Onderwerp: Bezoek-historie

SVB Beleidsregels juni 2020, deel III - Awb
Geldigheid:18-06-2020 t/m Status: Geldig vandaag

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

SVB Beleidsregels - Awb

Algemene begrippen

relaties 2

Belanghebbende (SB3192)

Beleidsregel

Belanghebbende bij een beschikking over het AOW-pensioen, de Anw-uitkering, de kinderbijslag, de AIO-aanvulling, de overbruggingsuitkering, de Remigratie-uitkering, het voorschot op grond van de TAS 2014 of de tegemoetkoming op grond van de TNS is in ieder geval degene tot wie de beschikking is gericht. De volgende personen en instellingen beschouwt de SVB mede als belanghebbende(n):

  • De partner van de aanvrager van kinderbijslag : Indien de partner van de aanvrager deel uitmaakt van het huishouden van de aanvrager en beiden in beginsel recht op kinderbijslag hebben, beschouwt de SVB de partner van de aanvrager eveneens als belanghebbende ten aanzien van de beschikking die wordt afgegeven aan de aanvrager.
  • De nabestaanden van een persoon die een aanvraag op grond van de TAS 2014 of TNS heeft ingediend. Artikel 15 TAS 2014 respectievelijk artikel 3, vijfde lid TNS regelen dat de behandeling van een aanvraag ten behoeve van de nabestaanden wordt voortgezet indien de persoon die de aanvraag heeft ingediend overlijdt voordat op de aanvraag is beslist.
  • De werknemer voor wie de werkgever een verklaring toepasselijke wetgeving (A1/E 101-verklaring) heeft aangevraagd. De SVB stelt niet de eis dat de werknemer deze aanvraag mede ondertekent, omdat het technisch (nog) niet mogelijk is dat de werknemer de aanvraag van een elektronische handtekening te voorziet. Om te verzekeren dat de werknemer geen bezwaar heeft tegen het verlenen van een verklaring toepasselijke wetgeving, ontvangt de werknemer een afschrift van de beslissing.

 

Als de SVB zonder machtiging van een gerechtigde het pensioen of de uitkering op grond van artikel 19, tweede lid, artikel 20, artikel 25 AOW, de artikelen 49 en 57 Anw, artikel 25 AKW, artikel 19, tweede lid OBR dan wel artikel 26, eerste lid van het Verdrag met Marokko, artikel 36 van het Verdrag met Tunesië of artikel 33, tweede lid van het Verdrag met Turkije overmaakt naar een ander dan de gerechtigde, dan merkt de SVB het orgaan of de persoon aan wie het pensioen of de uitkering wordt betaald naast de rechthebbende aan als belanghebbende bij het betaaladres. De SVB beschouwt het orgaan of de persoon niet als belanghebbende bij het recht op pensioen of uitkering.

Personen en instellingen die de SVB nadrukkelijk niet als belanghebbenden in de zin van de Awb beschouwt, zijn:

  • Partners van pensioengerechtigden die op grond van artikel 1, tweede lid, onder b AOW als ongehuwd moeten worden beschouwd omdat zij duurzaam gescheiden leven. De betrokken partner kan met betrekking tot zijn eigen rechten zelf een beschikking aanvragen.
  • Partners van AOW- of Anw-gerechtigden die een andere socialezekerheidsuitkering genieten en die door de werking van een onweerlegbaar rechtsvermoeden tevens voor die andere socialezekerheidsuitkering als partner worden aangemerkt. Deze partners worden geacht slechts belanghebbende te zijn bij de beschikking van het bestuursorgaan dat de andere socialezekerheidsuitkering verstrekt (zie CRvB 7 november 2006).
  • Ex-partners van degenen aan wie kinderbijslag wordt uitbetaald. Deze ex-partners kunnen zelf om uitbetaling van de kinderbijslag vragen en zij ontvangen daarover dan een beschikking.
  • Personen (of instellingen) die aanspraak maken op een overlijdensuitkering die al aan een ander is toegekend. Deze personen (of instellingen) kunnen zelf een aanvraag indienen.

 

Wet- en regelgeving
relaties 13

Besluit en beschikking (SB3193)

Beleidsregel

Bij beantwoording van de vraag of een schriftelijke mededeling van de SVB moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb, is onder meer van belang of de mededeling is gericht op rechtsgevolg. Van een rechtsgevolg is in ieder geval sprake als de mededeling is gericht op de vaststelling van het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering of het bedrag van de uitkering dat wordt betaald (zie CRvB 31 juli 2002 en 23 december 2002). Voorts blijkt uit jurisprudentie van de CRvB dat een rechtsvaststelling over feiten en omstandigheden die betrekking hebben op een toekomstig recht op uitkering, op rechtsgevolg is gericht. Een opgave van (niet-)verzekerde jaren of een stand van verzekering is daarom een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb (zie CRvB 15 juli 2004).

Daarnaast merkt de SVB in de volgende specifieke situaties als een besluit aan:

  • de beslissing om een voorschot op een uitkering te verlenen. Uit het arrest Damiani van het HvJ EG vloeit voort dat dit eveneens geldt voor de toekenning van een voorlopige uitkering op grond van artikel 50, eerste en tweede lid van Verordening (EG) nr. 987/2009. Uit dit arrest volgt echter tevens dat tegen het voorlopige karakter van laatstgenoemde beschikking geen bezwaar of beroep openstaat.
  • een beslissing op een verzoek om vergoeding van schade geleden als gevolg van een (beweerdelijk) onrechtmatig besluit (zie onder meer CRvB 28 juli 1994 en 2 juli 1997 en ABRvS 29 november 1996).
  • een beslissing op een verzoek om afgifte van een verklaring als bedoeld in SB2139 over detachering. De SVB leidt dit af uit het arrest Fitzwilliam van het HvJ EG.

De (schriftelijke) mededeling van de SVB dat een artikel 16-overeenkomst (zie SB2146 over een verzoek tot het sluiten van een artikel 16-overeenkomst) niet kan worden afgesloten wegens het ontbreken van de bereidheid daartoe bij het andere betrokken land, valt niet onder het besluitbegrip van de Awb (zie CRvB 24 januari 2001). Een mededeling van de SVB over haar bereidheid zich in te zetten om met het andere betrokken land tot overeenstemming over het afsluiten van een dergelijke overeenkomst te komen, valt daarentegen wel onder het besluitbegrip.

Grondslag

artikel 1:3, leden 1 en 2 Awb

Besluit beleidsregels SVB 2016

Verbod van vooringenomenheid (SB3290)

Beleidsregels

De SVB gaat als volgt om met het verbod van vooringenomenheid zoals bedoeld in artikel 2:4 Awb: 

  • Medewerkers behandelen geen dossiers van persoonlijke bekenden. Indien een medewerker een dossier van een persoonlijke bekende ter behandeling voorgelegd krijgt, is de medewerker verplicht om het dossier over te dragen aan een collega.
  • Een belanghebbende kan verzoeken zijn dossier niet te laten behandelen door een bepaalde medewerker, omdat hij twijfelt aan de onpartijdigheid van die medewerker. In beginsel honoreert de SVB dit verzoek. De belanghebbende moet zijn verzoek schriftelijk en gemotiveerd bij de locatiemanager van de betreffende locatie van de SVB indienen. De belanghebbende kan een dergelijk verzoek ook mondeling tijdens een hoorzitting doen. In dat geval, verdaagt de SVB de hoorzitting totdat de locatiemanager op het verzoek heeft beslist.
relaties 3

Vertegenwoordiging en machtiging (SB3194)

Beleidsregel

Ingeval de belanghebbende zich wil laten vertegenwoordigen door een gemachtigde verlangt de SVB een originele machtiging, tenzij de vertegenwoordiger een advocaat of een notaris is.

Daarnaast ziet de SVB af van een machtiging indien redelijkerwijs niet kan worden betwijfeld dat de gemachtigde met toestemming van de belanghebbende optreedt, bijvoorbeeld indien rechtsbijstand wordt verleend door een medewerker van een rechtshulpverzekeraar, of een vakbond of een accountant. Evenmin verlangt de SVB een machtiging indien:

  • de gemachtigde de partner van de aanvrager om kinderbijslag is en deze partner deel uitmaakt van het huishouden van de aanvrager;
  • de werkgever de aanvraag voor de vrijwillige verzekering voor een werknemer indient en daarvoor de premie betaalt. In de contacten tussen de SVB en de werknemer, die uit de vrijwillige verzekering voortvloeien, kan de werkgever als gemachtigde van de werknemer optreden.

