of geregistreerde partner van wie hij niet duurzaam gescheiden leeft, niet is vertrokken. Vertrek van deze personen is een voorwaarde voor het ontstaan van recht op voorzieningen op grond van de Remigratiewet (artikel 2b, derde lid Remigratiewet). Als een andersoortige partner, dan wel kinderen niet zijn vertrokken, dan herziet de SVB de beschikking en stelt zij de voorzieningen vastgesteld op de bedragen waarop de remigrant recht heeft ten behoeve van zichzelf en zijn reeds vertrokken gezinsleden. Mederemigratie van een dergelijke partner of kind is in het systeem van de Remigratiewet namelijk geen voorwaarde voor toekenning van voorzieningen aan de remigrant.

De SVB ziet af van gehele of gedeeltelijke intrekking van de toekenningsbeschikking als aan de remigrant of zijn partner redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt van de overschrijding van de termijn van zes maanden. Van een dergelijke situatie is in de eerste plaats sprake als de belanghebbende voor afloop van de termijn van zes maanden bij de SVB een verzoek om uitstel heeft ingediend welk verzoek is gehonoreerd. De SVB verleent in ieder geval uitstel voor ten hoogste een half jaar in geval van:

  • noodzakelijke medische behandeling van de remigrant of een van zijn gezinsleden, welke in Nederland moet plaatsvinden en niet binnen de oorspronkelijke termijn van een half jaar kan zijn voltooid;
  • voltooiing van een schoolopleiding, studie of beroepsopleiding in Nederland van de remigrant of een van zijn gezinsleden;
  • noodzakelijke afwikkeling van zakelijke belangen, mits de betrokkene zich voldoende heeft ingespannen om deze afwikkeling binnen de termijn van zes maanden te voltooien;
  • andere gronden van vergelijkbaar belang en vergelijkbare urgentie.

Als de remigrant geen verzoek om uitstel heeft ingediend, gaat de SVB er niettemin van uit dat aan de remigrant of zijn partner redelijkerwijs geen verwijt worden gemaakt van overschrijding van de termijn van zes maanden als een klemmend belang van de remigrant of een van zijn gezinsleden voortzetting van het verblijf in Nederland noodzakelijk maakt.

Als de remigrant dan wel zijn gezinsleden een jaar na de dagtekening van de toekenningsbeschikking nog niet zijn vertrokken, gaat de SVB in ieder geval tot gehele of gedeeltelijke intrekking van de beschikking over. De remigrant kan zolang hij in Nederland verblijft op een later moment een nieuwe aanvraag om remigratievoorzieningen indienen.

Als de remigrant en zijn gezin inmiddels, zij het niet binnen zes maanden na dagtekening van de beschikking, zijn vertrokken, gebruikt de SVB de bevoegdheid tot gehele of gedeeltelijke intrekking van de toekenningsbeschikking wegens overschrijding van de vertrektermijn in beginsel niet. Aangezien een dergelijke intrekking een definitieve uitsluiting van de remigrant van (een deel van) de remigratievoorzieningen tot gevolg heeft, en de SVB slechts beperkte administratieve overlast ondervindt als gevolg van eventueel noodzakelijke extra controlemaatregelen, meent de SVB dat zij in het algemeen bij afweging van alle in aanmerking komende belangen zoals voorgeschreven in artikel 3:4 Awb in redelijkheid niet tot deze intrekking zal kunnen komen.

VERKRIJGING NATIONALITEIT

Artikel 2, onderdeel b Remigratiewet schrijft voor dat een remigrant met de Nederlandse nationaliteit al hetgeen moet doen wat in redelijkheid mogelijk is, om de nationaliteit van het bestemmingsland met bekwame spoed te verkrijgen. De SVB hanteert ten aanzien van dit voorschrift de regel dat de remigrant in beginsel binnen zes maanden na aankomst in het bestemmingsland een aanvraag tot naturalisatie moet indienen. Als na een periode van zes maanden na aankomst in het bestemmingsland geen aanvraag tot naturalisatie is ingediend, schorst de SVB het recht op de remigratievoorziening. Als na het verstrijken van één jaar nog geen verzoek tot naturalisatie is ingediend of dit niet is aangetoond, dan beëindigt de SVB het recht op remigratievoorziening definitief met ingang van het moment waarop de voorziening is geschorst.

VESTIGING HOOFDVERBLIJF IN NEDERLAND

Artikel 6 Remigratiewet bepaalt dat het recht op voorzieningen van de remigrant, zijn partner of het kind eindigt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de remigrant, zijn partner of het kind zijn hoofdverblijf in Nederland vestigt. Of hiervan sprake is wordt door de SVB naar de omstandigheden beoordeeld. De SVB gaat ervan uit dat in ieder geval sprake is van hoofdverblijf in Nederland:

  • als aan de betrokkene een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 14, artikel 20 dan wel artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000, of
  • als de betrokkene is teruggekeerd naar Nederland en een verzoek indient op grond van de artikelen 14, 20 of 28 Vreemdelingenwet 2000 in Nederland te mogen verblijven, mits hij een besluit op dit verzoek in Nederland mag afwachten, of
  • als betrokkene in Nederland verblijft en anderszins uit het geheel van feiten en omstandigheden blijkt dat hij de intentie heeft duurzaam in Nederland te verblijven.
Grondslag

artikel 2, onderdeel b, artikel 4, vijfde lid en artikel 6 Remigratiewet

Wijzigingsbesluit Beleidsregels SVB oktober 2017

Betaling

relaties 6

Tijdstip van betaling (SB1083)

Beleidsregel

Op grond van artikel 4:87 Awb betaalt de SVB een uitkering binnen zes weken na het toekennen daarvan. Uit bijzondere wettelijke bepalingen kan een later tijdstip van betaling volgen.

De SVB maakt van de bevoegdheid gegeven in artikel 19, eerste lid AOW en artikel 46, eerste lid Anw ten aanzien van in Nederland wonende uitkeringsgerechtigden gebruik door het pensioen of de uitkering uit te betalen in de laatste week van de maand. Dit is in overeenstemming met de in Nederland bij het bedrijfsleven en de overheid gangbare praktijk.

De SVB betaalt de kinderbijslag aan in Nederland wonenden doorgaans in de eerste twee weken van het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarover het recht op kinderbijslag bestaat. De SVB kan zonder nader besluit de betaling van kinderbijslag aanhouden tot het einde van het 'betaalkwartaal', als daarvoor aanleiding is. Dit doet de SVB bijvoorbeeld als onduidelijkheid bestaat over een rechtsbepalend feit.

Artikel 45, eerste lid Participatiewet bepaalt dat de AIO-aanvulling per kalendermaand wordt vastgesteld en betaald. Ook regelt dit artikellid dat de vakantie-uitkering jaarlijks wordt betaald in de maand juni over de aan die maand voorafgaande twaalf maanden. Indien het recht op een AIO-aanvulling is beëindigd, vindt de betaling van de vakantie-uitkering echter plaats binnen drie maanden volgend op de maand waarin de AIO-aanvulling is beëindigd.

De SVB past deze bepaling zodanig toe dat de betaling van de AIO-aanvulling zo veel mogelijk aansluit bij de betaling van ouderdomspensioenen op grond van de AOW. Dit betekent voor de betaling van de maandelijkse AIO-aanvulling en de vakantie-uitkering het volgende. De SVB betaalt de AIO-aanvulling in de laatste week van de maand. Als ook recht bestaat op een ouderdomspensioen betaalt de SVB de AIO-aanvulling en het ouderdomspensioen in een bedrag uit. In afwijking van artikel 45, eerste lid Participatiewet betaalt de SVB de vakantie-uitkering jaarlijks in de maand mei. Dit is ook het geval als het recht op een AIO-aanvulling is beëindigd, maar het recht op een ouderdomspensioen nog bestaat.

Grondslag

artikel 19, eerste lid AOW, artikel 46, eerste lid Anw, artikel 18, eerste lid AKW,  artikel 45, eerste lid Participatiewet en artikel 4:87 Awb

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 1

Overmakingskosten (SB1084)

Beleidsregel

Op grond van artikel 4:91 Awb kan de SVB overmakingskosten in rekening brengen aan de gerechtigde die zijn uitkering buiten de EU, EER of Zwitserland wenst te ontvangen. De SVB hanteert het beleid dat overmakingskosten in mindering worden gebracht op uitkeringen op grond van de AOW of de Anw, tenzij een internationale overeenkomst anders bepaalt.

Voor betalingen naar Australië, Bosnië-Herzegovina, Israël, Kaapverdië, Marokko, Servië, Montenegro, Tunesië en Turkije mogen ingevolge de met deze landen gesloten verdragen en bijbehorende Administratieve Akkoorden geen overmakingskosten in rekening worden gebracht.

Wet- en regelgeving
relaties 4

Betaling aan een derde (SB1085)

Beleidsregel

Op basis van een machtiging van de gerechtigde kan de SVB de uitkering overmaken op een bankrekening van een ander dan van hemzelf.

Bij beslagleggingen en bij machtigingen tot betaling van een deel van de uitkering aan een ander uitvoeringsorgaan is gesplitste betaling van de uitkering mogelijk. De SVB heeft echter het beleid dat zij machtigingen om een deel van een uitkering aan een andersoortige derde te betalen niet honoreert. Hetzelfde geldt voor constructies waarmee deurwaarders soms proberen een deelbetaling van een pensioen of uitkering te verkrijgen. Aan een machtiging tot uitbetaling aan een andere persoon of instelling geeft de SVB alleen gevolg indien het de betaling van de gehele uitkering (inclusief de eventuele toeslag en de vakantie-uitkering) betreft. De SVB baseert dit beleid op het uitgangspunt dat de administratie van de SVB niet onnodig mag worden verzwaard bij de betaling van uitkeringen en pensioenen. De SVB maakt een uitzondering op dit beleid als uit de mededeling van een bijstandsmaatschappelijk werker of een erkende schuldhulpverlener blijkt dat de gerechtigde structureel problemen heeft met de vaste en maandelijkse betalingen ten behoeve van de meest primaire levensbehoeften zoals huur, gas, elektra, water en zorgverzekeringspremie. In dat geval betaalt de SVB op verzoek van de gerechtigde de crediteur rechtstreeks door middel van een gesplitste betaling. De SVB hanteert daarbij het beleid dat zij alleen vaste bedragen betaalt ten behoeve van primaire levensbehoeften die maandelijks verschuldigd zijn apart van het overige deel van de uitkering. Voorts verzoekt de SVB de betrokkene om een machtiging voor het verrichten van de door de crediteur verlangde maandelijkse betaling. Deze werkwijze voorkomt dat een nieuwe machtiging nodig is na een wijziging van de bedragen.

Op basis van artikel 26, tweede lid AOW en artikel 46, derde lid Participatiewet kan een machtiging tot uitbetaling van het pensioen of de AIO-aanvulling aan een ander door de gerechtigde worden ingetrokken. In de Anw en de Remigratiewet is niet expliciet de mogelijkheid tot verlening dan wel intrekking van een machtiging tot betaling aan een ander dan de rechthebbende opgenomen. Ook in dit geval gaat de SVB er echter van uit dat een machtiging kan worden verleend en ingetrokken.

Ook een kinderbijslaggerechtigde kan de SVB machtigen de hem toekomende kinderbijslag aan een ander dan hemzelf over te maken. Betrokkene kan deze machtiging weer intrekken (artikel 23, tweede lid AKW). Indien recht op kinderbijslag voor meerdere kinderen bestaat, kan de SVB de kinderbijslag voor elk kind afzonderlijk aan een derde betalen.

Van de bevoegdheid bedoeld in artikel 49, eerste lid Anw en artikel 21 AKW maakt de SVB bijvoorbeeld gebruik indien blijkt dat de wezenuitkering of de kinderbijslag evident niet ten goede komt aan het kind of de wees. Dit kan blijken na een zorgvuldig onderzoek naar aanleiding van een extern signaal, eventueel na het horen van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen.

Indien de gerechtigde handelingsonbekwaam is of onder bewind is gesteld, betaalt de SVB op grond van het BW aan de curator of bewindvoerder.

Grondslag

artikel 26, tweede lid AOW, artikel 49, eerste lid Anw artikel 21 AKW en artikel 46,  derde lid Participatiewet

Besluit beleidsregels SVB 2016

Inhouding eigen bijdrage Wlz en betaling aan een inrichting of gemeente

relaties 2
Inhouding eigen bijdrage Wlz (SB1086)
Beleidsregel

Wanneer een pensioengerechtigde een bijdrage verschuldigd is op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz heeft de SVB de bevoegdheid om door inhouding op het pensioen direct de eigen bijdrage Wlz uit te betalen aan het Zorginstituut Nederland (ZIN). Dit is geregeld in artikel 20, eerste en derde lid AOW en artikel 57, tweede en derde lid Anw.

Als de gerechtigde naast het AOW-pensioen of de Anw-uitkering geen andere inkomsten heeft en een inkomensafhankelijke bijdrage moet betalen, hanteert het Wlz-uitvoeringsorgaan de standaard eigen bijdrage, waarvan de hoogte verschillend is voor ongehuwden en gehuwden met of zonder recht op toeslag. Ingeval de gerechtigde wel andere inkomsten heeft, zal het Wlz-uitvoeringsorgaan een hogere eigen bijdrage vaststellen. Ook deze hogere eigen bijdrage houdt de SVB op verzoek in op het pensioen en betaalt zij aan het ZIN uit. De SVB gaat daarbij uit van de juistheid van het door het Wlz-uitvoeringsorgaan afgegeven besluit over de eigen bijdrage.

Aan een verzoek van een AOW- of Anw-gerechtigde om geheel of gedeeltelijk af te zien van de inhouding van de eigen bijdrage komt de SVB niet tegemoet. De SVB kiest voor deze handelwijze om nodeloze administratieve belasting voor de betrokken uitvoeringsorganen en de gerechtigde te vermijden.

Grondslag

artikel 20, leden 1 en 3 AOW en artikel 57, leden 2 en 3 Anw

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 2
Betaling aan een inrichting of gemeente (SB1087)
Beleidsregel

Wanneer de pensioen- of uitkeringsgerechtigde is opgenomen in een inrichting ter verpleging van geesteszieken of zwakzinnigen kan de SVB, op grond van artikel 20, tweede lid AOW en artikel 57, eerste lid Anw, het pensioen of de uitkering uitbetalen aan de inrichting of de gemeente die de opnamekosten heeft betaald. Van deze bevoegdheid mag alleen gebruik gemaakt worden als de gemeente of de inrichting hierom verzoekt. Indien de SVB echter een dergelijk verzoek heeft ontvangen zal zij in beginsel altijd gebruik maken van bedoelde bevoegdheid. De SVB sluit hiermee aan bij het destijds door de wetgever in de Memorie van Toelichting uiteengezette oogmerk van de regeling dat iedere andere wijze van inning een nodeloze administratieve inspanning voor de gerechtigde zou betekenen.

Grondslag

artikel 20, tweede lid AOW en artikel 57, eerste lid Anw

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 7

Invordering van de uitkering (SB1089)

Beleidsregel

Nadat een pensioen of uitkering is toegekend zijn de maandtermijnen daarvan voor de gerechtigde invorderbaar (zie CRvB 30 september 1975). In de rechtspraak is bepaald dat de vervalperiode van twee jaar van artikel 23 AOW gaat lopen op het moment waarop de betrokkene tot die maandtermijn gerechtigd is geworden (zie HR 11 september 1992). Bij de toepassing van vervalperiode als bedoeld in artikel 52 Anw en artikel 21 OBR hanteert de SVB dezelfde uitleg. Een toegekende kwartaaltermijn aan kinderbijslag kan worden ingevorderd gedurende drie maanden na de dag van betaalbaarstelling van deze kwartaaltermijn.

In het algemeen betaalt de SVB het pensioen of de uitkering op de door de gerechtigde aangegeven wijze, dat wil zeggen door storting op een door de gerechtigde aangegeven bankrekening. Ook betaling per postwissel, met een geldigheidsduur van twee maanden, is mogelijk (zie CRvB 4 oktober 1977). Ingeval de gerechtigde geen betaalwijze heeft aangegeven of een postwissel niet inbaar blijkt door toedoen van de gerechtigde (bijvoorbeeld door opgave van een foutief adres), dan reserveert de SVB de AOW-pensioentermijnen en de OBR-uitkeringstermijnen tot maximaal twee jaar en de Anw-uitkeringstermijnen tot maximaal drie maanden na de datum waarop uitbetaling zou zijn geschied als een betaalwijze wel bekend en effectief zou zijn geweest. Daarna vervalt definitief het recht op uitbetaling. Het recht op uitbetaling van kinderbijslag vervalt in beginsel drie maanden na betaalbaarstelling. Ten aanzien van de Anw- en de AKW-uitkeringstermijnen heeft de SVB echter de bevoegdheid om in bijzondere gevallen af te wijken van de termijn van drie maanden. Onder een bijzonder geval moet bijvoorbeeld worden verstaan een vertraging in de afhandeling van een overboeking door een buitenlandse bankinstelling. Het voorgaande geldt ook als de uitkering niet is uitbetaald op verzoek van de gerechtigde.

De Remigratiewet en de lagere regelgeving op grond van deze wet bevatten geen speciale bepalingen inzake invordering van de voorzieningen. Hier gelden de reguliere bepalingen van het BW.

Grondslag

artikel 23 AOW, artikel 52 Anw en artikel 22 AKW

Besluit beleidsregels SVB 2016

Beëindiging uitkering na overlijden en overlijdensuitkering

Beëindiging pensioen of uitkering na overlijden (SB1090)
Beleidsregel

In de AOW en de Anw is geen bepaling opgenomen die de datum van het beëindigen van het pensioen of de uitkering in geval van overlijden regelt. Uit de toelichting bij de wet waarbij artikel 18 AOW is gewijzigd, blijkt dat het recht op uitkering van rechtswege ophoudt met ingang van de dag na overlijden.

Met betrekking tot de Anw hanteert de SVB hetzelfde beëindigingsmoment in geval van overlijden.

De Participatiewet bevat evenmin een bepaling die de datum van het beëindigen van de AIO-aanvulling in geval van overlijden regelt. Uit de toelichting bij de wet waarbij artikel 76 van de Algemene bijstandswet is gewijzigd, blijkt dat het recht op uitkering van rechtswege ophoudt met ingang van de dag na overlijden.

Wanneer een overleden gerechtigde geen rechthebbenden op een overlijdensuitkering nalaat, beëindigt de SVB het pensioen of de uitkering dus met ingang van de dag na overlijden.

Nalatenschap (SB1091)
Beleidsregel

Het aan de gerechtigde toegekende pensioen of de uitkering, de eventueel toegekende toeslag en de vakantie-uitkering tot en met de dag waarop het overlijden plaatsvond - voor zover nog niet uitbetaald - behoort tot de nalatenschap van de gerechtigde. De SVB maakt dit bedrag over op de rekening van de overledene.

relaties 3
Overlijdensuitkering (SB1092)
Beleidsregel

Na overlijden van een AOW- of Anw-gerechtigde, betaalt het pensioen of de uitkering vanaf de dag na het overlijden in de vorm van een overlijdensuitkering uit aan de door de wet aangewezen rechthebbende(n). De uitkering die aan de gerechtigde zelf is uitbetaald over een tijdvak gelegen na de dag van zijn overlijden verrekent de SVB met de overlijdensuitkering.

Op grond van artikel 45, vijfde lid Participatiewet betaalt de SVB na overlijden van een rechthebbende op een AIO-aanvulling, de AIO-aanvulling vanaf de dag na het overlijden tot en met een maand na de dag van overlijden in de vorm van een overlijdensuitkering uit aan de door de wet aangewezen rechthebbende(n), mits voor de rechthebbende(n) door het overlijden geen recht meer bestaat op een AIO-aanvulling of deze naar een lagere norm zou worden verleend.

Indien rechthebbenden op de overlijdensuitkering niet bij de SVB bekend zijn, verricht de SVB een onderzoek door een verzoek om informatie te zenden naar het laatstbekende huis- of correspondentie-adres van de overledene.

De SVB betaalt de overlijdensuitkering vervolgens belastingvrij en zo mogelijk in een bedrag ineens uit aan degenen die daar op basis van de betreffende bepalingen voor in aanmerking komen. De overlijdensuitkering wordt berekend aan de hand van de op het moment van overlijden geldende pensioen- en uitkeringsbedragen. Er wordt geen rekening gehouden met eventuele wijzigingen van deze bedragen die na de datum van overlijden zijn doorgevoerd. Na de dag van overlijden van een AIO-gerechtigde betaalt de SVB de AIO-aanvulling in de vorm van een overlijdensuitkering op basis van de norm die van toepassing is op het moment van overlijden. De SVB leidt uit de wetsgeschiedenis af dat hierop de middelen van de rechthebbende(n) op overlijdensuitkering in mindering moeten worden gebracht.

Met betrekking tot remigratievoorzieningen geldt het onderscheid tussen de nalatenschap en een overlijdensuitkering niet. Artikel 8, eerste tot en met derde lid, van het Remigratiebesluit bepaalt dat het recht op remigratievoorzieningen vervalt, dan wel wordt omgezet, met ingang van de eerste dag van de tweede maand na het overlijden van de rechthebbende. Het vierde lid van dit artikel bepaalt dat de na het overlijden nog verschuldigde voorzieningen worden uitbetaald aan achtereenvolgens de partner van de remigrant, de kinderen van de remigrant, dan wel personen die hiervoor naar het oordeel van de SVB op billijkheidsoverwegingen in aanmerking komen en die binnen zes maanden na het overlijden een hiertoe strekkende aanvraag hebben ingediend. De SVB gaat ervan uit dat deze bepaling mede betrekking heeft op voorzieningen waarop voor het overlijden van de rechthebbende aanspraak is ontstaan, maar die nog niet tot uitbetaling zijn gekomen. Als personen die op billijkheidsoverwegingen voor uitbetaling van de nog verschuldigde voorzieningen in aanmerking komen beschouwt de SVB in de eerste plaats personen met wie de overledene in gezinsverband leefde. Zijn dergelijke personen niet aan te wijzen, dan kan de persoon in aanmerking komen die geheel of gedeeltelijk de kosten van de laatste ziekte of de uitvaart van de overledene heeft bekostigd, dan wel anderszins financiële verplichtingen van de overledene op zich heeft genomen of in diens levensonderhoud heeft voorzien. Deze laatste categorie van personen kan ook voor uitbetaling van de nog verschuldigde voorzieningen als bedoeld in artikel 9, lid 2, Remigratiebesluit in aanmerking komen.

Grondslag

artikel 18 AOW, artikel 51 Anw en artikel 8, Remigratiebesluit

Besluit beleidsregels SVB 2016

Schorsing van de betaling

Schorsing wegens twijfels aan de rechtmatigheid van de betaling
relaties 6
Schorsing wegens twijfels aan de rechtmatigheid van de betaling (SB1093)
Beleidsregel

In gevallen waarin twijfel bestaat over het recht op uitkering en nog niet vaststaat vanaf welk moment mogelijk geen recht meer bestaat, schort de SVB (een gedeelte van) de betaling op, of schorst zij deze. Twijfel over het recht op uitkering rijst bijvoorbeeld indien:

  • Er duidelijke aanwijzingen zijn dat het relevante inkomen van de partner van een AOW-gerechtigde of van een Anw-gerechtigde niet correct is opgegeven.
  • Een in het buitenland wonende gerechtigde verzuimt zijn levensbewijs in te zenden.
  • Een Anw-gerechtigde weigert zich te onderwerpen aan een geneeskundig onderzoek als bedoeld in artikel 37 Anw.
  • De gerechtigde niet reageert op herhaalde verzoeken om informatie.
  • Een gerechtigde op een remigratievoorziening in Nederland verblijft en er aanwijzingen zijn dat er sprake is van verplaatsing van het hoofdverblijf naar Nederland.

De SVB gaat voorts over tot opschorting of schorsing als de betrokkene na te zijn gerappelleerd niet aan een verzoek van de SVB heeft voldaan. Leidt de schorsing of opschorting van de betaling niet tot een reactie van de gerechtigde waaruit blijkt dat het recht op uitkering onverkort is blijven voortbestaan, dan herziet de SVB de uitkering of trekt deze in (zie SB1100 over niet of niet correct voldoen aan een verzoek van de SVB).

Grondslag

artikel 19, vijfde lid AOW jo. artikel 4 Regeling nadere regels inzake intrekking en  herziening van het ouderdomspensioen, artikel 46, derde lid Anw, artikel 19 AKW, artikel 19,  tweede lid OBR en artikel 6d Remigratiewet

Wijzigingsbesluit Beleidsregels SVB september 2018

relaties 2
Schorsing van de betaling van de AIO-aanvulling (SB1311)
Beleidsregel

De Participatiewet bevat geen bepaling over het schorsen van de betaling van de AIO-aanvulling. De SVB leidt echter uit de jurisprudentie van de CRvB af (bijvoorbeeld CRvB 3 mei 2005 en 12 augustus 2011) dat het schorsen van de betaling van de AIO-aanvulling is toegestaan als de SVB het gegronde vermoeden heeft, dat:

  • het recht op AIO-aanvulling niet (meer) bestaat; of
  • er recht op een lagere uitkering bestaat; of
  • de mededelingsverplichting van artikel 17, eerste lid Participatiewet niet is nagekomen.

Gelet hierop schorst de SVB de betaling van de AIO-aanvulling als twijfel bestaat over de rechtmatigheid van de betaling. Dit is bijvoorbeeld het geval indien:

  • er duidelijke aanwijzingen zijn dat de betrokkene over een te hoog vermogen beschikt;
  • de SVB aanwijzingen heeft dat de betrokkene de maximale verblijfsduur in het buitenland heeft overschreden. Zie SB1302 over verblijf buiten Nederland.
relaties 4
Opschorting wegens onrechtmatig verblijf in Nederland (SB1094)
Beleidsregel

Op grond van artikel 19a AOW en artikel 46a Anw is de SVB gehouden de betaling van het pensioen of de uitkering op te schorten indien degene aan wie een uitkering is toegekend een vreemdeling is die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000. Artikel 19, tweede lid OBR verklaart artikel 19a AOW van overeenkomstige toepassing. Om die reden geldt het hiernavolgende het beleid in het kader van de AOW eveneens voor de OBR.

Indien een buiten Nederland wonende uitkeringsgerechtigde naar Nederland komt gaat de SVB er gedurende de eerste drie maanden van zijn verblijf in Nederland van uit dat er sprake is van rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onderdeel i Vreemdelingenwet 2000. Slechts als de ten aanzien van het verblijfsrecht van de belanghebbende bevoegde instantie aan de SVB meldt dat deze onrechtmatig in Nederland verblijft, schort de SVB gedurende deze eerste drie maanden de uitbetaling van de uitkering op. Nadat deze termijn van drie maanden is verstreken gaat de SVB tot opschorting van de uitbetaling van de uitkering over, tenzij in individuele gevallen uit de omstandigheden blijkt dat de belanghebbende zijn hoofdverblijf in een ander land dan Nederland niet heeft opgegeven. Na negen maanden onafgebroken verblijf in Nederland wordt er in ieder geval van uitgegaan dat betrokkene zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft opgegeven en wordt de uitbetaling van de uitkering opgeschort.

