Onderwerp: Bezoek-historie

SVB Beleidsregels september 2019, deel II - Internationaal
Geldigheid:26-09-2019 t/m Status: Geldig vandaag

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

SVB Beleidsregels - Internationaal

EG-Verordeningen

Algemene bepalingen

Personele werkingssfeer
relaties 8
Verplaatsingscriterium (SB2120)
Beleidsregel

Uit de verwijzing naar artikel 48 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en overweging 13 van de Preambule bij Verordening (EG) nr. 883/2004 blijkt dat deze verordening van toepassing is op personen 'die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen'. In het arrest Petit is ten aanzien van EU-onderdanen door het Hof van Justitie EU bepaald dat Verordening (EG) nr.883/2004 geen toepassing kan vinden in zuiver nationale situaties. Er dient sprake te zijn van enig intra-unitair aanknopingspunt. De SVB gaat ervan uit dat een dergelijk aanknopingspunt bestaat als de situatie van een persoon, wat de woon- of verblijfplaats, of de plaats van verrichting van de beroepsactiviteiten betreft, een of meer grensoverschrijdende aspecten in zich draagt (bijvoorbeeld een in Nederland woonachtige Nederlander die tijdelijk werkzaamheden in een andere lidstaat verricht).

Uit het arrest Khalil van het Hof van Justitie EU van 11 oktober 2001 volgt dat aan het verplaatsingscriterium in ieder geval niet is voldaan wanneer de situatie van een persoon uitsluitend aanknopingspunten heeft met een derde staat en één enkele lidstaat. Verordening (EG) nr. 883/2004 is derhalve in ieder geval niet van toepassing als een onderdaan van een land buiten de EU, EER of Zwitserland zich, komend vanuit dat land, voor het eerst in een lidstaat van de EU, een EER-land of Zwitserland vestigt.

De bepalingen van titel II van Verordening (EG) nr. 883/2004 zijn alleen van toepassing voor zover de actuele casus van een persoon grensoverschrijdende elementen bevat. Wat de toepasselijkheid van de overige bepalingen in deze verordening betreft, zoals vervat in titel I en titel III, volstaat het dat de persoon zich in het verleden binnen de Europese Unie heeft verplaatst.

Voor de toepassing van hoofdstuk 8 van titel III van Verordening (EG) nr. 883/2004 (gezinsuitkeringen) is reeds aan het verplaatsingscriterium voldaan als de rechthebbende werkzaam of woonachtig is in een andere lidstaat dan het woonland van het gezinslid waarvoor gezinsuitkeringen worden verkregen.

Grondslag

Verordening (EG) nr. 883/2004

Besluit beleidsregels SVB 2016

Wet- en regelgeving
relaties 6
Werkzaamheden in loondienst en werkzaamheden anders dan in loondienst (SB2121)
Beleidsregel

Artikel 1, onder a en b Verordening (EG) nr. 883/2004 omschrijft de begrippen 'werkzaamheden in loondienst' en 'werkzaamheden anders dan in loondienst'. De afbakening van deze begrippen is relevant omdat Verordening (EG) nr. 883/2004 in titel II en III afzonderlijke bepalingen kent voor werkzaamheden in loondienst en voor werkzaamheden anders dan in loondienst.

De SVB beoordeelt of sprake is van werkzaamheden in loondienst of werkzaamheden anders dan in loondienst aan de hand van de Werkloosheidswet. Werkzaamheden die leiden tot verplichte verzekering of de mogelijkheid van vrijwillige verzekering ingevolge die wet, worden aangemerkt als werkzaamheden in loondienst. Dit betekent dat de persoon die niet verplicht verzekerd is voor de Werkloosheidswet en zich daarvoor evenmin vrijwillig kan verzekeren, wordt aangemerkt als werkzaam anders dan in loondienst. Een werknemer die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt is uitgesloten van het werknemersbegrip in de Werkloosheidswet. Niettemin beschouwt de SVB de persoon die alleen vanwege de pensioengerechtigde leeftijd van het werknemersbegrip in de Werkloosheidswet is uitgesloten als werknemer voor de vraag of sprake is van werkzaamheden in loondienst of anders dan in loondienst. Het begrip 'werkzaamheden' wordt ruim uitgelegd. Het is bijvoorbeeld niet noodzakelijk dat een persoon die werkzaamheden anders dan in loondienst verricht, een rechtstreekse geldelijke tegenprestatie voor zijn werkzaamheden ontvangt. Het volstaat dat de betrokkene in het kader van zijn werkzaamheden vergoedingen ontvangt die hem geheel of gedeeltelijk in staat stellen in zijn levensonderhoud te voorzien, ook indien dergelijke vergoedingen door derden worden opgebracht. Geestelijken die worden onderhouden door hun gemeente, worden derhalve aangemerkt als personen die werkzaamheden anders dan in loondienst verrichten. Overigens acht de SVB de criteria zoals beschreven in SB1035 over wonen in Nederland, werken buiten Nederland ter zake van de invulling van het begrip arbeid van overeenkomstige toepassing.

Grondslag

artikel 1, aanhef en onder a en b Vo. 883/2004

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 3
Personele werkingssfeer (SB2123)
Beleidsregel

Blijkens de tekst van artikel 2 Verordening (EG) nr. 883/2004 bestaat de personele werkingssfeer van deze verordening uit onderdanen van een lidstaat, staatlozen en vluchtelingen, die in een van de lidstaten wonen, en op wie de wetgeving van een of meer lidstaten van toepassing is of geweest is, alsmede op hun gezinsleden en hun nabestaanden.

Uit de redactie van artikel 2 Verordening (EG) nr. 883/2004 zou men af kunnen leiden dat onderdanen van een lidstaat in één van de lidstaten moeten wonen om onder de personele werkingssfeer te vallen. Op grond van de officiële versies van deze bepaling in andere talen van de Europese Unie gaat de SVB er echter van uit dat deze wooneis uitsluitend geldt voor staatlozen en vluchtelingen.

Verordening (EG) nr. 883/2004 is ook van toepassing op personen die niet zelfstandig onder de personele werkingssfeer van deze verordening vallen maar gezinslid of nabestaande zijn van een persoon die daar wel onder valt of viel. Uit het arrest Cabanis van het Hof van Justitie EU blijkt dat deze gezinsleden en nabestaanden zich zelfstandig kunnen beroepen op alle bepalingen van Verordening (EG) nr. 883/2004, tenzij deze bepalingen uitsluitend van toepassing zijn op personen die rechtstreeks onder de personele werkingssfeer van Verordening (EG) nr. 883/2004 vallen. In dat geval hebben hun gezinsleden en nabestaanden slechts afgeleide rechten, dat wil zeggen rechten die zij ontlenen aan hun familierelatie met de persoon die onder de werkingssfeer van Verordening (EG) nr. 883/2004 valt (arrest Silvia Hosse).

Grondslag

artikel 2 Vo. 883/2004

Besluit beleidsregels SVB 2016

Wet- en regelgeving
relaties 2
Onderdanen van landen buiten de Europese Unie (SB2124)
Beleidsregel

De personele werkingssfeer van Verordening (EG) nr. 883/2004 is in beginsel beperkt tot de onderdanen van lidstaten van de EU, landen van de EER en Zwitserland. Onderdanen van derde landen vallen uitsluitend onder de personele werkingssfeer van die verordening als zij erkend zijn als vluchteling of in de hoedanigheid van gezinslid of nabestaande. In Verordening (EU) nr. 1231/2010 is echter bepaald dat op onderdanen van derde landen die uitsluitend wegens hun nationaliteit niet onder Verordening (EG) nr. 883/2004 vallen, die laatste verordening niettemin van toepassing is als deze onderdanen legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijven en zich rechtmatig binnen de Unie verplaatsen.

Het begrip legaal verblijf is niet gedefinieerd in Verordening (EU) nr. 1231/2010. Het beleid van de SVB is om legaal verblijf in Nederland aan te nemen indien dit verblijf rechtmatig is in de zin van artikel 8 Vw 2000, met dien verstande dat de SVB geen legaal verblijf aanneemt indien de vreemdeling in Nederland verblijft in afwachting van een aanvraag om eerste toelating.

Uit de titel, considerans en bepalingen van Verordening (EU) nr. 1231/2010 volgt dat onderdanen van derde landen op dezelfde wijze als gemeenschapsonderdanen moeten voldoen aan het verplaatsingscriterium zoals omschreven in SB2120 over het verplaatsingscriterium.

Verordening (EU) nr. 1231/2010 is niet van toepassing op Denemarken en het Verenigd Koninkrijk. In relatie met Denemarken past de SVB daarom titel II van Verordening (EG) nr. 883/2004 niet toe op onderdanen van derde landen die in Denemarken verblijven. Voorts beschouwt de SVB Denemarken niet als lidstaat in de zin van Verordening (EG) nr. 883/2004 bij de beoordeling van de vraag of aan het verplaatsingscriterium is voldaan door een onderdaan van een derde land. Wanneer zich in de situatie van een onderdaan van een derde land aanknopingspunten voordoen met Denemarken en ten minste twee andere lidstaten, dan past de SVB Verordening (EG) nr. 883/2004 uitsluitend toe in relatie tot deze andere lidstaten. Dit beleid geldt eveneens in relatie tot Noorwegen, IJsland, Liechtenstein en Zwitserland, die geen lid zijn van de EU.