Als de belanghebbende zich laat vertegenwoordigen en de vertegenwoordiger een originele machtiging moet overleggen, moet hij dit doen binnen twee weken vanaf het moment waarop de SVB hierom heeft verzocht. De SVB hanteert een termijn van vier weken in geval de belanghebbende buiten Nederland woont Indien de vertegenwoordiger binnen de gestelde termijn geen machtiging overlegt, is sprake van verzuim als bedoeld in artikel 6:6 Awb en past de SVB het beleid toe dat is beschreven in SB3201 over de vereisten aan de inhoud van een bezwaarschrift en herstel van verzuim.

Van de bevoegdheid op grond van artikel 2:2, eerste lid Awb om bijstand of vertegenwoordiging door een gemachtigde te weigeren, maakt de SVB alleen in uitzonderingsgevallen gebruik. Slechts indien sprake is van evidente en ernstige ondeskundigheid van de gemachtigde of als de gemachtigde een goede afhandeling van het beschikkingsproces belemmert, zal de SVB bijstand of vertegenwoordiging door die persoon weigeren.

Grondslag

artikel 2:1 en artikel 2:2 Awb

Besluit beleidsregels SVB 2016

Aanvraag

relaties 4

Indiening en gegevensverstrekking (SB3195)

Beleidsregel

Personen die beschikken over DigiD kunnen een aanvraag om ouderdomspensioen, nabestaandenuitkering, kinderbijslag of AIO-aanvulling elektronisch indienen via de website van de SVB (www.svb.nl). Personen zonder DigiD en personen die een uitkering aanvragen op grond van de OBR, de Remigratiewet, de TAS 2014 en de TNS moeten gebruik maken van de aanvraagformulieren die de SVB verstrekt. Het komt voor dat een belanghebbende de SVB ondubbelzinnig verzoekt om toekenning van een uitkering, maar daarbij geen gebruik maakt van een door de SVB vastgesteld aanvraagformulier. De SVB merkt het verzoek in dat geval aan als een onvolledige aanvraag in de zin van artikel 4:5 Awb.

Voor toekenning op aanvraag zie ook SB1065 over toekenning op aanvraag.

Als datum van indiening van een aanvraag hanteert de SVB de datum waarop de elektronische of schriftelijke aanvraag door de SVB is ontvangen. Bij stukken die per post zijn verzonden is de datum van ontvangst de datum waarop de SVB de postbus of brievenbus leegt. Uit een arrest van de Hoge Raad van 16 februari 1996 volgt dat een stuk dat per fax is verzonden, moet worden beschouwd als te zijn ingediend op de datum waarop het wordt verzonden indien het stuk voor middernacht door de ontvangende faxmachine is geregistreerd. Beleidsmatig volgt de SVB dezelfde lijn ingeval een aanvraag of een stuk per e-mail kan worden ingediend. Ook voor andere stukken dan aanvragen hanteert de SVB als beleid dat zij de datum van ontvangst aanmerkt als de datum van indiening.

Wanneer een aanvraag wordt ingediend bij het IAS hanteert de SVB in verband met de vraag of de nabestaanden in aanmerking kunnen komen voor een voorschot op grond van de Regeling TAS 2014 of een tegemoetkoming op grond van de Regeling TNS als datum van indiening de datum van het eerste contact met het IAS, mits het IAS het aanvraagformulier ontvangt binnen zes weken nadat het door het IAS ter ondertekening is toegezonden. Ontvangt het IAS de ondertekende aanvraag niet binnen zes weken, dan geldt als datum van indiening de dag waarop het IAS de ondertekende aanvraag ontvangt. De termijn waarbinnen de SVB op de aanvraag moet beslissen, vangt aan op het moment dat de complete aanvraag, inclusief het advies van het IAS en andere vereiste stukken, bij de SVB is ingediend.

Grondslag

artikel 4:2, artikel 4:3a en artikel 4:4 Awb

Wijzigingsbesluit Beleidsregels SVB oktober 2017

relaties 1

Aanvulling van de aanvraag (SB3196)

Beleidsregel

Op grond van artikel 4:5, eerste lid Awb stelt de SVB een belanghebbende in de gelegenheid om een onvolledige aanvraag aan te vullen. Zij hanteert bij de toepassing van dit artikel geen vaste hersteltermijnen, tenzij de datum waarop de aanvraag is ingediend van onmiddellijk belang is voor de ingangsdatum van de uitkering. In dat geval hanteert de SVB het volgende beleid. Indien de SVB het recht op uitkering door het ontbreken van een door de SVB vastgesteld aanvraagformulier of het ontbreken van aanvullende gegevens niet kan vaststellen, dient de aanvrager binnen een termijn van vier weken alsnog het juiste aanvraagformulier in te dienen of de noodzakelijke gegevens te overleggen. Als de omstandigheden daartoe aanleiding geven, komt de SVB met de aanvrager een andere termijn overeen. Indien de aanvrager het formulier of de gegevens vervolgens niet tijdig indient dan beslist de SVB overeenkomstig artikel 4:5 Awb dat zij de aanvraag niet in behandeling neemt.

Wet- en regelgeving

Primaire beschikking

relaties 5

Zorgvuldige voorbereiding (SB3198)

Beleidsregel

De SVB hanteert als uitgangspunt dat de eis van zorgvuldige voorbereiding van een besluit een zo maximaal mogelijk inzicht in de relevante feiten en de af te wegen belangen noodzakelijk maakt. De SVB stelt zich hiertoe actief op bij het vergaren van kennis van de betreffende feiten en belangen.

In de TAS 2014 is bepaald dat de SVB over het recht op het voorschot advies kan vragen aan het IAS. Voor de TNS is dit eveneens bepaald voor het recht op de tegemoetkoming. Hoewel niet in de wet voorgeschreven, maakt de SVB ook in het kader van de Anw gebruik van een adviseur in situaties waarin een medische beoordeling mede ten grondslag ligt aan de vaststelling van het recht op uitkering. Op de SVB rust in al deze gevallen de verplichting zich ervan te vergewissen dat het aan het advies ten grondslag liggende onderzoek op zorgvuldige wijze is verricht. Deze toetsing vindt plaats aan de hand van het advies. Uit vaste jurisprudentie van de CRvB volgt dat uit het advies ten minste moet blijken op basis van welke gegevens het tot stand is gekomen en welke procedure bij de totstandkoming is gevolgd. De SVB verzoekt het adviesorgaan om het advies aan te passen of uit te breiden als:

 

  • het advies niet geheel aan de gestelde eisen voldoet;
  • als een aanvrager medische verklaringen produceert die het advies weerleggen of tegenspreken; of
  • de aanvrager met aannemelijke verklaringen komt die in redelijkheid moeten leiden tot de conclusie dat het advies niet geheel op de juiste wijze tot stand is gekomen.

 

Grondslag

artikel 2:4, artikel 3:2 en artikel 3:9 Awb

Wijzigingsbesluit Beleidsregels SVB september 2018

relaties 2

Hoorplicht (SB3199)

Beleidsregel

De besluiten van de SVB betreffen in het overgrote deel van de gevallen financiële beschikkingen zoals bedoeld in artikel 4:12 Awb. In de primaire fase ziet de SVB dan ook af van het horen van de aanvrager of eventuele andere belanghebbenden. Niettemin kan de SVB de belanghebbende horen in verband met de vereiste zorgvuldigheid bij de voorbereiding van beschikkingen.

Grondslag

artikel 4:7 en artikel 4:12 Awb

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 3

Motiveringsplicht (SB3200)

Beleidsregel

De SVB volstaat in een primair besluit met een eenvoudige toelichting en laat een uitgebreide verwijzing naar wettelijke voorschriften achterwege, indien alle rechtsfeiten en omstandigheden helder zijn en zij het recht vaststelt zonder vermindering of korting van het uitkeringsbedrag. In plaats daarvan worden de van toepassing zijnde wet en (eventueel) het toegepaste verdrag genoemd. Verzoekt betrokkene op grond van artikel 3:48, tweede lid Awb om een uitgebreidere motivering dan verstrekt de SVB deze motivering binnen drie weken.