Ten aanzien van onderdanen van een lidstaat van de EU of EER en van Zwitserse onderdanen gaat de SVB ervan uit dat zij rechtmatig in Nederland verblijven, tenzij een bevoegde instantie op het gebied van verblijfsrecht aan de SVB meldt dat er sprake is van onrechtmatig verblijf.

Indien na toepassing van artikel 19a AOW of artikel 46a Anw het onrechtmatig verblijf van de belanghebbende in Nederland eindigt, betaalt de SVB de volledige achterstallige uitkering alsnog uit.

Grondslag

artikel 19a AOW, artikel 46a Anw en artikel 19, tweede lid OBR

Besluit beleidsregels SVB 2016

Uitbetaling bij nationale samenloop van kinderbijslagrechten

relaties 1
Kinderbijslagbetaling binnen een huishouden (SB1095)
Beleidsregel

Artikel 18, tweede lid AKW, bepaalt dat indien twee personen die een gezamenlijke huishouding vormen gelijktijdig recht op kinderbijslag hebben voor hetzelfde kind, de kinderbijslag wordt uitbetaald aan degene die zij daartoe gezamenlijk hebben aangewezen. Het derde lid van artikel 18 AKW bepaalt voorts dat indien een gezamenlijke aanwijzing als bedoeld in het tweede lid niet heeft plaatsgevonden, de SVB bepaalt aan wie de kinderbijslag wordt uitbetaald. De SVB heeft voor de in het derde lid bedoelde bevoegdheid het volgende beleid ontwikkeld.

Bij samenloop van het recht op kinderbijslag binnen één huishouden waarbij geen gezamenlijke aanwijzing voor de uitbetaling van die kinderbijslag heeft plaatsgevonden, betaalt de SVB de kinderbijslag uit aan de persoon die het eerst de aanvraag heeft ingediend. Zijn de aanvragen gelijktijdig ingediend dan betaalt de SVB de kinderbijslag uit aan de persoon van wie de beginletter van de achternaam zonder voorvoegsel het eerst in het alfabet voorkomt. Bij gehuwde vrouwen hanteert de SVB hierbij de meisjesnaam. Indien ook uit deze vergelijking geen voorrangsrecht op betaling kan worden afgeleid, betaalt de SVB de kinderbijslag uit aan de jongste van de rechthebbenden.

Grondslag

artikel 18, leden 2 en 3 AKW

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 4
Kinderbijslagbetaling bij gescheiden huishoudens; echtscheiding en co-ouderschap (SB1096)
Beleidsregel

Als de ouders van een kind gescheiden huishoudens voeren en het kind in één van beide huishoudens woont, heeft de ouder in wiens huishouden het kind woont recht op kinderbijslag. Als de andere ouder, tot wiens huishouden het kind niet behoort, het kind onderhoudt, bijvoorbeeld door alimentatie te betalen, heeft ook deze ouder recht op kinderbijslag. Artikel 18, vierde lid AKW bepaalt dat in die situatie, waarin twee personen recht hebben op kinderbijslag voor hetzelfde kind, de kinderbijslag van de persoon tot wiens huishouden het kind niet behoort niet wordt betaald. In afwijking daarvan volgt uit artikel 18, zesde lid AKW dat de SVB de kinderbijslag uitbetaalt aan de ouder tot wiens huishouden het kind niet behoort als de andere ouder geen aanvraag heeft ingediend.

Een kind kan ook (beurtelings) tot twee huishoudens behoren. Dit doet zich voor bij co-ouderschap. Op grond van artikel 10, eerste lid Besluit uitvoering kinderbijslag is sprake van co-ouderschap als beide ouders een kind op basis van een overeenkomst of rechterlijke uitspraak overwegend in gelijke mate verzorgen en onderhouden. Als in de overeenkomst of rechterlijke uitspraak geen verdeling van de kinderbijslag is overeengekomen, dan betaalt de SVB de kinderbijslag waarop één van beide ouders recht heeft in gelijke mate uit aan beide ouders. De kinderbijslag waarop de andere ouder recht heeft, betaalt de SVB in dat geval niet uit.

Op grond van het tweede lid van artikel 10 van het Besluit uitvoering kinderbijslag is de hiervoor bedoelde verdeling niet van toepassing op het extra bedrag als bedoeld in artikel 7a, tweede lid AKW.

Voor de interpretatie van het begrip 'overwegend in gelijke mate verzorgen' in de zin van artikel 10, eerste lid Besluit uitvoering kinderbijslag valt de SVB terug op het beleid in SB1014 over tot het huishouden behoren. Dit houdt in dat het kind afwisselend in overwegend gelijke mate de nachtrust moet doorbrengen bij beide ouders. Als het kind aan deze voorwaarde voldoet, dan neemt de SVB aan dat de verzorging en het onderhoud zijn verdeeld zoals is vastgelegd in de overeenkomst of rechterlijke uitspraak. De SVB gaat alleen uit van de feitelijke situatie indien blijkt dat niet-naleving van deze afspraken een bestendig karakter heeft. In het algemeen is hiervan sprake als de ouders de afspraken langer dan zes maanden niet naleven. In gevallen waarin het niet mogelijk is om de feitelijke situatie vast te stellen, gaat de SVB alsnog uit van de overeenkomst of rechterlijke uitspraak.

Grondslag

artikel 18, leden 4 en 6 AKW en artikel 10 Besluit uitvoering kinderbijslag

Wijzigingsbesluit Beleidsregels SVB oktober 2017

Handhaving

Mededelingsverplichting

relaties 9
Mededelingsverplichting (SB1097)
Beleidsregel

Bepaalde wijzigingen van omstandigheden kunnen van invloed zijn op het recht op uitkering. In artikel 49 AOW, artikel 35 Anw, artikel 15 AKW, artikel 17, eerste lid Participatiewet, artikel 25 OBR en artikel 5a Remigratiewet worden de gerechtigde, bepaalde andere categorieën van personen en bepaalde instellingen verplicht, dergelijke wijzigingen van omstandigheden te melden aan de SVB. De verplichting ziet op het uit eigen beweging informeren van de SVB en op het verstrekken van informatie op verzoek van de SVB.

Er zijn wijzigingen van de feiten of de omstandigheden waarvan de SVB in het algemeen door een andere instantie op de hoogte wordt gesteld. Uit de wet en de jurisprudentie (bijvoorbeeld CRvB 30 juli 1986) volgt dat de belanghebbenden deze wijzigingen ook zelf aan de SVB dienen door te geven.

Niettemin streeft de overheid naar het eenmalig uitvragen van gegevens bij de burger. Daarom is in artikel 35, vijfde lid Wet SUWI bepaald dat de SVB gegevens in beginsel niet mag vragen aan uitkeringsgerechtigden en enkele andere categorieën van personen als deze gegevens kunnen worden verkregen uit de basisregistratie personen, de polisadministratie of bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen administraties. In bijlage II van de Regeling SUWI staat een overzicht van de gegevens waarvoor dit van toepassing is. Daarnaast is in de Regeling uitzondering inlichtingenplicht uitgewerkt dat de mededelingsverplichting niet geldt voor gegevens die in die regeling worden genoemd.

Het kan voorkomen dat de gegevens waarvoor de mededelingsverplichting niet geldt onvolledig of niet actueel zijn. In dat geval verzoekt de SVB de belanghebbende om de juiste gegevens te verstrekken. Het beleid vervat in SB1100 over niet of niet correct voldoen aan een verzoek van de SVB is daarbij van overeenkomstige toepassing.

De mededelingsverplichting die ziet op het verstrekken van informatie op verzoek van de SVB heeft in ieder geval betrekking op de volgende verplichtingen van de uitkeringsgerechtigde of degene die voor een uitkering in aanmerking wenst te komen:

  • het naar waarheid en volledig invullen van door de SVB toegezonden formulieren welke betrekking hebben op het ouderdomspensioen of de uitkering;
  • het als bewijsmateriaal overleggen van uitsluitend onvervalste documenten, of afschriften daarvan, waarin, voor zover aan de belanghebbende bekend, geen onwaarheden worden vermeld;
  • het naar waarheid beantwoorden van vragen van de SVB.

De mededelingsverplichting die ziet op het uit eigen beweging verstrekken van informatie aan de SVB heeft in ieder geval betrekking op de feiten en omstandigheden die zijn genoemd in het onderdeel Mededelingsverplichting AOW (SB1245), Mededelingsverplichting Anw (SB1246), Mededelingsverplichting AKW (SB1247) Mededelingsverplichting Participatiewet (SB1312), Mededelingsverplichting OBR (SB1288) en Mededelingsverplichting Remigratiewet (SB1313).

De mededelingsverplichting geldt ook als het AOW-pensioen of de Anw-uitkering niet door de SVB zelf, maar door een andere instelling wordt betaald. In zo'n geval moet de mededelingsplichtige in ieder geval ook de SVB op de hoogte stellen.

Grondslag

artikel 49 AOW, artikel 35 Anw, artikel 15 AKW, artikel 17, eerste lid Participatiewet,  artikel 25 OBR, artikel 5a Remigratiewet, artikel 3 Regeling uitzondering inlichtingenplicht en artikel 35 Wet Structuur uitvoeringsorganisatie  werk en inkomen (Wet SUWI)

Wijzigingsbesluit Beleidsregels SVB oktober 2017

relaties 1
Mededelingsverplichting AOW (SB1245)
Beleidsregel

Voor de toepassing van artikel 49 AOW verstaat de SVB onder:

  • pensioengerechtigde: degene aan wie een ouderdomspensioen is toegekend of die voor een ouderdomspensioen in aanmerking wenst te komen;
  • partner: degene die op grond van artikel 1, tweede en derde lid AOW als echtgenoot van de pensioengerechtigde wordt beschouwd;
  • inkomen uit arbeid of overig inkomen: het inkomen uit arbeid of overig inkomen als bedoeld in artikel 12a AOW.

De in artikel 49 AOW bedoelde mededelingsverplichting heeft in ieder geval betrekking op het onverwijld melden van een de volgende feiten of omstandigheden inzake de pensioengerechtigde of zijn partner:

  • wijziging van nationaliteit, met uitzondering van de persoon die is ingeschreven in de basisregistratie personen;
  • verhuizing, met uitzondering van verhuizing van het gehele gezin binnen Nederland of binnen de landsgrenzen van een ander land;
  • het sluiten van een huwelijk of het aangaan van een geregistreerd partnerschap, met uitzondering van de persoon die is ingeschreven in de basisregistratie personen, tenzij het huwelijk in het buitenland is gesloten;
  • het sluiten van een samenlevingscontract;
  • het gaan voeren van een gezamenlijke huishouding met een partner;
  • het weer gaan samenwonen met zijn wettige echtgenoot, van wie hij duurzaam gescheiden leefde;
  • het niet meer op één adres wonen van de pensioengerechtigde en zijn partner;
  • scheiding van tafel en bed tussen de pensioengerechtigde en zijn partner;
  • echtscheiding of ontbinding van een geregistreerd partnerschap, met uitzondering van de persoon die is ingeschreven in de basisregistratie personen, tenzij de echtscheiding in het buitenland is uitgesproken;
  • overlijden buiten Nederland of in Nederland, indien de overledene niet is ingeschreven in de basisregistratie personen;
  • het rechtens zijn ontnomen van zijn vrijheid;
  • het onttrekken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel.
  • toekenning van een uitkering door een andere staat;

Indien recht op toeslag bestaat, heeft de in artikel 49 AOW bedoelde mededelingsverplichting voorts betrekking op het onverwijld melden van een de volgende feiten of omstandigheden inzake de pensioengerechtigde of zijn partner:

  • een wijziging in de aard van het inkomen van de partner, tenzij het inkomen in Nederland aan de loonbelasting is onderworpen;
  • het gaan verwerven van inkomen uit arbeid of overig inkomen door de partner, tenzij het inkomen in Nederland aan de loonbelasting is onderworpen;
  • een niet-conjuncturele verhoging van het inkomen uit arbeid of overig inkomen van de partner , tenzij het inkomen in Nederland aan de loonbelasting is onderworpen of de SVB aan de betrokkene een afwijkende termijn heeft gesteld voor melding van verhoging van het inkomen;
  • indien op de toeslag geen generieke korting wordt toegepast of indien de generieke korting minder bedraagt dan 10%: het gaan verwerven van inkomen uit arbeid of overig inkomen door de pensioengerechtigde, tenzij het inkomen in Nederland aan de loonbelasting is onderworpen of de SVB aan de betrokkene een afwijkende termijn heeft gesteld voor melding van verhoging van het inkomen;
  • indien op de toeslag geen generieke korting wordt toegepast of indien de generieke korting minder bedraagt dan 10%: een niet-conjuncturele verhoging van het inkomen uit arbeid of overig inkomen van de pensioengerechtigde, tenzij het inkomen in Nederland aan de loonbelasting is onderworpen of de SVB aan de betrokkene een afwijkende termijn heeft gesteld voor melding van verhoging van het inkomen.
Wet- en regelgeving
relaties 1
Mededelingsverplichting Anw (SB1246)
Beleidsregel

Voor de toepassing van artikel 35 Anw wordt verstaan onder:

  • nabestaande: degene aan wie een nabestaandenuitkering is toegekend of die voor deze uitkering in aanmerking wenst te komen;
  • kind: het kind van de nabestaande in de zin van artikel 5 Anw, voor zover dit kind ongehuwd is, jonger is dan 18 jaar en niet tot het huishouden van een ander dan de nabestaande behoort;
  • wees: degene aan wie een wezenuitkering is toegekend, die deze uitkering heeft aangevraagd of voor wie deze uitkering is aangevraagd;
  • uitkeringsgerechtigde: de nabestaande of de wees;
  • onderwijs of beroepsopleiding: het onderwijs of de beroepsopleiding als bedoeld in artikel 17, zevende lid, onderdeel d Anw;
  • inkomen uit arbeid of overig inkomen: het inkomen uit arbeid of overig inkomen als bedoeld in artikel 10, tweede lid Anw.

 

A. DE UITKERINGSGERECHTIGDE

De in artikel 35 Anw bedoelde mededelingsverplichting heeft in ieder geval betrekking op het onverwijld melden van de volgende feiten of omstandigheden inzake de uitkeringsgerechtigde:

  • het niet langer bezitten van de nationaliteit van één van de lidstaten van de Europese Unie of de Europese Economische Ruimte, indien de overledene onderworpen is geweest aan de wetgeving van ten minste één van deze lidstaten, en de overledene op het moment van overlijden niet de nationaliteit van één van deze lidstaten bezat, met uitzondering van de persoon die is ingeschreven in de basisregistratie personen;
  • verhuizing, met uitzondering van verhuizing van het gehele gezin binnen Nederland of binnen de landsgrenzen van een ander land;
  • het rechtens zijn ontnomen van zijn vrijheid;
  • het onttrekken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel.

 

B. DE NABESTAANDE

Daarnaast heeft de in artikel 35 Anw bedoelde mededelingsverplichting in ieder geval betrekking op het onverwijld melden van de volgende feiten en omstandigheden inzake de nabestaande:

  • op hetzelfde adres gaan wonen als een of meer personen van 21 jaar of ouder, tenzij de nabestaande op hetzelfde adres als deze personen is ingeschreven in de basisregistratie personen;
  • verhuizing van personen van 21 jaar of ouder naar het adres waar de nabestaande woont, tenzij deze personen op hetzelfde adres als de nabestaande zijn ingeschreven in de basisregistratie personen;
  • het sluiten van een huwelijk of het aangaan van een geregistreerd partnerschap, met uitzondering van de persoon die is ingeschreven in de basisregistratie personen, tenzij het huwelijk in het buitenland is gesloten;
  • het sluiten van een samenlevingscontract;
  • het gaan voeren van een gezamenlijke huishouding met een partner;
  • indien sprake is van een commerciële relatie: het beëindigen van die relatie terwijl de nabestaande en de persoon met wie hij een commerciële relatie had het hoofdverblijf houden in dezelfde woning;
  • indien de nabestaande deel uitmaakt van een meerpersoonshuishouden: het vertrek van een persoon uit of het gaan deelnemen van een persoon aan dit huishouden;
  • indien de nabestaande op hetzelfde adres woont als een of meer personen van 21 jaar of ouder: het niet langer volgen van onderwijs of een beroepsopleiding door een van deze personen van 21 jaar of ouder, tenzij het onderwijs of de beroepsopleiding in Nederland werd gevolgd;
  • het niet langer arbeidsongeschikt zijn in de zin van artikel 11 Anw;
  • het gaan verwerven van inkomen uit arbeid;
  • het gaan ontvangen van overig inkomen;
  • een niet-conjuncturele wijziging van het inkomen uit arbeid of van het overig inkomen, tenzij de SVB een afwijkende termijn heeft gesteld voor melding van wijziging van het inkomen;
  • een wijziging in de aard van het inkomen.

 

De nabestaande hoeft het gaan ontvangen of een wijziging van het inkomen uit arbeid of het overig inkomen echter niet aan de SVB te melden als dit inkomen in Nederland is onderworpen aan de loonbelasting of als de SVB aan de nabestaande uitsluitend een inkomensonafhankelijke uitkering heeft toegekend. De nabestaande aan wie uitsluitend een inkomensonafhankelijke uitkering is toegekend moet nog wel de volgende feiten en omstandigheden melden:

  • het gaan ontvangen van een uitkering aan nagelaten betrekkingen ingevolge de sociale wetgeving van één of meer Mogendheden;
  • een niet-conjuncturele wijziging van de hiervoor bedoelde uitkeringen, tenzij de SVB een afwijkende termijn heeft gesteld voor melding van wijziging van het inkomen.

 

C. HET KIND VAN DE NABESTAANDE

Daarnaast heeft de in artikel 35 Anw bedoelde mededelingsverplichting in ieder geval betrekking op het onverwijld melden van de volgende feiten en omstandigheden inzake het kind:

  • het niet langer behoren tot het huishouden van de nabestaande;
  • het gaan behoren tot het huishouden van een ander;
  • het sluiten van een huwelijk of het aangaan van een geregistreerd partnerschap, met uitzondering van de persoon die is ingeschreven in de basisregistratie personen, tenzij het huwelijk in het buitenland is gesloten;
  • het sluiten van een samenlevingscontract;
  • het gaan voeren van een gezamenlijke huishouding met een partner;
  • het rechtens zijn ontnomen van zijn vrijheid;
  • het bestaan van aanspraak op gezinsbijslag of wezenuitkering krachtens de wetgeving van een andere lidstaat van de Europese Unie of de Europese Economische Ruimte;
  • indien het kind geen eigen of aangehuwd kind van de nabestaande is: het bijdragen in het onderhoud van het kind door anderen of verandering in de hoogte van deze onderhoudsbijdrage;
  • indien het kind geen eigen of aangehuwd kind van de nabestaande is: inkomen van het kind;
  • verlies door de nabestaande van het ouderlijk gezag of het niet langer uitoefenen van de ouderlijke zorg over het kind;
  • overlijden buiten Nederland of in Nederland, indien de overledene niet is ingeschreven in de basisregistratie personen.

 

D. DE WEES

Daarnaast heeft de in artikel 35 Anw bedoelde mededelingsverplichting in ieder geval betrekking op het onverwijld melden van de volgende feiten en omstandigheden inzake de wees:

  • erkenning of adoptie van de wees;
  • het bestaan van aanspraak op wezenuitkering of gezinsbijslag voor het kind krachtens de wetgeving van een andere lidstaat van de Europese Unie of de Europese Economische Ruimte.

 

E. DE WEES VAN 16 JAAR OF OUDER

Daarnaast heeft de in artikel 35 Anw bedoelde mededelingsverplichting in ieder geval betrekking op het onverwijld melden van de volgende feiten en omstandigheden inzake de wees die de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt:

  • voor de wees als bedoeld in artikel 26, eerste lid, onder d, Anw die de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt: het sluiten van een huwelijk of het aangaan van een geregistreerd partnerschap, met uitzondering van de wees die is ingeschreven in de basisregistratie personen, tenzij het huwelijk in het buitenland is gesloten;
  • voor de wees die de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt: het sluiten van een samenlevingscontract;
  • voor de wees als bedoeld in artikel 26, eerste lid, onder d, Anw die de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt: het gaan voeren van een gezamenlijke huishouding met een partner ;
  • voor de wees als bedoeld in artikel 26, eerste lid, onder d, Anw: de voor werkzaamheden beschikbare tijd niet langer grotendeels besteden aan de verzorging van zijn huishouden;
  • voor de wees als bedoeld in artikel 26, eerste lid, onder d, Anw: het niet langer tot zijn huishouden behoren van een andere wees.

 

F. DE NABESTAANDE DIE GEEN UITKERING ONTVANGT

In afwijking van de onderdelen B en C heeft de nabestaande aan wie een uitkering is toegekend maar die in verband met het bepaalde in artikel 18 Anw geen uitkering ontvangt, de verplichting uitsluitend de volgende feiten of omstandigheden onverwijld te melden:

  • het sluiten van een huwelijk of het aangaan van een geregistreerd partnerschap, met uitzondering van de persoon die is ingeschreven in de basisregistratie personen, tenzij het huwelijk in het buitenland is gesloten;
  • het sluiten van een samenlevingscontract;
  • het gaan voeren van een gezamenlijke huishouding met een partner;
  • het niet langer arbeidsongeschikt zijn in de zin van artikel 11 Anw;
  • het gaan behoren van het kind tot het huishouden van een ander;
  • het sluiten van een huwelijk of een samenlevingscontract of het aangaan van een geregistreerd partnerschap door het kind van de nabestaande, tenzij het kind is ingeschreven in de basisregistratie personen en het huwelijk in Nederland is gesloten;
  • het gaan voeren van een gezamenlijke huishouding met een partner door het kind van de nabestaande;
  • het verlies door de nabestaande van het ouderlijk gezag of het niet langer uitoefenen van de ouderlijke zorg over het kind.
Wet- en regelgeving
relaties 1
Mededelingsverplichting AKW (SB1247)
Beleidsregel

Voor de toepassing van artikel 15 AKW wordt verstaan onder:

  • verzekerde: degene aan wie kinderbijslag is toegekend of die daarvoor in aanmerking wenst te komen;
  • partner: de meerderjarige persoon met wie de verzekerde een huishouden vormt;
  • kind: een kind waarvoor kinderbijslag is aangevraagd of toegekend.

 

A. DE VERZEKERDE OF ZIJN PARTNER

De in artikel 15 AKW bedoelde mededelingsverplichting heeft in ieder geval betrekking op het melden van de volgende feiten of omstandigheden inzake de verzekerde of zijn partner:

  • het in Nederland gaan werken, terwijl de partner buiten Nederland werkt of een buitenlandse uitkering krijgt;
  • het gaan werken buiten Nederland of in een ander land dan het woonland;
  • het stoppen met werken in Nederland, terwijl de partner buiten Nederland werkt of een buitenlandse uitkering ontvangt;
  • het stoppen met werken in Nederland, van degene die buiten Nederland woont;
  • het stoppen met werken in het buitenland;
  • het gaan ontvangen van een buitenlandse uitkering;
  • het gaan ontvangen van kinderbijslag of gezinsbijslag van een andere organisatie dan de SVB;
  • een wijziging in de kinderbijslag of gezinsbijslag van een andere organisatie dan de SVB;
  • verhuizing, met uitzondering van verhuizing van het gehele gezin binnen Nederland of binnen de landsgrenzen van een ander land;
  • het rechtens zijn ontnomen van zijn vrijheid;
  • het sluiten of beëindigen van een huwelijk of een geregistreerd partnerschap in Nederland, door een persoon die niet is ingeschreven in de basisregistratie personen;
  • het sluiten of beëindigen van een huwelijk of geregistreerd partnerschap buiten Nederland;
  • het gaan voeren van een gezamenlijke huishouding in de zin van de AOW;
  • het niet meer op één adres wonen van de verzekerde en zijn partner;
  • het overlijden in Nederland, indien de overledene niet is ingeschreven in de basisregistratie personen;
  • het overlijden buiten Nederland;
  • het verlies van de voogdij of de tijdelijke voogdij over een kind;

 

Als met toepassing van artikel 33, eerste lid van het verdrag met Turkije recht bestaat op kinderbijslag voor een kind dat in Turkije woont:

  • het stoppen met werken in loondienst in Nederland, met uitzondering van de persoon die in Nederland woont en die aansluitend een WW- of ZW-uitkering ontvangt;
  • het niet langer ontvangen van een WW- of ZW-uitkering, tenzij aansluitend werkzaamheden in loondienst worden verricht in Nederland;

 

Indien recht bestaat op dubbele kinderbijslag:

  • het gedurende meer dan 45 dagen in een kwartaal verblijven bij het kind dat niet tot zijn huishouden behoort;
  • het afwisselend met de partner gedurende meer dan 45 dagen in een kwartaal verblijven bij het kind dat niet tot zijn huishouden behoort;
  • het gedurende een aaneengesloten periode van 45 dagen of meer verblijven bij het kind dat niet tot zijn huishouden behoort;
  • het afwisselend met de partner gedurende een aaneengesloten periode van 45 dagen of meer verblijven bij het kind dat niet tot zijn huishouden behoort;
  • het niet meer uitoefenen van het beroep van binnenschipper, kermisexploitant of circusartiest of een beroep dat hiermee is gelijk gesteld.

 

B. HET KIND

Daarnaast heeft de in artikel 15 AKW bedoelde mededelingsverplichting in ieder geval betrekking op het melden van de volgende feiten of omstandigheden inzake het kind:

  • verhuizing, met uitzondering van verhuizing van het gehele gezin binnen Nederland of binnen de landsgrenzen van een ander land;
  • het niet meer behoren tot het huishouden van de verzekerde;
  • het weer gaan behoren tot het huishouden van de verzekerde;
  • het sluiten of eindigen van een huwelijk of een geregistreerd partnerschap in Nederland, van een persoon die niet is ingeschreven in de basisregistratie personen;
  • het sluiten of eindigen van een huwelijk of geregistreerd partnerschap buiten Nederland;
  • het sluiten of eindigen van een samenlevingscontract;
  • het overlijden in Nederland, als het kind niet is ingeschreven in de basisregistratie personen;
  • het overlijden buiten Nederland;
  • indien het kind niet tot het huishouden van de verzekerde behoort: het wijzigen van de bijdrage in de onderhoudskosten van het kind;

 

Indien recht bestaat op dubbele kinderbijslag, omdat het kind uitwonend is wegens het volgen van een beroepsopleiding of bezoeken van een school die wordt vermeld op de bijlagen bij de Regeling dubbele kinderbijslag om onderwijsredenen, of een daarmee vergelijkbare opleiding of school buiten Nederland:

  • het wijzigen van of stoppen met de opleiding of school;
  • het wijzigen of vervallen van de status als topsporter op ten minste toptalentniveau;
  • het wijzigen of vervallen van de status als toptalent op het gebied van muziek of dans.