In relatie tot het Verenigd Koninkrijk doet zich de bijzondere situatie voor dat op onderdanen van derde landen ook na de inwerkingtreding van Verordening (EU) 1231/2010 op 1 januari 2011 de voorheen geldende Verordening (EG) nr. 859/2003 van toepassing blijft. De SVB geeft daarom voor onderdanen van derde landen toepassing aan Verordening (EEG) nr. 1408/71 wanneer zich in de situatie van een onderdaan van een derde land aanknopingspunten voordoen met het Verenigd Koninkrijk.

Grondslag

artikel 1 en 2 Vo. 1231/2010

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 6
Beginsel van gelijke behandeling naar nationaliteit (SB2125)
Beleidsregel

Artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie bepaalt dat een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit burger van de Unie is. Uit onder meer de arresten Grzelczyk, Gottardo en D'Hoop van het Hof van Justitie EU blijkt dat dit burgerschap in samenhang met artikel 18 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aanspraak op gelijke behandeling verleent aan alle EU-onderdanen die zich in gelijke omstandigheden bevinden, ongeacht nationaliteit en onverminderd de uitdrukkelijk vastgestelde uitzonderingen. De SVB leidt uit deze jurisprudentie van het Hof van Justitie EU en artikel 4 Verordening (EG) nr. 883/2004 af dat bij de toepassing van de Nederlandse socialezekerheidswetgeving elk onderscheid naar nationaliteit tussen Nederlandse onderdanen en EU-onderdanen achterwege moet blijven. Dit beroep op gelijke behandeling naar nationaliteit kan worden gedaan ongeacht de woonplaats van de EU-onderdaan.

De SVB leidt uit het arrest Martinez Sala van het Hof van Justitie EU af dat onderdanen van een lidstaat van de EU of de EER en onderdanen van Zwitserland, die bevoegd zijn op Nederlands grondgebied te verblijven, onder dezelfde voorwaarden als Nederlandse onderdanen recht hebben op sociale verzekeringsuitkeringen. Van hen kan niet worden gevergd dat zij de rechtmatigheid van hun verblijf aantonen door middel van een door de Nederlandse autoriteiten afgegeven verblijfsdocument. Het arrest Martinez Sala gaat evenwel niet zo ver dat het een materiële koppeling verbiedt tussen verzekering op grond van de sociale verzekeringswetten en de rechtmatigheid van het verblijf of de arbeid in Nederland van de betreffende onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland.

Grondslag

artikel 20 VWEU en artikel 4 Vo. 883/2004

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 11
Territoriale werkingssfeer (SB2135)
Beleidsregel

Het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 883/2004 wordt territoriaal begrensd door artikel 52 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 355 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, die een opsomming bevatten van de lidstaten van de Europese Unie en van de overige gebieden waarop de verdragen van toepassing zijn. De toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 is daarom in beginsel slechts aan de orde als een persoon op het grondgebied van de Europese Unie woont en werkt. Uit het arrest Salemink blijkt dat in het kader van de sociale zekerheid tot dit grondgebied eveneens moet worden gerekend het onder de Noordzee gelegen deel van het continentaal plat waarover Nederland soevereine rechten uitoefent.

Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie EU blijkt dat Verordening (EG) nr. 883/2004 eveneens van toepassing kan zijn als een persoon onder de personele werkingssfeer valt maar buiten het grondgebied van de Europese Unie woont of werkt. De SVB voert in dit kader het volgende beleid.

De SVB gaat ervan uit dat titel II van Verordening (EG) nr. 883/2004 van toepassing is als een werknemer op het grondgebied van de Europese Unie woont maar buiten het grondgebied van de Unie werkt voor een binnen de Unie gevestigde werkgever. Daarbij ontleent de SVB aan de overwegingen van het Hof van Justitie EU in de arresten Prodest en Aldewereld de voorwaarde dat de werknemer onmiddellijk voorafgaand aan de buiten de Unie verrichte arbeid verzekerd moet zijn in de lidstaat waar zijn werkgever is gevestigd dan wel dat de werknemer op grond van de nationale wetgeving van die lidstaat verzekerd is tijdens de arbeid buiten de Unie. Indien aan een van deze voorwaarden wordt voldaan gaat de SVB ervan uit dat de wetgeving van de lidstaat van de werkgever als toepasselijk is aangewezen gedurende de periode dat buiten de Unie arbeid wordt verricht.

De SVB neemt op grond van het arrest Chuck aan dat hoofdstuk 5 van titel III van Verordening (EG) nr. 883/2004, betreffende ouderdom en overlijden, alsmede Bijlage XI, onderdeel Nederland, onder 3, betreffende het recht op nabestaandenuitkering, van toepassing is ongeacht de woonplaats van de aanvrager om ouderdomspensioen of nabestaandenuitkering onder de voorwaarde dat de aanvrager onder de personele werkingssfeer van de verordening viel (zie SB2120 over het verplaatsingscriterium). Indien een buiten de Europese Unie wonende persoon aan de wetgeving van meer dan een lidstaat onderworpen is geweest, dient zijn ouderdomspensioen of de uitkering ten behoeve van zijn nabestaanden daarom te worden berekend met toepassing van hoofdstuk 5 van titel III. Dit uitgangspunt geldt niet voor de toepassing van hoofdstuk 8 van titel III, voor zover dit betrekking heeft op gezinsuitkeringen voor pensioengerechtigden, en Bijlage XI, onderdeel Nederland, punt 2, onder a tot en met d, betreffende in aanmerking te nemen tijdvakken voor de berekening van een ouderdomspensioen. De daarin vervatte bepalingen zijn blijkens de tekst van de verordening alleen van toepassing als de aanvrager op het grondgebied van de Europese Unie woont.

Op grond van Bijlage II, artikel 1, tweede lid, van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen, is voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 met ingang van 1 april 2012 het grondgebied van de Europese Unie gelijkgesteld het grondgebied van de lidstaten van Zwitserland. Op grond van Bijlage VI, Sectorale Aanpassingen, bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte geldt dit met ingang van 1 juni 2012 eveneens voor de landen van de Europese Economische Ruimte, IJsland, Liechtenstein en Noorwegen.

Grondslag

artikel 52 VEU, artikel 355 VWEU, Bijlage II, artikel 1, lid 1, Overeenkomst  EG-Zwitserse Bondsstaat over het vrije verkeer van personen en Bijlage VI bij de  Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte

Besluit beleidsregels SVB 2016

Wet- en regelgeving
  • VEU: art. 52
  • VWEU: art. 355
  • Overeenkomst EG-Zwitserse Bondsstaat over het vrije verkeer van personen: Bijlage II, artikel 1, lid 1
  • Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte: Bijlage VI
relaties 3
In aanmerking te nemen tijdvakken voor de opening van het recht op uitkering (SB2150)
Beleidsregel

Artikel 6 van Verordening (EG) nr. 883/2004 voorziet in het beginsel van de samentelling van tijdvakken. Dit beginsel beoogt te voorkomen dat personen nadeel ondervinden van migratie doordat aan hen in een lidstaat prestaties worden geweigerd vanwege een te korte duur van verzekering in die lidstaat. Artikel 6 schrijft in dat geval voor dat de betrokken lidstaat voor de opening van het recht op uitkering rekening moet houden met tijdvakken vervuld in andere lidstaten.

Artikel 6 van Verordening (EG) nr. 883/2004 zou onder meer van belang kunnen zijn bij de toepassing van artikel 7, eerste lid, onder b AOW. Uit die bepaling vloeit voort dat geen recht op ouderdomspensioen bestaat als de totale duur van de verzekering minder dan een jaar bedraagt. Op grond van artikel 57, eerste lid Verordening (EG) nr. 883/2004 mag een lidstaat echter een pensioen weigeren als dit pensioen is gebaseerd op een tijdvak van minder dan een jaar. Voor de vraag of Verordening (EG) nr. 883/2004 het toestaat een ouderdomspensioen te weigeren als sprake is van minder dan een jaar verzekering in Nederland past de SVB het beleid toe in SB2152 over tijdvakken van wonen of werken van minder dan één jaar.

In Nederland is artikel 6 van toepassing op de situatie waarin op grond van artikel 15, eerste lid, onder b Anw een uitkering zou kunnen worden geweigerd. In artikel 15, eerste lid, onder b Anw is bepaald dat geen recht op een nabestaandenuitkering bestaat als de overledene binnen een jaar na aanvang van zijn verzekering is overleden en de gezondheidstoestand bij de aanvang van de verzekering het overlijden redelijkerwijs moest doen verwachten. Mede blijkens de arresten Moscato en Klaus van het Hof van Justitie EU moeten in die situatie tijdvakken van verzekering vervuld krachtens de wettelijke regeling van een andere lidstaat, worden opgeteld bij de periode van verzekering in Nederland als waren die tijdvakken in Nederland vervuld. De SVB hanteert daarom bij de toepassing van artikel 15, eerste lid, onder b Anw als aanvang van de verzekering de datum waarop de laatste periode van aaneengesloten verzekering binnen het grondgebied van de Europese Unie is aangevangen. Uit het arrest Klaus blijkt verder dat, als tussen de verzekering in de andere lidstaat en de verzekering in Nederland door de verhuizing naar Nederland een kort hiaat ontstaat, dit hiaat niet gezien mag worden als een onderbreking van de verzekeringsperiode.