In die gevallen waarin niet alle rechtsfeiten en omstandigheden volstrekt helder zijn en/of het uitkeringsrecht wordt vastgesteld met een vermindering of korting van de uitkering, motiveert de SVB het besluit uitgebreider. Ook beschikkingen waarin de SVB afwijkt van de gegevens die door de belanghebbende zelf verstrekt zijn, herzieningsbeschikkingen en alle belastende beschikkingen (zoals terugvorderings-, boete- en maatregelbeschikkingen) motiveert de SVB uitgebreid.

Grondslag

artikel 3:46, artikel 3:47 en artikel 3:48 Awb

Besluit beleidsregels SVB 2016

Bezwaarschriftprocedure

Indiening bezwaarschrift

relaties 3
Vereisten inhoud bezwaarschrift en herstel van verzuim (SB3201)
Beleidsregel

Indien een bezwaarschrift niet voldoet aan de eisen van artikel 6:5 Awb stelt de SVB de belanghebbende in de gelegenheid dit verzuim te herstellen. De SVB hanteert hierbij een termijn van vier weken. Indien de belanghebbende in het buitenland woont, hanteert de SVB in de regel een termijn van zes weken. De SVB deelt de toepasselijke termijn schriftelijk aan de belanghebbende mee en verlengt de termijn als de belanghebbende voor afloop daarvan op goede gronden om verlenging verzoekt.

Herstelt een belanghebbende een verzuim niet binnen de door de SVB gestelde termijn dan maakt de SVB in de volgende gevallen gebruik van de bevoegdheid tot (kennelijk) niet-ontvankelijkverklaring als bedoeld in artikel 6:6 Awb:

  • De indiener laat na om een handtekening of, als hij niet kan schrijven, een duimafdruk onder het bezwaarschrift te plaatsen.
  • De indiener geeft niet aan tegen welk besluit hij bezwaar maakt en het is niet mogelijk om dit op eenvoudige wijze te achterhalen.
  • De indiener geeft geen enkele motivering in het bezwaarschrift en de motivering is ook niet op een andere wijze bekend bij de SVB.

De SVB maakt eveneens gebruik van deze bevoegdheid als de indiener verzuimt een machtiging te overleggen binnen de termijn genoemd in SB3194 over vertegenwoordiging en machtiging.

Op grond van artikel 76, zevende lid Verordening (EG) nr. 883/2004 en overeenkomstige bepalingen, opgenomen in bilaterale verdragen, moeten geschriften in bepaalde vreemde talen geaccepteerd worden. Artikel 6:5, derde lid Awb over de vertaling van het bezwaarschrift kan in dergelijke gevallen niet worden toegepast.

Grondslag

artikel 6:4, lid 1, artikel 6:5, leden 1 en 3 en artikel 6:6 Awb

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 6
Termijnoverschrijding (SB3202)
Beleidsregel

Indien een bezwaarschrift niet binnen de daarvoor gestelde termijn is ingediend, verklaart de SVB het bezwaar niet-ontvankelijk indien niet van een geldige reden voor de termijnoverschrijding blijkt. Wordt door de indiener van het bezwaarschrift niet uit eigen beweging een reden voor de termijnoverschrijding aangegeven dan informeert de SVB daar alsnog naar voordat zij het bezwaarschrift eventueel niet-ontvankelijk verklaart. Worden in het bezwaarschrift of naar aanleiding van de vraag van de SVB redenen gegeven voor de termijnoverschrijding dan bekijkt de SVB of de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Mede op grond van de jurisprudentie hanteert de SVB daarbij de volgende lijn.

Van verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding kan bijvoorbeeld sprake zijn ingeval de indiener buiten zijn schuld tijdelijk niet in staat is geweest kennis te nemen van de primaire beschikking en hij zo spoedig mogelijk nadat hij kennis heeft kunnen nemen van de beschikking bezwaar heeft gemaakt (zie bijvoorbeeld Pres. Rb. Amsterdam 25 oktober 1994 en CRvB 5 januari 1996). Van verschoonbare termijnoverschrijding kan eveneens sprake zijn in geval van een geestelijke stoornis bij de indiener of het ontbreken van de bezwaarclausule onder de primaire beschikking. Nalatigheid van een gemachtigde of zaakwaarnemer vormt geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan kan worden geoordeeld dat de indiener niet in verzuim is geweest (zie Rb. 's-Hertogenbosch 11 augustus 1994). Indien sprake is van een niet-verschoonbare termijnoverschrijding, is SB1328 (over ambtshalve terugkomen van een rechtens onaantastbaar besluit ten voordele van de belanghebbende) onverkort van toepassing.

Grondslag

artikel 6:7, artikel 6:8, lid 1, en artikel 6:11 Awb

Wijzigingsbesluit Beleidsregels SVB september 2018

relaties 1
Ontvangstbevestiging (SB3203)
Beleidsregel

Aan het verzenden van een ontvangstbevestiging zijn geen wettelijke termijnen gesteld. De SVB verzendt een ontvangstbevestiging binnen tien werkdagen na ontvangst van het bezwaarschrift.

relaties 1
Schorsende werking (SB3204)
Beleidsregel

In artikel 6:16 Awb is als hoofdregel vastgelegd dat het maken van bezwaar of het instellen van beroep niet leidt tot schorsing van rechtswege van het bestreden besluit. Deze bepaling laat echter onverlet dat de SVB in bepaalde gevallen kan beslissen de tenuitvoerlegging van de beschikking op te schorten in afwachting van de beslissing op het bezwaar of de uitspraak in beroep. De SVB is van oordeel dat dit aan de orde kan zijn indien het bezwaarschrift aanleiding geeft tot het voorlopig oordeel dat de primaire beschikking geen stand kan houden.

Wet- en regelgeving
relaties 1
Kopie bezwaardossier aan vertegenwoordiger (SB3205)
Beleidsregel

Indien de belanghebbende zich laat vertegenwoordigen door een rechtshulpverlener die op grond van SB3194 over vertegenwoordiging en machtiging geen machtiging hoeft te overleggen, stuurt de SVB in beginsel ambtshalve een kopie van het bezwaardossier met de ontvangstbevestiging mee, of zendt zij dit uiterlijk binnen twee weken na verzending van de ontvangstbevestiging na. De SVB wijkt van deze regel af als zij redelijkerwijs kan aannemen dat de rechtshulpverlener zonder die toezending over voldoende stukken beschikt om de juistheid van de primaire beschikking te kunnen beoordelen. In gevallen waarin de SVB artikel 6:17 Awb niet ambtshalve toepast, stuurt zij een kopie van het bezwaardossier op verzoek van de gemachtigde toe.

Wet- en regelgeving

Hoorplicht

relaties 7
Afzien van een hoorzitting (SB3289)
Beleidsregel

In het kader van de bezwaarschriftprocedure moet de SVB op grond van artikel 7:2, eerste lid Awb een belanghebbende in de gelegenheid stellen om zijn bezwaren in een hoorzitting toe te lichten. Artikel 7:3 Awb bepaalt dat van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien:

 

  • het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is of
  • het bezwaar kennelijk ongegrond is.
  • de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord,
  • de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord, of
  • aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad.

 

Bij de toepassing van artikel 7:3 Awb hanteert de SVB het volgende beleid.

De SVB neemt aan dat een bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is als:

 

  • uit het bezwaarschrift of anderszins blijkt dat er zonder twijfel geen geldige reden is voor overschrijding van de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift (zie SB3202 over termijnoverschrijding);
  • een verzuim dat aan het bezwaarschrift kleeft niet tijdig hersteld is en beleidsmatig is bepaald dat de SVB in dat geval tot niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar overgaat (zie SB3201 over vereisten inhoud bezwaarschrift);
  • uit het bezwaarschrift blijkt dat er onvoldoende (proces)belang bestaat bij het voeren van de bezwaarschriftprocedure. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als het bezwaar zich uitsluitend richt tegen de grondslag van de toegekende uitkering (zie CRvB 1 maart 2013).