 

C. HET KIND VAN 16 JAAR OF OUDER

Daarnaast heeft de in artikel 15 AKW bedoelde mededelingsverplichting in ieder geval betrekking op de volgende wijzigingen in de situatie van kinderen van 16 jaar of ouder die in het buitenland wonen en die nog geen opleiding hebben voltooid die de SVB gelijkstelt met het behalen van een startkwalificatie:

  • het starten, wijzigen of stoppen van een opleiding;
  • het weer in staat zijn een opleiding te volgen door een kind nadat hij daartoe op lichamelijke of psychische gronden een tijd niet in staat is geweest;
  • een onderbreking van de studie door studie-overgang, ziekte of andere omstandigheden, die zes maanden of langer duurt of zal gaan duren.

 

D. HET PLEEGKIND

Ten aanzien van het pleegkind in de zin van artikel 4, derde lid AKW heeft de in artikel 15 AKW bedoelde mededelingsverplichting in ieder geval betrekking op het melden van het bijdragen in het onderhoud van het kind door andere personen of instellingen alsmede verandering in de hoogte daarvan.

Wet- en regelgeving
relaties 1
Mededelingsverplichting Participatiewet (SB1312)
Beleidsregel

Voor de toepassing van artikel 17, eerste lid Participatiewet verstaat de SVB onder belanghebbende:

  • de alleenstaande bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a Participatiewet aan wie een AIO-aanvulling is toegekend of die voor een AIO-aanvulling in aanmerking wenst te komen;
  • de alleenstaande ouder bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b Participatiewet aan wie een AIO-aanvulling is toegekend of die voor een AIO-aanvulling in aanmerking wenst te komen;
  • de gezinsleden bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel c Participatiewet aan wie een AIO-aanvulling is toegekend of die voor een AIO-aanvulling in aanmerking wensen te komen;

 

Voor de toepassing van artikel 17, eerste lid Participatiewet verstaat de SVB onder onderwijs of beroepsopleiding: het onderwijs of de beroepsopleiding als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel d Participatiewet.

De in artikel 17, eerste lid Participatiewet bedoelde mededelingsverplichting heeft in ieder geval betrekking op het onverwijld melden van een de volgende feiten of omstandigheden inzake de belanghebbende:

  • wijziging van nationaliteit, met uitzondering van de persoon die is ingeschreven in de basisregistratie personen;
  • verhuizing, met uitzondering van verhuizing van het hele gezin binnen Nederland;
  • opname in een (verpleeg)inrichting of ziekenhuis;
  • op hetzelfde adres gaan wonen als een of meer personen van 21 jaar of ouder, tenzij de belanghebbende op hetzelfde adres als deze personen is ingeschreven in de basisregistratie personen;
  • verhuizing van personen van 21 jaar of ouder naar het adres waar de belanghebbende woont, tenzij deze personen op hetzelfde adres als de belanghebbende zijn ingeschreven in de basisregistratie personen;
  • een verblijf in het buitenland, met inbegrip van de datum van vertrek en terugkeer.
  • het sluiten van een huwelijk dan wel een geregistreerd partnerschap, met uitzondering van de persoon die is ingeschreven in de basisregistratie personen, tenzij het huwelijk in het buitenland is gesloten;
  • het sluiten van een samenlevingscontract;
  • het gaan voeren van een gezamenlijke huishouding;
  • het weer gaan samenwonen met zijn wettige echtgenoot, van wie hij duurzaam gescheiden leefde;
  • scheiding van tafel en bed tussen de echtgenoten;
  • echtscheiding dan wel ontbinding van een geregistreerd partnerschap, met uitzondering van de persoon die is ingeschreven in de basisregistratie personen, tenzij de echtscheiding in het buitenland is uitgesproken;
  • indien sprake is van een commerciële relatie: het beëindigen van die relatie terwijl de belanghebbende en de persoon met wie hij een commerciële relatie had het hoofdverblijf houden in dezelfde woning;
  • indien de belanghebbende op hetzelfde adres woont als een of meer personen van 21 jaar of ouder: het niet langer volgen van onderwijs of een beroepsopleiding door een van deze personen van 21 jaar of ouder, tenzij het onderwijs of de beroepsopleiding in Nederland werd gevolgd;
  • overlijden buiten Nederland of in Nederland, indien de overledene niet is ingeschreven in de basisregistratie personen;
  • het rechtens zijn ontnomen van zijn vrijheid;
  • het onttrekken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel.
  • toekenning van een uitkering door een andere staat;
  • het gaan verwerven van inkomen, tenzij het inkomen in Nederland aan de loonbelasting is onderworpen;
  • een niet-conjuncturele verhoging van het inkomen, tenzij het inkomen in Nederland aan de loonbelasting is onderworpen of de SVB aan de belanghebbende een afwijkende termijn heeft gesteld voor melding van verhoging van het inkomen;
  • een wijziging in de aard van het inkomen;
  • een toename van het vermogen.
Grondslag

artikel 17, eerste lid Participatiewet

Wijzigingsbesluit Beleidsregels SVB september 2019

relaties 2
Mededelingsverplichting OBR (SB1288)
Beleidsregel

Voor de toepassing van de artikelen 24 en 25 OBR verstaat de SVB onder:

  • aanvrager: degene die voor een overbruggingsuitkering in aanmerking wenst te komen.
  • rechthebbende: degene aan wie een overbruggingsuitkering is toegekend.
  • partner: degene die op grond van artikel 1, derde lid OBR als echtgenoot van de rechthebbende wordt beschouwd;
  • inkomen uit arbeid of overig inkomen: het inkomen uit arbeid of overig inkomen als bedoeld in de artikelen 2 en 9 OBR.

De in de artikelen 24 en 25 OBR bedoelde mededelingsplicht heeft in ieder geval betrekking op het onverwijld melden van een de volgende feiten of omstandigheden inzake de rechthebbende of zijn partner:

  • wijziging van nationaliteit, met uitzondering van de persoon die is ingeschreven in de basisregistratie personen;
  • verhuizing, met uitzondering van verhuizing van het gehele gezin binnen Nederland of binnen de landsgrenzen van een ander land;
  • het sluiten van een huwelijk of het aangaan van een geregistreerd partnerschap, met uitzondering van de persoon die is ingeschreven in de basisregistratie personen, tenzij het huwelijk in het buitenland is gesloten;
  • het sluiten van een samenlevingscontract;
  • het gaan voeren van een gezamenlijke huishouding met een partner;
  • het weer gaan samenwonen met zijn wettige echtgenoot, van wie hij duurzaam gescheiden leefde;
  • het niet meer op één adres wonen van de rechthebbende en zijn partner;
  • scheiding van tafel en bed tussen de rechthebbende en zijn partner;
  • echtscheiding of ontbinding van een geregistreerd partnerschap, met uitzondering van de persoon die is ingeschreven in de basisregistratie personen, tenzij de echtscheiding in het buitenland is uitgesproken;
  • overlijden buiten Nederland of in Nederland, indien de overledene niet is ingeschreven in de basisregistratie personen;
  • toekenning van een uitkering door een andere staat aan de rechthebbende;
  • een wijziging in de aard van het inkomen van de rechthebbende, met uitzondering van het inkomen dat in Nederland aan de loonbelasting is onderworpen;
  • het gaan verwerven van inkomen uit arbeid of overig inkomen door de rechthebbende, met uitzondering van het inkomen dat in Nederland aan de loonbelasting is onderworpen;
  • een niet-conjuncturele verhoging van het inkomen uit arbeid of overig inkomen van de rechthebbende, tenzij het inkomen in Nederland aan de loonbelasting is onderworpen of tenzij de SVB aan de betrokkene een afwijkende termijn heeft gesteld voor melding van verhoging van het inkomen;
  • het rechtens zijn ontnomen van zijn vrijheid;
  • het onttrekken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel.
Grondslag

artikel 24 en artikel 25 OBR

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 1
Mededelingsverplichting Remigratiewet (SB1313)
Beleidsregel

Voor de toepassing van artikel 5a Remigratiewet verstaat de SVB onder:

  • remigrant: een remigrant in de zin van artikel 1, onder i Remigratiewet.
  • partner: een partner in de zin van artikel 1, onder h en artikel 1, tweede lid Remigratiewet.
  • kind: een kind in de zin van artikel 1, onder d en artikel 1, derde lid Remigratiewet.

 

Ten behoeve van het hierna volgende beleid verstaat de SVB onder gezinsleden: de partner en/of de kinderen van de remigrant.

De in artikel 5a Remigratiewet bedoelde mededelingsverplichting heeft in ieder geval betrekking op het onverwijld melden van een de volgende feiten of omstandigheden inzake de remigrant, zijn partner, of zijn kinderen:

  • het niet doorgaan van de remigratie;
  • een wijziging in de datum van vertrek;
  • het remigreren van meer of minder gezinsleden dan is vermeld op de aanvraag om remigratie-uitkering;
  • het definitief toegelaten worden tot het bestemmingsland;
  • een verhuizing, met uitzondering van een verhuizing van het gehele gezin binnen Nederland of binnen de landsgrenzen van een ander land;
  • een verhuizing naar Nederland van de remigrant of één van zijn gezinsleden;
  • het bij iemand anders gaan wonen door een kind dat nog geen 18 jaar is;
  • het doen van afstand van de Nederlandse nationaliteit door de remigrant;
  • het verkrijgen van de nationaliteit van het remigratieland door de remigrant;
  • het sluiten van een huwelijk of het aangaan van een geregistreerd partnerschap, met uitzondering van de persoon die is ingeschreven in de basisregistratie personen, tenzij het huwelijk in het buitenland is gesloten;
  • het ontvangen van een remigratie-uitkering door degene met wie de remigrant is gehuwd of een geregistreerd partnerschap heeft;
  • het gaan voeren van een gezamenlijke huishouding met een partner;
  • het ontvangen van een remigratie-uitkering door degene met wie de remigrant een gezamenlijke huishouding voert;
  • echtscheiding of ontbinding van een geregistreerd partnerschap, met uitzondering van de persoon die is ingeschreven in de basisregistratie personen, tenzij de echtscheiding in het buitenland is uitgesproken;
  • het niet meer op één adres wonen door de remigrant en zijn partner;
  • het sluiten van een huwelijk van een kind dat nog geen 18 jaar is, met uitzondering van de persoon die is ingeschreven in de basisregistratie personen, tenzij het huwelijk in het buitenland is gesloten;
  • het gaan voeren van een gezamenlijke huishouding door een kind dat nog geen 18 jaar is;
  • de geboorte van een kind van de remigrant of zijn partner, tenzij de remigrant of zijn partner is ingeschreven in de basisregistratie personen;
  • overlijden buiten Nederland of in Nederland, indien de overledene niet is ingeschreven in de basisregistratie personen;
  • het toekennen van een Nederlandse uitkering aan de remigrant of zijn partner, tenzij het inkomen in Nederland aan de loonbelasting is onderworpen;
  • het wijzigingen of eindigen van een Nederlandse uitkering van de remigrant of zijn partner, tenzij het inkomen in Nederland aan de loonbelasting is onderworpen;
  • het rechtens zijn ontnomen van de vrijheid van de remigrant of zijn partner;
  • het onttrekken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel door de remigrant of zijn partner.
Geen schending van de mededelingsverplichting (SB1242)
Beleidsregel

In bepaalde gevallen waarin een belanghebbende een wijziging van omstandigheden niet binnen vier respectievelijk zes weken meldt (zie SB1101 over niet spontaan melden van relevante feiten en omstandigheden), is geen sprake van een schending van de mededelingsverplichting. De SVB legt in die gevallen geen boete op en geeft evenmin een schriftelijke waarschuwing. Het gaat hierbij om de onderstaande situaties.

De SVB gaat ervan uit dat de belanghebbende tijdig aan zijn mededelingsverplichting heeft voldaan, als de SVB de belanghebbende binnen vier weken nadat een wijziging van de feiten of de omstandigheden heeft plaatsgevonden een formulier stuurt waarin naar het te melden feit of de te melden omstandigheid wordt gevraagd, en de SVB dit formulier met vermelding van dit feit of deze omstandigheid binnen de voor terugzending gestelde termijn ontvangt.

De SVB gaat ervan uit dat er geen sprake is van schending van de mededelingsverplichting als het de belanghebbende aan de hand van het voorlichtingsmateriaal van de SVB redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat de wijziging van omstandigheden niet van invloed is op het recht op, de hoogte van of de uitbetaling van de uitkering. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan:

  • een verhoging van inkomen uit arbeid terwijl dit inkomen ook na de verhoging beneden de vrijstellingsgrens blijft;
  • mutaties in het inkomen, indien als gevolg van de hoogte van het inkomen geen nabestaandenuitkering, kinderbijslag, overbruggingsuitkering wordt uitbetaald, en de inkomensmutatie in dat feit geen wijziging brengt.

De SVB acht de mededelingsverplichting voorts niet geschonden als een wijziging van omstandigheden zich voordoet in een periode waarin de uitkering op verzoek van de belanghebbende niet is betaald.

relaties 9

Controlevoorschriften (SB1098)

Beleidsregel

Bij besluiten van 26 januari 1996 en 26 april 1996 heeft de SVB Controlevoorschriften AOW, Controlevoorschriften Anw en Controlevoorschriften AKW uitgevaardigd. Voorts zijn bij Besluit van 23 juni 2014 Controlevoorschriften Remigratiewet vastgesteld. Deze voorschriften beogen een doelmatige controle in het kader van de uitvoering van de AOW, de Anw, de AKW en de Remigratiewet te bevorderen. In de voorschriften is aangegeven op welke wijze de gerechtigde en anderen die de controlevoorschriften moeten naleven, dienen mee te werken aan controles van de SVB. Zo moeten zij door de SVB verlangde informatie tijdig verstrekken, op verzoek op een kantoor van de SVB verschijnen en controle door medewerkers van de SVB mogelijk maken. De belanghebbende is niet verplicht op verzoek van de SVB inlichtingen te verstrekken over het inkomen, indien als gevolg van de hoogte van het inkomen geen nabestaandenuitkering of kinderbijslag wordt uitbetaald, en sinds de laatste verstrekking van gegevens aan de SVB dit inkomen niet zodanig is gewijzigd dat in deze situatie verandering moet worden gebracht. De belanghebbende dient in die situatie wel aan de SVB mede te delen dat hij bezwaar heeft tegen het verstrekken van de gevraagde gegevens.

Als de betaling van een uitkering op verzoek van een belanghebbende is gestaakt past de SVB op deze belanghebbende de controlevoorschriften niet toe. De belanghebbende is dan niet verplicht om informatie te verstrekken aan de SVB. Wanneer de SVB op verzoek van de belanghebbende de betaling van de uitkering met terugwerkende kracht hervat en de belanghebbende stelt dat een gezamenlijke huishouding is ontstaan of verbroken, dan stelt de SVB zwaardere eisen aan het door belanghebbende te leveren bewijs. In dat geval geeft de SVB overeenkomstige toepassing aan het beleid vervat in SB1239 over Anw: opening dan wel herleving van het recht op uitkering na beëindiging van een gezamenlijke huishouding.

Het Besluit controlevoorschriften AKW ten aanzien van kinderbijslaggerechtigden van wie het gezin buiten Nederland woont bepaalt dat verzekerden, wier kinderen of partner in het buitenland wonen, verplicht zijn zich ieder kwartaal, na een oproep van de SVB, op het kantoor van de SVB te melden en zich te identificeren. Deze presentatieplicht dient ter voorkoming van de situatie dat ten onrechte kinderbijslag wordt uitbetaald wanneer de verzekerde zich weer bij zijn gezin in het buitenland heeft gevestigd zonder dit aan de SVB te melden.

Grondslag

artikel 15 AOW, artikel 36 Anw, artikel 16 AKW en artikel 8g Remigratiewet

Besluit beleidsregels SVB 2016

Niet nakomen van de mededelingsverplichting of de controlevoorschriften

Niet nakomen van de mededelingsverplichting of de controlevoorschriften (SB1099)
Beleidsregel

Niet nakomen van de mededelingsverplichting of de controlevoorschriften kan verschillende vormen aannemen. De betrokkene kan niet, te laat of niet behoorlijk voldoen aan een verzoek om informatie of medewerking van de SVB (zie SB1100 over niet of niet correct voldoen aan een verzoek van de SVB).

De betrokkene kan ook nalaten feiten en omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de uitkering, binnen vier weken spontaan te melden (zie SB1101 over niet spontaan melden van relevante feiten en omstandigheden).

Niet of niet correct voldoen aan een verzoek van de SVB
relaties 7
Niet of niet correct voldoen aan een verzoek van de SVB (SB1100)
Beleidsregel

Het hierna volgende beleid over het niet of niet correct voldoen aan een verzoek van de SVB heeft betrekking op de AOW, Anw, AKW, OBR en Remigratiewet. Het beleid dat ziet op de Participatiewet staat in SB1314 over Participatiewet: niet of niet correct voldoen aan een verzoek van de SVB.

 

Rappel
De SVB kan de betrokkene verzoeken om informatie of medewerking binnen een bepaalde termijn. Aan betrokkene kan uitstel worden verleend. Indien betrokkene, eventueel na uitstel, niet tijdig of onvolledig reageert, verzendt de SVB eerst een rappel met een nieuwe termijn.

 

Betrokkene reageert niet binnen de rappeltermijn  
Indien betrokkene niet binnen de rappeltermijn reageert, wordt veelal onzeker of nog aanspraak bestaat op de volledige uitkering. De SVB schorst in dat geval de betaling (zie SB1093 over schorsing wegens twijfels aan de rechtmatigheid van de betaling). Een  schorsing heeft betrekking op (het gedeelte van) de uitkering waarvan onzeker is of er nog aanspraak op bestaat. Echter, indien geen onzekerheid bestaat over het recht op al uitbetaalde kinderbijslag wordt de kinderbijslag zonder terugwerkende kracht beëindigd of herzien. 

Indien het verzoek zich richt op het vaststellen van de rechtmatigheid van betalingen over een periode in het verleden en betrokkene niet binnen de rappeltermijn reageert, dan herziet de SVB de uitkering of trekt zij deze in over de onderzochte periode op grond van artikel 17a, eerste lid, onder c, AOW, artikel 34, eerste lid, onder c, Anw, artikel 14a, eerste lid, onder c AKW, artikel 16, tweede lid OBR dan wel artikel 6c, eerste lid, onder c Remigratiewet.

 

Betrokkene reageert na de schorsing 
Reageert de betrokkene na de schorsing en stelt de SVB vast dat er nog aanspraak bestaat op de volledige uitkering, dan wordt de schorsing opgeheven. Bestaat er geen aanspraak meer op de volledige uitkering, dan wordt de uitkering ingetrokken of herzien volgens het hierna volgende beleid. 

 

Herziening of intrekking
De uitkering wordt herzien of ingetrokken (herzien tot nul), indien betrokkene binnen drie maanden na de schorsing nog niet aan het verzoek heeft voldaan. Voor de Remigratiewet bedraagt de termijn zes maanden. De intrekking of herziening vindt plaats met ingang van de datum waarop de betaling eerder geheel of gedeeltelijk is geschorst.

De SVB kan een aanvullend onderzoek instellen naar de rechtmatigheid van betalingen over de periode gelegen voor de herziening of intrekking. De volgende situaties kunnen worden onderscheiden:

  • Blijkt er geen wijziging in de omstandigheden te hebben plaatsgevonden, dan blijft de eerdere herziening of intrekking vanaf de datum van schorsing in stand. 
  • Blijkt er een wijziging in de omstandigheden te hebben plaatsgevonden waardoor betrokkene al eerder geen aanspraak meer had op de volledige uitkering, dan wordt de uitkering ingetrokken of herzien met ingang van die eerdere datum. Zie SB1078 over Verlaging of intrekking met terugwerkende kracht wegens wijziging van de omstandigheden.
  • Blijkt er een wijziging in de omstandigheden te hebben plaatsgevonden, maar ontbreekt ieder aanknopingspunt met betrekking tot het moment waarop de omstandigheden zijn gewijzigd, dan blijft de eerdere herziening of intrekking vanaf de datum van schorsing in stand. 
  • Indien het aanvullend onderzoek zich richt op het vaststellen van de rechtmatigheid van betalingen over een periode in het verleden en betrokkene niet binnen de rappeltermijn reageert, dan wordt de uitkering eveneens herzien of ingetrokken over de onderzochte periode op grond van artikel 17a, eerste lid, onder c, AOW, artikel 34, eerste lid, onder c, Anw, artikel 14a, eerste lid, onder c AKW, artikel 16, tweede lid OBR dan wel artikel 6c, eerste lid, onder c Remigratiewet.

 

Betrokkene reageert na intrekking of herziening
De betrokkene kan na de intrekking of herziening alsnog aantonen dat hij al dan niet onafgebroken aanspraak op de volledige uitkering heeft behouden. Toont de betrokkene dit aan vóórdat het intrekkings- of herzieningsbesluit rechtens onaantastbaar is geworden, dan betaalt de SVB de achterstallige uitkering aan hem uit. Toont de betrokkene dit aan nadat het intrekkingsbesluit rechtens onaantastbaar is geworden, dan wordt de achterstallige uitkering met een terugwerkende kracht van maximaal een jaar betaald te rekenen vanaf het moment dat de klant de informatie heeft verstrekt. Voor de AOW, Anw en Remigratiewet kan in een bijzonder geval en bij gebleken hardheid de terugwerkende kracht langer zijn, zie SB1070 over terugwerkende kracht van meer dan een jaar. Een nog niet-geeffectueerde maatregel wordt op de hervatte uitkering ingehouden.

 

Maatregel of boete
Indien de betrokkene niet binnen de rappeltermijn reageert, legt de SVB een maatregel op of geeft zij een waarschuwing (zie SB1102 over het opleggen van een maatregel en het geven van een schriftelijke waarschuwing).

De maatregel of waarschuwing wordt opgelegd nadat betrokkene alsnog heeft gereageerd of, indien een reactie uitblijft, bij het intrekken of herzien van de uitkering.

Blijkt uit de reactie van betrokkene of stelt de SVB op andere wijze vast dat de mededelingsverplichting is geschonden, dan legt de SVB geen maatregel op maar een boete of geeft zij een waarschuwing (zie SB1101 over niet spontaan melden van relevante feiten en omstandigheden en SB1103 over het opleggen van een boete en het geven van een schriftelijke waarschuwing). In het kader van de OBR legt de SVB bij een dergelijke schending van de mededelingsverplichting een maatregel op (zie SB1102 over het opleggen van een maatregel en het geven van een schriftelijke waarschuwing).

Grondslag

artikel 17c, eerste lid, onder c AOW, artikel 34, eerste lid, onder c Anw, artikel 14a,  eerste lid, onder c AKW, artikel 16, tweede lid OBR, artikel 6c, eerste lid, onder c en  artikel 6d, tweede lid Remigratiewet

Wijzigingsbesluit Beleidsregels SVB mei 2021

relaties 5
Participatiewet: niet of niet correct voldoen aan een verzoek van de SVB (SB1314)
Beleidsregel

De SVB weigert de AIO-aanvulling indien de aanvrager gegevens die van belang zijn voor het recht op AIO-aanvulling niet aan de SVB verstrekt.

In geval de SVB al een AIO-aanvulling heeft toegekend en de betrokkene de voor de AIO-aanvulling van belang zijnde gegevens of gevorderde bewijsstukken niet of niet volledig binnen de door de SVB gestelde termijn verstrekt, verzendt de SVB een rappèl. Voldoet de betrokkene niet binnen de daarin gestelde termijn aan het verzoek dan schort de SVB op grond van artikel 54, eerste lid Participatiewet het recht op AIO-aanvulling op. De SVB geeft betrokkene bij de opschorting een termijn waarbinnen hij zijn verzuim kan herstellen. Worden de gevraagde gegevens binnen de hersteltermijn verstrekt, dan heft de SVB de opschorting op en legt zij een maatregel op of geeft zij een waarschuwing (zie SB1315 over het opleggen van een maatregel of het geven van een waarschuwing in het kader van de Participatiewet).

Blijkt uit de reactie van de betrokkene dat er een wijziging in de omstandigheden is opgetreden, of stelt de SVB dit op andere wijze vast, dan legt de SVB een boete op of geeft zij een waarschuwing (zie SB1101 over niet spontaan melden van relevante feiten en omstandigheden en SB1103 over het opleggen van een boete en het geven van een schriftelijke waarschuwing).

Wordt de gevraagde informatie niet binnen de hersteltermijn verstrekt, dan trekt de SVB het recht op AIO-aanvulling in op grond van artikel 54, vierde lid Participatiewet (zie SB1078 over verlaging of intrekking met terugwerkende kracht wegens wijziging van de omstandigheden).

In dat geval onderzoekt de SVB of de aanspraak op AIO-aanvulling op een eerder moment is geëindigd dan het moment met ingang waarvan het recht is opgeschort. Blijkt van een wijziging in de omstandigheden waardoor de betrokkene al eerder geen of een lagere aanspraak had op de AIO-aanvulling, dan trekt de SVB de AIO-aanvulling met ingang van een eerdere datum geheel of gedeeltelijk in.

Het komt voor dat de betrokkene alsnog voldoet aan het verzoek van de SVB nadat het opschortingsbesluit rechtens onaantastbaar is geworden, maar voordat het intrekkingsbesluit rechtens onaantastbaar is geworden. In dat geval beoordeelt de SVB bij de heroverweging in bezwaar uitsluitend of de betrokkene verwijtbaar heeft verzuimd om de gevraagde informatie binnen de gestelde termijn te verstrekken (CRvB 27 juni 2000). De SVB past hierbij het beleid in SB1244 over het bepalen van de mate van verwijtbaarheid overeenkomstig toe. De SVB leidt uit de jurisprudentie af dat de verwijtbaarheid in ieder geval ontbreekt indien het gaat om gegevens die niet (meer) van belang zijn voor de AIO-aanvulling of waarover betrokkene niet binnen de hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken (CRvB 29 mei 2007 en CRvB 5 december 2007). Als de verwijtbaarheid ontbreekt, trekt de SVB het opschortingsbesluit in herroept zij het intrekkingsbesluit. Indien het verzuim verwijtbaar is, slaat de SVB geen acht op na de gestelde termijn ontvangen gegevens (CRvB 16 januari 2007). De SVB merkt in dat geval deze gegevens aan als een nieuwe aanvraag om een AIO-aanvulling. Ten aanzien van de ingangsdatum van het recht op AIO-aanvulling past de SVB het beleid toe in SB1309 over tijdig en verschoonbaar te laat voldoen aan de mededelingsverplichting.

In geval de betrokkene de gevraagde gegevens niet verstrekt dan is de SVB op grond van artikel 54, eerste lid Participatiewet bevoegd om de AIO-aanvulling voor een termijn van ten hoogste acht weken op te schorten. Trekt de SVB de AIO-aanvulling niet binnen deze termijn in, dan herleeft het recht in beginsel van rechtswege. Het kan echter voorkomen dat de SVB nog steeds niet beschikt over de noodzakelijke gegevens. In dat geval trekt de SVB het recht op AIO-aanvulling in op grond van artikel 54, derde lid, eerste volzin Participatiewet (zie SB1078 over verlaging of intrekking met terugwerkende kracht wegens wijziging van de omstandigheden).