Grondslag

artikel 6 en artikel 51, lid 3 Vo. 883/2004

Besluit beleidsregels SVB 2016

Wet- en regelgeving
relaties 7
Verhouding met overig internationaal recht (SB2127)
Beleidsregel

Uit rechtspraak van het Hof van Justitie EU volgt dat het in artikel 8 van Verordening (EG) nr. 883/2004 neergelegde beginsel dat deze verordening in de plaats treedt van de bepalingen van tussen lidstaten gesloten verdragen inzake sociale zekerheid, een dwingend karakter heeft. De enige uitzondering hierop wordt gevormd door de bepalingen genoemd in bijlage II van Verordening (EG) nr. 883/2004. Het beginsel vindt ook toepassing als de verdragen waarvoor Verordening (EG) nr. 883/2004 in de plaats treedt tot hogere uitkeringen leiden dan Verordening (EG) nr. 883/2004. Het Hof van Justitie EU heeft echter bepaald dat de substitutie van tussen lidstaten gesloten verdragen door Verordening (EG) nr. 883/2004 niet tot gevolg heeft dat een persoon socialezekerheidsvoordelen verliest die hij heeft opgebouwd onder vigeur van een dergelijk verdrag vóór de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 883/2004. Mede in het licht van de gezamenlijke rechtspraak van het Hof van Justitie EU en de Centrale Raad van Beroep gaat de SVB ervan uit dat deze voordelen blijven behouden indien is voldaan aan de volgende voorwaarden:

 

  • de toepassing van het verdrag leidt tot een voor betrokkene gunstiger situatie dan toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004;
  • de betrokkene heeft vóór het moment van substitutie rechten onder het verdrag opgebouwd.

 

Aan het vereiste dat rechten zijn opgebouwd onder een verdrag is voldaan indien ten minste de volgende voorwaarden zijn vervuld:

 

  • de betrokkene was vóór het moment van substitutie van het verdrag door Verordening (EG) nr. 883/2004 aangesloten bij een nationale wettelijke regeling van een lidstaat die onder de materiële werkingssfeer van het verdrag viel;
  • die aansluiting is mede bepalend voor de berekening van de aanspraak die aan de toepassing van het verdrag kan worden ontleend en
  • de betrokkene is tussen de betrokken lidstaten gemigreerd vóór het moment van substitutie van het verdrag door Verordening (EG) nr. 883/2004.

 

Het beginsel van behoud van socialezekerheidsvoordelen die de betrokkene heeft opgebouwd onder vigeur van een bilateraal verdrag vóór de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 883/2004, wordt op grond van het arrest Gómez Ródriguez van het Hof van Justitie EU niet toegepast als eerder een vergelijking heeft plaatsgevonden van de aanspraken van betrokkene op grond van Verordening (EG) nr. 883/2004 en zijn aanspraken op grond van het verdrag en de eerstgenoemde aanspraken toen gunstiger waren.

Grondslag

artikel 8 en bijlage II Vo.883/2004, artikel 8 en artikel 9 en bijlage 1 Vo.  987/2009

Besluit beleidsregels SVB 2016

Vaststelling van de toe te passen wetgeving

relaties 17
Voorrang van de conflictregels boven nationale verzekeringsvoorwaarden (SB2128)
Beleidsregel

Om te voorkomen dat een persoon gelijktijdig onder de wetgevingen van twee of meer lidstaten verzekerd is of juist in het geheel niet onderworpen is aan de wetgeving van een lidstaat, schrijft artikel 11, eerste lid, Verordening (EG) nr. 883/2004 uitdrukkelijk voor dat slechts één wetgeving van toepassing kan zijn. Ten einde de toepasselijke wetgeving aan te wijzen bevat titel II van Verordening (EG) nr. 883/2004 conflictregels.

Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie EU en de Centrale Raad van Beroep blijkt dat de conflictregels voorrang hebben boven strijdige nationale verzekeringsvoorwaarden. Deze voorrang wordt ook wel aangeduid met de term 'exclusieve werking' (toepasselijkheid van de wetgeving van de ene lidstaat sluit gelijktijdige toepasselijkheid van de wetgeving van de andere lidstaat uit) en 'sterke werking' (als conflictregels de wetgeving van een lidstaat van toepassing verklaren, mogen voor de aansluiting van een persoon bij deze wetgeving geen territoriale aansluitingsvoorwaarden worden tegengeworpen).

De exclusieve en sterke werking van de conflictregels laten onverlet de bevoegdheid van lidstaten tot het stellen van aansluitingsvoorwaarden, zolang deze voorwaarden niet door middel van nationaliteits- of territoriale criteria gericht zijn op afbakening van het eigen rechtsstelsel ten opzichte van buitenlandse rechtsstelsels.

Grondslag

artikel 11, lid 1 Vo. 883/2004

Besluit beleidsregels SVB 2016

Wet- en regelgeving
Overgang van werkzaamheden naar inactiviteit
relaties 1
Overgang van werkzaamheden naar inactiviteit (SB2130)
Beleidsregel

Voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 is van belang of iemand actief werkzaamheden verricht, geen werkzaamheden (meer) verricht of een uitkering geniet. De criteria die bepalen tot welke categorie een persoon behoort, zijn vanwege wijzigingen in het toepasselijke recht mede afhankelijk van het tijdvak waarop de beoordeling betrekking heeft. Hierbij moeten worden onderscheiden:

 

  • tijdvakken bestreken door Verordening (EG) nr. 883/2004,
  • tijdvakken waarin het toepasselijke recht werd gevormd door het op 29 juli 1991 in werking getreden artikel 13, tweede lid, onder f, van Verordening (EEG) nr. 1408/71 en
  • tijdvakken die voor laatstgenoemde datum zijn gelegen.

 

Grondslag

artikel 11, leden 2 en 3 Vo. 883/2004

Besluit beleidsregels SVB 2016

Wet- en regelgeving
relaties 1
Tijdvakken op grond van Verordening (EG) nr. 883/2004 (SB2263)
Beleidsregel

Artikel 11, derde lid, onder a, van Verordening (EG) nr. 883/2004 bevat een aanwijsregel voor personen, met uitzondering van ambtenaren, die werkzaamheden verrichten in loondienst of werkzaamheden anders dan in loondienst. Artikel 11, tweede lid, Verordening (EG) nr. 883/2004 bepaalt dat personen die een uitkering ontvangen omdat of als gevolg van het feit dat zij een werkzaamheid uitvoeren, moeten worden beschouwd als personen die die werkzaamheid verrichten. Artikel 11, derde lid, onder e, Verordening (EG) nr. 883/2004 bevat een conflictregel die voor niet-actieven de wetgeving van de woonplaats als toepasselijk aanwijst. De SVB begrijpt deze bepalingen zo dat de Nederlandse wetgeving van toepassing blijft op personen die in aansluiting op in Nederland verrichte werkzaamheden een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de IOW, IOAZ en IOAW ontvangen of recht hebben op betaling van loon op grond van artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek. In deze gevallen neemt de SVB aan dat sprake is van werken in twee lidstaten als de betrokkene naast zijn Nederlandse uitkering of de loondoorbetaling arbeid verricht in een andere lidstaat (zie SB2138 over werken in loondienst in twee of meer lidstaten). Op personen die hun werkzaamheden hebben gestaakt, in een andere lidstaat wonen en een AOW-pensioen of een Anw- of WIA-uitkering ontvangen, is de wetgeving van toepassing van hun woonstaat.

De vraag doet zich voor of perioden waarin een dienstbetrekking voortduurt maar niet daadwerkelijk werkzaamheden worden verricht of aanspraak bestaat op een Nederlandse uitkering of loondoorbetaling, moeten worden aangemerkt als perioden waarin werkzaamheden worden verricht. Dit geldt met name voor perioden van onbetaald verlof. De SVB hanteert het beleid dat deze perioden worden beschouwd als perioden waarin werkzaamheden worden verricht zolang de verzekering voor de werkloosheidswet doorloopt. Hiervoor gelden de volgende door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen gehanteerde cumulatieve voorwaarden:

  • De dienstbetrekking blijft in stand gedurende de periode van onbetaald verlof;
  • De periode van onbetaald verlof is vooraf overeengekomen tussen de werkgever en de werknemer;
  • De werkgever en de werknemer verbinden zich na afloop van de overeengekomen periode weer tot het betalen van loon en het verrichten van werkzaamheden;
  • De overeengekomen periode van onbetaald verlof bedraagt maximaal 78 weken.

De SVB neemt aan dat een dienstverband is verbroken als aan het arbeidscontract tussen werkgever en werknemer geen andere rechten en plichten meer verbonden zijn dan die welke verband houden met het formeel beëindigen van de arbeidsovereenkomst.

Het beleid betreffende onbetaald verlof betekent dat de SVB aanneemt dat een werknemer in meerdere lidstaten werkzaamheden verricht als hij tijdens een periode van onbetaald verlof in Nederland in een andere lidstaat werkt (zie verder SB2138, werken in loondienst in twee of meer lidstaten).

Grondslag

Artikel 11, lid 2 en lid 3, onder e Vo. 883/2004

Besluit beleidsregels SVB 2016

Wet- en regelgeving
relaties 10
Tijdvakken op grond van artikel 13, lid 2, onder f Verordening (EEG) nr. 1408/71 (SB2132)
Beleidsregel

In de periode van 29 juli 1991 tot aan het moment van toepassing worden van Verordening (EG) nr. 883/2004 wordt de rechtspositie van personen die hun werkzaamheden staakten bestreken door artikel 13, tweede lid, onder f, van Verordening (EEG) nr. 1408/71. Op grond van deze bepaling zijn werknemers of zelfstandigen die ophouden onderworpen te zijn aan de wetgeving van hun laatste werkland, onderworpen aan de wetgeving van hun woonland. Zoals volgt uit artikel 10ter van Verordening (EEG) nr. 574/72 wordt aan de hand van het nationale recht van het laatste werkland bepaald of de betrokkene aan die wetgeving onderworpen is gebleven. Voor de toepasselijkheid van de Nederlandse wetgeving wordt onderzocht of de betrokkene nog voor één of meerdere takken van verzekering is aangesloten bij het Nederlandse stelsel.