 

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar wanneer uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren van de indiener van het bezwaarschrift ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. De SVB leidt uit de jurisprudentie af dat bijvoorbeeld sprake kan zijn van een kennelijk ongegrond bezwaar indien honorering van het bezwaar evident in strijd is met een wettelijk voorschrift (CRvB 9 januari 2002).

Uit de jurisprudentie volgt eveneens dat in de volgende gevallen geen sprake kan zijn van een kennelijk ongegrond bezwaar:

 

  • Tijdens bezwaar is of moet nader onderzoek worden verricht naar de feiten of bijzondere omstandigheden. Het kan hierbij gaan om bijzondere omstandigheden die nopen tot afwijking van het beleid van de SVB of tot het gebruik maken van een bepaalde wettelijke bevoegdheid (CRvB 23 december 1996, CRvB 24 oktober 2001 en CRvB 22 februari 2008).
  • De SVB legt een forse maatregel of boete op (CRvB 6 maart 2007).

 

De SVB maakt gebruik van de in artikel 7:3, onderdeel d Awb neergelegde bevoegdheid om van het horen van de belanghebbende af te zien indien de belanghebbende niet binnen een door de SVB gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord. De SVB hanteert daarbij in het algemeen een termijn van drie weken. Het is mogelijk dat een belanghebbende afziet van het recht om gehoord te worden, mits de SVB voldoet aan een door hem gestelde voorwaarde. In dat geval beoordeelt de SVB of deze voorwaarde is vervuld.

Wet- en regelgeving
relaties 2
Indienen van stukken en ter inzage leggen dossier (SB3208)
Beleidsregel

Belanghebbenden kunnen tot tien dagen voor het horen schriftelijke stukken indienen. Ook stukken die kort voor of tijdens de hoorzitting worden ingebracht, betrekt de SVB in het onderzoek. Indien de SVB op dat moment de stukken niet volledig op hun waarde kan schatten (bijvoorbeeld vanwege de omvang van de stukken), onderzoekt de SVB de stukken op een later tijdstip. Zonodig houdt de SVB een tweede hoorzitting (zie SB3212 over nieuwe feiten of omstandigheden).

In de uitnodiging voor de hoorzitting wijst de SVB de indiener van het bezwaarschrift op de mogelijkheid om het bezwaardossier in te zien. Op verzoek stuurt de SVB het dossier of de ontbrekende stukken toe.

Het bezwaardossier bestaat uit de op de zaak betrekking hebbende stukken. Hieronder verstaat de SVB uitsluitend stukken die betrekking hebben op het concrete geval en die relevant zijn voor de totstandkoming van het bestreden besluit en de correspondentie die in het kader van de bezwaarschriftprocedure heeft plaatsgevonden.

Op grond van artikel 7:4, zesde lid Awb kan de SVB de terinzagelegging achterwege laten als geheimhouding om gewichtige redenen is geboden. Of hiervan sprake is, beoordeelt de SVB aan de hand van de in artikel 10, tweede lid Wet openbaarheid van bestuur genoemde uitzonderingen, zoals het belang van de opsporing en vervolging van strafbare feiten en eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

relaties 1
Samenstelling van de hoorcommissie (SB3209)
Beleidsregel

Artikel 7:5, eerste lid Awb beschrijft de samenstelling van de hoorcommissie indien het horen niet (mede) door het bestuursorgaan, dan wel door de voorzitter of een lid ervan plaatsvindt. Omdat de SVB altijd zelf hoort, geldt dit artikellid niet voor de SVB. De SVB past de voorwaarden over de samenstelling van de hoorcommissie uit dit artikellid echter wel toe en heeft deze als volgt uitgewerkt. De hoorcommissie bestaat uit een of twee personen. Als de SVB met toestemming van de belanghebbende een geluidsopname maakt van de hoorzitting, vindt het horen plaats door een persoon. Deze persoon mag niet bij de eerdere besluitvorming betrokken zijn geweest. De SVB hoort met twee personen in gevallen waarin de belanghebbende of diens gemachtigde geen toestemming geeft voor het maken van een geluidsopname en in zaken met een complex karakter.

Indien een bezwaarschriftprocedure (mede) betrekking heeft op een aan de SVB gegeven advies van een andere organisatie, zoals een advies van het UWV over de mate van arbeidsongeschiktheid, dan kan de SVB deze organisatie vragen zitting te nemen in de hoorcommissie. In dat geval bestaat de hoorcommissie uit ten minste twee personen, waarbij een persoon afkomstig is van de organisatie die het advies heeft gegeven. Deze persoon mag niet bij het eerdere advies betrokken zijn geweest.

Wet- en regelgeving
relaties 1
Horen van meerdere belanghebbenden (SB3210)
Beleidsregel

Van meerdere belanghebbenden is met name sprake indien het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) de kinderbijslag of het wezenpensioen heeft aangevraagd of over de betaling heeft geadviseerd. In dat geval nodigt de SVB de volgende personen uit voor de hoorzitting:

  • (een vertegenwoordiger van) het LBIO;
  • de eigenlijke rechthebbende op de kinderbijslag die geen aanvraag heeft ingediend of de eigenlijke rechthebbende aan wie - op advies van het LBIO - de uitbetaling niet plaatsvindt;
  • degene aan wie de uitbetaling - op advies van het LBIO - wel plaatsvindt.

In dergelijke situaties stelt de SVB als eis dat de belanghebbende die stukken voor de hoorzitting wil inbrengen, deze ten minste tien dagen van tevoren opstuurt, zodat deze gedurende een week ter inzage kunnen worden gelegd. De andere belanghebbenden hebben dan nog de gelegenheid om vóór de hoorzitting kennis te nemen van deze stukken. Zie in dit verband SB3208 over indiening van stukken.

De hoorcommissie beoordeelt of zij gebruik maakt van de mogelijkheid om de belanghebbenden afzonderlijk te horen. De hoorcommissie kan hiertoe ook besluiten als de hoorzitting al is begonnen en in de loop van het gesprek blijkt dat het wenselijk is om de belanghebbenden afzonderlijk te horen.

Wet- en regelgeving
relaties 1
Hoorverslag (SB3211)
Beleidsregel

Indien de belanghebbende daarvoor toestemming geeft, maakt de SVB een geluidsopname van de hoorzitting. De SVB bewaart deze opname digitaal.

In de volgende gevallen maakt de SVB een schriftelijk hoorverslag, dat zij toestuurt aan de belanghebbende of diens gemachtigde:

  • De belanghebbende of diens gemachtigde geeft geen toestemming voor het maken van een geluidsopname.
  • De belanghebbende of diens gemachtigde verzoekt, ondanks zijn gegeven toestemming voor het maken van een geluidsopname, (alsnog) om toezending van een schriftelijk hoorverslag.
  • De belanghebbende tekent beroep aan tegen de beslissing op het bezwaar.

Wet- en regelgeving
relaties 1
Nieuwe feiten of omstandigheden (SB3212)
Beleidsregel

Na de hoorzitting beoordeelt de SVB of er naar aanleiding van hetgeen tijdens het horen naar voren is gekomen nog nadere gegevens of stukken nodig zijn. Dit is met name het geval indien de belanghebbende nieuwe gegevens heeft verstrekt die geverifieerd moeten worden of indien de hoorcommissie de belanghebbende heeft toegezegd nog nader onderzoek te verrichten. Hiervan wordt in het hoorverslag aantekening gemaakt. De SVB voegt de resultaten van het nader onderzoek als bijlage bij het hoorverslag. Als na het horen feiten of omstandigheden bekend worden - al dan niet als gevolg van een nader onderzoek - die voor de beslissing op het bezwaar van aanmerkelijk belang kunnen zijn, deelt de SVB dit aan betrokkene mede en stelt hem in de gelegenheid daarover te worden gehoord.