Toont de betrokkene in bezwaar aan dat hij, al dan niet onafgebroken, aanspraak op AIO-aanvulling heeft behouden, dan herroept de SVB het intrekkingsbesluit. Blijkt uit de door de betrokkene verstrekte gegevens dat aanspraak bestaat op een lagere AIO-aanvulling dan legt de SVB een boete op (zie SB1101 over niet spontaan melden van relevante feiten en omstandigheden en SB1103 over het opleggen van een boete en het geven van een schriftelijke waarschuwing).

Als pas na het rechtens onaantastbaar worden van een intrekkingsbesluit blijkt dat de betrokkene, al dan niet onafgebroken, aanspraak op een AIO-aanvulling heeft behouden, dan past de SVB het beleid in SB1310 over het terugkomen van een rechtens onaantastbaar AIO-besluit op verzoek van de belanghebbende overeenkomstig toe.

relaties 6
Niet spontaan melden van relevante feiten en omstandigheden (SB1101)
Beleidsregel

Van schending van de mededelingsverplichting is onder andere sprake als de belanghebbende feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk kan zijn dat die van invloed kunnen zijn op de uitkering, niet onverwijld spontaan aan de SVB meldt. Onder 'onverwijld' in de zin van artikel 49 AOW, artikel 35 Anw, artikel 15 AKW, artikel 17, eerste lid Participatiewet en artikel 5a Remigratiewet verstaat de SVB: binnen vier weken nadat het van belang zijnde feit heeft plaatsgevonden of de relevante wijziging van omstandigheden is ingetreden. De SVB past een termijn van zes weken toe indien het van belang zijnde feit of de relevante wijziging betrekking heeft op een belanghebbende of een partner die niet in Nederland woont, of een kind dat niet in Nederland woont. In afwijking van het voorgaande geldt voor de Participatiewet dat de betrokkene een verblijf in het buitenland voorafgaand aan zijn verblijf moet melden.

Met melding aan de SVB wordt gelijkgesteld melding aan een buitenlandse autoriteit of orgaan indien de mededelingsplichtige in een land woont waarmee is geregeld dat aanvragen en verklaringen kunnen worden ingediend bij de overeenkomstige instanties in het desbetreffende land. Indien de belanghebbende echter voor laatstbedoelde weg kiest, maar hij verzuimt aan te geven dat de mededeling bestemd is voor de SVB, neemt de SVB in beginsel aan dat de mededelingsverplichting is geschonden indien de mededeling de SVB niet of niet tijdig bereikt. In geval de belanghebbende evenwel kan aantonen dat voor de ontvangende instantie redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat de mededeling voor de SVB was bestemd, maar deze instantie is haar doorzendverplichting niet nagekomen, dan geldt de datum van indiening bij de instantie als indiening bij de SVB. Omdat artikel 25 OBR het bepaalde in artikel 49 AOW van overeenkomstige toepassing verklaart, past de SVB dit beleid ook toe bij de uitvoering van de OBR.

Als blijkt dat de betrokkene een omstandigheid of een feit niet tijdig heeft gemeld, legt de SVB een boete op (zie SB1103 over het opleggen van een boete en het geven van een schriftelijke waarschuwing). Daarnaast wordt de uitkering zo nodig herzien of ingetrokken en vordert de SVB onverschuldigd betaalde bedragen terug (zie SB1075 over verhoging wegens wijziging van de omstandigheden, SB1309 over verhoging AIO-aanvulling wegens wijziging van de omstandigheden, SB1077 over verlaging of intrekking ex nunc wegens wijziging van de omstandigheden, SB1078 over verlaging of intrekking met terugwerkende kracht wegens wijziging van de omstandigheden en SB1114 over terugvordering van uitkeringen. Op grond van artikel 17 OBR kan de SVB bij de uitvoering van de OBR uitsluitend maatregelen opleggen (zie SB1102 over het opleggen van een maatregel en het geven van een schriftelijke waarschuwing).

Grondslag

artikel 49 AOW, artikel 35 Anw, artikel 15 AKW, artikel 17, eerste lid Participatiewet  en artikel 5a Remigratiewet

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 6

Het opleggen van een maatregel en het geven van een schriftelijke waarschuwing (SB1102)

Beleidsregel

Het hierna volgende beleid over het opleggen van een maatregel en het geven van een schriftelijke waarschuwing heeft betrekking op de AOW, Anw, AKW, OBR en Remigratiewet. Het beleid over de Participatiewet staat in SB1315.

De SVB is verplicht de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk te weigeren als de door de SVB vastgestelde controlevoorschriften niet of niet behoorlijk worden nageleefd of als degene op wie een mededelingsverplichting rust, na een verzoek om informatie van de SVB, de gevraagde informatie niet binnen de gestelde termijn verstrekt.

De SVB past een dergelijke maatregel ook toe als de betrokkene de identificatieverplichting van artikel 55, tweede lid, van de Wet SUWI niet is nagekomen, of als hij weigert zich aan een in de Anw voorzien geneeskundig onderzoek te onderwerpen.

Aan de controlevoorschriften en de mededelingsverplichting is ook voldaan, als de betrokkene binnen de gestelde termijn een formulier van de SVB ontvangt waarin hij de betreffende wijziging alsnog meldt. Dit formulier moet dan uiterlijk op de laatste dag van de terugzendtermijn door de SVB zijn ontvangen (ontvangsttheorie).

 

OBR
Op grond van artikel 17, eerste lid OBR is de SVB verplicht een maatregel op te leggen als de door de SVB vastgestelde controlevoorschriften niet of niet behoorlijk worden nageleefd of als degene op wie een mededelingsverplichting rust, na een verzoek om informatie van de SVB, de gevraagde informatie niet binnen de gestelde termijn verstrekt. Daarnaast moet de SVB een maatregel opleggen als degene op wie een mededelingsverplichting rust feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk kan zijn dat die van invloed kunnen zijn op de overbruggingsuitkering, niet onverwijld spontaan aan de SVB meldt. In het tweede lid van artikel 17 OBR zijn artikel 17b, tweede, derde, vierde en zesde lid AOW en het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten van overeenkomstige toepassing verklaard. Om die reden geldt het hiernavolgende beleid in het kader van de AOW eveneens voor de OBR.

 

Remigratiewet
Met ingang van 1 juli 2014 is de SVB op grond van artikel 6aa Remigratiewet eveneens verplicht een maatregel op te leggen als de door de SVB vastgestelde controlevoorschriften niet of niet behoorlijk worden nageleefd of als degene op wie een mededelingsverplichting rust, na een verzoek om informatie van de SVB, de gevraagde informatie niet binnen de gestelde termijn verstrekt. De SVB legt uitsluitend een maatregel op voor overtredingen die op of na 1 juli 2014 zijn begaan. Het hierna volgende beleid geldt eveneens voor de Remigratiewet.

 

Maatregel of schriftelijke waarschuwing
Indien de mededelingsverplichting niet binnen de in het verzoek gestelde termijn wordt nagekomen, kan de SVB op grond van en onder de voorwaarden genoemd in artikel 17b, derde lid AOW, artikel 38, derde lid Anw, artikel 17, derde lid 3 AKW en artikel 6aa, derde lid Remigratiewet volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing. De SVB volstaat niet met het geven van een waarschuwing, indien zij al een schorsingsbeslissing heeft genomen.

De SVB legt geen maatregel op als het pensioen, de uitkering of de kinderbijslag is beëindigd en niet kan herleven.

 

Hoogte en duur maatregel
In het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten worden nadere regels gegeven voor het bepalen van de hoogte en de duur van een maatregel. De SVB geeft aan dit besluit de volgende invulling.

Een schending van de in de AOW, de Anw, de AKW en de Remigratiewet opgenomen verplichtingen doet zich uitsluitend voor op het moment waarop de termijn verloopt waarbinnen aan de verplichting moet zijn voldaan of op het tijdstip waarop de belanghebbende zijn medewerking weigert. Door het eenmalige karakter van deze schending is er geen sprake van een zogenoemde duurovertreding. Gelet hierop legt de SVB alleen maatregelen op voor de minimale duur genoemd in artikel 2, eerste lid, onder a of artikel 2, eerste lid, onder b van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten.

De hoogte van de maatregel moet worden afgestemd op de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid. De mate waarin de gedraging aan de belanghebbende kan worden verweten, beoordeelt de SVB aan de hand van de regels die zijn beschreven in SB1244 over het bepalen van de mate van verwijtbaarheid. Deze regels gaan ook over opzet en grove schuld. Deze begrippen spelen echter geen rol bij het opleggen van een maatregel. Daarom maakt de SVB geen onderscheid tussen opzet, grove schuld of verwijtbaarheid als zij een maatregel oplegt.

Bij het bepalen van de hoogte van de maatregel hanteert de SVB het volgende beleid. Bij het niet tijdig of niet behoorlijk nakomen van een verplichting van de eerste categorie, bedraagt de hoogte van de maatregel 5% van het uitkeringsbedrag bedoeld in artikel 2 van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten met het in dat besluit voorgeschreven minimum van € 25,-. Indien verminderde verwijtbaarheid daartoe aanleiding geeft, bedraagt het percentage 2%, met het minimum van € 25,-.

Bij het niet tijdig of behoorlijk nakomen van een verplichting van de tweede categorie bedraagt de hoogte van de maatregel 10% van het uitkeringsbedrag bedoeld in artikel 2 van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten, met het minimum van € 25,-. Indien verminderde verwijtbaarheid daartoe aanleiding geeft, legt de SVB een maatregel op van 5%, met het minimum van € 25,-.

 

Recidive
Indien aan de belanghebbende een maatregel is opgelegd en binnen twee jaar na de bekendmaking daarvan opnieuw een soortgelijke verplichting niet of niet behoorlijk wordt nagekomen wordt het percentage van de op te leggen maatregel met 50% verhoogd, nadat rekening is gehouden met de mate van verwijtbaarheid. De SVB onderscheidt drie soorten verplichtingen:

  • het tijdig voldoen aan een verzoek om informatie van de SVB;
  • de verplichtingen van de tweede categorie, zoals bedoeld in artikel 4 van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten;
  • het naleven van de controlevoorschriften, voor zover deze verplichting niet valt onder de voorgaande twee soorten verplichtingen.

 

Effectueren maatregel
De SVB effectueert de maatregel door het bedrag in mindering te brengen op de eerstvolgende termijn of termijnen van het pensioen, de uitkering, de kinderbijslag of de remigratievoorzieningen. Indien er gedurende vijf jaar geen recht op (uitbetaling van) het pensioen, de uitkering of de kinderbijslag bestaat, vervalt de maatregel. De reden hiervoor is dat de SVB het dossier na vijf jaar afsluit als geen recht meer bestaat op pensioen, uitkering of kinderbijslag. De SVB leidt voorts uit de wetsgeschiedenis af dat een reeds opgelegde maatregel vervalt als het recht op pensioen, uitkering of kinderbijslag eindigt en niet kan herleven.

Grondslag

artikel 17b AOW, artikel 38 Anw, artikel 17 AKW, artikel 17 OBR, artikel 6aa  Remigratiewet en het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten

Wijzigingsbesluit Beleidsregels SVB mei 2021

Het opleggen van een maatregel of het geven van een waarschuwing in het kader van de Participatiewet

relaties 4
Het opleggen van een maatregel of het geven van een waarschuwing in het kader van de Participatiewet (SB1315)
Beleidsregel

De SVB is onder meer verplicht de AIO-aanvulling te verlagen als de betrokkene een of meerdere verplichtingen die uit de Participatiewet voortvloeien niet of onvoldoende nakomt. De SVB onderscheidt daarbij de volgende verplichtingen:

  • de verplichting tot arbeidsinschakeling;
  • het in voldoende mate beheersen van de Nederlandse taal en meewerken aan een taaltoets;
  • de medewerkingsverplichting;
  • het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan;
  • aanvullende verplichtingen.

Het beleid over deze verplichtingen staat in SB1316 (Verplichting tot arbeidsinschakeling en voldoende beheersen van de Nederlandse taal), SB1317 (Medewerkingsverplichting), SB1318 (Tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid) en SB1319 (Aanvullende verplichtingen).

Als de betrokkene de voor de AIO-aanvulling van belang zijnde gegevens of gevorderde bewijsstukken niet binnen de door de SVB gestelde termijn verstrekt en uit de gegevens blijkt dat er geen gevolgen zijn voor de hoogte van of het recht op AIO-aanvulling, legt de SVB eveneens een maatregel op. Zie voor het niet of niet correct voldoen aan een verzoek van de SVB ook SB1314.

Grondslag

artikel 9, eerste lid, artikel 17, eerste en tweede lid, artikel 47c, tweede en vijfde  lid, artikel 55 Participatiewet

Wijzigingsbesluit Beleidsregels SVB oktober 2017

Verplichtingen in de Participatiewet
relaties 3
Verplichting tot arbeidsinschakeling en voldoende beheersen van de Nederlandse taal (SB1316)
Beleidsregel

De verplichtingen die gaan over arbeidsinschakeling staan in artikel 9, eerste lid en artikel 47c, vijfde lid Participatiewet. Deze verplichtingen gelden niet voor de persoon die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, maar wel voor zijn jongere partner die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt. Daarnaast geldt voor deze jongere partner de in artikel 18b Participatiewet neergelegde verplichting om de Nederlandse taal in voldoende mate te beheersen en mee te werken aan een taaltoets.

De in artikel 47a Participatiewet omschreven taak van de SVB omvat niet de ondersteuning van de jongere partner bij arbeidsinschakeling en re-integratie. Deze ondersteuning is een verantwoordelijkheid van het college van de gemeente waarin de jongere partner woont. Hetzelfde geldt voor het afnemen van een taaltoets als bedoeld in artikel 18b, tweede lid Participatiewet.

Voor de vraag of de jongere partner de hiervoor genoemde verplichtingen onvoldoende is nagekomen, is de SVB afhankelijk van een melding van het college. Indien het college een gegrond vermoeden heeft dat de jongere partner niet voldoet aan deze verplichtingen, stelt het college de SVB daarvan in kennis. De SVB neemt in dat geval aan dat de jongere partner deze verplichtingen heeft geschonden, tenzij de kennisgeving van het college deze conclusie kennelijk niet ondersteunt.

Grondslag

artikel 9, eerste lid, artikel 47c, tweede, derde en vijfde lid Participatiewet

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 1
Medewerkingsverplichting (SB1317)
Beleidsregel

Op grond van artikel 17, tweede lid Participatiewet is de betrokkene verplicht aan de SVB desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de Participatiewet. Hieronder vallen bijvoorbeeld de volgende verplichtingen:

  • mee werken aan een onderzoek naar het bezit van vermogen in het buitenland;
  • gehoor te geven aan een loketoproep;
  • in geval van een zelfstandige die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt: het overleggen van de administratie betreffende het boekjaar waarover een AIO-aanvulling is verleend.
Grondslag

artikel 17, tweede lid Participatiewet

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 6
Betonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid (SB1318)
Beleidsregel

Artikel 47c, tweede lid, aanhef en onder b Participatiewet bepaalt dat de SVB de AIO-aanvulling moet verlagen indien de betrokkene naar het oordeel van de SVB tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan. De SVB is van oordeel dat hiervan sprake is als de betrokkene handelingen verricht dan wel nalaat waardoor onnodig een beroep op een AIO-aanvulling wordt gedaan. Te denken valt aan het niet of te laat aanvragen van een voorliggende voorziening (zie CRvB 17 april 2001) of het onverantwoord interen op het vermogen doordat de betrokkene een schenking doet of zijn vermogen te snel opmaakt (zie CRvB 30 december 2008). Als dit vermogen was gebruikt voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, had dat ertoe geleid dat de betrokkene gedurende een langere tijd geen beroep had hoeven doen op een AIO-aanvulling. De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen, geldt al voordat een AIO-aanvulling wordt aangevraagd (zie bijvoorbeeld CRvB 10 november 2011).

De SVB leidt uit de jurisprudentie af dat sprake is van onverantwoord interen op het vermogen als de betrokkene per maand meer dan anderhalf maal de relevante bijstandsnorm besteedt aan de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan (CRvB 8 juni 2004). Deze kosten worden zo nodig aangevuld met een bedrag voor woonkosten en overige als noodzakelijk aan te merken kosten. Voorts is van belang of de betrokkene over inkomsten beschikte. In dat geval worden deze inkomsten in mindering gebracht op het vermogen dat betrokkene mag besteden aan de noodzakelijke kosten van het bestaan (CRvB 28 augustus 2001).

Grondslag

artikel 47c, tweede lid, onder b Participatiewet

Wijzigingsbesluit Beleidsregels SVB mei 2021

relaties 1
Aanvullende verplichtingen (SB1319)
Beleidsregel

Op grond van artikel 55 Participatiewet heeft de SVB de mogelijkheid om aanvullende verplichtingen op te leggen. Hieronder vallen: de alimentatieplicht, de budgetteringsplicht, verplichtingen in verband met geldlening of borgtocht, de verplichting tot aangifte van een briefadres en nadere verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling dan wel verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van AIO-aanvulling, of strekken tot vermindering of beëindiging van de AIO-aanvulling. De SVB legt één of meer van deze verplichtingen op als de omstandigheden van het geval dit vereisen.

Grondslag

artikel 55 Participatiewet

Besluit beleidsregels SVB 2016

De hoogte van de maatregel
relaties 1
De hoogte van de maatregel (SB1320)
Beleidsregel

Indien de SVB een maatregel oplegt, stemt zij de hoogte van de maatregel achtereenvolgens af op:

  • de ernst van de overtreding;
  • de mate van verwijtbaarheid van de betrokkene;
  • zo nodig de omstandigheden waaronder de gedraging is gepleegd.
Grondslag

artikel 47c, eerste lid Participatiewet

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 1
Ernst van de overtreding (SB1321)
Beleidsregel

De ernst van de overtreding komt tot uitdrukking in een percentage van de toepasselijke bijstandsnorm. Dit is de norm bedoeld in artikel 22 Participatiewet. Het percentage van deze norm is hoger naarmate het niet nakomen van de verplichting grotere gevolgen heeft voor het recht op AIO-aanvulling. Ten aanzien van de verplichting tot arbeidsinschakeling geldt dat een schending hiervan ernstiger wordt geacht naarmate dit concretere gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of behouden van betaalde arbeid.

De SVB onderscheidt in dit verband drie categorieën, waarbij de ernst van het niet nakomen van de verplichting het onderscheidend criterium is.

Eerste categorie:

  • het zich tijdig laten registreren als werkzoekende bij het UWV;
  • het tijdig laten verlengen van de registratie als werkzoekende bij het UWV;
  • het tijdig reageren op een informatieverzoek van de SVB;

Tweede categorie:

  • het naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten;
  • het meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a Participatiewet;
  • het meewerken aan een onderzoek van de SVB;
  • het gehoor geven aan een loketoproep;
  • het nakomen van de aanvullende verplichtingen.

Derde categorie:

  • het nakomen van de verplichtingen bedoeld in artikel 47c, vijfde lid Participatiewet;
  • het nakomen van een met een in artikel 47c, vijfde lid Participatiewet genoemde vergelijkbare verplichting, bijvoorbeeld het naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen in de gemeente van inwoning.

Bij het niet nakomen van een van de hiervoor genoemde verplichtingen legt de SVB een maatregel op van:

  • vijf procent van de toepasselijke bijstandsnorm gedurende een maand bij een verplichting van de eerste categorie;
  • tien procent van de toepasselijke bijstandsnorm gedurende een maand bij een verplichting van de tweede categorie;
  • honderd procent van de toepasselijke bijstandsnorm gedurende een maand bij een verplichting van de derde categorie.

Indien de SVB aan de betrokkene een maatregel heeft opgelegd en hij binnen een jaar na de bekendmaking daarvan opnieuw een soortgelijke verplichting niet of niet behoorlijk nakomt, bedraagt de duur van de maatregel twee maanden. Indien de SVB voor een soortgelijke verplichting een schriftelijke waarschuwing heeft gegeven in plaats van het opleggen van een maatregel geldt een periode van twee jaar na de bekendmaking van de waarschuwing. Bij een derde of volgende schending van een verplichting van de derde categorie binnen een jaar nadat voor het niet nakomen van deze verplichting een maatregel is opgelegd, bedraagt de duur van de maatregel drie maanden.

In geval van een schending van een verplichting van de eerste categorie hanteert de SVB het beleid dat zij geen maatregel oplegt maar een schriftelijke waarschuwing geeft. De SVB legt in deze situatie wel een maatregel op als zij het recht op AIO-aanvulling met toepassing van artikel 54, eerste lid Participatiewet heeft opgeschort of het niet nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van een respectievelijk twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop de SVB eerder een maatregel heeft opgelegd of een schriftelijke waarschuwing heeft gegeven.

Komt de betrokkene een of meer verplichtingen niet na die verband houden met het in voldoende mate beheersen van de Nederlandse taal, dan legt de SVB een maatregel op volgens de regels neergelegd in artikel 18b, vierde, negende, tiende en elfde lid Participatiewet. Het beleid over het opleggen van een maatregel wegens het onvoldoende beheersen van de Nederlandse taal staat in SB1324.

Indien de betrokkene een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond, legt de SVB een maatregel op die per maand tien procent van de toepasselijke bijstandsnorm bedraagt. De SVB berekent de duur van de maatregel door het bedrag dat betrokkene had kunnen aanwenden voor zijn levensonderhoud te delen door anderhalf maal de toepasselijke bijstandsnorm, met een minimum van een maand en een maximum van twaalf maanden. Indien het bedrag van de AIO-aanvulling minder bedraagt dan tien procent van de toepasselijke bijstandsnorm waardoor de maandelijks te effectueren maatregel evenredig minder bedraagt, verlengt de SVB de duur van de maatregel naar evenredigheid. In dat geval beperkt de SVB de duur van de maatregel tot ten hoogste 24 maanden. Bij de berekening van de duur van de maatregel rondt de SVB naar beneden af op hele maanden. Wanneer deze afronding ertoe leidt dat geen maatregel zou worden opgelegd, legt de SVB gedurende één maand een maatregel op.

De Participatiewet geeft geen regels over samenloop van meer dan een maatregelwaardige gedraging, bijvoorbeeld het gelijktijdig niet nakomen van meer dan één van de verplichtingen genoemd in artikel 47c, vijfde lid Participatiewet. De SVB hanteert daarom het beleid dat zij in dat geval volstaat met het opleggen van de zwaarste maatregel. Het kan ook voorkomen dat dezelfde gedraging leidt tot een schending van meer dan een verplichting. Ook in dat geval legt de SVB de zwaarste maatregel op.

Mate van verwijtbaarheid (SB1322)
Beleidsregel

De mate waarin de gedraging aan de betrokkene kan worden verweten, beoordeelt de SVB aan de hand van de regels die zijn beschreven in SB1244 over het bepalen van de mate van verwijtbaarheid. Deze regels gaan ook over opzet en grove schuld. Deze begrippen spelen echter geen rol bij het opleggen van een maatregel. Daarom maakt de SVB geen onderscheid tussen opzet, grove schuld of verwijtbaarheid als zij een maatregel oplegt. Als volgens de regels in SB1244 sprake is van verminderde verwijtbaarheid halveert de SVB het percentage van de op te leggen maatregel.

Artikel 47c, tiende lid Participatiewet bepaalt dat geen maatregel wordt opgelegd indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Daarnaast hanteert de SVB het beleid dat zij geen maatregel oplegt als tussen het tijdstip waarop de SVB de schending van de verplichting ontdekt en het tijdstip waarop de SVB zou besluiten tot het opleggen van de maatregel meer dan een jaar is verstreken.

relaties 2
Omstandigheden waarin de betrokkene verkeert (SB1323)
Beleidsregel

Op grond van artikel 47c, elfde lid Participatiewet moet de SVB een op te leggen maatregel of een opgelegde maatregel afstemmen op de omstandigheden van de betrokkene en diens mogelijkheden om middelen te verwerven, indien naar het oordeel van de SVB, gelet op bijzondere omstandigheden, dringende redenen daartoe noodzaken. De SVB geeft aan deze bepaling de volgende invulling.

Van dringende redenen is sprake als de gevolgen van de maatregel voor de betrokkene of zijn gezin zeer ernstig zijn. Uit de jurisprudentie volgt dat het enkele feit dat een betrokkene financieel zwaar wordt getroffen geen dringende reden vormt, omdat dit voor elke gerechtigde geldt (CRvB 1 april 2003).

De SVB houdt bij het opleggen van een maatregel rekening met de medische en sociale omstandigheden van de betrokkene en zijn gezin. Matiging van de maatregel kan bijvoorbeeld aan de orde zijn bij:

  • bijzondere financiële omstandigheden van de betrokkene, zoals hoge woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van bijzondere aard waarvoor geen financiële tegemoetkoming mogelijk is;
  • bijzondere sociale omstandigheden;
  • een opeenstapeling van maatregelen: de zwaarte van het geheel van maatregelen is niet evenredig aan de ernst van de gedraging en de mate van verwijtbaarheid.
Grondslag

artikel 47c, elfde lid Participatiewet

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 2
Hoogte en duur maatregel in verband met het onvoldoende beheersen van de Nederlandse taal (SB1324)
Beleidsregel

Op grond van artikel 47c, tweede lid Participatiewet legt de SVB een maatregel op indien het redelijk vermoeden, bedoeld in artikel 18b, eerste lid Participatiewet, bestaat dat de partner jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd de Nederlandse taal onvoldoende beheerst. Daarnaast legt de SVB een maatregel op als de jongere partner niet deelneemt aan een taaltoets.

De hoogte van de maatregel wegens het onvoldoende beheersen van de Nederlandse taal is afhankelijk van het aantal maanden dat is verstreken sinds de kennisgeving van het college waarin de jongere partner is meegedeeld dat hij niet aan die verplichting voldoet. Uit artikel 18b, vierde, negende, tiende en elfde lid Participatiewet volgt dat de SVB een maatregel moet opleggen van:

  • 20% van de bijstandsnorm gedurende zes maanden in de periode tot 6 maanden na de schriftelijke kennisgeving;
  • 40% van de bijstandsnorm gedurende zes maanden in de periode van 6 tot 12 maanden na de schriftelijke kennisgeving;
  • 100% van de bijstandsnorm voor onbepaalde tijd vanaf 12 maanden na de schriftelijke kennisgeving.

Artikel 18b Participatiewet bevat geen bepaling over de hoogte van de op te leggen maatregel als de jongere partner zijn verplichting om mee te werken aan een taaltoets niet nakomt. De SVB hanteert het beleid dat zij bij het niet nakomen van deze verplichting een maatregel die gelijk is aan de maatregel wegens het onvoldoende beheersen van de Nederlandse taal. Dit betekent dat hoogte van de maatregel afhankelijk is van het aantal maanden dat is verstreken sinds de betrokkene een taaltoets had moeten afleggen. De SVB legt een maatregel op van:

  • 20% van de bijstandsnorm gedurende zes maanden in de periode tot 6 maanden na de dag waarop de taaltoets plaatsvond;
  • 40% van de bijstandsnorm gedurende zes maanden in de periode van 6 tot12 maanden na de dag waarop de taaltoets plaatsvond;
  • 100% van de bijstandsnorm voor onbepaalde tijd vanaf 12 maanden na de dag waarop de taaltoets plaatsvond.