De SVB gaat ervan uit dat in de periode tussen 29 juli 1991 en het van toepassing worden van Verordening (EG) nr. 883/2004 de overige in titel II van Verordening (EEG) nr. 1408/71 opgenomen conflictregels slechts van toepassing zijn op personen die een dienstbetrekking hadden of daadwerkelijk beroepswerkzaamheden verrichtten. Een 'nawerking' van deze conflictregels voor personen die hun beroepswerkzaamheden hebben gestaakt is sinds 29 juli 1991 niet langer aan de orde. Dit uitgangspunt geldt blijkens het arrest Kuusijärvi zowel voor personen die definitief alle beroepswerkzaamheden hebben gestaakt als voor personen die niet definitief hun beroepswerkzaamheden hebben gestaakt. Het voorgaande heeft tot gevolg dat de aanwijsregel van artikel 13, tweede lid, onder f, Verordening (EEG) nr. 1408/71 tevens van toepassing is op zieken en werklozen. Wat werklozen betreft is de toepasselijkheid van die bepaling bevestigd in het arrest Adanez-Vega.

Toepassing van artikel 13, tweede lid, onder f, Verordening (EEG) nr. 1408/71 leidt er in samenhang met artikel 10 ter van Verordening (EEG) nr. 574/72 toe dat personen onderworpen blijven aan de Nederlandse wetgeving indien uit hoofde van de nationale verzekeringsbepalingen nog aansluiting bestaat bij ten minste een tak van sociale zekerheid. Personen die een WW-uitkering ontvingen en in een andere lidstaat woonden, blijven in Nederland verzekerd voor de duur van de uitkering. Deze personen worden immers als verzekerde werknemers in de zin van de WW beschouwd. Personen die een uitkering ingevolge de Ziektewet ontvingen of van wie het loon werd doorbetaald op grond van artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek blijven in Nederland verzekerd voor de WW en de WAO voor de duur van hun uitkering of loondoorbetaling. Uit dien hoofde is ook op hen de Nederlandse wetgeving van toepassing.

De Nederlandse wetgeving is niet van toepassing indien blijkt dat een persoon die niet in Nederland woonachtig was, nog voor één of meerdere takken van verzekering was aangesloten bij het wettelijke stelsel van het laatste werkland. Uit rechtspraak van het Hof van Justitie EU volgt dat deze aansluiting nog daadwerkelijk dekking moet geven voor één of meerdere risico's als genoemd in artikel 4, eerste lid, Verordening (EEG) nr. 1408/71. Er is bijvoorbeeld sprake van daadwerkelijke dekking als ongeacht de woonplaats:

 

  • nog tijdvakken van verzekering worden opgebouwd, of
  • rechten ontstaan op een uitkering bij het intreden van een risico, of
  • bepaalde medische zorg wordt vergoed (op grond hiervan dienen onder andere Duitse post-actieve ambtenaren die verzekerd blijven voor de 'Beihilfe', nog als verzekerd in Duitsland te worden beschouwd).

 

Als niet bekend is dat nog sprake is van buitenlandse verzekering, kan het voorkomen dat ten onrechte is uitgegaan van de toepasselijkheid van de Nederlandse volksverzekeringen. In dat geval zal op aanvraag van de belanghebbende artikel 13, tweede lid, onder f, Verordening (EEG) nr. 1408/71 worden toegepast met een terugwerkende kracht van maximaal vijf jaren, mits in de tussentijd geen zwaarwegend risico werd gedragen door de Nederlandse verzekeringsinstanties (bijvoorbeeld ingevolge de Anw of AWBZ). De terugwerkende kracht van vijf jaren is afgeleid van de termijn die de Belastingdienst hanteert voor de teruggave van premies. Tijdvakken die niet in aanmerking komen voor teruggave van premies, worden beschouwd als tijdvakken van vrijwillige verzekering (zie SB1044 over uitzonderingssituaties).

Grondslag

Artikel 13, lid 2, onder f Vo. 1408/71 en artikel 10 ter Vo. 574/72

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 9
Tijdvakken op grond van Verordening (EEG) nr. 1408/71 vóór 29 juli 1991 (SB2131)
Beleidsregel

Ter beantwoording van de vraag in hoeverre de conflictregels voor actieven ook toepassing kunnen vinden op personen die geen werkzaamheden verrichten heeft de SVB voor tijdvakken gelegen vóór 29 juli 1991 het volgende beleid vastgesteld.

Of een persoon zijn werkzaamheden definitief heeft gestaakt, wordt door de SVB naar de omstandigheden beoordeeld. Hierbij kunnen de volgende factoren een rol spelen:

 

  • Stond betrokkene ingeschreven bij het arbeidsbureau?
  • Blijkt de intentie van betrokkene om te werken uit bijvoorbeeld het zich beschikbaar stellen voor de arbeidsmarkt?
  • Wat was de reden voor de beëindiging van de werkzaamheden (was dit vrijwillig of niet)?
  • Welke middelen van bestaan waren er (te denken valt hierbij aan het hebben van een langdurige uitkering, hetgeen er op kan wijzen dat iemand niet meer gaat werken)?

 

Van het definitief staken van beroepswerkzaamheden was - ongeacht de vraag of nog daadwerkelijk werkzaamheden worden verricht - geen sprake zolang een dienstbetrekking voortduurt (zie Hoge Raad 11 juli 2003). Ten aanzien van de vraag of een dienstbetrekking aanwezig moet worden geacht, wordt door de SVB zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de criteria zoals die zijn ontwikkeld onder de vigeur van de Wet op de Loonbelasting 1964. Hierbij is van belang dat er nog een economische vergoeding plaatsvindt zoals omschreven in SB1035 over wonen in Nederland, werken buiten Nederland.

Toepassing van deze criteria op situaties die in de praktijk veel voorkomen, levert het volgende beeld op. Ten aanzien van gepensioneerden, personen met een uitkering in verband met vervroegde uittreding en personen met een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt aangenomen dat zij definitief hun beroepswerkzaamheden hebben gestaakt.

In geval van ziekte wordt voor zover niet reeds sprake was van een dienstbetrekking uitgegaan van een nawerking van de conflictregels gedurende maximaal een jaar. Hierbij geldt als aanvullende voorwaarde dat men recht heeft gehad op ziekengeld.

In geval van werkloosheid anders dan ten gevolge van een vrijwillige ontslagname of een vrijwillige beëindiging van de beroepswerkzaamheden anders dan in loondienst wordt eveneens nawerking van een jaar aangenomen, mits de belanghebbende reëel beschikbaar is voor de arbeidsmarkt.

Ten aanzien van personen die noch werkloos, noch ziek zijn (bijvoorbeeld vrijwillig niet-actieven) is geen sprake van nawerking. Dit is ook het geval voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten van wie wordt verwacht dat zij hun restcapaciteit benutten.

Grondslag

De tekst van de beleidsregels is afgesloten naar de stand van de wetgeving en de jurisprudentie op 31 maart 2016.

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 2
Conflictregels en a-typische arbeidsrelaties (SB2133)
Beleidsregel

Uit het arrest van het Hof van Justitie EU in de zaak Kits van Heijningen heeft de SVB afgeleid dat personen die in deeltijd in Nederland werken en buiten Nederland wonen, volledig verzekerd zijn voor de volksverzekeringen, dus ook op de dagen waarop zij niet werken. De omvang van de werkzaamheden is niet van belang. Personen die in Nederland wonen en in een andere lidstaat werken zijn ongeacht de omvang van hun werkzaamheden niet verzekerd voor de volksverzekeringswetten.

Bij personen met een vaste dienstbetrekking maar een zeer onregelmatig arbeidspatroon, zoals het geval kan zijn bij oproepkrachten, bij werknemers met een nulurencontract, bij commissarissen die in een jaar slechts enkele dagen hun commissariaat uitoefenen of bij zelfstandigen zonder vast bedrijf, is het exacte moment van beëindiging van de werkzaamheden veelal moeilijk vast te stellen. Voor dergelijke situaties gaat de SVB ervan uit dat iemand zijn werkzaamheden heeft beëindigd, wanneer hij zijn werkzaamheden in Nederland langer dan drie maanden niet heeft uitgeoefend. Dit uitgangspunt geldt niet indien iemand zijn werkzaamheden al dan niet tijdelijk staakt omdat zijn arbeidsovereenkomst is beëindigd of omdat zijn bedrijf is opgeheven.

relaties 2
Werken in twee lidstaten: marginale werkzaamheden (SB2134)
Beleidsregel

Verordening (EG) nr. 883/2004 en Verordening (EG) nr. 987/2009 bevatten enkele bijzondere conflictregels voor de situatie waarin gelijktijdig beroepswerkzaamheden in twee of meer lidstaten worden uitgeoefend. Artikel 14, vijfde lid, onder b, van Verordening (EG) nr. 987/2009 schrijft voor dat geen sprake is van gelijktijdig werken in meerdere lidstaten als in een lidstaat uitsluitend marginale werkzaamheden in loondienst worden verricht. De SVB merkt als marginale werkzaamheden onder meer aan het lezen van stukken, het voorbereiden van vergaderingen en het ontvangen van bezoek. De SVB hanteert voor de kwalificatie van dergelijke werkzaamheden het volgende beleid.