Wet- en regelgeving

Beslissing op het bezwaar

relaties 1
Heroverweging (SB3214)
Beleidsregel

Indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt een heroverweging van het bestreden besluit plaats. De SVB concentreert zich daarbij op het aspect van de primaire beschikking waartegen bezwaar wordt gemaakt. Blijkt tijdens de behandeling van het bezwaar dat andere aspecten van de beschikking waartegen geen bezwaar is gemaakt, niet juist zijn, dan neemt de SVB ook die aspecten op in de beslissing op het bezwaar.

Indien het bezwaar doel treft, baseert de SVB de beslissing op het bezwaar zo nodig mede op rechtsfeiten die in het kader van de voorbereiding van de primaire beschikking niet aan de orde zijn gekomen.

Baseert de SVB de beslissing op het bezwaar op nieuwe rechtsfeiten die in de eerste hoorzitting niet aan de orde zijn geweest, dan stelt zij de belanghebbende in de gelegenheid om opnieuw te worden gehoord.

Als een belanghebbende bezwaar maakt tegen een primaire beschikking waarbij medische aspecten een rol spelen, geldt het volgende. Indien de belanghebbende de conclusies van de verzekeringsarts of de arbeidsdeskundige gemotiveerd bestrijdt of nieuwe medische of arbeidsdeskundige rapportages overlegt, wordt een nieuw onderzoek verricht door een bezwaarverzekeringsarts en/of een bezwaararbeidsdeskundige. Bestrijdt een belanghebbende de conclusies niet gemotiveerd en overlegt hij geen nieuwe rapportages, dan beslist de SVB op basis van de primaire rapportages van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige.

Wet- en regelgeving
relaties 1
Motivering (SB3215)
Beleidsregel

Bij de motivering van de beslissing op het bezwaar past de SVB het beleid neergelegd in SB3200 over motiveringsplicht bij primaire besluiten naar analogie toe. Dit impliceert dat de SVB bij een volledige tegemoetkoming aan het bezwaar, volstaat met een summiere motivering van de beslissing op het bezwaar, onder verwijzing naar het bezwaarschrift en de hoorzitting. Komt de beslissing op het bezwaar niet of slechts ten dele tegemoet aan de bezwaren van de belanghebbende, dan motiveert de SVB de beslissing op het bezwaar zodanig dat deze de belanghebbende inzicht biedt in de gronden waarop de beslissing op het bezwaar berust.

Als de SVB slechts de motivering van een primair besluit verbetert of aanvult, vergoedt zij geen kosten voor de behandeling van het bezwaarschrift. Zie ook SB3223 over kosten gemaakt voor de behandeling van een bezwaarschrift.

Wet- en regelgeving

Beslistermijnen en ingebrekestelling

relaties 8

Beslistermijnen aanvraagprocedure (SB3197)

Beleidsregel

De beslistermijn vangt aan op het moment dat de SVB het aanvraagformulier voor een uitkering ontvangt. Indien de aanvraag via een buitenlands verbindingsorgaan, een Nederlands bestuursorgaan of, indien het een aanvraag om uitkering op grond van de TAS 2014 of TNS betreft, bij het IAS wordt ingediend, begint de beslistermijn te lopen op het moment dat de SVB de aanvraag van het betreffende orgaan heeft ontvangen.

Op grond van de artikelen 51 AOW, 64a Anw, 29c AKW, 26 OBR en 6g Remigratiewet dient de SVB op een aanvraag op grond van deze wetten binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag te beslissen. Het tweede lid van genoemde bepalingen regelt dat een redelijke termijn in ieder geval is verstreken wanneer binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking is genomen. Voor de Remigratiewet geldt een termijn van zestien weken. Op grond van het derde lid van deze artikelen is verlenging met een redelijke termijn mogelijk indien de beschikking niet binnen acht respectievelijk zestien weken kan worden genomen. De SVB maakt van deze verlengingstermijn gebruik door de beslistermijn in beginsel met maximaal acht weken te verlengen indien dit nodig is voor onderzoek naar de feiten. De SVB maakt alleen gebruik van een langere verlengingstermijn dan acht weken als zij bij het nemen van de beslissing tot verlenging gemotiveerd kan aangeven dat het onderzoek naar de feiten deze langere termijn noodzakelijk maakt. Voor het recht op AIO-aanvulling gelden de termijn van de artikelen 4:13 en 4:14 Awb omdat de Participatiewet zelf geen beslistermijn kent.

De SVB stuurt personen die in Nederland wonen vijf maanden voor zij de pensioengerechtigde leeftijd bereiken een aanvraagformulier voor een AOW-pensioen (zie SB1065 over toekenning op aanvraag). Indien in die gevallen de aanvraag eerder wordt ingediend dan acht weken voor de ingang van het AOW-pensioen, beschouwt de SVB een verlenging van de beslistermijn tot de eerste dag van de maand waarin de aanvrager de pensioengerechtigde leeftijd bereikt als redelijk.

Indien sprake is van vertraging bij het nemen van een beschikking op aanvraag schort de SVB de beslistermijn op zolang de vertraging aan de aanvrager kan worden toegerekend. De SVB rekent de vertraging in ieder geval toe aan de aanvrager indien hij vlak voor het einde van de beslistermijn spontaan nieuwe gegevens overlegt. In dat geval schort zij de beslistermijn met ten hoogste acht weken op.

Als de aanvrager niet of niet tijdig reageert op een verzoek om informatie, anders dan op een verzoek om aanvulling van de aanvraag (zie SB3196 over aanvulling van de aanvraag) rekent de SVB de vertraging eveneens aan hem toe. In dat geval schort de SVB de beslistermijn op met ingang van de dag waarop zij de aanvrager op zijn verzuim heeft gewezen tot de dag waarop de SVB de informatie heeft ontvangen of de hersteltermijn ongebruikt is verstreken.

Op grond van artikel 4:15, tweede lid, onder c Awb wordt de beslistermijn opgeschort in geval van overmacht. Volgens de SVB is in ieder geval sprake van overmacht indien de voor het nemen van een beschikking benodigde gegevens verloren zijn gegaan of voor langere tijd ontoegankelijk zijn als gevolg van abnormale en onvoorziene omstandigheden die liggen buiten de invloedssfeer van de SVB.

Indien de SVB een uitkering tijdelijk bij wijze van voorschot verleent (zie SB1068 over toekenning van voorschotten) wordt deze beslissing niet aangemerkt als de definitieve beschikking op de aanvraag, als bedoeld in de bepalingen genoemd in de tweede alinea. Indien deze beslissing niet binnen de wettelijke beslistermijn kan worden gegeven, stuurt de SVB een voorschotbeslissing en een kennisgeving van verlenging van de beslistermijn aan de aanvrager.

Grondslag

artikel 29c AKW, artikel 64a Anw, artikel 51 AOW, artikel 26 OBR, artikel 6g  Remigratiewet, , artikel 4:13, 4:14 en 4:15 Awb

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 8

Beslistermijnen bezwaarschriftprocedure (SB3213)

Beleidsregel

Op grond van de artikelen 52 AOW, 65 Anw, 30 AKW, 27 OBR en 6g, vijfde lid Remigratiewet dient de SVB te beslissen binnen dertien weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. De Participatiewet kent geen bepaling over de termijn waarop op een bezwaarschrift moet zijn beslist. Daarom geldt voor de AIO-aanvulling de termijn van zes weken op grond van artikel 7:10 Awb. Indien het bezwaarschrift te laat is ingediend, maar dit verzuim verschoonbaar is, gaat de SVB er, in afwijking van deze artikelen, van uit dat de beslistermijn aanvangt op de dag waarop het bezwaarschrift is ontvangen.

Op grond van de artikelen 7:14 en 4:15, tweede lid, onder b Awb wordt de beslistermijn opgeschort zolang de vertraging aan de indiener van het bezwaarschrift kan worden toegerekend. De SVB past het beleid verwoord in SB3197 over beslistermijnen, overeenkomstig toe. Daarnaast wordt een uitstel van een hoorzitting aan de indiener van het bezwaarschrift toegerekend. De SVB schort de beslistermijn op vanaf de geplande datum van de eerste hoorzitting tot de datum waarop de hoorzitting plaatsvindt, of de datum waarop de belanghebbende verklaart geen gebruik meer te willen maken van het recht te worden gehoord.