De SVB ziet af van het opleggen van een maatregel indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid of de verwijtbaarheid ontbreekt. De mate van verwijtbaarheid beoordeelt de SVB aan de hand van de regels die zijn beschreven in SB1244 over het bepalen van de mate van verwijtbaarheid. Deze regels gaan ook over opzet en grove schuld. Deze begrippen spelen echter geen rol bij het opleggen van een maatregel. Daarom maakt de SVB geen onderscheid tussen opzet, grove schuld of verwijtbaarheid als zij een maatregel oplegt.

De SVB leidt uit de wetsgeschiedenis af dat verwijtbaarheid ook ontbreekt indien de jongere partner niet in staat is om de taal op het vereiste niveau machtig te worden, zelfs als hij wel de gevraagde inspanningen zou leveren. Hierbij kunnen de volgende omstandigheden een rol spelen:

  • dyslexie;
  • analfabetisme;
  • leerproblemen;
  • cognitieve problemen;
  • gezondheidsredenen en/of medische gronden;
  • audio- en/of visuele beperkingen.

De SVB legt geen maatregel op als de Dienst Uitvoering Onderwijs een boete heeft opgelegd omdat de jongere partner niet aan de resultaatverplichting van de Wet inburgering voldoet.

Grondslag

artikel 18b, artikel 47c, tweede lid Participatiewet

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 3
Effectueren van een maatregel (SB1325)
Beleidsregel

De SVB legt de maatregel op over de kalendermaand volgend op de maand waarin zij het besluit heeft genomen. Een maatregel wegens het onvoldoende beheersen van de Nederlandse taal of het niet meewerken aan een taaltoets gaat echter in op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de jongere partner niet langer aan zijn verplichtingen voldoet.

Indien de op te leggen maatregel hoger is dan de AIO-aanvulling waarop recht bestaat, legt de SVB een maatregel op die gelijk is aan het bedrag van de AIO-aanvulling waarop per maand recht bestaat.

In geval de betrokkene een verplichting van de derde categorie niet nakomt, hanteert de SVB het beleid dat zij de maatregel over meerdere maanden verrekent, indien het effectueren van de gehele maatregel in een maand niet redelijk is. De SVB gaat ervan uit dat dit het geval is als een betrokkene een AIO-aanvulling ontvangt van ten minste 30% van de toepasselijke bijstandsnorm. In dat geval verrekent de SVB een maatregel van de derde categorie met een duur van een maand over twee maanden, een maatregel met een duur van twee maanden over vier maanden en een maatregel met een duur van drie maanden over vijf maanden. De SVB baseert dit beleid op artikel 47c, zesde lid Participatiewet.

De SVB beëindigt de effectuering van een opgelegde maatregel voor een gedraging van de derde categorie met ingang van de dag dat de jongere partner weer aan zijn verplichtingen voldoet. Hetzelfde geldt in geval de SVB een maatregel heeft opgelegd wegens het onvoldoende beheersen van de Nederlandse taal of het niet meewerken aan een taaltoets. Zie ook SB1324 over hoogte en duur maatregel wegens het onvoldoende beheersen van de Nederlandse taal. Indien de jongere partner op een later moment opnieuw een van de verplichtingen van de derde categorie niet nakomt, telt de opgelegde, maar tussentijds beëindigde maatregel wel mee bij het bepalen van recidive. Indien de jongere partner weer aan zijn verplichtingen voldoet voordat de SVB het besluit over het opleggen van een maatregel bekend heeft gemaakt, ziet zij af van het opleggen van de maatregel.

Uit artikel 47c, vierde lid Participatiewet volgt dat de SVB een maatregel die voor een periode van meer dan drie maanden is opgelegd, uiterlijk drie maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd moet heroverwegen. De SVB leidt uit de jurisprudentie van de CRvB af (bijvoorbeeld CRvB 7 april 2009) dat een maatregel zolang deze voortduurt, ook na deze wettelijk voorgeschreven heroverweging, periodiek moet worden heroverwogen. De SVB hanteert hierbij naar analogie van artikel 47c, vierde lid Participatiewet een termijn van drie maanden.

De SVB neemt aan dat de herbeoordeling zich beperkt tot de vraag of het redelijk is dat de maatregel wordt gecontinueerd. Daarbij neemt de SVB de omstandigheden in aanmerking waarin de betrokkene verkeert en de vraag of hij nu wel aan zijn verplichtingen voldoet.

Grondslag

artikel 47c, vierde en zesde lid Participatiewet

Wijzigingsbesluit Beleidsregels SVB februari 2019

Het opleggen van een bestuurlijke boete en het geven van een schriftelijke waarschuwing

relaties 6
Het opleggen van een bestuurlijke boete en het geven van een schriftelijke waarschuwing (SB1103)
Beleidsregel

Als de mededelingsverplichting wordt geschonden, is de SVB ingevolge de AOW, Anw, AKW, Participatiewet en Remigratiewet verplicht een boete op te leggen of een schriftelijke waarschuwing te geven. De SVB legt in het kader van de Remigratiewet alleen een boete op of geeft een waarschuwing voor schendingen van de mededelingsverplichting die hebben plaatsgevonden op of na 1 juli 2014.

Grondslag

artikel 17c AOW, artikel 39 Anw, artikel 17a AKW, artikel 47g Participatiewet, artikel  6b Remigratiewet en Boetebesluit socialezekerheidswetten

Besluit beleidsregels SVB 2016

De hoogte van de bestuurlijke boete
relaties 2
De hoogte van de bestuurlijke boete (SB1106)
Beleidsregel

Indien de SVB een boete oplegt, stemt zij de hoogte van de boete achtereenvolgens af op:

  • de ernst van de overtreding;
  • de mate van verwijtbaarheid van de belanghebbende;
  • zo nodig de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.
Grondslag

artikel 3:4, tweede lid en artikel 5:46, tweede lid Awb

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 6
Ernst van de overtreding (SB1107)
Beleidsregel

De ernst van de overtreding wordt op grond van artikel 2 Boetebesluit socialezekerheidswetten afgemeten aan de hoogte van het benadelingsbedrag. Onder benadelingsbedrag verstaat de SVB het bedrag dat, gelet op de herziening van de uitkering, door haar te veel is betaald tot het moment waarop de mededeling van de belanghebbende dan wel het wijzigingsbericht van een derde werd ontvangen. Er is ook sprake van een te veel betaald bedrag als de SVB op dat moment de betaling van de uitkering niet meer kan annuleren of aanpassen.

Uit artikel 2, zesde lid Boetebesluit socialezekerheidswetten volgt dat de SVB in geval van recidive de percentages uit artikel 2, tweede, derde, vierde of vijfde lid Boetebesluit socialezekerheidswetten vermenigvuldigt met 150% van het benadelingsbedrag. Er is sprake van recidive indien de betrokkene in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het moment van de overtreding waarvoor de boete wordt opgelegd, de mededelingsverplichting op grond van dezelfde wet eerder heeft geschonden en voor die overtreding een bestuurlijke boete of een strafrechtelijke sanctie aan de belanghebbende is opgelegd. Dit volgt uit de artikelen 17c, vijfde lid AOW, 39, vijfde lid Anw, 17a, vijfde lid AKW, artikel 47g, vijfde lid Participatiewet en 6b, derde lid Remigratiewet. Bij een overtreding van de mededelingsverplichting op grond van de AOW houdt de SVB ook rekening met een eerdere overtreding van de mededelingsverplichting op grond van de Anw. Dit laatste volgt uit artikel 17c, zesde lid AOW.

De SVB legt geen boete op indien de belanghebbende heeft nagelaten een feit of omstandigheid te melden die uitsluitend kan leiden tot verhoging van de uitkering.

Grondslag

artikel 17c, vijfde en zesde lid AOW, artikel 39, vijfde lid Anw, artikel 17a, vijfde lid AKW,  artikel 47g, tweede en vijfde lid Participatiewet, artikel 6b, derde lid Remigratiewet en  artikel 2 Boetebesluit socialezekerheidswetten

Wijzigingsbesluit Beleidsregels SVB september 2018

relaties 3
Mate van verwijtbaarheid (SB1108)
Beleidsregel

Op grond van artikel 5:46, tweede lid Awb moet de SVB de hoogte van de boete afstemmen op de mate van verwijtbaarheid. De op te leggen boete is hoger naarmate de schending van de mededelingsverplichting de belanghebbende meer kan worden aangerekend. Artikel 2, tweede tot en met vijfde lid Boetebesluit socialezekerheidswetten onderscheidt de volgende categorieën: opzet, grove schuld, verwijtbaarheid zonder opzet of grove schuld en verminderde verwijtbaarheid. Daarnaast neemt de SVB aan dat ook sprake kan zijn van een situatie waarin een belanghebbende sterk verminderd verwijtbaar is. Het beleid over deze vijf categorieën staat in SB1244 over de mate van verwijtbaarheid.

De SVB legt in beginsel een boete op van 50% van het benadelingsbedrag. In de volgende gevallen hanteert de SVB een ander percentage van het benadelingsbedrag:

  • 100% in geval van opzet;
  • 75% in geval van grove schuld;
  • 25% in geval van verminderde verwijtbaarheid;
  • 10% in geval van sterk verminderde verwijtbaarheid.

In geval van recidive vermenigvuldigt de SVB het benadelingsbedrag eerst met 150% en daarna met de hiervoor genoemde percentages. Behalve voor sterk verminderde verwijtbaarheid volgt dit uit artikel 2, zesde lid Boetebesluit socialezekerheidswetten. In het geval van sterk verminderde verwijtbaarheid past de SVB dit artikellid naar analogie toe. 

Artikel 2, zevende lid Boetebesluit socialezekerheidswetten bevat een formule voor het berekenen van de maximale boete in geval van verwijtbaarheid en verminderde verwijtbaarheid. De SVB past deze formule naar analogie toe op gevallen van sterk verminderde verwijtbaarheid.

Ontbreekt iedere vorm van verwijtbaarheid, dan ziet de SVB op grond van artikel 5:41 Awb af van het opleggen van een boete of het geven van een schriftelijke waarschuwing.

Grondslag

artikel 5:41, artikel 5:46, tweede lid Awb, artikel 23, vierde lid Wetboek van  Strafrecht

Wijzigingsbesluit Beleidsregels SVB oktober 2017

relaties 2
Omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd (SB1243)
Beleidsregel

Bij de beoordeling van de evenredigheid van de in concreto op te leggen boete dient de SVB rekening te houden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. Uit de Memorie van Toelichting bij artikel 5:46, tweede lid van de Awb blijkt dat de draagkracht van de overtreder daarbij een rol kan spelen.

De SVB onderzoekt de draagkracht van de belanghebbende indien hij aangeeft dat hij de voorgenomen boete niet kan betalen. Naar aanleiding van de uitspraak van de CRvB van 11 januari 2016 hanteert de SVB bij de vaststelling van de draagkracht termijnen die zijn gerelateerd aan de mate van verwijtbaarheid. De SVB onderscheidt de volgende termijnen:

  • 24 maanden in geval van opzet
  • 18 maanden in geval van grove schuld
  • 12 maanden in geval van verwijtbaarheid
  • 6 maanden in geval van verminderde verwijtbaarheid
  • 2 maanden in geval van sterk verminderde verwijtbaarheid.

De eerste vier termijnen zijn ontleend aan de eerdergenoemde uitspraak van de CRvB. De SVB heeft een vijfde termijn toegevoegd omdat de SVB ook rekening houdt met gevallen van sterk verminderde verwijtbaarheid.

De SVB verlaagt de boete indien de belanghebbende deze niet binnen de toepasselijke termijn kan betalen door zijn volledige  aflossingscapaciteit en vermogen aan te spreken. De SVB stelt de boete vast op het bedrag dat de belanghebbende binnen deze termijn wel kan betalen door zijn volledige aflossingscapaciteit en vermogen te benutten. Voor de uitleg van de begrippen aflossingscapaciteit en vermogen sluit de SVB aan bij de definities uit artikel 1 Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen.

De betaling van de boete (SB1109)
Beleidsregel

De regels en het beleid over de termijnen waarbinnen de boete moet worden betaald en de wijze waarop het boetebesluit bij gebreke van tijdige betaling ten uitvoer wordt gelegd, zijn beschreven in het onderdeel Invordering van bestuursrechtelijke geldschulden (SB1250, SB1251, SB1252, SB1119 en SB1253).

relaties 6
Waarschuwing in plaats van een boete (SB1110)
Beleidsregel

De SVB is op grond van de artikelen 17c, vierde lid AOW, 39, vierde lid Anw,17a, vierde lid AKW, 47g, vierde lid Participatiewet, 6b, vijfde lid Remigratiewet en 2aa Boetebesluit socialezekerheidswetten bevoegd af te zien van een bestuurlijke boete en in plaats daarvan een schriftelijke waarschuwing te geven. De SVB maakt van deze bevoegdheid gebruik als:

  • het niet nakomen van de mededelingsverplichting niet heeft geleid tot het een benadelingsbedrag of het benadelingsbedrag is lager dan € 150,- of
  • de betrokkene binnen 60 dagen na aanvang van de overtreding alsnog uit eigen beweging de mededelingsverplichting is nagekomen. De periode van 60 dagen vangt aan na de termijn van vier of zes weken als bedoeld in SB1101 over het niet spontaan melden van relevante feiten en omstandigheden

In de hiervoor beschreven gevallen legt de SVB toch een boete op als sprake is van een van de volgende bijkomende omstandigheden:

  • er is sprake van recidive zoals omschreven in SB1107 over de ernst van de overtreding; of
  • de overtreding van de mededelingsverplichting vindt plaats binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan betrokkene een schriftelijke waarschuwing is gegeven

Als in deze gevallen geen sprake is van een benadelingsbedrag volgt uit artikel 2, elfde lid Boetebesluit socialezekerheidswetten dat de boete € 150,- bedraagt, tenzij een afwijkend bedrag noodzakelijk is voor de vaststelling van een evenredige boete. De SVB maakt gebruik van de mogelijkheid om een afwijkend bedrag vast te stellen en legt in deze gevallen een boete van € 40.

Grondslag

artikel 17c, vierde lid AOW, artikel 39, vierde lid Anw, artikel 17a, vierde lid AKW,  artikel 47g, vierde lid Participatiewet, artikel 6b, vijfde lid Remigratiewet en artikel 2aa Boetebesluit socialezekerheidswetten

Wijzigingsbesluit Beleidsregels SVB oktober 2017

relaties 5
Afzien van een sanctie wegens dringende redenen (SB1111)
Beleidsregel

Op grond van artikel 17c, achtste lid, AOW, artikel 39, zevende lid, Anw, artikel 17a, zevende lid, AKW, artikel 47g, zevende lid Participatiewet en artikel 6b, zesde lid Remigratiewet is de SVB bevoegd, af te zien van het opleggen van een boete als daarvoor dringende redenen bestaan. De SVB maakt van deze bevoegdheid gebruik als betrokkene verkeert in zo ernstige financiële en/of sociale omstandigheden dat het opleggen van een boete in redelijkheid niet aanvaardbaar is. De SVB beoordeelt de situatie van betrokkene op het moment dat zij moet besluiten of een boete zal worden opgelegd.

Grondslag

artikel 17c, achtste lid AOW, artikel 39, zevende lid Anw, artikel 17a, zevende lid  AKW, artikel 47g, zevende lid Participatiewet en artikel 6b, zesde lid Remigratiewet

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 1
Het bepalen van de mate van verwijtbaarheid (SB1244)
Beleidsregel

Op grond van artikel 2a, eerste lid Boetebesluit socialezekerheidswetten wordt de mate waarin de gedraging aan de betrokkene kan worden verweten, beoordeeld naar de situatie op het moment waarop de betrokkene zijn verplichting had moeten nakomen. Hierbij hanteert de SVB de volgende stelregels.

Opzet:

Er is sprake van opzet wanneer het willens en wetens handelen of nalaten leidt tot het niet of niet behoorlijk nakomen van de mededelingsverplichting. Artikel 2a, vierde lid Boetebesluit socialezekerheidswetten noemt ter verduidelijking drie criteria die kunnen leiden tot opzet.

Grove schuld:

Er is sprake van grove schuld in geval van een in laakbaarheid aan opzet grenzende mate van verwijtbaarheid. De SVB neemt grove schuld aan als sprake is van ernstige nalatigheid, ernstige onzorgvuldigheid, ernstige onachtzaamheid of ernstige roekeloosheid met het gevolg dat de mededelingsverplichting niet of niet behoorlijk is nageleefd. Artikel 2a, derde lid Boetebesluit socialezekerheidswetten noemt ter verduidelijking twee criteria die kunnen leiden tot grove schuld.

Verwijtbaarheid:

Er is sprake van verwijtbaarheid als betrokkene heeft nagelaten om een of meer wijzigingen in de feiten of omstandigheden tijdig te melden, terwijl hij weet of redelijkerwijs kan en behoort te weten dat deze van belang zijn voor de hoogte of het recht op uitkering.

Voor het bepalen van de hoogte van de boete hanteert de SVB tevens onderstaande uitgangspunten om te bepalen of er sprake is van volledige verwijtbaarheid:

  • De SVB deelt bij de toekenning van een uitkering aan de betrokkene mee welke feiten en omstandigheden hij spontaan aan de SVB moet melden. Hiertoe verwijst de SVB in de toekenningsbeschikking naar het overzicht van te melden wijzigingen op de website van de SVB. De SVB gaat er dan ook van uit dat het de betrokkene redelijkerwijs duidelijk kan zijn dat deze feiten en omstandigheden van invloed kunnen zijn op de uitkering, tenzij bijzondere omstandigheden op het tegendeel wijzen,.
  • Van de betrokkene kan een redelijke inspanning worden gevergd om op de hoogte te raken van feiten en omstandigheden bij anderen die van invloed kunnen zijn op zijn uitkering, zoals de omstandigheden van een uitwonend kind. Het enkele feit dat die ander de betrokkene niet spontaan van een relevante omstandigheid op de hoogte heeft gesteld, vermindert niet zijn verwijtbaarheid de als hij deze omstandigheid niet heeft gemeld.

Verminderde verwijtbaarheid:

Artikel 2a, tweede lid Boetebesluit socialezekerheidswetten noemt vijf criteria die in ieder geval tot verminderde verwijtbaarheid leiden:

  • De betrokkene verkeerde op het moment dat hij aan zijn verplichting moest voldoen in onvoorziene en ongewenste omstandigheden, die niet tot het normale levenspatroon behoren en die hem weliswaar niet in de feitelijke onmogelijkheid brachten om aan zijn verplichting te voldoen, maar die emotioneel zo ontwrichtend waren dat hem niet volledig valt toe te rekenen dat de informatie niet tijdig of volledig aan de SVB is verstrekt. De SVB denkt hierbij aan een ernstige ziekte of het overlijden van de partner of kinderen van de betrokkene, onvoorzien ontslag, faillissement of het weglopen van een kind.
  • De betrokkene verkeerde in een zodanige geestelijke toestand dat hem de overtreding niet volledig valt aan te rekenen. De SVB neemt dit aan als de betrokkene vanwege zijn geestelijke toestand kortstondig administratief onbekwaam is.
  • De betrokkene heeft wel inlichtingen verstrekt, die echter onjuist of onvolledig waren, of heeft anderszins een wijziging van omstandigheden niet onverwijld gemeld, maar uit eigen beweging alsnog de juiste inlichtingen verstrekt voordat de overtreding is geconstateerd. De SVB neemt geen verminderde verwijtbaarheid aan als de betrokkene de inlichtingen heeft verstrekt in het kader van een controle van de SVB.
  • De overtreding van de mededelingsverplichting of de hoogte van het benadelingsbedrag is mede te wijten aan de SVB.
  • Er is sprake van een samenloop van omstandigheden die elk op zich niet, maar in hun onderlinge samenhang beschouwd wel leiden tot verminderde verwijtbaarheid.

Sterk verminderde verwijtbaarheid:

De SVB definieert sterk verminderde verwijtbaarheid als een combinatie van meerdere omstandigheden die elk op zich leiden tot verminderde verwijtbaarheid.

Geen verminderde verwijtbaarheid:

Er is geen sprake van verminderde verwijtbaarheid in de volgende gevallen:

  • De betrokkene begrijpt de inhoud van de correspondentie van de SVB niet, bijvoorbeeld omdat hij de Nederlandse taal onvoldoende beheerst. Van de uitkeringsgerechtigde mag worden verwacht dat hij zich laat informeren over de betekenis hiervan.
  • De betrokkene is langere tijd niet in staat zijn belangen te behartigen. Van hem mag worden gevergd dat hij ervoor zorgt dat een ander zijn zaken regelt. Laat hij dit na, dan is er geen sprake van verminderde verwijtbaarheid.

Ontbreken van verwijtbaarheid:

De SVB acht in het geheel geen verwijtbaarheid aanwezig als:

  • het niet nakomen van een verplichting niet aan de betrokkene kan worden verweten omdat hij op het moment dat hij aan zijn verplichting moest voldoen verkeerde in onvoorziene en ongewenste omstandigheden die niet tot het normale levenspatroon behoren en die het de belanghebbende feitelijk onmogelijk maakten om aan zijn verplichtingen te voldoen. Te denken valt aan een plotselinge ziekenhuisopname van de belanghebbende.
  • de betrokkene binnen vier weken nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan die hij had moeten melden aan de SVB, bericht van de SVB ontvangt waaruit hij kan afleiden dat de SVB al van de wijziging op de hoogte is. Betrokkene kan er dan in redelijkheid van uitgaan dat het niet meer nodig is de SVB op de hoogte te stellen.
Grondslag

artikel 2a Boetebesluit socialezekerheidswetten

Wijzigingsbesluit Beleidsregels SVB oktober 2017

relaties 3

Buitenlandse brondocumenten (SB1112)

Beleidsregel

Bij de beoordeling van het recht op AOW-pensioen, Anw-uitkering, kinderbijslag, AIO-aanvulling of remigratievoorzieningen is soms een buitenlandse akte nodig, die dient als bron om een bepaald feit te bewijzen (brondocument). Een buitenlands brondocument moet door de belanghebbende worden overgelegd als zijn gegevens niet via een andere betrouwbare bron, bijvoorbeeld de BRP of een buitenlands zusterorgaan, kunnen worden verkregen of gecontroleerd. Blijkens de jurisprudentie (onder meer CRvB 23 december 1998 en CRvB 4 juli 2003) berust de verantwoordelijkheid voor het verstrekken van valide en betrouwbare documenten bij de belanghebbende.

Afhankelijk van het land waar het document vandaan komt, moet het aan bepaalde eisen voldoen. Het document dient gelegaliseerd te zijn of, als het land een van de legalisatieverdragen heeft ondertekend, voorzien te zijn van een apostille. Legalisatie houdt in dat de echtheid van de handtekeningen en stempels op een document bevestigd wordt door een hogere instantie dan de instantie die het document heeft afgegeven en dat vervolgens de echtheid van de handtekeningen en stempels van de hogere instantie wordt bevestigd door de Nederlandse vertegenwoordiging in het betreffende land.

Als de belanghebbende woont in een land waarmee een verdrag inzake sociale zekerheid is gesloten, is het, behoudens waar het gaat om remigratievoorzieningen, in principe niet toegestaan een gelegaliseerd buitenlands brondocument te vragen, aangezien de zusterorganen van de verdragslanden de juistheid van de gegevens controleren. Indien betrokkene echter niet onder de personele werkingssfeer van het verdrag valt, speelt het zusterorgaan geen rol en moeten wel gelegaliseerde brondocumenten of brondocumenten voorzien van een apostille worden overgelegd. De kosten van de legalisatieprocedure komen in dat geval voor rekening van de belanghebbende.

Voor vluchtelingen en asielzoekers geldt een uitzondering op de verplichting tot het overleggen van gelegaliseerde brondocumenten, aangezien zij meestal niet in staat zijn contact op te nemen met het land van herkomst.

Voor landen of regio's waar gedurende bepaalde tijd geen centraal gezag is gevestigd, of het centraal gezag niet door Nederland wordt erkend of waar de registers door oorlogssituaties of natuurrampen geheel verloren zijn gegaan, kan de Minister van Buitenlandse Zaken een vrijstelling voor het bevoegdelijk afgeven van stukken en legalisatie en verificatie verstrekken. Als deze vrijstelling is vermeld op de website van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (www.minbuza.nl), verlangt de SVB geen gelegaliseerde brondocumenten uit het bedoelde gebied.

Legalisatie geeft slechts zekerheid over de herkomst van een document, maar geeft geen garantie dat de inhoud van het document juist is. Bij twijfel over de juistheid van de inhoud van het document kan een inhoudelijk verificatie-onderzoek ingesteld worden in het land van herkomst van het document (zie ABRvS 8 september 2004).

De kosten van het verificatie-onderzoek komen voor rekening van de SVB.

relaties 4

DNA-onderzoek (SB1113)

Beleidsregel

Het kan voorkomen dat afstamming en bloedverwantschap tussen kinderen en een ouder niet kan worden aangetoond wegens het ontbreken van brondocumenten waaruit deze afstamming genoegzaam blijkt. In een dergelijke situatie kan betrokkene het biologisch vaderschap aantonen door middel van DNA-onderzoek. Dit volgt uit artikel 4, tweede lid, onder c en d AKW jo. artikel 5, eerste lid Anw. Het bloedverwantschap tussen een moeder en een kind kan op dezelfde wijze wordt aangetoond. Vereist is dat het DNA-onderzoek wordt uitgevoerd volgens de criteria genoemd in de NEN-EN ISO/IEC 17025 en de aanbevelingen van de 'Paternity Testing Commission' van de 'International Society of Forensic Genetics'. Als het DNA-onderzoek niet volledig volgens deze criteria is verricht, accepteert de SVB de resultaten van het DNA-onderzoek alleen als aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

  • De te onderzoeken personen hebben schriftelijk toestemming verleend voor het verrichten van een DNA-onderzoek aan het onderzoeksinstituut.
  • Zij hebben zich bij het onderzoeksinstituut gelegitimeerd en een kopie van het legitimatiebewijs ondertekend.
  • Een medewerker van het onderzoeksinstituut heeft een foto van hen genomen en zij hebben deze foto ondertekend.
  • Het onderzoeksinstituut hanteert een kwaliteitszorgsysteem dat vergelijkbaar is met NEN-EN ISO/IEC 17025.
  • Het ouderschap staat met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid van 99,99% vast.
  • Betrokkenen geven de SVB toestemming voor het maken van een kopie van het originele DNA-onderzoeksrapport.

Conform de uitspraak van de CRvB van 19 september 2001 komen de kosten van een DNA-onderzoek voor rekening van de betrokkene. In bepaalde gevallen kunnen deze kosten echter voor rekening van de SVB komen, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 12 februari 2004 waarbij de SVB terugkwam van een eerdere toekenning van een uitkering.