De SVB laat werkzaamheden voor de toepassing van de conflictregels in ieder geval buiten beschouwing als de duur daarvan in relatieve en absolute zin beperkt is. Dit doet zich voor als gedurende een periode van drie maanden minder dan twee uur per week wordt gewerkt. Indien deze duur in geringe mate wordt overschreden wordt aan de hand van de individuele situatie beoordeeld of de werkzaamheden nog als marginaal kunnen worden aangemerkt. Hierbij slaat de SVB acht op de volgende criteria:

 

  • De werkzaamheden hebben een ondersteunend karakter en ontberen zelfstandigheid.
  • In het algemeen worden de werkzaamheden thuis verricht.
  • De verrichte werkzaamheden staan in dienst van de hoofdactiviteit die in de andere lidstaat wordt uitgeoefend.

 

Het oordeel van een buitenlands orgaan over het al dan niet ondergeschikte karakter van werkzaamheden die in het land van dit orgaan worden verricht, prevaleert boven de beoordeling van deze werkzaamheden door de SVB.

Ter beoordeling van de vraag of in meerdere lidstaten werkzaamheden anders dan in loondienst worden verricht, hanteert de SVB eveneens het hier geschetste beleid.

Grondslag

Artikel 13, lid 1 Vo. 883/2004 en artikel 14, lid 5, onder b Vo. 987/2009

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 3
Werkzaamheden aan boord van een zeeschip (SB2137)
Beleidsregel

Artikel 11, vierde lid Verordening (EG) nr. 883/2004 bepaalt voor werkzaamheden aan boord van een zeeschip als hoofdregel dat deze moeten worden beschouwd als werkzaamheden die worden verricht in de lidstaat waarvan het schip de vlag voert. Dit betekent dat de persoon die werkzaam is aan boord van een zeeschip dat onder de vlag van een lidstaat vaart, ressorteert onder de wetgeving van die lidstaat. Als een werknemer echter wordt betaald door een onderneming of een persoon die is gevestigd in de lidstaat waar de werknemer woont, dan is de wetgeving van het woonland van toepassing.

De SVB interpreteert de verwijzing naar werkzaamheden die normaliter aan boord van een zeeschip worden verricht zo dat daarmee wordt bedoeld dat een belanghebbende zijn werkzaamheden van economisch belang normaliter op zee moet verrichten. Voor overige werkzaamheden aan boord van een zeeschip hanteert de SVB het vermoeden dat de belanghebbende deze werkzaamheden niet in overwegende mate aan boord van een zeeschip verricht maar ook elders. Dit geldt bijvoorbeeld voor personen die met regelmaat werkzaamheden verrichten op verschillende zeeschepen in de binnenwateren van een lidstaat maar tevens werkzaam zijn op andere plekken, zoals het geval is bij loodsen en stuwadoors. De SVB baseert deze interpretatie mede op de tekst van Verordening (EG) nr. 883/2004 in andere talen. Daarin wordt niet geschreven over werkzaamheden aan boord van een zeeschip maar over werkzaamheden aan boord van een schip op zee.

Naar aanleiding van de uitspraak van de CRvB van 17 april 2002 merkt de SVB een Nederlands schip aan als een zeeschip indien daarvoor een zeebrief is afgegeven op grond van de Zeebrievenwet dan wel indien het is opgenomen als zeevissersvaartuig in het visserijregister als bedoeld in artikel 4 van het Besluit registratie vissersvaartuigen 1998. Voor zeeschepen die varen onder de vlag van een lidstaat wordt de kwalificatie onder de wetgeving van die lidstaat overgenomen.

Regels voor zeeschepen die varen onder de vlag van derde staten komen in Verordening (EG) nr. 883/2004 niet voor. De SVB gaat er op grond van het arrest van het Hof van Justitie EU in de zaak Aldewereld echter van uit dat de Nederlandse wetgeving dient te worden toegepast, indien de werkgever van een zeevarende in Nederland is gevestigd, de zeevarende in de EU, de EER of Zwitserland woont en beschikt over een EU-nationaliteit en het schip vaart onder de vlag van een derde staat. Vaart het schip onder de vlag van een land waarmee Nederland een verdrag inzake sociale zekerheid heeft gesloten en verklaart dit verdrag de wetgeving van de vlagstaat van toepassing, dan acht de SVB de Nederlandse wetgeving niet van toepassing.

Grondslag

artikel 11, lid 4 en artikel 12 Vo. 883/2004

Besluit beleidsregels SVB 2016

Wet- en regelgeving
relaties 2
Werken in loondienst in twee of meer lidstaten (SB2138)
Beleidsregel

Ten aanzien van werknemers die in twee of meer lidstaten in loondienst werkzaam zijn, bevat artikel 13, eerste lid, Verordening (EG) nr. 883/2004 speciale conflictregels.

Het kan voorkomen dat een persoon in Nederland een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de IOW, de IOAZ of de IOAW ontvangt en daarnaast in een andere lidstaat werkt. De SVB merkt deze persoon aan als iemand die in twee om meer lidstaten arbeid verricht (zie SB2263 over tijdvakken op grond van Verordening (EG) nr. 883/2004). In deze gevallen merkt de SVB voor de toepassing van artikel 13, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 883/2004 het orgaan dat de uitkering verstrekt aan als werkgever.

Een aanwijsregel voor personen die in twee of meer lidstaten als ambtenaar zijn aangesteld is in Verordening (EG) nr. 883/2004 niet opgenomen. In die gevallen geeft de SVB daarom analoge toepassing aan artikel 13, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 883/2004.

Artikel 14, zevende lid, van Verordening (EG) nr. 987/2009 bevat criteria ten behoeve van het onderscheid tussen de situatie van werken in meerdere lidstaten en detachering. De SVB hanteert op basis hiervan het beleid dat bij werkzaamheden in twee lidstaten tot twee jaar de toepassing van artikel 13, eerste en tweede lid, van Verordening (EG) nr. 883/2004 achterwege blijft als sprake is van detachering op grond van artikel 12 van Verordening (EG) nr. 883/2004.

Grondslag

artikel 13, lid 1 Vo. 883/2004 en artikel 14, leden 5 tot en met 11 Vo.

987/2009

Besluit beleidsregels SVB 2016

Detachering
Detachering (SB2139)
Beleidsregel

Op grond van artikel 12 Verordening (EG) nr. 883/2004 vallen de werknemer en de zelfstandige in geval van detachering onder de wetgeving van de lidstaat van waaruit de detachering plaatsvindt. Deze regel wijkt af van de hoofdregel van artikel 11, derde lid, onder a, van Verordening (EG) nr. 883/2004.

De mogelijkheid van detachering doet zich alleen voor als de werknemer of zelfstandige onmiddellijk voorafgaand aan de detachering verplicht verzekerd is ingevolge de Nederlandse socialeverzekeringswetten. Detachering in aansluiting op vrijwillige verzekering op grond van de AOW, de Anw of de werknemersverzekeringen is niet mogelijk. De SVB leidt dit af uit het feit dat artikel 12 Verordening (EG) nr. 883/2004 uitgaat van het 'onderworpen blijven aan' de wetgeving van de lidstaat van waaruit de detachering plaatsvindt. De SVB acht de voorwaarde dat de Nederlandse wetgeving van toepassing blijft, in ieder geval vervuld als de detachering wordt voorafgegaan door ten minste één maand van verzekering in Nederland. In uitzonderingsgevallen waarin niet aan deze eis is voldaan, beoordeelt de SVB aan de hand van alle individuele relevante feiten en factoren of niettemin aan de eis van voorafgaande verzekering is voldaan. De volgende factoren kunnen hierbij een rol spelen:

  • de duur van de voorafgaande verzekering;
  • in geval van een onderbreking van de voorafgaande verzekering: de duur en de reden van de onderbreking en de duur van de verzekering voorafgaande aan de onderbreking;
  • de omvang en de specifieke kenmerken van de werkzaamheden in Nederland in de maand voorafgaand aan de detachering;
  • de duur van de detachering in verhouding tot de duur van de werkzaamheden in Nederland voor en na de detachering;
  • de woonplaats van de werknemer.

 

Een bijzondere situatie kan zich voordoen bij werknemers en zelfstandigen die werken in een land dat toetreedt tot de Europese Unie. Indien voorafgaand aan de toetreding van een land tot de Europese Unie geen mogelijkheid tot detachering op grond van een tussen Nederland en het betreffende land gesloten verdrag bestaat en de werknemer of zelfstandige niet aan de Nederlandse verplichte verzekering onderworpen is gebleven, staat het ontbreken van voorafgaande verplichte verzekering in Nederland in de weg aan een detachering op grond van artikel 12 Verordening (EG) nr. 883/2004. In die situatie kunnen betrokkenen de SVB verzoeken met het betreffende land een artikel 16-overeenkomst te sluiten (zie SB2146 over een verzoek tot het sluiten van een artikel 16-overeenkomst). De artikel 16-overeenkomst kan door de SVB worden afgegeven met terugwerkende kracht tot de datum van toetreding van het betreffende land.

De detacheringstermijn bedraagt twee jaar en kan niet worden verlengd. Door de lidstaten aangewezen organen moeten op verzoek van de werkgever, de werknemer of de zelfstandige een verklaring verstrekken, waaruit blijkt dat de werknemer of zelfstandige onderworpen blijft aan de wettelijke regeling van de lidstaat van waaruit de detachering plaatsvindt. Deze verklaring wordt verstrekt op zogenaamde A1-formulieren. Voor Nederland is de SVB het aangewezen orgaan. De A1-formulieren worden verstrekt door SVB Amstelveen, Postbus 357, 1180 AJ Amstelveen (tel: 020-656 5277).