In geval van overmacht schort de SVB de beslistermijn op met toepassing van de artikelen 7:14 en 4:15, tweede lid, onder c Awb. SB3197 over beslistermijnen is van overeenkomstige toepassing op de bezwaarschriftprocedure.

Artikel 7:10, derde lid Awb regelt dat de SVB het nemen van een beslissing op het bezwaar voor ten hoogste zes weken kan verdagen. De SVB maakt van deze bevoegdheid uitsluitend gebruik:

  • indien nader onderzoek bij een persoon of instantie noodzakelijk is;
  • indien het bezwaar een rechtsvraag oproept die een zodanige algemene uitstraling heeft dat beleidsmatige besluitvorming noodzakelijk is;
  • indien sprake is van een plotselinge toename van bezwaarzaken.

De SVB deelt aan de belanghebbende de reden van de verdaging van de beslissing op het bezwaar mee. Verdaging vindt uitsluitend plaats tot een bepaalde gebeurtenis of datum, of met een met name genoemde termijn.

Verder uitstel voor het nemen van de beslissing op het bezwaar is op grond van artikel 7:10, vierde lid Awb uitsluitend mogelijk in verband met de naleving van wettelijke procedurevoorschriften of na voorafgaande uitdrukkelijke toestemming van de belanghebbende.

Een uitzondering geldt als de SVB de belanghebbende om toestemming voor uitstel heeft gevraagd in afwachting van nadere gegevens die zouden kunnen leiden tot een beschikking waarbij de SVB geheel of gedeeltelijk aan het bezwaar tegemoet komt. In dat geval neemt de SVB aan dat de belanghebbende deze toestemming heeft verleend, tenzij de belanghebbende uitdrukkelijk bezwaar maakt tegen dit uitstel. In dit laatste geval neemt de SVB een beslissing op het bezwaar op basis van de beschikbare gegevens en documenten.

Grondslag

artikel 52 AOW, artikel 65 Anw, artikel 30 AKW, artikel 27 OBR, artikel 6g, vijfde lid  Remigratiewet, artikel 7:10, leden 2, 3 en 4 Awb, artikel 7:14 Awb en artikel 4:15  Awb.

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 2

Ingebrekestelling en dwangsom (SB3256)

Beleidsregel

Op grond van artikel 4:17 Awb verbeurt de SVB een dwangsom indien zij verzuimt een besluit te nemen binnen twee weken nadat zij schriftelijk in gebreke is gesteld wegens het overschrijden van de wettelijke beslistermijn. Van beslisverzuim is geen sprake als de wettelijke beslistermijn nog niet is verstreken. Als de SVB een ingebrekestelling ontvangt voor het verstrijken van de wettelijke beslistermijn, informeert zij de belanghebbende binnen twee weken dat op de dag van ontvangst van de ingebrekestelling nog geen sprake is van overschrijding van de beslistermijn. In afwijking van artikel 4:17 Awb merkt de SVB een schriftelijk stuk aan als een ingebrekestelling, indien dit stuk beoogt de SVB in gebreke te stellen en de SVB dit stuk ontvangt op de dag waarop de wettelijke beslistermijn eindigt.

Het maken van bezwaar tegen het uitblijven van een besluit - de zogenoemde fictieve weigering - is niet mogelijk. De SVB merkt daarom een bezwaarschrift gericht tegen het niet tijdig beslissen op een aanvraag aan als een ingebrekestelling in de zin van artikel 4:17 Awb. Evenzo merkt de SVB een klacht over het niet tijdig beslissen op een aanvraag of bezwaarschrift aan als een ingebrekestelling (zie CRvB 14 april 2011).

Wet- en regelgeving
relaties 1

Rechtstreeks beroep (SB3216)

Beleidsregel

Op grond van artikel 7:1a Awb kan een belanghebbende in het bezwaarschrift aan de SVB verzoeken om af te zien van een bezwaarschriftprocedure teneinde het geschil onmiddellijk voor te leggen aan de rechter. De SVB kan instemmen met dit verzoek indien de zaak daarvoor geschikt is (art. 7:1a, derde lid Awb). De SVB hanteert bij de uitoefening van deze bevoegdheid het volgende beleid.

Indien het bezwaarschrift ontvankelijk is en de SVB van oordeel is dat de bezwaarschriftprocedure geen toegevoegde waarde heeft, stemt zij in met een verzoek tot rechtstreeks beroep. De SVB meent dat aan deze voorwaarde in ieder geval wordt voldaan als de rechtsgeldigheid wordt betwist van de wettelijke bepaling op grond waarvan het besluit is genomen, het besluit niet om andere redenen wordt aangevochten en de rechter zich niet reeds eerder heeft uitgesproken over de ingebrachte grieven.

De SVB hanteert een andere werkwijze als burgers massaal bezwaar maken tegen de toepassing van een wettelijke bepaling of regeling. De indiening van een bezwaarschrift heeft dan veelal tot doel het mogelijke recht op uitkering veilig te stellen ingeval in hoogste instantie door de rechter in het voordeel van de burger wordt beslist. Bij dergelijke 'bulkprocedures' benadert de SVB de belanghebbende met het voorstel de bezwaarschriftprocedure aan te houden in afwachting van de definitieve uitkomst van een of meer lopende rechterlijke procedures in soortgelijke zaken. Bij dit voorstel zegt de SVB toe dat het bezwaar te zijner tijd zal worden afgehandeld conform de rechterlijke uitspraak. De mogelijkheid om rechtstreeks beroep in te stellen, zal geen afbreuk doen aan deze coördinatie-inspanningen. Indien een belanghebbende evenwel uitdrukkelijk aangeeft niet geïnteresseerd te zijn in de aanhouding van het bezwaar, maar zijn geschil door wil geleiden naar de rechter, zal de SVB rechtstreeks beroep honoreren.

De SVB stemt voorts in met een verzoek om rechtstreeks beroep als:

  • bij de voorbereiding van het bestreden besluit dusdanig schriftelijk contact is geweest tussen de SVB en de belanghebbende dat moet worden aangenomen dat een bezwaarschriftprocedure geen toegevoegde waarde meer heeft;
  • het besluit waartegen bezwaar wordt gemaakt nauw samenhangt met een ander besluit waartegen reeds beroep is ingesteld.

De SVB maakt van de bevoegdheid in te stemmen met een verzoek om af te zien van de bezwaarschriftprocedure in ieder geval geen gebruik indien zij van mening is dat ter beslechting van het geschil nader onderzoek moet worden verricht.

Op een verzoek van een belanghebbende om de bezwaarschriftprocedure over te slaan beslist de SVB binnen twee weken.

Wet- en regelgeving

Schadevergoeding

relaties 6

Schadevergoeding (SB3217)

Beleidsregel

Titel 8.4 van de Awb voorziet in een verzoekschriftprocedure om schadevergoeding. Ingevolge artikel 8:88, eerste lid Awb geldt deze procedure voor gevallen waarin schade is veroorzaakt door een onrechtmatig besluit, een onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een besluit, het niet tijdig nemen van een besluit of een onrechtmatige handeling ten aanzien van bepaalde ambtenaren of vreemdelingen. Op grond van deze procedure kan een belanghebbende die meent schade te hebben geleden ten gevolge van het handelen van de SVB bij de bestuursrechter een verzoek om schadevergoeding indienen. In beginsel moet hij voorafgaand aan dit verzoek aan de SVB vragen om de schade te vergoeden.

Op grond van het overgangsrecht van artikel IV van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten is titel 8.4 Awb niet van toepassing als de schade wordt veroorzaakt door een onrechtmatig besluit dat voor 1 juli 2013 is bekendgemaakt of door een onrechtmatige handeling die voor 1 juli 2013 is verricht. In deze gevallen is het recht dat gold voor 1 juli 2013 van toepassing. Dit houdt in dat de belanghebbende langs verschillende wegen schadevergoeding kan vorderen. Dit kan via de bestuursrechter op grond van de Awb en via de burgerlijke rechter op grond van het BW. In beide gevallen zal een belanghebbende veelal voorafgaand aan het beroep op de rechter een verzoek om vergoeding van schade kunnen indienen bij de SVB.