Grondslag

artikel 5, eerste lid Anw en artikel 4, tweede lid, onder c en d AKW

Besluit beleidsregels SVB 2016

Terugvordering

Bestuursrechtelijke terugvordering

Terugvordering van uitkeringen
relaties 6
Terugvordering van uitkeringen (SB1114)
Beleidsregel

De SVB is op grond van artikel 24 AOW, artikel 53 Anw, artikel 24 AKW, artikel 22, eerste lid OBR en artikel 6e Remigratiewet verplicht onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen. In artikel 22, tweede lid OBR wordt artikel 24, tweede tot en met zevende lid AOW van overeenkomstige toepassing verklaard bij de toepassing van artikel 22, eerste lid OBR. Om die reden geldt het hiernavolgende het beleid in het kader van de AOW eveneens voor de OBR. Op grond van artikel 58, eerste lid Participatiewet is de SVB eveneens verplicht onverschuldigd betaalde AIO-aanvulling terug te vorderen, indien de terugvordering het gevolg is van het niet nakomen van de mededelingsverplichting bedoeld in artikel 17, eerste lid Participatiewet. Indien de AIO-aanvulling anderszins ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, is de SVB op grond van artikel 58, tweede lid Participatiewet bevoegd om de onverschuldigd betaalde AIO-aanvulling terug te vorderen. De SVB maakt in beginsel gebruik van deze bevoegdheid.

Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, is de SVB bevoegd geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering (artikel 24, vijfde lid AOW, artikel 53, vijfde lid Anw, artikel 24, vijfde lid AKW, artikel 58, achtste lid Participatiewet en artikel 6e, derde lid Remigratiewet). Het gebruik van deze bevoegdheid komt slechts aan de orde voor zover de SVB niet reeds in verband met deze zelfde dringende redenen geheel of gedeeltelijk heeft afgezien van intrekking van de uitkering dan wel voorziening, of herziening daarvan ten nadele van de belanghebbende (zie voor het gebruik van deze laatste bevoegdheid SB1078 over verlaging of intrekking met terugwerkende kracht wegens wijziging van de omstandigheden. Voor zover de SVB de uitkering dan wel voorziening niet heeft herzien of ingetrokken, kan immers het bedrag dat in overeenstemming met de toekenningsbeschikking ten onrechte werd betaald reeds om die reden niet worden teruggevorderd.

Een situatie die geen dringende reden oplevert om geheel of gedeeltelijk af te zien van intrekking of herziening van de uitkering, maar wel een dringende reden vormt om geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering, zal zich slechts in een zeer incidenteel geval voordoen. Te denken valt aan een situatie waarin de sociale of financiële omstandigheden van de belanghebbende zich verzetten tegen volledige terugvordering. In het algemeen hanteert de SVB dan echter de door de jurisprudentie ondersteunde lijn dat zij met dergelijke omstandigheden pas rekening houdt bij het besluit over de wijze van terugbetaling.

Specifiek voor de Remigratiewet geldt dat artikel 6e, vierde lid Remigratiewet de SVB verplicht geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering indien de rechthebbende aan al zijn verplichtingen heeft voldaan, en hij in redelijkheid niet heeft kunnen begrijpen dat de voorzieningen ten onrechte of tot een te hoog bedrag zijn verleend. De SVB oordeelt dat de rechthebbende dit redelijkerwijs heeft kunnen begrijpen als het hem, bij normale oplettendheid en gegeven zijn omstandigheden, redelijkerwijs duidelijk kan zijn geweest dat hij iets ontving waarop geen recht bestond. Dit zal in beginsel het geval zijn als dit duidelijk had kunnen zijn op basis van het voorlichtingsmateriaal van de SVB. Hoofdlijnen van de wet worden voorts bekend verondersteld. Bedragen die beduidend afwijken van hetgeen een gerechtigde in zijn omstandigheden zou moeten ontvangen leveren een vermoeden op dat betrokkene bij een normale oplettendheid de teveelbetaling redelijkerwijs had kunnen onderkennen. Betrokkene zal verontschuldigende omstandigheden moeten aanvoeren om dit vermoeden weg te nemen.

Artikel 24 AOW, artikel 53 Anw, artikel 24 AKW, artikel 58 Participatiewet en artikel 6e Remigratiewet vinden toepassing als een bedrag dat tijdens het leven van de uitkeringsgerechtigde onverschuldigd is betaald wordt teruggevorderd:

  • van de uitkeringsgerechtigde zelf, dan wel van een andere in deze artikelen genoemde persoon of instelling;
  • na het overlijden van de uitkeringsgerechtigde: van de erfgenamen van de uitkeringsgerechtigde of van diens partner.

 

De SVB vordert bedragen die zijn doorbetaald na het overlijden van de AOW-gerechtigde terug van de erfgenaam in wiens vermogen de onverschuldigde betalingen zijn gevallen.  

Indien artikel 24 AOW, artikel 53 Anw, artikel 24 AKW, artikel 58 Participatiewet en artikel 6e Remigratiewet niet van toepassing zijn, kan de SVB onverschuldigd betaalde bedragen terugvorderen op grond van artikel 6:203 van het Burgerlijk Wetboek (zie SB1249 over civielrechtelijke terugvordering).

Grondslag

artikel 24 AOW, artikel 53 Anw, artikel 24 AKW, artikel 58 Participatiewet, artikel 22  OBR en artikel 6e Remigratiewet

Wijzigingsbesluit Beleidsregels SVB februari 2019

relaties 7
Terugvordering van voorschotten (SB1116)
Beleidsregel

De verplichting tot terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen zoals neergelegd in artikel 24 AOW, artikel 53 Anw, artikel 24 AKW, artikel 22 OBR en artikel 6eRemigratiewet heeft ook betrekking op uitkeringen die als voorschot zijn toegekend. Op grond van artikel 58, tweede lid, onder d Participatiewet is de SVB bevoegd om een AIO-aanvulling in de vorm van een voorschot terug te vorderen. De SVB maakt in beginsel gebruik van deze bevoegdheid.

Bij de verlening van een voorschot maakt de SVB de betrokkene altijd duidelijk dat het niet om een definitieve toekenning gaat en dat terugvordering zal plaatsvinden als het toegekende bedrag hoger is dan het bedrag waarop uiteindelijk recht blijkt te bestaan. Daarom neemt de SVB in deze situatie niet snel aan dat sprake is van een dringende reden om van terugvordering af te zien met toepassing van artikel 24, vierde lid AOW, artikel 53, vierde lid Anw, artikel 24, vierde lid AKW, artikel 58, achtste lid Participatiewet of artikel 6e, derde lid Remigratiewet. De SVB leidt dit af uit de jurisprudentie (bijvoorbeeld CRvB 26 juli 1990).

Grondslag

artikel 24 AOW, artikel 53 Anw, artikel 24 AKW, artikel 58 Participatiewet, artikel 22  OBR en artikel 6e Remigratiewet

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 3
Participatiewet: hoofdelijke aansprakelijkheid en terugvordering van verzwegen partner (SB1330)
Beleidsregel

In beginsel vordert de SVB de AIO-aanvulling terug van degene aan wie ten onrechte of te veel AIO-aanvulling is verleend: de belanghebbende. De SVB maakt daarbij gebruik van de bevoegdheid bedoeld in artikel 59, eerste lid Participatiewet en vordert de AIO-aanvulling terug van alle gezinsleden die in de AIO-aanvulling zijn betrokken. Op grond van artikel 59, vierde lid Participatiewet zijn deze gezinsleden hoofdelijk aansprakelijk voor de gehele vordering. Zij kunnen zich niet beroepen op onbekendheid met de handelingen van een ander gezinslid die tot de terugvordering hebben geleid. Dit volgt uit een uitspraak van de CRvB van 27 oktober 2015. Een besluit tot terugvordering van onverschuldigd betaalde AIO-aanvulling werkt ten aanzien van alle gezinsleden, ook indien het besluit slechts aan een persoon is bekendgemaakt (CRvB 24 april 2007).

Als een belanghebbende het bestaan van een partner heeft verzwegen, vordert de SVB de ten onrechte of te veel betaalde AIO-aanvulling ook terug van de verzwegen partner, tenzij die partner geen recht heeft op AIO-aanvulling. De hoofdelijke aansprakelijk geldt ook voor de verzwegen partner, mits de SVB het besluit tot mede-terugvordering aan deze partner bekend maakt. De SVB leidt dit af uit een uitspraak van de CRvB van 19 mei 2009.

Participatiewet: matiging van de terugvordering
relaties 2
Recht op AIO-aanvulling ondanks schending van de mededelingsverplichting (SB1326)
Beleidsregel

Het komt voor dat een rechthebbende op AIO-aanvulling verzwijgt dat hij meer vermogen heeft dan het vrijgelaten bedrag of dat hij een gezamenlijke huishouding voert. In dat geval is sprake van een schending van de mededelingsverplichting. De SVB trekt het recht op AIO-aanvulling dan in en vordert de onverschuldigd betaalde AIO-aanvulling terug. Op grond van jurisprudentie (bijvoorbeeld CRvB 21 april 2009 en 15 maart 2016) matigt de SVB de terugvordering als de betrokkene aannemelijk maakt dat hij ten minste over een deel van de betreffende periode recht op een AIO-aanvulling zou hebben gehad, indien hij wel had voldaan aan de mededelingsverplichting. De SVB vordert het deel van de AIO-aanvulling terug dat bij een juiste en volledige nakoming van de mededelingsverplichting niet zou zijn toegekend.

relaties 2
Zes-maanden-jurisprudentie (SB1327)
Beleidsregel

In de gevallen genoemd in artikel 58, tweede lid Participatiewet is de SVB niet verplicht om onverschuldigd betaalde AIO-aanvulling terug te vorderen, maar zij is daartoe wel bevoegd. Op grond van jurisprudentie van de CRvB mag de SVB de bevoegdheid tot terugvordering niet uitoefenen voor zover de terugvordering betrekking heeft op bedragen die zijn betaald meer dan zes maanden na de ontvangst van een signaal van de uitkeringsgerechtigde waaruit het uitvoeringsorgaan had moeten afleiden dat ten onrechte of te veel wordt betaald (bijvoorbeeld CRvB 24 juli 2007). De SVB past deze zogenoemde zes-maanden-jurisprudentie niet toe als toepassing van het beleid over matiging van de herziening of intrekking wegens dringende redenen voor de belanghebbende gunstiger is (zie SB1078 over verlaging of intrekking met terugwerkende kracht wegens wijziging van de omstandigheden).

Grondslag

artikel 58, tweede lid Participatiewet

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 5
Verrekening van ten onrechte niet ingehouden loonbelasting en premies (SB1118)
Beleidsregel

Indien op een pensioen of uitkering gedurende een bepaalde periode ten onrechte geen loonbelasting of socialeverzekeringspremies zijn ingehouden, gaat de SVB ervan uit dat de als gevolg hiervan aan de belanghebbende netto te veel betaalde bedragen onverschuldigd zijn betaald in de zin van artikel 24 AOW, artikel 53 Anw, artikel 22 OBR en artikel 6eRemigratiewet. Bij de beoordeling of deze bedragen met latere betalingen aan de belanghebbende kunnen worden verrekend past de SVB het regime van deze artikelen toe.

Grondslag

artikel 24 AOW, artikel 53 Anw, artikel 24 AKW, artikel 22 OBR en artikel 6e  Remigratiewet

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 3
Overgangsrecht terugvordering basisvoorziening Remigratiewet (SB1248)
Beleidsregel

De SVB was op grond van artikel 12, vierde en vijfde lid Uitvoeringsbesluit Remigratiewet verplicht (een met name genoemd deel van de) toegekende basisvoorzieningen terug te vorderen indien de remigrant, zijn partner of een kind gebruik maakt van de terugkeerregeling als bedoeld in artikel 8 Remigratiewet, of anderszins zijn hoofdverblijf in Nederland vestigt, voor zover deze voorzieningen ten behoeve van de teruggekeerde persoon zijn toegekend. De SVB was in dergelijke situaties niet bevoegd op grond van dringende redenen van terugvordering af te zien (zie ook de uitspraak van de ABRvS van 31 juli 2007). Uit het overgangsrecht van artikel 17, eerste lid Remigratiebesluit volgt dat artikel 12, vierde en vijfde lid van het Uitvoeringsbesluit Remigratiewet van toepassing blijft op personen die voor 1 juli 2014 zijn geremigreerd en basisvoorzieningen hebben ontvangen of voor die datum een basisvoorziening hebben aangevraagd. De SVB voert het volgende beleid over de terugvordering van basisvoorzieningen. Basisvoorzieningen die ten behoeve van teruggekeerde personen zijn toegekend, bestaan uit de som van de kosten van het vervoer van henzelf en hun bagage, opgeteld bij het verschil tussen de toegekende overbruggingsuitkering en de overbruggingsuitkering waarop de remigrant aanspraak zou hebben gehad als alleen de niet teruggekeerde personen zouden zijn geremigreerd.

Grondslag

artikel 12, leden vier en vijf Uitvoeringsbesluit Remigratiewet (zoals deze tekst  luidde voor 1 juli 2014) en artikel 17, lid 1 Remigratiebesluit

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 3

Civielrechtelijke terugvordering (SB1249)

Beleidsregel

Als een uitkering op een onjuiste rekening wordt gestort of als deze ten onrechte wordt doorbetaald na het overlijden van de uitkeringsgerechtigde, dan zijn artikel 24 AOW, artikel 53 Anw, artikel 24 AKW, artikel 58 Participatiewet, artikel 22 OBR en artikel 6e Remigratiewet niet van toepassing. In de jurisprudentie, bijvoorbeeld in de uitspraak van de CRvB van 13 september 1989, is evenwel bepaald dat de SVB dan bevoegd is tot terugvordering van het onverschuldigd betaalde bedrag met toepassing van artikel 6:203 BW. Bij terugvordering op grond van artikel 6:203 BW neemt de SVB geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. De bijzondere invorderingsbepalingen zijn dan niet van toepassing. Een bedrag dat na het overlijden is doorbetaald vordert de SVB slechts terug met toepassing van artikel 6:203 BW voor zover dit bedrag niet op de overlijdensuitkering in mindering kan worden gebracht (artikel 18, vijfde lid AOW, artikel 51, vijfde lid Anw, artikel 18, tweede lid OBR ). In de Participatiewet en de Remigratiewet ontbreekt een dergelijke verrekeningsbepaling.

De hiervoor beschreven civiele terugvordering vindt geen toepassing als

  • het AOW-pensioen na het overlijden van de pensioengerechtigde is doorbetaald, voor zover het onverschuldigd betaalde bedrag in de het vermogen van de erfgenaam van de pensioengerechtigde is gevallen. Op grond van artikel 24, eerste lid AOW vordert de SVB het onverschuldigd betaalde ouderdomspensioen terug van die erfgenaam.

  • kinderbijslag na het overlijden van de verzekerde is doorbetaald, voor zover er sprake is van een overlevende ouder of verzorger ongeacht de vraag of deze voor de AKW verzekerd is. Dit blijkt uit de uitspraak van de CRvB van 24 februari 2006 waarin is bepaald dat artikel 24 AKW voorziet in de mogelijkheid om ten onrechte betaalde kinderbijslag van de overlevende partner of verzorger terug te vorderen.

Wet- en regelgeving
relaties 1

Terug- en invorderingstermijnen (SB1115)

Beleidsregel

Voor de terugvordering van bedragen die onverschuldigd zijn betaald op grond van de AOW, Anw, AKW, Participatiewet, OBR, MKOB, Regeling niet-KOB-gerechtigden, TOG, Remigratieregeling 1985, de Basisremigratiesubsidieregeling 1985 dan wel de Remigratiewet, gelden de verjaringstermijnen die zijn genoemd in artikel 3:309 BW. Op grond van dit artikel kan terugvordering plaatsvinden tot twintig jaar na de onverschuldigde betaling, mits de SVB binnen vijf jaar nadat de onverschuldigde betaling aan haar bekend is geworden, een terugvorderingsactie heeft ingesteld. In het geval van onverschuldigd betaalde AIO-aanvulling in de zin van artikel 58, tweede lid, onderdeel e Participatiewet geldt op grond van het zesde lid van dat artikel een verjaringstermijn van twee jaar.

Wet- en regelgeving

Invordering van bestuursrechtelijke geldschulden

Wijze van terugbetaling

relaties 19
Wijze van terugbetaling (SB1250)
Beleidsregel

Als de SVB een boete oplegt of een besluit tot terugvordering neemt, neemt zij tevens een besluit waarmee een betalingsverplichting in de zin van artikel 4:86 Awb in het leven wordt geroepen. Het voldoen van een boete of het terugbetalen van een onverschuldigd betaald bedrag kan door middel van verrekening of door middel van betaling. De volledige geldschuld kan in één keer worden verrekend of in termijnen. Door het verlenen van uitstel van betaling kan betaling in termijnen plaatsvinden.

De SVB interpreteert artikel 17i AOW, artikel 45 Anw, artikel 17g AKW en artikel 6f Remigratiewet zo dat de boete primair dient te worden geëffectueerd door verrekening van het bedrag met een uitkering verstrekt door de SVB. Op grond van artikel 24a AOW, artikel 54 Anw en artikel 24a AKW in samenhang met artikel 17i AOW, artikel 45 Anw, artikel 17g AKW en op grond van artikel 6f Remigratiewet geldt hetzelfde voor de terugvordering. Hierbij geldt dat te veel of ten onrechte betaald AOW-pensioen kan worden verrekend met nog uit te keren pensioen en dat te veel of ten onrechte betaalde Anw-uitkeringen of kinderbijslag kunnen worden verrekend met AOW-pensioen, Anw-uitkeringen en kinderbijslag. De SVB interpreteert het voorschrift ten aanzien van verrekening van te veel of ten onrechte betaalde Anw-uitkering met kinderbijslag, gelezen in samenhang met artikel 23 AKW zo, dat verrekening van een wezenuitkering met kinderbijslag slechts mogelijk is met kinderbijslag ten behoeve van die wees.

Op grond van artikel 23, eerste lid, onder c, van de AKW is de SVB bevoegd om te veel of ten onrechte betaalde kinderbijslag ten behoeve van een kind te verrekenen met de kinderbijslag voor andere kinderen van een verzekerde. Van deze bevoegdheid maakt de SVB geen gebruik indien een belanghebbende de SVB verzoekt van deze wijze van verrekening af te zien, omdat de andere kinderen niet dezelfde ouders hebben. Hiermee wordt tegemoet gekomen aan de bedoelingen van de wetgever zoals verwoord in de memorie van toelichting op de wet waarmee de huidige tekst van artikel 23 in de AKW is opgenomen (TK 2003-2004, 29 513, nr. 3).

Op grond van artikel 60, vierde lid Participatiewet moet de SVB een boete en een terugvordering als gevolg van een schending van de mededelingsverplichting primair effectueren door verrekening van het bedrag met een uitkering versterkt door de SVB. Hierbij geldt dat een boete en te veel of ten onrechte betaalde AIO-aanvulling kan worden verrekend met nog uit te keren AIO-aanvulling of AOW-pensioen. Dit volgt uit de artikelen 60, vierde lid respectievelijk 60a, derde en vijfde lid Participatiewet. In geval van terugvordering anders dan wegens schending van de mededelingsverplichting is de SVB bevoegd om de te veel of ten onrechte betaalde AIO-aanvulling te verrekenen met nog uit te keren AIO-aanvulling of AOW-pensioen. De SVB leidt dit af uit de artikelen 60, derde lid respectievelijk 60a, derde en vijfde lid Participatiewet. De SVB maakt onverkort gebruik van deze bevoegdheid.

Op grond van artikel 22, derde lid OBR verrekent de SVB te veel betaalde overbruggingsuitkering met het AOW-pensioen dat de betrokkene ontvangt of zal ontvangen.

Te veel betaalde remigratievoorzieningen kunnen op grond van artikel 6f, eerste lid Remigratiewet worden verrekend met later uit te betalen remigratievoorzieningen, AOW-pensioen, Anw-uitkeringen of een AIO-aanvulling.

Het te veel of ten onrechte betaalde wordt teruggevorderd op basis van bruto bedragen. Indien echter verrekening van de ingehouden loonheffing kan plaatsvinden met de nog door de SVB aan de Belastingdienst af te dragen heffingen, wordt beleidsmatig het netto te veel betaalde bedrag teruggevorderd. Deze situatie doet zich slechts voor indien de terugvordering betrekking heeft op het lopende belastingjaar en voor zover terugbetaling geheel zal plaatsvinden in het lopende belastingjaar. Indien derhalve de periodieke verrekening zich zal uitstrekken over meer dan één belastingjaar zal de gehele verrekening bruto plaatsvinden.

Grondslag

artikel 4:86 Awb, artikel 17e, 17i, 24a en 24b AOW, artikel 41, 45, 54 en 55 Anw,  artikel 17c, 17g, 23, eerste lid, 24a en 24b AKW, artikel, 60, derde en vierde lid, 60a,  derde en vijfde lid Participatiewet, artikel 22, derde lid OBR en artikel 6f  Remigratiewet

Wijzigingsbesluit Beleidsregels SVB februari 2019

Termijnen van verrekening en uitstel van betaling
relaties 2
Termijnen van verrekening en uitstel van betaling (SB1251)
Beleidsregel

Op grond van artikel 4:87 Awb hanteert de SVB in beginsel een betalingstermijn van 6 weken in gevallen waarin het verrekenen van een geldschuld met een lopend recht op uitkering niet mogelijk is of in gevallen waarin de geldsom € 2.400,- of hoger is. Op verzoek van de betrokkene verleent de SVB echter uitstel van betaling. De SVB verrekent de geldschuld als deze lager is dan € 2.400,- en verrekening mogelijk is.

Bij het verlenen van uitstel van betaling of het verrekenen van een geldschuld past de SVB de Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen toe. Deze regeling bevat nadere regels over de termijn of termijnen waarbinnen een op grond van de AOW, Anw of AKW verschuldigde geldsom moet worden terugbetaald. Op grond van artikel 22, tweede lid OBR jo. artikel 24b AOW is deze regeling van overeenkomstige toepassing op terugvorderingen op grond van de OBR.

Bij de toepassing van de regeling hanteert de SVB de volgende uitgangspunten.

Op grond van artikel 5 van de regeling verrekent de SVB de geldschuld zonder voorafgaand overleg met de belanghebbende als deze € 300,- of lager is. De verrekening vindt plaats binnen twaalf maanden door inhouding van een bedrag van ten hoogste € 52,- per maand op de uitkering.

De SVB doet aan betrokkene een voorstel als de geldsom hoger is dan € 300,- maar lager dan € 2.400,- en volledige of gedeeltelijke verrekening mogelijk is. Dit voorstel houdt in dat de gehele geldsom binnen twaalf maanden door middel van verrekening of betaling wordt voldaan. De betrokkene kan binnen de in het voorstel genoemde termijn een tegenvoorstel doen. Ook dan moet de gehele geldsom binnen twaalf maanden zijn voldaan. Als de betrokkene niet reageert op het voorstel, zal de SVB conform het voorstel verrekenen of betaling van de vordering verlangen.

Als de geldsom € 2.400,- of hoger is en de betrokkene verzoekt gemotiveerd om uitstel van betaling dan honoreert de SVB dit verzoek indien de gehele geldsom binnen twaalf maanden door middel van verrekening of betaling wordt voldaan.

Als de betrokkene aangeeft dat hij de geldsom niet binnen twaalf maanden kan voldoen, volgt de SVB de procedure van artikel 3 of 4 van de regeling.

De regeling is niet van toepassing bij besluiten tot terugvordering op grond van de Participatiewet en de Remigratiewet. Voor zover de SVB in dergelijke gevallen een besluit neemt inzake de wijze van terugbetaling hanteert zij daarbij naar analogie de regeling en de hiervoor geformuleerde uitgangspunten voor de toepassing daarvan.

Grondslag

Artikel 4:87 Awb, Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering  onverschuldigde betalingen

Wijzigingsbesluit Beleidsregels SVB mei 2021

relaties 1
Wijziging of intrekking van het uitstel van betaling (SB1252)
Beleidsregel

De SVB kan op grond van artikel 4:96 Awb het besluit tot uitstel van betaling intrekken of wijzigen wegens een wijziging in de omstandigheden of het niet naleven van de aan het besluit verbonden voorschriften. In het geval van het niet naleven van de aan het besluit verbonden voorschriften hanteert de SVB het volgende beleid. Als de betrokkene voor de eerste keer zijn terugbetalingsverplichting niet nakomt, maant de SVB hem aan het achterstallige bedrag binnen twee weken te voldoen. De SVB trekt het besluit tot uitstel van betaling in als twee willekeurige betalingstermijnen niet zijn voldaan. De betrokkene dient in dat geval de resterende schuld binnen twee weken te voldoen. Blijft hij in gebreke dan leidt dit tot derdenbeslag op zijn loon of uitkering of beslag op zijn bezittingen. Indien de SVB overgaat tot derdenbeslag stemt zijn de hoogte van de periodiek te verrekenen bedragen af op de volledige aflossingscapaciteit van de betrokkene.

Wet- en regelgeving
relaties 5

Afzien van verdere terugvordering (SB1119)

Beleidsregel

Op grond van het tweede, derde en vierde lid van de artikelen 24 AOW, 53 Anw 24 AKW, artikel 58 zevende lid Participatiewet en artikel 6e, zesde lid Remigratiewet is de SVB in bepaalde situaties bevoegd om van verdere terugvordering af te zien. De bepalingen van de AOW zijn van overeenkomstige toepassing op de terugvordering van een overbruggingsuitkering op grond van de OBR.

Artikel 58, zevende lid Participatiewet ziet alleen op het afzien van verdere terugvordering in geval de ten onrechte verleende AIO-aanvulling het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de mededelingsverplichting. Voor overige terugvorderingen van ten onrechte verleende AIO-aanvulling bevat de Participatiewet geen bepaling over het afzien van terugvordering of verdere terugvordering. Om die reden past de SVB het hierna volgende beleid naar analogie toe op die terugvorderingen.

De SVB past het tweede lid, onder a en b, het derde en vierde lid van de artikelen 24 AOW, 53 Anw en 24 AKW en het zesde lid, onder a en b van artikel 6e Remigratiewet onverkort toe. De SVB ziet daarom op verzoek van de betrokkene af van verdere terugvordering indien de vordering na vijf jaar nog niet volledig is voldaan en hij of zijn wettelijke vertegenwoordiger:

  • gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan; of
  • gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald.

 

Op grond van het derde lid van de artikelen 24 AOW, 53 Anw, 24 AKW, artikel 58, zevende lid Participatiewet en artikel 6e, zevende lid Remigratiewet is deze termijn tien jaar indien de terugvordering het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de mededelingsverplichting.

De genoemde termijn is op grond van het vierde lid van de artikelen 24 AOW, 53 Anw, 24 AKW en artikel 6e, achtste lid Remigratiewet drie jaar indien:

  • het gemiddelde inkomen van de betrokkene in die periode de beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan; en
  • de terugvordering niet het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de mededelingsverplichting.