Grondslag

artikel 12 Vo. 883/2004 en artikel 15 Vo. 987/2009

Besluit beleidsregels SVB 2016

Wet- en regelgeving
  • Besluit nr. A2 van de Administratieve Commissie
  • Vo. 987/2009
  • Vo. 883/2004
relaties 4
Detachering van werknemers: Relatie met de werkgever (SB2140)
Beleidsregel

Artikel 12, eerste lid, Verordening (EG) nr. 883/2004 veronderstelt een band tussen de werknemer en de werkgever die hem detacheert. Uit het arrest van het Hof van Justitie EU in de zaak Manpower volgt dat de aanwezigheid van een dergelijke band afhankelijk is van de intensiteit van de arbeidsrechtelijke relatie tussen de werkgever en de werknemer. In Besluit nr. A2 van de Administratieve Commissie, waarin nadere interpretatieregels zijn opgenomen voor de toepassing van onder meer artikel 12, eerste lid Verordening (EG) nr. 883/2004 is deze jurisprudentie nader uitgewerkt. Blijkens dit besluit dient sprake te zijn van een 'rechtstreekse relatie' tussen de werknemer en de werkgever. Om het bestaan van een dergelijke relatie vast te stellen, dient een reeks van elementen in aanmerking te worden genomen, met name de verantwoordelijkheid inzake aanwerving, arbeidsovereenkomst, ontslag, vaststelling van de aard van de werkzaamheden en beloning.

De SVB neemt een rechtstreekse relatie aan als gedurende de periode van uitzending aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • De detacherende werkgever is verantwoordelijk voor de werving en selectie van de werknemer.
  • De arbeidsovereenkomst met de detacherende werkgever blijft bestaan.
  • Het salaris wordt direct of indirect betaald door de detacherende werkgever.
  • De detacherende werkgever is zelfstandig bevoegd om de werknemer te ontslaan.
  • Ten behoeve van de werknemer worden premies voor de volksverzekeringen en de werknemersverzekeringen afgedragen.

 

Als de SVB aan de hand van deze criteria niet tot een duidelijk oordeel kan komen, beoordeelt zij het bestaan van de rechtstreekse relatie tussen werknemer en detacherende werkgever op basis van een meer algemeen beeld van de intensiteit van de arbeidsrechtelijke relatie tussen de werknemer en de werkgever. De SVB weegt hiertoe alle relevante feiten en omstandigheden, waaronder de vraag of de detacherende werkgever in beginsel zeggenschap heeft over de volgende zaken:

  • de aard van het werk;
  • de arbeidsvoorwaarden;
  • de vakantiedagen en het salaris;
  • het garant staan voor de nakoming van de contractuele verplichtingen.

 

Daarnaast betrekt de SVB de volgende elementen bij de beoordeling of sprake is van een rechtstreekse relatie:

  • het van toepassing blijven van de pensioenregeling van de detacherende werkgever op de betrokkene;
  • het bestaan van een zogenaamde terugkeergarantie, dat wil zeggen een toezegging van de werkgever dat de werknemer na afloop van de uitzending zijn werkzaamheden weer kan hervatten.

 

Toepassing van deze voorwaarden brengt veelal met zich dat zogenaamde concerndetacheringen, waarbij sprake is van uitzending naar een in een andere lidstaat gevestigde dochteronderneming, onder het bereik van artikel 12, eerste lid Verordening (EG) nr. 883/2004 vallen. Ook uitzending van werknemers door uitzendbureaus kan in beginsel onder het bereik van de detacheringsbepalingen worden gebracht.

Grondslag

artikel 12, lid 1 Vo.883/2004, artikel 14, lid 1 Vo. 987/2009en punt 1 Besluit nr. A2  van de Administratieve Commissie

Wijzigingsbesluit Beleidsregels SVB september 2018

relaties 3
Detachering van werknemers: Eisen aan de werkgever (SB2141)
Beleidsregel

Artikel 12, eerste lid, Verordening (EG) nr. 883/2004 stelt als voorwaarde dat de werkgever van een te detacheren werknemer zijn werkzaamheden normaliter verricht in de zendende lidstaat. In artikel 14, tweede lid Verordening (EG) 987/2009 is gepreciseerd dat hierbij sprake moet zijn van activiteiten van betekenis. Bij de bepaling of hiervan sprake is hanteert de SVB onder meer de volgende door het Hof van Justitie EU in zijn arrest Fitzwilliam neergelegde criteria die zijn vervat in punt 1, vijfde alinea, van Besluit nr. A2 van de Administratieve Commissie.

  • de plaats waar de detacherende werkgever zijn statutaire zetel en hoofdkantoor heeft;
  • het aantal administratieve personeelsleden van de detacherende werkgever dat in de staat van detachering en de staat van tewerkstelling werkzaam is; de plaats waar de gedetacheerde werknemer wordt aangeworven;
  • de plaats waar het merendeel van de contracten van de werkgever met haar klanten wordt gesloten;
  • de wetgeving die op de contracten van de detacherende werkgever met haar klanten en werknemers van toepassing is;
  • het aantal contracten dat in de detacherende lidstaat en de lidstaat van tewerkstelling is uitgevoerd;
  • de omzet die gedurende een voldoende representatieve periode door de detacherende werkgever in de detacherende lidstaat en de lidstaat van tewerkstelling is behaald.

 

Hierbij leidt de SVB uit het arrest Van der Vecht van het Hof van Justitie EU af, dat voor zover bij de beoordeling de omzet van de onderneming in de afzonderlijke lidstaten wordt betrokken, het voor de vaststelling van de omvang van de bedrijfsactiviteiten niet van belang is wat de aard is van de werkzaamheden die in de respectieve lidstaten worden verricht.

Grondslag

Artikel 12, lid 1 Vo. 883/2004, artikel 14, lid 2 Vo. 987/2009 en punt 1 Besluit nr. A2  van de Administratieve Commissie

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 3
Detachering van werknemers: Vervanging en doorzending (SB2143)
Beleidsregel

In artikel 12, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 883/2004 is bepaald dat een werknemer niet mag worden uitgezonden om een ander te vervangen. De SVB interpreteert deze beperking zo dat een werknemer niet mag worden uitgezonden ter vervanging van een andere persoon wiens detachering is geëindigd.

Ook diverse vormen van doorzending van personeel vallen buiten het bereik van de detacheringsbepalingen omdat in deze gevallen niet langer sprake is van een rechtstreekse relatie tussen de werknemer en de detacherende werkgever. Dit laatste blijkt met name uit punt 4 van Besluit nr. A2.

De SVB geeft in geval van vervanging of doorzending geen A1-verklaringen af. In bijzondere gevallen, waarbij noch het belang van de werkgever of de werknemer, noch het belang van met de uitvoering van Verordening (EG) nr. 883/2004 belaste instellingen zich tegen het treffen van een regeling verzet, kan evenwel worden overwogen om bij vervanging of doorzending over te gaan tot het afsluiten van een overeenkomst op grond van artikel 16 (zie SB2146 over een verzoek tot het sluiten van een artikel 16-overeenkomst). Een dergelijke situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen bij bedrijven die internationale stageprogramma's organiseren, waarbij werknemers afwisselend voor korte duur bij nationale vestigingen van die bedrijven in de diverse lidstaten worden tewerkgesteld of indien een gedetacheerde werknemer ziek wordt en door een andere gedetacheerde wordt vervangen zonder dat daarbij de maximale detacheringsperiode van 24 maanden wordt overschreden.

Grondslag

artikel 12, lid 1 Vo.883/2005, artikel 14, lid 1 Vo. 987/2009 en punt 4 Besluit nr. A2  van de Administratieve Commissie

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 5
Detachering van zelfstandigen: Werkzaamheden in de zendende lidstaat (SB2264)
Beleidsregel

Een persoon die in een lidstaat anders dan in loondienst werkzaamheden pleegt te verrichten kan zichzelf detacheren naar een andere lidstaat mits hij aan bepaalde voorwaarden voldoet. Artikel 14, derde lid, Verordening (EG) nr. 987/2009 preciseert dat een persoon als zelfstandige werkzaamheden pleegt te verrichten in een lidstaat als deze persoon enige tijd normaliter substantiële werkzaamheden in de lidstaat van vestiging verricht. In het geval van een startende onderneming of zelfstandige hanteert de SVB op basis van punt 2 van Besluit nr. A2 van de Administratieve Commissie het beleid dat in ieder geval wordt voldaan aan het criterium dat 'enige tijd' werkzaamheden zijn verricht als in een periode van ten minste twee maanden voorafgaande aan het verzoek om detachering substantiële werkzaamheden zijn verricht. Als substantiële werkzaamheden worden onder meer aangemerkt activiteiten gericht op het opstarten van de onderneming, zoals de inschrijving bij de Kamer van Koophandel of een beroepsorganisatie, de verwerving van een kantoor- of bedrijfsruimte, het bezitten van een beroepskaart en een btw-nummer en het aanleggen van een handelsvoorraad. De uitvoering van een opdracht tot werk door een opdrachtgever wordt eveneens als substantiële handelsactiviteit wordt aangemerkt.

De SVB gaat er voorts op basis van artikel 14, derde lid, Verordening (EG) nr. 987/2009 van uit dat de belanghebbende gedurende de periode van detachering alleen aan de voorwaarden voor detachering blijft voldoen zolang hij in de lidstaat waarin hij is gevestigd de infrastructurele voorzieningen die hem in staat stellen aldaar werkzaamheden te verrichten, in stand houdt, en in die lidstaat aan zijn administratieve en fiscale verplichtingen voldoet. De belanghebbende dient op verzoek van de SVB aan te tonen dat hij gedurende de periode van detachering aan deze voorwaarden voldoet of heeft voldaan.