Met betrekking tot schade en schadeposten hanteert de SVB het hierna volgende beleid.

Grondslag

artikel 7:15, leden 2 en 3, artikel 8:73 en titel 8.4 Awb

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 5

Vergoeding van wettelijke rente (SB3218)

Beleidsregel

Ingevolge artikel 4:97 in samenhang met de artikelen 4:98, 4:100 en 4:102 Awb is de SVB gehouden wettelijke rente te vergoeden in de in deze artikelen genoemde situaties. De SVB interpreteert artikel 4:99 Awb zo dat zij gehouden is tot het ambtshalve vergoeden van de wettelijke rente.

Grondslag

artikel 4:97 jo. 4:98 Awb, artikel 4:99 Awb, artikel 4:100 Awb en artikel 4:102  Awb

Besluit beleidsregels SVB 2016

Vergoeding van schade wegens een onrechtmatig besluit of feitelijk handelen

relaties 5
Vergoeding van schade wegens een onrechtmatig besluit of feitelijk handelen (SB3219)
Beleidsregel

De SVB is gehouden tot vergoeding van schade als de SVB een besluit heeft genomen dat nadien onrechtmatig blijkt en deze onrechtmatigheid aan de SVB moet worden toegerekend. Van een onrechtmatig besluit is in ieder geval sprake indien een besluit wordt ingetrokken naar aanleiding van een bezwaarschrift, indien een besluit door de rechter wordt vernietigd of indien een besluit wordt herroepen als gevolg van met terugwerkende kracht gewijzigde wet- of regelgeving (zie onder meer HR 20 februari 1998, CRvB 24 februari 1998 en CRvB 24 januari 2001). Bij de beoordeling van de vraag of de onrechtmatigheid van het besluit aan de SVB moet worden toegerekend, geldt als hoofdregel dat de schuld van een bestuursorgaan is gegeven zelfs indien dat bestuursorgaan geen verwijt treft. Deze regel geldt niet als de onrechtmatigheid van het besluit geheel aan de belanghebbende is te wijten.

In geval van feitelijk handelen, kan eveneens sprake zijn van onrechtmatig handelen door de SVB als de SVB in betekenende mate in strijd handelt met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De SVB acht zich dan eveneens gehouden tot vergoeding van schade.

Grondslag

artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek en artikel 6:163 Burgerlijk Wetboek

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 7
Vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (SB3221)
Beleidsregel

Uit jurisprudentie van de CRvB volgt dat een schadevergoeding moet worden toegekend als de redelijke termijn als genoemd in artikel 6 EVRM is overschreden bij het vaststellen van burgerlijke rechten en verplichtingen. Hiervan is sprake als, inclusief de bezwaarschriftprocedure:

  • de procedure minimaal 2 jaar heeft geduurd, in geval van beroep bij de rechtbank, of
  • de procedure minimaal 4 jaar heeft geduurd, in geval van hoger beroep (CRvB 26 januari 2009 en CRvB 28 april 2009).

De termijn vangt aan op het moment dat een bezwaarschrift is ingediend (CRvB 8 december 2004). Als een deel van de duur van de procedure aan betrokkene moet worden toegerekend, telt dit deel niet mee.

Uit de jurisprudentie en artikel 8:88, eerste lid, onderdeel c Awb volgt voorts dat het bestuursorgaan aansprakelijk is voor haar aandeel in de overschrijding van de redelijke termijn als de bezwaarschriftprocedure langer dan zes maanden heeft geduurd. In dat geval kent de SVB op verzoek van de belanghebbende een vergoeding toe. Deze bedraagt € 500 als de bezwaarschriftprocedure langer dan een half jaar heeft geduurd en wordt met eenzelfde bedrag verhoogd voor elk volledig half jaar dat de SVB heeft verzuimd te besluiten op het bezwaarschrift. Op grond van jurisprudentie van de CRvB brengt de SVB reeds uitbetaalde dwangsommen niet in mindering op deze vergoeding (CRvB 8 september 2011).

Grondslag

artikel 8:88, eerste lid Awb, artikel 6 EVRM

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 7
Overige schade (SB3222)
Beleidsregel

Eventuele andere schadeposten dan renteschade en schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, zoals schade in de fiscale sfeer, kunnen voor vergoeding in aanmerking komen voor zover de belanghebbende om vergoeding daarvan verzoekt en hij de geleden schade kan aantonen.

Bij de beoordeling van een verzoek om vergoeding van overige schade fungeren de bepalingen uit het BW over schadevergoeding als leidraad voor de vaststelling van de schade (zie bijvoorbeeld CRvB 30 maart 1995 en 9 januari 1996). De SVB toetst of de belanghebbende als gevolg van de onrechtmatige daad van de SVB een bepaald voordeel heeft verkregen waardoor de totale schade gematigd is, en of de belanghebbende de schade had kunnen beperken. Een verkregen voordeel kan bijvoorbeeld zijn een uitkering van een andere instantie of een subsidie, waarop de belanghebbende geen recht zou hebben gehad als de SVB juist zou hebben gehandeld.

Uit de jurisprudentie van de CRvB (16 april 1996 en 8 april 1997) leidt de SVB af dat vergoeding van immateriële schade die geen verband houdt met de overschrijding van de redelijke termijn slechts onder uitzonderlijke omstandigheden kan plaatsvinden. Met name moet hiervoor sprake zijn van ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer, dan wel op andere persoonlijkheidsrechten van de betrokkene. De SVB acht een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer aanwezig als de belanghebbende als gevolg van de onrechtmatige daad van de SVB aan zo langdurige en ernstige psychische spanningen heeft blootgestaan dat sprake is van een aantasting in de persoon.

Grondslag

artikelen 6:95 t/m 6:110 Burgerlijk Wetboek, artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek en  artikel 6:163 Burgerlijk Wetboek

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 7

Kosten gemaakt voor de behandeling van een bezwaarschrift (SB3223)

Beleidsregel

Artikel 7:15, tweede en derde lid Awb regelt dat het bestuursorgaan op verzoek de kosten vergoedt die een belanghebbende in verband met de behandeling van een bezwaarschrift heeft moeten maken indien het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Het verzoek tot schadevergoeding moet tijdens de bezwaarschriftprocedure worden gedaan, in ieder geval voordat de beslissing op het bezwaar wordt genomen. Voorts moet het maken van kosten redelijk worden geacht. De hoogte van de vergoeding wordt bepaald aan de hand van artikel 2 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en het in de bijlage bij dat besluit neergelegde puntensysteem en forfaitair tarief. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat alleen sprake kan zijn van aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid indien een besluit inhoudelijk onjuist is. De SVB vergoedt daarom geen kosten indien slechts sprake is van vormfouten of motiveringsgebreken.

Als sprake is van beroepsmatig verrichte rechtsbijstand in samenhangende zaken, waarbij een gemachtigde tien of meer belanghebbenden vertegenwoordigt, hanteert de SVB het volgende beleid. Als de gemachtigde aanvoert en aannemelijk maakt dat toepassing van artikel 3 Bpb leidt tot een onevenredig lage vergoeding voor de door hen gemaakte proceskosten, dan berekent de SVB de proceskostenvergoeding per afzonderlijke zaak. De SVB hanteert in dat geval een waarde per punt ter hoogte van 15,5% van de bedragen die worden genoemd in onderdeel B van de Bijlage bij het Bpb. De SVB geeft hiermee invulling aan artikel 2, derde lid Bpb en aan de uitspraak van de CRvB van 30 juni 2006.

Grondslag

Artikel 7:15, leden 2 en 3

Besluit beleidsregels SVB 2016

Klachten

relaties 7

Algemeen (SB3225)

Beleidsregel

De Awb bevat een regeling over de behandeling van klachten door bestuursorganen. In de regeling is geprobeerd een evenwicht te vinden tussen het bieden van voldoende waarborgen voor een zorgvuldige klachtbehandeling enerzijds, en het voorkomen van nodeloze formalisering of bureaucratisering anderzijds. De Awb bevat alleen procedurele voorschriften voor schriftelijke klachten die betrekking hebben op een gedraging jegens de klager (artikel 9:4 Awb). De SVB streeft ernaar in deze gevallen de klacht op een zo kort mogelijke termijn naar tevredenheid van de klager af te doen. Ook probeert zij om de gedraging waarover wordt geklaagd, zo snel mogelijk te corrigeren en eventueel een voorlopig oordeel uit te spreken over de gedraging. Kan de SVB de klacht niet naar tevredenheid van de klager afhandelen dan nodigt zij de klager uit voor een hoorzitting en geeft een formeel eindoordeel over de klacht.