 

Aan de voorwaarde dat het inkomen de beslagvrije voet niet te boven is gegaan, is ook voldaan als de betrokkene alleen als gevolg van een conjuncturele aanpassing van de normbedragen gedurende (maximaal) drie jaar een inkomen heeft genoten dat de beslagvrije voet overstijgt. Aan deze voorwaarde is niet voldaan als door een wijziging in de situatie van de belanghebbende het inkomen de beslagvrije voet overschrijdt.

Het tweede lid, onderdeel c van de artikelen 24 AOW, 53 Anw en 24 AKW bevat een bevoegdheid om af te zien van verdere terugvordering indien de terugvordering niet is ontstaan door het overtreden van de mededelingsverplichting, gedurende vijf jaren geen betalingen zijn verricht en niet aannemelijk is dat deze op enig moment zullen worden verricht. De SVB maakt gebruik van deze bevoegdheid indien de vordering maximaal € 2.400,- bedraagt. De termijn is tien jaar bij vorderingen tot € 7.000,-, vijftien jaar bij vorderingen tot € 11.500,- en twintig jaar bij vorderingen vanaf € 11.500,-.

Op grond van het derde lid van de hiervoor genoemde artikelen en artikel 58, zevende lid Participatiewet geldt deze bevoegdheid eveneens voor gevallen waarin een terugvordering is ontstaan door het overtreden van de mededelingsverplichting, gedurende tien jaren geen betalingen zijn verricht en niet aannemelijk is dat deze op enig moment zullen worden verricht. De SVB maakt van deze bevoegdheid gebruik, indien de vordering niet hoger is dan € 10.000,-. De termijn is in deze gevallen vijftien jaar bij vorderingen tot € 15.000,- twintig jaar bij vorderingen tot € 20.000,- en vijfentwintig jaar bij vorderingen vanaf € 20.000,-.

Artikel 6e, zesde lid, onderdeel c Remigratiewet kent ook de bevoegdheid om af te zien van verdere terugvordering indien gedurende vijf jaren geen betalingen zijn verricht en niet aannemelijk is dat deze op enig moment zullen worden verricht. De Remigratiewet stelt daarbij niet de voorwaarde dat de terugvordering niet is ontstaan door het overtreden van de mededelingsverplichting. De SVB maakt gebruik van deze bevoegdheid indien de vordering maximaal € 2.400,- bedraagt. De termijn is tien jaar bij vorderingen tot € 7.000,-, vijftien jaar bij vorderingen tot € 11.500,- en twintig jaar bij vorderingen vanaf € 11.500,-.

Op grond van het tweede lid, onderdeel d van de artikelen 24 AOW, 53 Anw en 24 AKW, artikel 58, zevende lid, onderdeel d Participatiewet en artikel 6e, zesde lid, onderdeel d, Remigratiewet is de SVB bevoegd om af te zien van verdere terugvordering indien de betrokkene een bedrag overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in één keer aflost. De SVB maakt slechts gebruik van deze bevoegdheid indien zij van oordeel is dat het resterende deel van de vordering niet zal kunnen worden geïncasseerd.

Grondslag

artikel 24 AOW, artikel 53 Anw, artikel 24 AKW en artikel 6e, lid 6  Remigratiewet

Wijzigingsbesluit Beleidsregels SVB februari 2019

relaties 10

Schuldregeling en schuldsanering (SB1253)

Beleidsregel

Het staat de SVB zoals iedere schuldeiser in beginsel vrij om op verzoek mee te werken aan een minnelijke schuldregeling. Als die medewerking neerkomt op het geheel of gedeeltelijk kwijtschelden van een boete- of terugvordering, verbinden de AOW, Anw, AKW en Participatiewet daar nadere voorwaarden aan. Voor de terugvordering zijn deze voorwaarden opgenomen in de artikelen 25 AOW, 55a Anw en 24c AKW. Op grond van artikel 22, tweede lid OBR is het bepaalde in artikel 25 AOW van overeenkomstige toepassing op de OBR. Als wordt voldaan aan de  voorwaarden, werkt de SVB mee aan een minnelijke schuldregeling. De SVB past deze voorwaarden ook toe op een terugvordering op grond van de Participatiewet. 

Medewerking aan een schuldregeling is niet toegestaan als die medewerking leidt tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van een terugvordering die het gevolg is van een schending van de mededelingsplicht waarvoor een boete is opgelegd of aangifte is gedaan. Als boeteoplegging of aangifte achterwege is gebleven wegens verjaring of verzuim van de SVB, werkt de SVB in beginsel niet mee aan een schuldregeling. De SVB wijkt hiervan af als er dringende redenen aanwezig zijn als bedoeld in SB1111 over afzien van een sanctie wegens dringende redenen.

Voor de boetevordering geldt het bepaalde in de artikelen 17c, twaalfde lid AOW, artikel 39, elfde lid Anw, artikel 17a, elfde lid AKW en artikel 47g, dertiende lid van de Participatiewet. Een boetevordering kan wel geheel of gedeeltelijk worden kwijtgescholden bij medewerking aan een schuldregeling. De SVB werkt mee aan de minnelijke schuldregeling als aan de wettelijke voorwaarden is voldaan. 

Als de schuldenaar de schuldregeling niet behoorlijk nakomt, trekt de SVB het besluit waarin zij heeft afgezien van de (gedeeltelijke) terugvordering in en vordert het oorspronkelijk openstaande bedrag van de terugvordering alsnog in z'n geheel in.

Als een schuldsaneringsregeling is uitgesproken op grond van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Faillissementswet, titel III), dan werkt de schuldsaneringsregeling ten aanzien van vorderingen op de schuldenaar die ten tijde van de uitspraak tot toepassing van de schuldsaneringsregeling bestaan. De SVB gaat ervan uit dat, gelet op de artikelen 6:203 en 3:309 BW, een vordering uit onverschuldigde betaling ontstaat op het moment waarop er te veel uitkering is betaald. Vorderingen uit onverschuldigde betaling die zijn ontstaan vóór de uitspraak tot toepassing van de schuldsaneringsregeling kan de SVB niet invorderen of niet langer invorderen. Deze vorderingen vallen onder de schuldsaneringsregeling en worden aangemeld bij de bewindvoerder.

Op grond van een arrest van de Hoge Raad kan een vordering uit onverschuldigd betaald AOW-pensioen of Anw-uitkering, die is ontstaan voordat de schuldsaneringsregeling is uitgesproken, worden verrekend met nog uit te betalen AOW-pensioen of Anw-uitkering. De SVB maakt van deze verrekeningsmogelijkheid geen gebruik, maar zal de vordering aanmelden bij de bewindvoerder.

Als een schuldsaneringsregeling is uitgesproken op grond van de Wet schuldsanering natuurlijke personen stelt de rechter-commissaris een bedrag vast dat ter vrije beschikking blijft van de belanghebbende. In die gevallen stelt de SVB niet zelf de beslagvrije voet vast, maar hanteert zij het door de rechter-commissaris vastgestelde bedrag als beslagvrije voet.

Grondslag

artikel 25 AOW, artikel 55a Anw, artikel 24c AKW, artikel 47g, dertiende lid en artikel 60c Participatiewet, artikel 22, tweede lid OBR en titel  III Faillissementswet

Wijzigingsbesluit Beleidsregels SVB mei 2021

SVB Beleidsregels - Internationaal

EG-Verordeningen

Algemene bepalingen

Personele werkingssfeer
relaties 8
Verplaatsingscriterium (SB2120)
Beleidsregel

Uit de verwijzing naar artikel 48 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en overweging 13 van de Preambule bij Verordening (EG) nr. 883/2004 blijkt dat deze verordening van toepassing is op personen 'die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen'. In het arrest Petit is ten aanzien van EU-onderdanen door het Hof van Justitie EU bepaald dat Verordening (EG) nr.883/2004 geen toepassing kan vinden in zuiver nationale situaties. Er dient sprake te zijn van enig intra-unitair aanknopingspunt. De SVB gaat ervan uit dat een dergelijk aanknopingspunt bestaat als de situatie van een persoon, wat de woon- of verblijfplaats, of de plaats van verrichting van de beroepsactiviteiten betreft, een of meer grensoverschrijdende aspecten in zich draagt (bijvoorbeeld een in Nederland woonachtige Nederlander die tijdelijk werkzaamheden in een andere lidstaat verricht).

Uit het arrest Khalil van het Hof van Justitie EU van 11 oktober 2001 volgt dat aan het verplaatsingscriterium in ieder geval niet is voldaan wanneer de situatie van een persoon uitsluitend aanknopingspunten heeft met een derde staat en één enkele lidstaat. Verordening (EG) nr. 883/2004 is derhalve in ieder geval niet van toepassing als een onderdaan van een land buiten de EU, EER of Zwitserland zich, komend vanuit dat land, voor het eerst in een lidstaat van de EU, een EER-land of Zwitserland vestigt.

De bepalingen van titel II van Verordening (EG) nr. 883/2004 zijn alleen van toepassing voor zover de actuele casus van een persoon grensoverschrijdende elementen bevat. Wat de toepasselijkheid van de overige bepalingen in deze verordening betreft, zoals vervat in titel I en titel III, volstaat het dat de persoon zich in het verleden binnen de Europese Unie heeft verplaatst.

Voor de toepassing van hoofdstuk 8 van titel III van Verordening (EG) nr. 883/2004 (gezinsuitkeringen) is reeds aan het verplaatsingscriterium voldaan als de rechthebbende werkzaam of woonachtig is in een andere lidstaat dan het woonland van het gezinslid waarvoor gezinsuitkeringen worden verkregen.

Grondslag

Verordening (EG) nr. 883/2004

Besluit beleidsregels SVB 2016

Wet- en regelgeving
relaties 6
Werkzaamheden in loondienst en werkzaamheden anders dan in loondienst (SB2121)
Beleidsregel

Artikel 1, onder a en b Verordening (EG) nr. 883/2004 omschrijft de begrippen 'werkzaamheden in loondienst' en 'werkzaamheden anders dan in loondienst'. De afbakening van deze begrippen is relevant omdat Verordening (EG) nr. 883/2004 in titel II en III afzonderlijke bepalingen kent voor werkzaamheden in loondienst en voor werkzaamheden anders dan in loondienst.

De SVB beoordeelt of sprake is van werkzaamheden in loondienst of werkzaamheden anders dan in loondienst aan de hand van de Werkloosheidswet. Werkzaamheden die leiden tot verplichte verzekering of de mogelijkheid van vrijwillige verzekering ingevolge die wet, worden aangemerkt als werkzaamheden in loondienst. Dit betekent dat de persoon die niet verplicht verzekerd is voor de Werkloosheidswet en zich daarvoor evenmin vrijwillig kan verzekeren, wordt aangemerkt als werkzaam anders dan in loondienst. Een werknemer die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt is uitgesloten van het werknemersbegrip in de Werkloosheidswet. Niettemin beschouwt de SVB de persoon die alleen vanwege de pensioengerechtigde leeftijd van het werknemersbegrip in de Werkloosheidswet is uitgesloten als werknemer voor de vraag of sprake is van werkzaamheden in loondienst of anders dan in loondienst. Het begrip 'werkzaamheden' wordt ruim uitgelegd. Het is bijvoorbeeld niet noodzakelijk dat een persoon die werkzaamheden anders dan in loondienst verricht, een rechtstreekse geldelijke tegenprestatie voor zijn werkzaamheden ontvangt. Het volstaat dat de betrokkene in het kader van zijn werkzaamheden vergoedingen ontvangt die hem geheel of gedeeltelijk in staat stellen in zijn levensonderhoud te voorzien, ook indien dergelijke vergoedingen door derden worden opgebracht. Geestelijken die worden onderhouden door hun gemeente, worden derhalve aangemerkt als personen die werkzaamheden anders dan in loondienst verrichten. Overigens acht de SVB de criteria zoals beschreven in SB1035 over wonen in Nederland, werken buiten Nederland ter zake van de invulling van het begrip arbeid van overeenkomstige toepassing.

Grondslag

artikel 1, aanhef en onder a en b Vo. 883/2004

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 3
Personele werkingssfeer (SB2123)
Beleidsregel

Blijkens de tekst van artikel 2 Verordening (EG) nr. 883/2004 bestaat de personele werkingssfeer van deze verordening uit onderdanen van een lidstaat, staatlozen en vluchtelingen, die in een van de lidstaten wonen, en op wie de wetgeving van een of meer lidstaten van toepassing is of geweest is, alsmede op hun gezinsleden en hun nabestaanden.

Uit de redactie van artikel 2 Verordening (EG) nr. 883/2004 zou men af kunnen leiden dat onderdanen van een lidstaat in één van de lidstaten moeten wonen om onder de personele werkingssfeer te vallen. Op grond van de officiële versies van deze bepaling in andere talen van de Europese Unie gaat de SVB er echter van uit dat deze wooneis uitsluitend geldt voor staatlozen en vluchtelingen.

Verordening (EG) nr. 883/2004 is ook van toepassing op personen die niet zelfstandig onder de personele werkingssfeer van deze verordening vallen maar gezinslid of nabestaande zijn van een persoon die daar wel onder valt of viel. Uit het arrest Cabanis van het Hof van Justitie EU blijkt dat deze gezinsleden en nabestaanden zich zelfstandig kunnen beroepen op alle bepalingen van Verordening (EG) nr. 883/2004, tenzij deze bepalingen uitsluitend van toepassing zijn op personen die rechtstreeks onder de personele werkingssfeer van Verordening (EG) nr. 883/2004 vallen. In dat geval hebben hun gezinsleden en nabestaanden slechts afgeleide rechten, dat wil zeggen rechten die zij ontlenen aan hun familierelatie met de persoon die onder de werkingssfeer van Verordening (EG) nr. 883/2004 valt (arrest Silvia Hosse).

Grondslag

artikel 2 Vo. 883/2004

Besluit beleidsregels SVB 2016

Wet- en regelgeving
relaties 2
Onderdanen van landen buiten de Europese Unie (SB2124)
Beleidsregel

De personele werkingssfeer van Verordening (EG) nr. 883/2004 is in beginsel beperkt tot de onderdanen van lidstaten van de EU, landen van de EER en Zwitserland. Onderdanen van derde landen vallen uitsluitend onder de personele werkingssfeer van die verordening als zij erkend zijn als vluchteling of in de hoedanigheid van gezinslid of nabestaande. In Verordening (EU) nr. 1231/2010 is echter bepaald dat op onderdanen van derde landen die uitsluitend wegens hun nationaliteit niet onder Verordening (EG) nr. 883/2004 vallen, die laatste verordening niettemin van toepassing is als deze onderdanen legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijven en zich rechtmatig binnen de Unie verplaatsen.

Het begrip legaal verblijf is niet gedefinieerd in Verordening (EU) nr. 1231/2010. Het beleid van de SVB is om legaal verblijf in Nederland aan te nemen indien dit verblijf rechtmatig is in de zin van artikel 8 Vw 2000, met dien verstande dat de SVB geen legaal verblijf aanneemt indien de vreemdeling in Nederland verblijft in afwachting van een aanvraag om eerste toelating.

Uit de titel, considerans en bepalingen van Verordening (EU) nr. 1231/2010 volgt dat onderdanen van derde landen op dezelfde wijze als gemeenschapsonderdanen moeten voldoen aan het verplaatsingscriterium zoals omschreven in SB2120 over het verplaatsingscriterium.

Verordening (EU) nr. 1231/2010 is niet van toepassing op Denemarken en het Verenigd Koninkrijk. In relatie met Denemarken past de SVB daarom titel II van Verordening (EG) nr. 883/2004 niet toe op onderdanen van derde landen die in Denemarken verblijven. Voorts beschouwt de SVB Denemarken niet als lidstaat in de zin van Verordening (EG) nr. 883/2004 bij de beoordeling van de vraag of aan het verplaatsingscriterium is voldaan door een onderdaan van een derde land. Wanneer zich in de situatie van een onderdaan van een derde land aanknopingspunten voordoen met Denemarken en ten minste twee andere lidstaten, dan past de SVB Verordening (EG) nr. 883/2004 uitsluitend toe in relatie tot deze andere lidstaten. Dit beleid geldt eveneens in relatie tot Noorwegen, IJsland, Liechtenstein en Zwitserland, die geen lid zijn van de EU.

In relatie tot het Verenigd Koninkrijk doet zich de bijzondere situatie voor dat op onderdanen van derde landen ook na de inwerkingtreding van Verordening (EU) 1231/2010 op 1 januari 2011 de voorheen geldende Verordening (EG) nr. 859/2003 van toepassing blijft. De SVB geeft daarom voor onderdanen van derde landen toepassing aan Verordening (EEG) nr. 1408/71 wanneer zich in de situatie van een onderdaan van een derde land aanknopingspunten voordoen met het Verenigd Koninkrijk.

Grondslag

artikel 1 en 2 Vo. 1231/2010

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 6
Beginsel van gelijke behandeling naar nationaliteit (SB2125)
Beleidsregel

Artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie bepaalt dat een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit burger van de Unie is. Uit onder meer de arresten Grzelczyk, Gottardo en D'Hoop van het Hof van Justitie EU blijkt dat dit burgerschap in samenhang met artikel 18 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aanspraak op gelijke behandeling verleent aan alle EU-onderdanen die zich in gelijke omstandigheden bevinden, ongeacht nationaliteit en onverminderd de uitdrukkelijk vastgestelde uitzonderingen. De SVB leidt uit deze jurisprudentie van het Hof van Justitie EU en artikel 4 Verordening (EG) nr. 883/2004 af dat bij de toepassing van de Nederlandse socialezekerheidswetgeving elk onderscheid naar nationaliteit tussen Nederlandse onderdanen en EU-onderdanen achterwege moet blijven. Dit beroep op gelijke behandeling naar nationaliteit kan worden gedaan ongeacht de woonplaats van de EU-onderdaan.

De SVB leidt uit het arrest Martinez Sala van het Hof van Justitie EU af dat onderdanen van een lidstaat van de EU of de EER en onderdanen van Zwitserland, die bevoegd zijn op Nederlands grondgebied te verblijven, onder dezelfde voorwaarden als Nederlandse onderdanen recht hebben op sociale verzekeringsuitkeringen. Van hen kan niet worden gevergd dat zij de rechtmatigheid van hun verblijf aantonen door middel van een door de Nederlandse autoriteiten afgegeven verblijfsdocument. Het arrest Martinez Sala gaat evenwel niet zo ver dat het een materiële koppeling verbiedt tussen verzekering op grond van de sociale verzekeringswetten en de rechtmatigheid van het verblijf of de arbeid in Nederland van de betreffende onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland.

Grondslag

artikel 20 VWEU en artikel 4 Vo. 883/2004

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 11
Territoriale werkingssfeer (SB2135)
Beleidsregel

Het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 883/2004 wordt territoriaal begrensd door artikel 52 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 355 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, die een opsomming bevatten van de lidstaten van de Europese Unie en van de overige gebieden waarop de verdragen van toepassing zijn. De toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 is daarom in beginsel slechts aan de orde als een persoon op het grondgebied van de Europese Unie woont en werkt. Uit het arrest Salemink blijkt dat in het kader van de sociale zekerheid tot dit grondgebied eveneens moet worden gerekend het onder de Noordzee gelegen deel van het continentaal plat waarover Nederland soevereine rechten uitoefent.

Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie EU blijkt dat Verordening (EG) nr. 883/2004 eveneens van toepassing kan zijn als een persoon onder de personele werkingssfeer valt maar buiten het grondgebied van de Europese Unie woont of werkt. De SVB voert in dit kader het volgende beleid.

De SVB gaat ervan uit dat titel II van Verordening (EG) nr. 883/2004 van toepassing is als een werknemer op het grondgebied van de Europese Unie woont maar buiten het grondgebied van de Unie werkt voor een binnen de Unie gevestigde werkgever. Daarbij ontleent de SVB aan de overwegingen van het Hof van Justitie EU in de arresten Prodest en Aldewereld de voorwaarde dat de werknemer onmiddellijk voorafgaand aan de buiten de Unie verrichte arbeid verzekerd moet zijn in de lidstaat waar zijn werkgever is gevestigd dan wel dat de werknemer op grond van de nationale wetgeving van die lidstaat verzekerd is tijdens de arbeid buiten de Unie. Indien aan een van deze voorwaarden wordt voldaan gaat de SVB ervan uit dat de wetgeving van de lidstaat van de werkgever als toepasselijk is aangewezen gedurende de periode dat buiten de Unie arbeid wordt verricht.

De SVB neemt op grond van het arrest Chuck aan dat hoofdstuk 5 van titel III van Verordening (EG) nr. 883/2004, betreffende ouderdom en overlijden, alsmede Bijlage XI, onderdeel Nederland, onder 3, betreffende het recht op nabestaandenuitkering, van toepassing is ongeacht de woonplaats van de aanvrager om ouderdomspensioen of nabestaandenuitkering onder de voorwaarde dat de aanvrager onder de personele werkingssfeer van de verordening viel (zie SB2120 over het verplaatsingscriterium). Indien een buiten de Europese Unie wonende persoon aan de wetgeving van meer dan een lidstaat onderworpen is geweest, dient zijn ouderdomspensioen of de uitkering ten behoeve van zijn nabestaanden daarom te worden berekend met toepassing van hoofdstuk 5 van titel III. Dit uitgangspunt geldt niet voor de toepassing van hoofdstuk 8 van titel III, voor zover dit betrekking heeft op gezinsuitkeringen voor pensioengerechtigden, en Bijlage XI, onderdeel Nederland, punt 2, onder a tot en met d, betreffende in aanmerking te nemen tijdvakken voor de berekening van een ouderdomspensioen. De daarin vervatte bepalingen zijn blijkens de tekst van de verordening alleen van toepassing als de aanvrager op het grondgebied van de Europese Unie woont.

Op grond van Bijlage II, artikel 1, tweede lid, van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen, is voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 met ingang van 1 april 2012 het grondgebied van de Europese Unie gelijkgesteld het grondgebied van de lidstaten van Zwitserland. Op grond van Bijlage VI, Sectorale Aanpassingen, bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte geldt dit met ingang van 1 juni 2012 eveneens voor de landen van de Europese Economische Ruimte, IJsland, Liechtenstein en Noorwegen.

Grondslag

artikel 52 VEU, artikel 355 VWEU, Bijlage II, artikel 1, lid 1, Overeenkomst  EG-Zwitserse Bondsstaat over het vrije verkeer van personen en Bijlage VI bij de  Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte

Besluit beleidsregels SVB 2016

Wet- en regelgeving
  • VEU: art. 52
  • VWEU: art. 355
  • Overeenkomst EG-Zwitserse Bondsstaat over het vrije verkeer van personen: Bijlage II, artikel 1, lid 1
  • Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte: Bijlage VI
relaties 3
In aanmerking te nemen tijdvakken voor de opening van het recht op uitkering (SB2150)
Beleidsregel

Artikel 6 van Verordening (EG) nr. 883/2004 voorziet in het beginsel van de samentelling van tijdvakken. Dit beginsel beoogt te voorkomen dat personen nadeel ondervinden van migratie doordat aan hen in een lidstaat prestaties worden geweigerd vanwege een te korte duur van verzekering in die lidstaat. Artikel 6 schrijft in dat geval voor dat de betrokken lidstaat voor de opening van het recht op uitkering rekening moet houden met tijdvakken vervuld in andere lidstaten.

Artikel 6 van Verordening (EG) nr. 883/2004 zou onder meer van belang kunnen zijn bij de toepassing van artikel 7, eerste lid, onder b AOW. Uit die bepaling vloeit voort dat geen recht op ouderdomspensioen bestaat als de totale duur van de verzekering minder dan een jaar bedraagt. Op grond van artikel 57, eerste lid Verordening (EG) nr. 883/2004 mag een lidstaat echter een pensioen weigeren als dit pensioen is gebaseerd op een tijdvak van minder dan een jaar. Voor de vraag of Verordening (EG) nr. 883/2004 het toestaat een ouderdomspensioen te weigeren als sprake is van minder dan een jaar verzekering in Nederland past de SVB het beleid toe in SB2152 over tijdvakken van wonen of werken van minder dan één jaar.

In Nederland is artikel 6 van toepassing op de situatie waarin op grond van artikel 15, eerste lid, onder b Anw een uitkering zou kunnen worden geweigerd. In artikel 15, eerste lid, onder b Anw is bepaald dat geen recht op een nabestaandenuitkering bestaat als de overledene binnen een jaar na aanvang van zijn verzekering is overleden en de gezondheidstoestand bij de aanvang van de verzekering het overlijden redelijkerwijs moest doen verwachten. Mede blijkens de arresten Moscato en Klaus van het Hof van Justitie EU moeten in die situatie tijdvakken van verzekering vervuld krachtens de wettelijke regeling van een andere lidstaat, worden opgeteld bij de periode van verzekering in Nederland als waren die tijdvakken in Nederland vervuld. De SVB hanteert daarom bij de toepassing van artikel 15, eerste lid, onder b Anw als aanvang van de verzekering de datum waarop de laatste periode van aaneengesloten verzekering binnen het grondgebied van de Europese Unie is aangevangen. Uit het arrest Klaus blijkt verder dat, als tussen de verzekering in de andere lidstaat en de verzekering in Nederland door de verhuizing naar Nederland een kort hiaat ontstaat, dit hiaat niet gezien mag worden als een onderbreking van de verzekeringsperiode.

Grondslag

artikel 6 en artikel 51, lid 3 Vo. 883/2004

Besluit beleidsregels SVB 2016

Wet- en regelgeving
relaties 7
Verhouding met overig internationaal recht (SB2127)
Beleidsregel

Uit rechtspraak van het Hof van Justitie EU volgt dat het in artikel 8 van Verordening (EG) nr. 883/2004 neergelegde beginsel dat deze verordening in de plaats treedt van de bepalingen van tussen lidstaten gesloten verdragen inzake sociale zekerheid, een dwingend karakter heeft. De enige uitzondering hierop wordt gevormd door de bepalingen genoemd in bijlage II van Verordening (EG) nr. 883/2004. Het beginsel vindt ook toepassing als de verdragen waarvoor Verordening (EG) nr. 883/2004 in de plaats treedt tot hogere uitkeringen leiden dan Verordening (EG) nr. 883/2004. Het Hof van Justitie EU heeft echter bepaald dat de substitutie van tussen lidstaten gesloten verdragen door Verordening (EG) nr. 883/2004 niet tot gevolg heeft dat een persoon socialezekerheidsvoordelen verliest die hij heeft opgebouwd onder vigeur van een dergelijk verdrag vóór de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 883/2004. Mede in het licht van de gezamenlijke rechtspraak van het Hof van Justitie EU en de Centrale Raad van Beroep gaat de SVB ervan uit dat deze voordelen blijven behouden indien is voldaan aan de volgende voorwaarden:

 

  • de toepassing van het verdrag leidt tot een voor betrokkene gunstiger situatie dan toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004;
  • de betrokkene heeft vóór het moment van substitutie rechten onder het verdrag opgebouwd.