Grondslag

Artikel 12, lid 2 Vo. 883/2004, artikel 14, lid 3 Vo. 987/2009 en punt 2 Besluit nr. A2  van de Administratieve Commissie

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 2
Detachering van zelfstandigen: werkzaamheden van soortgelijke aard (SB2265)
Beleidsregel

Volgens artikel 12, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 883/2004 kan een zelfstandige zich alleen detacheren als de werkzaamheden in de zendstaat en in de lidstaat van detachering van gelijke aard zijn. Op grond van de versies van deze bepaling in andere officiële talen van de Europese Unie gaat de SVB ervan uit dat hiermee niet werkzaamheden van gelijke aard maar werkzaamheden van soortgelijke aard worden bedoeld.

Of sprake is van werkzaamheden van soortgelijke aard wordt op grond van artikel 14, vierde lid, Verordening (EG) nr. 987/2009 bepaald aan de hand van de feitelijke aard van de werkzaamheden. Hierbij is niet van belang dat deze werkzaamheden eventueel door de ontvangende lidstaat als werkzaamheden in loondienst worden betiteld.

De SVB hanteert ter beoordeling van de vraag of werkzaamheden van soortgelijke aard worden verricht het volgende beleid. Werkzaamheden of activiteiten die identiek zijn worden in ieder geval als soortgelijke werkzaamheden aangemerkt. In de overige gevallen weegt de SVB de volgende elementen mee:

  • vereisen de werkzaamheden beroeps- of bedrijfsmatig vergelijkbare kennis dan wel veronderstellen deze vergelijkbare vaardigheden?;
  • vallen de werkzaamheden binnen dezelfde branche?;
  • liggen de werkzaamheden in elkaars verlengde?;
  • wat is de doelomschrijving van de onderneming/ zelfstandige zoals opgenomen in de Kamer van Koophandel inschrijving?

De SVB acht werkzaamheden niet soortgelijk indien deze in gescheiden beroepen worden vervuld, tenzij het werkzaamheden in gescheiden beroepen betreft die beiden tevens in Nederland worden verricht.

Grondslag

artikel 12, lid 2 Vo. 883/2004 en artikel 14, lid 4 Vo. 987/2009

Besluit beleidsregels SVB 2016

Onderbreking van de detacheringsperiode en hernieuwde detachering (SB2142)
Beleidsregel

Op grond van het bepaalde in punt 3, onder b, van Besluit nr. A2 beschouwt de SVB een korte onderbreking van de werkzaamheden bij de werkgever in de ontvangende lidstaat niet als een onderbreking van de detachering. De SVB gaat ervan uit dat van een korte onderbreking in ieder geval sprake is, als de onderbreking korter dan twee maanden duurt. Punt 3, onder c, van Besluit nr. A2 bepaalt voorts dat binnen twee maanden na afloop van een detacheringsperiode in beginsel geen nieuwe detachering mogelijk is voor dezelfde werknemer naar dezelfde lidstaat, door dezelfde uitlener of naar dezelfde inlener. De SVB past dit beleid overeenkomstig toe op personen die anders dan in loondienst werkzaamheden verrichten.

Grondslag

Artikel 12 Vo. 883/2004 en punt 3, onder b en c, Besluit nr. A2 van de Administratieve  Commissie

Besluit beleidsregels SVB 2016

Wet- en regelgeving
  • Vo. 883/2004
  • Besluit nr. A2 van de Administratieve Commissie
relaties 3
Status A1-verklaring (SB2145)
Beleidsregel

Door middel van een A1-verklaring bevestigt het bevoegde orgaan van de lidstaat waar de verklaring wordt afgegeven dat een gedetacheerde persoon in afwijking van artikel 11, derde lid, onder a, Verordening (EG) nr. 883/2004 onderworpen blijft aan de wetgeving van die lidstaat. Het orgaan van de lidstaat waarin de betrokken persoon zijn werkzaamheden verricht dient er derhalve rekening mee te houden, dat die persoon reeds is aangesloten bij de sociale zekerheid van de lidstaat waar de verklaring is afgegeven. In artikel 5 Verordening (EG) nr. 987/2009 is daarom, in navolging van de arresten Fitzwilliam en Banks van het Hof van Justitie EU, onder meer bepaald dat de A1-verklaring bindend is voor de organen van de lidstaat van tewerkstelling. De verzekeringspositie van een gedetacheerde persoon kan derhalve niet in afwijking van de detacheringsverklaring worden vastgesteld.

Ter beantwoording van de vraag of sprake is van detachering, is de feitelijke toestand beslissend. Indien een detacheringsverklaring ontbreekt, leidt dit derhalve niet zonder meer tot de conclusie dat geen sprake is van detachering. In een voorkomend geval kan ook na aanvang van de werkzaamheden een detacheringsverklaring worden aangevraagd.

Grondslag

Artikel 5 Vo. 987/2009

Besluit beleidsregels SVB 2016

Wet- en regelgeving
Verzoek tot het sluiten van een artikel 16-overeenkomst
relaties 1
Verzoek tot het sluiten van een artikel 16-overeenkomst (SB2146)
Beleidsregel

Op grond van artikel 16, eerste lid Verordening (EG) nr. 883/2004 kunnen twee of meer lidstaten in onderlinge overeenstemming in het belang van bepaalde personen of groepen personen een overeenkomst afsluiten op grond waarvan - in afwijking van de reguliere aanwijsregels - de wetgeving van een andere lidstaat wordt aangewezen.

Een verzoek tot het sluiten van een overeenkomst op grond van artikel 16 Verordening (EG) nr. 883/2004 moet op grond van artikel 18 Verordening (EG) nr. 987/2009 worden ingediend bij het bevoegde orgaan van de lidstaat waarvan de betrokkene toepassing van de wetgeving wenst. Als dit de Nederlandse wetgeving is, dan moet het verzoek worden ingediend bij de SVB Amstelveen.

In geval de betrokkene arbeid in loondienst verricht, kan de werkgever via het internet bij de SVB een verzoek om toepassing van artikel 16 Verordening (EG) nr. 883/2004 indienen. In overige gevallen moet de betrokkene gebruik maken van een papieren aanvraagformulier.

Artikel 16 Verordening (EG) nr. 883/2004 stelt niet de voorwaarde dat de wetgeving van een lidstaat van toepassing blijft, zoals dat wel het geval is bij detachering (zie SB2139 over detachering). De SVB leidt uit het ontbreken van de voorwaarde dat de wetgeving van een lidstaat van toepassing blijft af, dat een verzoek tot het sluiten van een overeenkomst betreffende de toe te passen wetgeving niet mag worden geweigerd enkel vanwege het ontbreken van voorafgaande verzekering in een lidstaat.

De SVB past artikel 16 Verordening (EG) nr. 883/2004 uitsluitend toe voor het sluiten van een overeenkomst in het belang van individuele personen en toetst deze verzoeken aan de volgende criteria:

  • Het betreft een tijdelijke situatie;
  • De betrokkene houdt voldoende banden met Nederland of maakt aannemelijk dat hij het voornemen heeft om na afloop van de periode waarvoor de overeenkomst geldt, terug te keren naar Nederland of weer in Nederland te gaan werken; en
  • Toepassing van de reguliere aanwijsregels leidt tot een ongewenste onderbreking van de verzekeringsopbouw of verzekeringsrechten van de betrokkene.

Voor zover eventuele belangen van de werkgever worden meegewogen, geeft het belang van de betrokkene de doorslag.

Als het bevoegde orgaan van een andere lidstaat de SVB vraagt om akkoord te gaan met het sluiten van een artikel 16-overeenkomst toetst de SVB eveneens aan de hiervoor genoemde criteria.

Een artikel 16-overeenkomst wordt in beginsel voor een periode van maximaal vijf jaar afgesloten. Ingeval vooraf duidelijk is dat de uitzending naar een andere lidstaat langer dan vijf jaren zal duren, sluit de SVB derhalve geen overeenkomst.

Artikel 16 Verordening (EG) nr. 883/2004 biedt de mogelijkheid een overeenkomst met terugwerkende kracht te sluiten. De SVB maakt van deze mogelijkheid in ieder geval geen gebruik als de artikel 16-overeenkomst wijziging zou brengen in een situatie waarin de toepassing van titel II van Verordening (EG) nr. 883/2004 heeft geleid tot een correcte afdracht van premies in de bevoegde lidstaat. Als in het tijdvak waarvoor om een artikel 16-overeenkomst wordt verzocht, geen correcte toepassing is gegeven aan de bepalingen van titel II van Verordening (EG) nr. 883/2004 en premies zijn afgedragen in een niet-bevoegde lidstaat, sluit de SVB evenmin een overeenkomst met terugwerkende kracht, indien het de betrokkene voor wie de overeenkomst wordt gevraagd redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat de toepassing van de wetgeving van de bevoegde lidstaat achterwege is gebleven.

De SVB sluit voorts een artikel 16-overeenkomst met terugwerkende indien sprake is van een situatie als beschreven in SB2139 over detachering van een werknemer die is tewerkgesteld in een land dat als lidstaat tot de Europese Unie toetreedt. In deze situatie is de terugwerkende kracht beperkt tot de datum van toetreding van de betreffende lidstaat.