In de Awb zijn geen voorschriften opgenomen voor de afhandeling van mondeling ingediende klachten of klachten die geen betrekking hebben op een gedraging jegens de klager. Wel zijn op de afhandeling van deze klachten de algemene beginselen van behoorlijk bestuur van toepassing. De in de Awb vervatte procedurele voorschriften - over onder meer het houden van een hoorzitting - zijn dan echter niet van toepassing.

Grondslag

artikel 9:1, lid 1, artikel 9:4, artikel 9:5, artikel 9:6, artikel 9:10 en artikel 9:12  Awb

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 1

Formele vereisten klaagschrift (SB3226)

Beleidsregel

Indien een klacht niet voldoet aan de formele vereisten van artikel 9:4 Awb behoeven de procedurele voorschriften vervat in de artikelen 9:5 tot en met 9:12a Awb geen toepassing te vinden. Indien dit ertoe leidt dat de klacht niet op zorgvuldige wijze kan worden afgehandeld, zal de SVB de klager verzoeken zijn klacht aan te vullen. Als de aanvulling tot gevolg heeft dat aan de formele vereisten van artikel 9:4 Awb wordt voldaan, zal de SVB de klacht alsnog met inachtneming van alle procedurele voorschriften afhandelen.

Wet- en regelgeving
relaties 1

Ontvangstbevestiging (SB3227)

Beleidsregel

Aan het verzenden van een ontvangstbevestiging is geen wettelijke termijn gesteld. De SVB hanteert het beleid dat zij uiterlijk één week na ontvangst van de klacht een ontvangstbevestiging verzendt. Is de klacht binnen deze termijn al (telefonisch) afgehandeld, dan stuurt zij geen ontvangstbevestiging maar een gespreksbevestiging naar aanleiding van de informele afhandeling van de klacht.

Wet- en regelgeving
relaties 1

Buiten behandeling laten (SB3228)

Beleidsregel

Artikel 9:8 Awb geeft de SVB in een aantal gevallen de bevoegdheid om een klacht die voldoet aan de vereisten van artikel 9:4 Awb niet in behandeling te nemen.

Ten aanzien van een klacht over een gedraging die meer dan een jaar voor indiening van de klacht heeft plaatsgevonden, hanteert de SVB het volgende beleid. De SVB neemt een dergelijke klacht met toepassing van de artikelen 9:5 tot en met 9:12a Awb in behandeling als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de klager pas na verloop van een jaar aanleiding heeft om een klacht in te dienen (bijvoorbeeld omdat aan hem verstrekte informatie pas dan relevant wordt). Andere klachten die betrekking hebben op een gedraging die meer dan een jaar voor indiening van de klacht heeft plaatsgevonden, neemt de SVB in beginsel wel in behandeling, maar de procedurele voorschriften vervat in de Awb zijn daarbij niet van toepassing.

Op grond van artikel 9:8, tweede lid Awb is de SVB ook bevoegd om een klacht buiten behandeling laten van een klacht indien het belang van de klager dan wel het gewicht van de gedraging kennelijk onvoldoende zijn. De SVB maakt van deze bevoegdheid terughoudend gebruik.

In de overige gevallen bedoeld in artikel 9:8 Awb hanteert de SVB het beleid dat zij een klacht buiten behandeling laat, tenzij zich bijzondere omstandigheden voordoen.

Wet- en regelgeving
relaties 1

Horen (SB3229)

Beleidsregel

Aan het horen zijn geen wettelijke eisen gesteld. Het horen kan telefonisch of in persoon plaatsvinden. De SVB laat de keuze tussen deze twee mogelijkheden aan de klager. Bij het horen is altijd een medewerker betrokken van een hoger functieniveau dan het functieniveau van de medewerker wiens gedraging aanleiding gaf tot de klacht.

Wanneer de SVB heeft afgezien van het horen van de klager motiveert zij dit in het schriftelijk oordeel over de klacht.

Wet- en regelgeving
relaties 1

Bekendmaking bevindingen (SB3230)

Beleidsregel

De SVB toetst haar handelen aan de algemene beginselen van behoorlijke gevalsbehandeling en wetsuitvoering. Het oordeel over de klacht luidt:

  • de SVB is niet bevoegd;
  • de indiener is niet-ontvankelijk;
  • de klacht is ongegrond;
  • de klacht is gegrond; of
  • er is geen oordeel mogelijk.

Indien de SVB een klacht gegrond verklaart, vermeldt zij in het schriftelijk oordeel over de klacht op welke wijze aan de voor klager onbevredigende situatie tegemoet is gekomen. Indien de SVB hieraan niet tegemoet kan komen, vermeldt zij waarom dit niet is gebeurd.

Wet- en regelgeving
relaties 3

Elektronisch bestuurlijk verkeer (SB3231)

Beleidsregel

De artikelen 2:14, 2:15 en 2:16 Awb hebben betrekking op het elektronisch verkeer tussen burgers en bestuursorganen en voor het elektronisch verkeer tussen bestuursorganen onderling.

De SVB hanteert in het elektronisch verkeer met belanghebbenden de volgende gedragslijn.

De SVB spant zich in om belanghebbenden zoveel mogelijk in staat te stellen elektronisch met de SVB te communiceren. In een aantal gevallen kan via het internet een aanvraag om uitkering worden ingediend en kunnen wijzigingen worden doorgegeven. Waar deze mogelijkheid bestaat, is dat op de website van de SVB (www.svb.nl) aangegeven. Als bij behandeling van een via het internet ingediende aanvraag blijkt dat nader onderzoek nodig is, verzoekt de SVB de aanvrager zonodig alsnog een papieren aanvraagformulier in te vullen.

Wanneer de belanghebbende aangeeft dat hij langs elektronische weg met de SVB wil communiceren, stuurt de SVB berichten die daarvoor in aanmerking komen uitsluitend elektronisch. De SVB maakt bij het verzenden van berichten via de elektronische weg gebruik van de Berichtenbox van MijnOverheid.nl.

Als de SVB elektronisch een aanvraag ontvangt waarvoor de elektronische weg nog niet openstaat, licht zij de indiener van het bericht hierover binnen twee werkdagen in, onder verwijzing naar de schriftelijke procedure. De SVB merkt de aanvraag in dat geval aan als een onvolledige aanvraag (zie ook SB3195 over indiening en gegevensverstrekking).

Als de SVB langs elektronische weg een mededeling ontvangt die van invloed is op het recht op of de hoogte van een uitkering en de elektronische weg nog niet openstaat, verzoekt de SVB de belanghebbende zijn mededeling schriftelijk te doen. Als de SVB de schriftelijke mededeling ontvangt binnen twee weken na het daartoe strekkende verzoek, merkt de SVB de datum van binnenkomst van het elektronische bericht aan als ontvangstdatum.

De elektronische diensten van de SVB zijn, zolang een elektronische handtekening die aan alle wettelijke eisen voldoet nog niet voorhanden is, slechts toegankelijk voor burgers die in het bezit zijn van DigiD. DigiD is een gemeenschappelijk systeem voor overheidsinstellingen waarmee een belanghebbende zich kan identificeren. DigiD kan worden aangevraagd via de website van de SVB, of direct op de website van DigiD (www.DigiD.nl).

Indien een persoon per e-mail een algemene vraag stelt die het recht op of de hoogte van de uitkering niet kan beïnvloeden, is niet vereist dat hij zich identificeert met behulp van DigiD. Voorbeelden van dergelijke vragen zijn het aanvragen van een folder of het opvragen van algemene, niet op een bepaalde persoon toegespitste informatie.

Grondslag

artikel 2:14, artikel 2:15 en artikel 2:16 Awb

Besluit beleidsregels SVB 2016

Inhoudsopgave

Alles dichtklappenAlles openklappen
Naar boven