 

Aan het vereiste dat rechten zijn opgebouwd onder een verdrag is voldaan indien ten minste de volgende voorwaarden zijn vervuld:

 

  • de betrokkene was vóór het moment van substitutie van het verdrag door Verordening (EG) nr. 883/2004 aangesloten bij een nationale wettelijke regeling van een lidstaat die onder de materiële werkingssfeer van het verdrag viel;
  • die aansluiting is mede bepalend voor de berekening van de aanspraak die aan de toepassing van het verdrag kan worden ontleend en
  • de betrokkene is tussen de betrokken lidstaten gemigreerd vóór het moment van substitutie van het verdrag door Verordening (EG) nr. 883/2004.

 

Het beginsel van behoud van socialezekerheidsvoordelen die de betrokkene heeft opgebouwd onder vigeur van een bilateraal verdrag vóór de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 883/2004, wordt op grond van het arrest Gómez Ródriguez van het Hof van Justitie EU niet toegepast als eerder een vergelijking heeft plaatsgevonden van de aanspraken van betrokkene op grond van Verordening (EG) nr. 883/2004 en zijn aanspraken op grond van het verdrag en de eerstgenoemde aanspraken toen gunstiger waren.

Grondslag

artikel 8 en bijlage II Vo.883/2004, artikel 8 en artikel 9 en bijlage 1 Vo.  987/2009

Besluit beleidsregels SVB 2016

Vaststelling van de toe te passen wetgeving

relaties 17
Voorrang van de conflictregels boven nationale verzekeringsvoorwaarden (SB2128)
Beleidsregel

Om te voorkomen dat een persoon gelijktijdig onder de wetgevingen van twee of meer lidstaten verzekerd is of juist in het geheel niet onderworpen is aan de wetgeving van een lidstaat, schrijft artikel 11, eerste lid, Verordening (EG) nr. 883/2004 uitdrukkelijk voor dat slechts één wetgeving van toepassing kan zijn. Ten einde de toepasselijke wetgeving aan te wijzen bevat titel II van Verordening (EG) nr. 883/2004 conflictregels.

Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie EU en de Centrale Raad van Beroep blijkt dat de conflictregels voorrang hebben boven strijdige nationale verzekeringsvoorwaarden. Deze voorrang wordt ook wel aangeduid met de term 'exclusieve werking' (toepasselijkheid van de wetgeving van de ene lidstaat sluit gelijktijdige toepasselijkheid van de wetgeving van de andere lidstaat uit) en 'sterke werking' (als conflictregels de wetgeving van een lidstaat van toepassing verklaren, mogen voor de aansluiting van een persoon bij deze wetgeving geen territoriale aansluitingsvoorwaarden worden tegengeworpen).

De exclusieve en sterke werking van de conflictregels laten onverlet de bevoegdheid van lidstaten tot het stellen van aansluitingsvoorwaarden, zolang deze voorwaarden niet door middel van nationaliteits- of territoriale criteria gericht zijn op afbakening van het eigen rechtsstelsel ten opzichte van buitenlandse rechtsstelsels.

Grondslag

artikel 11, lid 1 Vo. 883/2004

Besluit beleidsregels SVB 2016

Wet- en regelgeving
Overgang van werkzaamheden naar inactiviteit
relaties 1
Overgang van werkzaamheden naar inactiviteit (SB2130)
Beleidsregel

Voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 is van belang of iemand actief werkzaamheden verricht, geen werkzaamheden (meer) verricht of een uitkering geniet. De criteria die bepalen tot welke categorie een persoon behoort, zijn vanwege wijzigingen in het toepasselijke recht mede afhankelijk van het tijdvak waarop de beoordeling betrekking heeft. Hierbij moeten worden onderscheiden:

 

  • tijdvakken bestreken door Verordening (EG) nr. 883/2004,
  • tijdvakken waarin het toepasselijke recht werd gevormd door het op 29 juli 1991 in werking getreden artikel 13, tweede lid, onder f, van Verordening (EEG) nr. 1408/71 en
  • tijdvakken die voor laatstgenoemde datum zijn gelegen.

 

Grondslag

artikel 11, leden 2 en 3 Vo. 883/2004

Besluit beleidsregels SVB 2016

Wet- en regelgeving
relaties 1
Tijdvakken op grond van Verordening (EG) nr. 883/2004 (SB2263)
Beleidsregel

Artikel 11, derde lid, onder a, van Verordening (EG) nr. 883/2004 bevat een aanwijsregel voor personen, met uitzondering van ambtenaren, die werkzaamheden verrichten in loondienst of werkzaamheden anders dan in loondienst. Artikel 11, tweede lid, Verordening (EG) nr. 883/2004 bepaalt dat personen die een uitkering ontvangen omdat of als gevolg van het feit dat zij een werkzaamheid uitvoeren, moeten worden beschouwd als personen die die werkzaamheid verrichten. Artikel 11, derde lid, onder e, Verordening (EG) nr. 883/2004 bevat een conflictregel die voor niet-actieven de wetgeving van de woonplaats als toepasselijk aanwijst. De SVB begrijpt deze bepalingen zo dat de Nederlandse wetgeving van toepassing blijft op personen die in aansluiting op in Nederland verrichte werkzaamheden een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de IOW, IOAZ en IOAW ontvangen of recht hebben op betaling van loon op grond van artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek. In deze gevallen neemt de SVB aan dat sprake is van werken in twee lidstaten als de betrokkene naast zijn Nederlandse uitkering of de loondoorbetaling arbeid verricht in een andere lidstaat (zie SB2138 over werken in loondienst in twee of meer lidstaten). Op personen die hun werkzaamheden hebben gestaakt, in een andere lidstaat wonen en een AOW-pensioen of een Anw- of WIA-uitkering ontvangen, is de wetgeving van toepassing van hun woonstaat.

De vraag doet zich voor of perioden waarin een dienstbetrekking voortduurt maar niet daadwerkelijk werkzaamheden worden verricht of aanspraak bestaat op een Nederlandse uitkering of loondoorbetaling, moeten worden aangemerkt als perioden waarin werkzaamheden worden verricht. Dit geldt met name voor perioden van onbetaald verlof. De SVB hanteert het beleid dat deze perioden worden beschouwd als perioden waarin werkzaamheden worden verricht zolang de verzekering voor de werkloosheidswet doorloopt. Hiervoor gelden de volgende door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen gehanteerde cumulatieve voorwaarden:

  • De dienstbetrekking blijft in stand gedurende de periode van onbetaald verlof;
  • De periode van onbetaald verlof is vooraf overeengekomen tussen de werkgever en de werknemer;
  • De werkgever en de werknemer verbinden zich na afloop van de overeengekomen periode weer tot het betalen van loon en het verrichten van werkzaamheden;
  • De overeengekomen periode van onbetaald verlof bedraagt maximaal 78 weken.

De SVB neemt aan dat een dienstverband is verbroken als aan het arbeidscontract tussen werkgever en werknemer geen andere rechten en plichten meer verbonden zijn dan die welke verband houden met het formeel beëindigen van de arbeidsovereenkomst.

Het beleid betreffende onbetaald verlof betekent dat de SVB aanneemt dat een werknemer in meerdere lidstaten werkzaamheden verricht als hij tijdens een periode van onbetaald verlof in Nederland in een andere lidstaat werkt (zie verder SB2138, werken in loondienst in twee of meer lidstaten).

Grondslag

Artikel 11, lid 2 en lid 3, onder e Vo. 883/2004

Besluit beleidsregels SVB 2016

Wet- en regelgeving
relaties 10
Tijdvakken op grond van artikel 13, lid 2, onder f Verordening (EEG) nr. 1408/71 (SB2132)
Beleidsregel

In de periode van 29 juli 1991 tot aan het moment van toepassing worden van Verordening (EG) nr. 883/2004 wordt de rechtspositie van personen die hun werkzaamheden staakten bestreken door artikel 13, tweede lid, onder f, van Verordening (EEG) nr. 1408/71. Op grond van deze bepaling zijn werknemers of zelfstandigen die ophouden onderworpen te zijn aan de wetgeving van hun laatste werkland, onderworpen aan de wetgeving van hun woonland. Zoals volgt uit artikel 10ter van Verordening (EEG) nr. 574/72 wordt aan de hand van het nationale recht van het laatste werkland bepaald of de betrokkene aan die wetgeving onderworpen is gebleven. Voor de toepasselijkheid van de Nederlandse wetgeving wordt onderzocht of de betrokkene nog voor één of meerdere takken van verzekering is aangesloten bij het Nederlandse stelsel.

De SVB gaat ervan uit dat in de periode tussen 29 juli 1991 en het van toepassing worden van Verordening (EG) nr. 883/2004 de overige in titel II van Verordening (EEG) nr. 1408/71 opgenomen conflictregels slechts van toepassing zijn op personen die een dienstbetrekking hadden of daadwerkelijk beroepswerkzaamheden verrichtten. Een 'nawerking' van deze conflictregels voor personen die hun beroepswerkzaamheden hebben gestaakt is sinds 29 juli 1991 niet langer aan de orde. Dit uitgangspunt geldt blijkens het arrest Kuusijärvi zowel voor personen die definitief alle beroepswerkzaamheden hebben gestaakt als voor personen die niet definitief hun beroepswerkzaamheden hebben gestaakt. Het voorgaande heeft tot gevolg dat de aanwijsregel van artikel 13, tweede lid, onder f, Verordening (EEG) nr. 1408/71 tevens van toepassing is op zieken en werklozen. Wat werklozen betreft is de toepasselijkheid van die bepaling bevestigd in het arrest Adanez-Vega.

Toepassing van artikel 13, tweede lid, onder f, Verordening (EEG) nr. 1408/71 leidt er in samenhang met artikel 10 ter van Verordening (EEG) nr. 574/72 toe dat personen onderworpen blijven aan de Nederlandse wetgeving indien uit hoofde van de nationale verzekeringsbepalingen nog aansluiting bestaat bij ten minste een tak van sociale zekerheid. Personen die een WW-uitkering ontvingen en in een andere lidstaat woonden, blijven in Nederland verzekerd voor de duur van de uitkering. Deze personen worden immers als verzekerde werknemers in de zin van de WW beschouwd. Personen die een uitkering ingevolge de Ziektewet ontvingen of van wie het loon werd doorbetaald op grond van artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek blijven in Nederland verzekerd voor de WW en de WAO voor de duur van hun uitkering of loondoorbetaling. Uit dien hoofde is ook op hen de Nederlandse wetgeving van toepassing.

De Nederlandse wetgeving is niet van toepassing indien blijkt dat een persoon die niet in Nederland woonachtig was, nog voor één of meerdere takken van verzekering was aangesloten bij het wettelijke stelsel van het laatste werkland. Uit rechtspraak van het Hof van Justitie EU volgt dat deze aansluiting nog daadwerkelijk dekking moet geven voor één of meerdere risico's als genoemd in artikel 4, eerste lid, Verordening (EEG) nr. 1408/71. Er is bijvoorbeeld sprake van daadwerkelijke dekking als ongeacht de woonplaats:

 

  • nog tijdvakken van verzekering worden opgebouwd, of
  • rechten ontstaan op een uitkering bij het intreden van een risico, of
  • bepaalde medische zorg wordt vergoed (op grond hiervan dienen onder andere Duitse post-actieve ambtenaren die verzekerd blijven voor de 'Beihilfe', nog als verzekerd in Duitsland te worden beschouwd).

 

Als niet bekend is dat nog sprake is van buitenlandse verzekering, kan het voorkomen dat ten onrechte is uitgegaan van de toepasselijkheid van de Nederlandse volksverzekeringen. In dat geval zal op aanvraag van de belanghebbende artikel 13, tweede lid, onder f, Verordening (EEG) nr. 1408/71 worden toegepast met een terugwerkende kracht van maximaal vijf jaren, mits in de tussentijd geen zwaarwegend risico werd gedragen door de Nederlandse verzekeringsinstanties (bijvoorbeeld ingevolge de Anw of AWBZ). De terugwerkende kracht van vijf jaren is afgeleid van de termijn die de Belastingdienst hanteert voor de teruggave van premies. Tijdvakken die niet in aanmerking komen voor teruggave van premies, worden beschouwd als tijdvakken van vrijwillige verzekering (zie SB1044 over uitzonderingssituaties).

Grondslag

Artikel 13, lid 2, onder f Vo. 1408/71 en artikel 10 ter Vo. 574/72

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 9
Tijdvakken op grond van Verordening (EEG) nr. 1408/71 vóór 29 juli 1991 (SB2131)
Beleidsregel

Ter beantwoording van de vraag in hoeverre de conflictregels voor actieven ook toepassing kunnen vinden op personen die geen werkzaamheden verrichten heeft de SVB voor tijdvakken gelegen vóór 29 juli 1991 het volgende beleid vastgesteld.

Of een persoon zijn werkzaamheden definitief heeft gestaakt, wordt door de SVB naar de omstandigheden beoordeeld. Hierbij kunnen de volgende factoren een rol spelen:

 

  • Stond betrokkene ingeschreven bij het arbeidsbureau?
  • Blijkt de intentie van betrokkene om te werken uit bijvoorbeeld het zich beschikbaar stellen voor de arbeidsmarkt?
  • Wat was de reden voor de beëindiging van de werkzaamheden (was dit vrijwillig of niet)?
  • Welke middelen van bestaan waren er (te denken valt hierbij aan het hebben van een langdurige uitkering, hetgeen er op kan wijzen dat iemand niet meer gaat werken)?

 

Van het definitief staken van beroepswerkzaamheden was - ongeacht de vraag of nog daadwerkelijk werkzaamheden worden verricht - geen sprake zolang een dienstbetrekking voortduurt (zie Hoge Raad 11 juli 2003). Ten aanzien van de vraag of een dienstbetrekking aanwezig moet worden geacht, wordt door de SVB zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de criteria zoals die zijn ontwikkeld onder de vigeur van de Wet op de Loonbelasting 1964. Hierbij is van belang dat er nog een economische vergoeding plaatsvindt zoals omschreven in SB1035 over wonen in Nederland, werken buiten Nederland.

Toepassing van deze criteria op situaties die in de praktijk veel voorkomen, levert het volgende beeld op. Ten aanzien van gepensioneerden, personen met een uitkering in verband met vervroegde uittreding en personen met een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt aangenomen dat zij definitief hun beroepswerkzaamheden hebben gestaakt.

In geval van ziekte wordt voor zover niet reeds sprake was van een dienstbetrekking uitgegaan van een nawerking van de conflictregels gedurende maximaal een jaar. Hierbij geldt als aanvullende voorwaarde dat men recht heeft gehad op ziekengeld.

In geval van werkloosheid anders dan ten gevolge van een vrijwillige ontslagname of een vrijwillige beëindiging van de beroepswerkzaamheden anders dan in loondienst wordt eveneens nawerking van een jaar aangenomen, mits de belanghebbende reëel beschikbaar is voor de arbeidsmarkt.

Ten aanzien van personen die noch werkloos, noch ziek zijn (bijvoorbeeld vrijwillig niet-actieven) is geen sprake van nawerking. Dit is ook het geval voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten van wie wordt verwacht dat zij hun restcapaciteit benutten.

Grondslag

De tekst van de beleidsregels is afgesloten naar de stand van de wetgeving en de jurisprudentie op 31 maart 2016.

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 2
Conflictregels en a-typische arbeidsrelaties (SB2133)
Beleidsregel

Uit het arrest van het Hof van Justitie EU in de zaak Kits van Heijningen heeft de SVB afgeleid dat personen die in deeltijd in Nederland werken en buiten Nederland wonen, volledig verzekerd zijn voor de volksverzekeringen, dus ook op de dagen waarop zij niet werken. De omvang van de werkzaamheden is niet van belang. Personen die in Nederland wonen en in een andere lidstaat werken zijn ongeacht de omvang van hun werkzaamheden niet verzekerd voor de volksverzekeringswetten.

Bij personen met een vaste dienstbetrekking maar een zeer onregelmatig arbeidspatroon, zoals het geval kan zijn bij oproepkrachten, bij werknemers met een nulurencontract, bij commissarissen die in een jaar slechts enkele dagen hun commissariaat uitoefenen of bij zelfstandigen zonder vast bedrijf, is het exacte moment van beëindiging van de werkzaamheden veelal moeilijk vast te stellen. Voor dergelijke situaties gaat de SVB ervan uit dat iemand zijn werkzaamheden heeft beëindigd, wanneer hij zijn werkzaamheden in Nederland langer dan drie maanden niet heeft uitgeoefend. Dit uitgangspunt geldt niet indien iemand zijn werkzaamheden al dan niet tijdelijk staakt omdat zijn arbeidsovereenkomst is beëindigd of omdat zijn bedrijf is opgeheven.

relaties 2
Werken in twee lidstaten: marginale werkzaamheden (SB2134)
Beleidsregel

Verordening (EG) nr. 883/2004 en Verordening (EG) nr. 987/2009 bevatten enkele bijzondere conflictregels voor de situatie waarin gelijktijdig beroepswerkzaamheden in twee of meer lidstaten worden uitgeoefend. Artikel 14, vijfde lid, onder b, van Verordening (EG) nr. 987/2009 schrijft voor dat geen sprake is van gelijktijdig werken in meerdere lidstaten als in een lidstaat uitsluitend marginale werkzaamheden in loondienst worden verricht. De SVB merkt als marginale werkzaamheden onder meer aan het lezen van stukken, het voorbereiden van vergaderingen en het ontvangen van bezoek. De SVB hanteert voor de kwalificatie van dergelijke werkzaamheden het volgende beleid.

De SVB laat werkzaamheden voor de toepassing van de conflictregels in ieder geval buiten beschouwing als de duur daarvan in relatieve en absolute zin beperkt is. Dit doet zich voor als gedurende een periode van drie maanden minder dan twee uur per week wordt gewerkt. Indien deze duur in geringe mate wordt overschreden wordt aan de hand van de individuele situatie beoordeeld of de werkzaamheden nog als marginaal kunnen worden aangemerkt. Hierbij slaat de SVB acht op de volgende criteria:

 

  • De werkzaamheden hebben een ondersteunend karakter en ontberen zelfstandigheid.
  • In het algemeen worden de werkzaamheden thuis verricht.
  • De verrichte werkzaamheden staan in dienst van de hoofdactiviteit die in de andere lidstaat wordt uitgeoefend.

 

Het oordeel van een buitenlands orgaan over het al dan niet ondergeschikte karakter van werkzaamheden die in het land van dit orgaan worden verricht, prevaleert boven de beoordeling van deze werkzaamheden door de SVB.

Ter beoordeling van de vraag of in meerdere lidstaten werkzaamheden anders dan in loondienst worden verricht, hanteert de SVB eveneens het hier geschetste beleid.

Grondslag

Artikel 13, lid 1 Vo. 883/2004 en artikel 14, lid 5, onder b Vo. 987/2009

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 3
Werkzaamheden aan boord van een zeeschip (SB2137)
Beleidsregel

Artikel 11, vierde lid Verordening (EG) nr. 883/2004 bepaalt voor werkzaamheden aan boord van een zeeschip als hoofdregel dat deze moeten worden beschouwd als werkzaamheden die worden verricht in de lidstaat waarvan het schip de vlag voert. Dit betekent dat de persoon die werkzaam is aan boord van een zeeschip dat onder de vlag van een lidstaat vaart, ressorteert onder de wetgeving van die lidstaat. Als een werknemer echter wordt betaald door een onderneming of een persoon die is gevestigd in de lidstaat waar de werknemer woont, dan is de wetgeving van het woonland van toepassing.

De SVB interpreteert de verwijzing naar werkzaamheden die normaliter aan boord van een zeeschip worden verricht zo dat daarmee wordt bedoeld dat een belanghebbende zijn werkzaamheden van economisch belang normaliter op zee moet verrichten. Voor overige werkzaamheden aan boord van een zeeschip hanteert de SVB het vermoeden dat de belanghebbende deze werkzaamheden niet in overwegende mate aan boord van een zeeschip verricht maar ook elders. Dit geldt bijvoorbeeld voor personen die met regelmaat werkzaamheden verrichten op verschillende zeeschepen in de binnenwateren van een lidstaat maar tevens werkzaam zijn op andere plekken, zoals het geval is bij loodsen en stuwadoors. De SVB baseert deze interpretatie mede op de tekst van Verordening (EG) nr. 883/2004 in andere talen. Daarin wordt niet geschreven over werkzaamheden aan boord van een zeeschip maar over werkzaamheden aan boord van een schip op zee.

Naar aanleiding van de uitspraak van de CRvB van 17 april 2002 merkt de SVB een Nederlands schip aan als een zeeschip indien daarvoor een zeebrief is afgegeven op grond van de Zeebrievenwet dan wel indien het is opgenomen als zeevissersvaartuig in het visserijregister als bedoeld in artikel 4 van het Besluit registratie vissersvaartuigen 1998. Voor zeeschepen die varen onder de vlag van een lidstaat wordt de kwalificatie onder de wetgeving van die lidstaat overgenomen.

Regels voor zeeschepen die varen onder de vlag van derde staten komen in Verordening (EG) nr. 883/2004 niet voor. De SVB gaat er op grond van het arrest van het Hof van Justitie EU in de zaak Aldewereld echter van uit dat de Nederlandse wetgeving dient te worden toegepast, indien de werkgever van een zeevarende in Nederland is gevestigd, de zeevarende in de EU, de EER of Zwitserland woont en beschikt over een EU-nationaliteit en het schip vaart onder de vlag van een derde staat. Vaart het schip onder de vlag van een land waarmee Nederland een verdrag inzake sociale zekerheid heeft gesloten en verklaart dit verdrag de wetgeving van de vlagstaat van toepassing, dan acht de SVB de Nederlandse wetgeving niet van toepassing.

Grondslag

artikel 11, lid 4 en artikel 12 Vo. 883/2004

Besluit beleidsregels SVB 2016

Wet- en regelgeving
relaties 2
Werken in loondienst in twee of meer lidstaten (SB2138)
Beleidsregel

Ten aanzien van werknemers die in twee of meer lidstaten in loondienst werkzaam zijn, bevat artikel 13, eerste lid, Verordening (EG) nr. 883/2004 speciale conflictregels.

Het kan voorkomen dat een persoon in Nederland een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de IOW, de IOAZ of de IOAW ontvangt en daarnaast in een andere lidstaat werkt. De SVB merkt deze persoon aan als iemand die in twee om meer lidstaten arbeid verricht (zie SB2263 over tijdvakken op grond van Verordening (EG) nr. 883/2004). In deze gevallen merkt de SVB voor de toepassing van artikel 13, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 883/2004 het orgaan dat de uitkering verstrekt aan als werkgever.

Een aanwijsregel voor personen die in twee of meer lidstaten als ambtenaar zijn aangesteld is in Verordening (EG) nr. 883/2004 niet opgenomen. In die gevallen geeft de SVB daarom analoge toepassing aan artikel 13, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 883/2004.

Artikel 14, zevende lid, van Verordening (EG) nr. 987/2009 bevat criteria ten behoeve van het onderscheid tussen de situatie van werken in meerdere lidstaten en detachering. De SVB hanteert op basis hiervan het beleid dat bij werkzaamheden in twee lidstaten tot twee jaar de toepassing van artikel 13, eerste en tweede lid, van Verordening (EG) nr. 883/2004 achterwege blijft als sprake is van detachering op grond van artikel 12 van Verordening (EG) nr. 883/2004.

Grondslag

artikel 13, lid 1 Vo. 883/2004 en artikel 14, leden 5 tot en met 11 Vo.

987/2009

Besluit beleidsregels SVB 2016

Detachering
Detachering (SB2139)
Beleidsregel

Op grond van artikel 12 Verordening (EG) nr. 883/2004 vallen de werknemer en de zelfstandige in geval van detachering onder de wetgeving van de lidstaat van waaruit de detachering plaatsvindt. Deze regel wijkt af van de hoofdregel van artikel 11, derde lid, onder a, van Verordening (EG) nr. 883/2004.

De mogelijkheid van detachering doet zich alleen voor als de werknemer of zelfstandige onmiddellijk voorafgaand aan de detachering verplicht verzekerd is ingevolge de Nederlandse socialeverzekeringswetten. Detachering in aansluiting op vrijwillige verzekering op grond van de AOW, de Anw of de werknemersverzekeringen is niet mogelijk. De SVB leidt dit af uit het feit dat artikel 12 Verordening (EG) nr. 883/2004 uitgaat van het 'onderworpen blijven aan' de wetgeving van de lidstaat van waaruit de detachering plaatsvindt. De SVB acht de voorwaarde dat de Nederlandse wetgeving van toepassing blijft, in ieder geval vervuld als de detachering wordt voorafgegaan door ten minste één maand van verzekering in Nederland. In uitzonderingsgevallen waarin niet aan deze eis is voldaan, beoordeelt de SVB aan de hand van alle individuele relevante feiten en factoren of niettemin aan de eis van voorafgaande verzekering is voldaan. De volgende factoren kunnen hierbij een rol spelen:

  • de duur van de voorafgaande verzekering;
  • in geval van een onderbreking van de voorafgaande verzekering: de duur en de reden van de onderbreking en de duur van de verzekering voorafgaande aan de onderbreking;
  • de omvang en de specifieke kenmerken van de werkzaamheden in Nederland in de maand voorafgaand aan de detachering;
  • de duur van de detachering in verhouding tot de duur van de werkzaamheden in Nederland voor en na de detachering;
  • de woonplaats van de werknemer.

 

Een bijzondere situatie kan zich voordoen bij werknemers en zelfstandigen die werken in een land dat toetreedt tot de Europese Unie. Indien voorafgaand aan de toetreding van een land tot de Europese Unie geen mogelijkheid tot detachering op grond van een tussen Nederland en het betreffende land gesloten verdrag bestaat en de werknemer of zelfstandige niet aan de Nederlandse verplichte verzekering onderworpen is gebleven, staat het ontbreken van voorafgaande verplichte verzekering in Nederland in de weg aan een detachering op grond van artikel 12 Verordening (EG) nr. 883/2004. In die situatie kunnen betrokkenen de SVB verzoeken met het betreffende land een artikel 16-overeenkomst te sluiten (zie SB2146 over een verzoek tot het sluiten van een artikel 16-overeenkomst). De artikel 16-overeenkomst kan door de SVB worden afgegeven met terugwerkende kracht tot de datum van toetreding van het betreffende land.

De detacheringstermijn bedraagt twee jaar en kan niet worden verlengd. Door de lidstaten aangewezen organen moeten op verzoek van de werkgever, de werknemer of de zelfstandige een verklaring verstrekken, waaruit blijkt dat de werknemer of zelfstandige onderworpen blijft aan de wettelijke regeling van de lidstaat van waaruit de detachering plaatsvindt. Deze verklaring wordt verstrekt op zogenaamde A1-formulieren. Voor Nederland is de SVB het aangewezen orgaan. De A1-formulieren worden verstrekt door SVB Amstelveen, Postbus 357, 1180 AJ Amstelveen (tel: 020-656 5277).

Grondslag

artikel 12 Vo. 883/2004 en artikel 15 Vo. 987/2009

Besluit beleidsregels SVB 2016

Wet- en regelgeving
  • Besluit nr. A2 van de Administratieve Commissie
  • Vo. 987/2009
  • Vo. 883/2004