De SVB wijst een verzoek tot het sluiten van een artikel 16-overeenkomst af in geval er een bezwaar- of beroepsprocedure loopt over de toe te passen wetgeving.

Wet- en regelgeving
relaties 4
Vijfjaartermijn (SB2147)
Beleidsregel

In beginsel wordt een overeenkomst op grond van artikel 16 Verordening (EG) nr. 883/2004 afgesloten voor een periode van maximaal vijf jaar. Verlenging van deze periode is slechts mogelijk voor zover sprake is van zeer bijzondere omstandigheden. De SVB gaat ervan uit dat van zulke bijzondere omstandigheden in ieder geval sprake is in de volgende situaties:

  • Er zijn geen premies afgedragen of prestaties genoten in de lidstaat van tewerkstelling doordat de wetgeving van die lidstaat ten onrechte niet is toegepast. In die gevallen kan met terugwerkende kracht een overeenkomst op grond van artikel 16 Verordening (EG) nr. 883/2004 worden gesloten waarbij de termijn van vijf jaar wordt overschreden indien dit noodzakelijk is voor het legaliseren van de ten onrechte toegepaste wetgeving.
  • Het betreft gevallen waarin wordt voldaan aan de criteria van artikel 24 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (KB 746). Deze criteria worden mutatis mutandis van toepassing geacht. Zie SB1039 over onbillijkheden van overwegende aard bij de toepassing van KB 746.

 

Dit beleid is door de Centrale Raad van Beroep aanvaard (CRvB 29 november 2002).

De SVB staat voorts een verlenging van de periode van vijf jaar met maximaal een jaar toe in geval van bijzondere individuele omstandigheden dan wel aantoonbaar onvoorziene zakelijke omstandigheden die verlenging van de termijn noodzakelijk maken. Daarnaast geldt de voorwaarde dat de betrokkene het voornemen heeft om na afloop van de periode waarvoor de overeenkomst op grond van artikel 16 Verordening (EG) nr. 883/2004 geldt, terug te keren naar Nederland of weer in Nederland te gaan werken.

Als het bevoegde orgaan van een andere lidstaat de SVB vraagt akkoord te gaan met een verlenging van een reeds gesloten overeenkomst op grond van artikel 16 Verordening (EG) nr. 883/2004, toetst de SVB dit verzoek eveneens aan de hiervoor genoemde criteria.

Grondslag

artikel 16, lid 1 Verordening (EG) nr. 883/2004

Besluit beleidsregels SVB 2016

Onderbreking en hernieuwde periode van 5 jaar (SB2148)
Beleidsregel

De SVB gaat ervan uit dat de voorwaarden met betrekking tot de onderbreking van detachering eveneens van toepassing zijn bij een overeenkomst op grond van artikel 16 Verordening (EG) nr. 883/2004. Dit betekent dat de SVB een korte onderbreking van de werkzaamheden in de ontvangende lidstaat niet beschouwt als een onderbreking van de periode waarvoor een overeenkomst op grond van artikel 16 Verordening (EG) nr. 883/2004 is gesloten. De SVB gaat ervan uit dat van een korte onderbreking in ieder geval sprake is, als de onderbreking korter dan twee maanden duurt.

Na afloop van een of meer overeenkomsten op grond van artikel 16 Verordening (EG) nr. 883/2004 voor in totaal ten minste vijf jaar hanteert de SVB bij uitzending van een werknemer of zelfstandige een wachttijd van twaalf maanden voordat een nieuwe overeenkomst op grond van artikel 16 Verordening (EG) nr. 883/2004 of een nieuwe detachering op grond van artikel 12 Verordening (EG) nr. 883/2004 mogelijk is indien:

  • dezelfde werkgever de werknemer naar dezelfde lidstaat uitzendt, ook wanneer het een andere plaats van tewerkstelling betreft;
  • een andere werkgever de werknemer naar dezelfde lidstaat uitzendt;
  • de zelfstandige zich naar dezelfde lidstaat uitzendt.

 

De SVB hanteert een wachttijd van twaalf maanden om oneigenlijk gebruik van de overeenkomst op grond van artikel 16 Verordening (EG) nr. 883/2004 en detachering op grond van artikel 12 Verordening (EG) nr. 883/2004 tegen te gaan.

In geval een overeenkomst op grond van artikel 16 Verordening (EG) nr. 883/2004 is afgesloten met een kortere duur dan vijf jaar hanteert de SVB voor het afsluiten van een nieuwe overeenkomst geen wachttijd. In die situatie kan een nieuwe overeenkomst worden gesloten voor de periode die bij de eerste overeenkomst ongebruikt is gebleven. Vóór de inwerkingtreding van de SVB Beleidsregels 2013 bedroeg de hiervoor bedoelde wachttijd twee maanden in plaats van twaalf maanden. Ten aanzien van overeenkomsten op grond van artikel 16 Verordening (EG) nr. 883/2004 die zijn gesloten vóór de inwerkingtreding van deze beleidsregels geldt tot een jaar na de inwerkingtreding hiervan een wachttijd van twee maanden.

relaties 1
Artikel 16-overeenkomst voor rijnvarenden (SB2266)
Beleidsregel

Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft op 11 februari 2011 op grond van artikel 16, eerste lid van Verordening (EG) nr. 883/2004 met de bevoegde autoriteiten van de Rijnoeverstaten België, Frankrijk, Luxemburg en Duitsland een overeenkomst gesloten voor werknemers en zelfstandigen die deel uitmaken van de bemanning van een schip dat beschikt over een certificaat als bedoeld in artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte. Op grond van deze overeenkomst is op deze personen dezelfde wetgeving van toepassing als de wetgeving die van toepassing zou zijn ingevolge het Verdrag betreffende de Sociale Zekerheid van Rijnvarenden. De overeenkomst maakt voor Rijnvarenden een uitzondering op de aanwijsregel bij werken in meerdere lidstaten van artikel 13 Verordening (EG) nr. 883/2004. In geval de betrokkene in loondienst werkt, wijst dit artikel de wetgeving aan van de lidstaat waar hij woont of de lidstaat waar de zetel of het domicilie van de onderneming of de werkgever zich bevindt. In geval de betrokkene anders dan in loondienst werkt, wijst artikel 13 Verordening (EG) nr. 883/2004 de wetgeving aan van de lidstaat waar het centrum van belangen van de werkzaamheden zich bevindt. De artikel 16-overeenkomst voor Rijnvarenden wijst de wetgeving aan van de lidstaat waar de zetel is gevestigd van de onderneming die het Rijnvaartschip waarop wordt gewerkt exploiteert.

De artikel 16-overeenkomst voor Rijnvarenden werkt terug tot 1 mei 2010. Zwitserland is in augustus 2012 toegetreden tot deze overeenkomst. Voor Zwitserland werkt de overeenkomst terug tot 1 april 2012. In de overeenkomst wordt de SVB aangewezen als bevoegd orgaan dat op basis van deze overeenkomst A1-verklaringen kan afgeven ten behoeve van individuele Rijnvarenden.

In geval een Rijnvarende woont in een EU-lidstaat niet zijnde een Rijnoeverstaat, dan wel zijn werkgever is gevestigd in een niet-Rijnoeverstaat, hanteert de SVB het volgende beleid. De SVB past de artikel 16-overeenkomst voor Rijnvarenden niet toe als de aanwijsregels van artikel 13 Verordening (EG) nr. 883/2004 de wetgeving van een niet-Rijnoeverstaat aanwijzen. De SVB past deze overeenkomst wel toe op gevallen waarin de aanwijsregels van artikel 13 Verordening (EG) nr. 883/2004 de wetgeving van een Rijnoeverstaat aanwijzen. In dat geval geldt de artikel 16-overeenkomst voor Rijnvarenden voor alle werkzaamheden die plaatsvinden op schepen die beschikken over een certificaat als bedoeld in artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte, ongeacht de plek waar een schip zich in Europa bevindt. De SVB baseert dit beleid mede op de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 27 januari 2014.

Grondslag

Overeenkomst krachtens artikel 16, eerste lid van Verordening (EG) 883/2004 betreffende  de vaststelling van de op rijnvarenden toepasselijke wetgeving 883/2004, Stcrt. nr. 3397 van  25 februari en 7 maart 2011

Besluit beleidsregels SVB 2016

Wet- en regelgeving
  • Overeenkomst krachtens artikel 16, eerste lid van Verordening (EG) 883/2004 betreffende de vaststelling van de op rijnvarenden toepasselijke wetgeving 883/2004, Stcrt. nr. 3397 van 25 februari en 7 maart 2011
relaties 2
Verzoek om vrijstelling door pensioen- of rentetrekkers (SB2149)
Beleidsregel

De SVB acht zich gebonden aan de door de Nederlandse wetgever aangegeven ontheffingsgronden, zoals geformuleerd in artikel 22 van KB 746. Indien de belanghebbende voldoet aan de in dit artikel genoemde criteria wordt vrijstelling verleend.

Grondslag

artikel 16, lid 2 Vo. 883/2004

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 2
Overgangsrecht toepasselijke wetgeving (SB2267)
Beleidsregel

Artikel 87, achtste lid, van Verordening (EG) nr. 883/2004 bepaalt dat deze verordening eerbiedigende werking heeft in relatie tot Verordening (EEG) nr. 1408/71 indien een persoon door de eerste toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 wordt onderworpen aan een andere wetgeving dan de wetgeving die ingevolge titel II van Verordening (EEG) nr. 1408/71 toepasselijk was. Op deze persoon blijft titel II van Verordening (EEG) nr. 1408/71 van toepassing zolang de desbetreffende situatie voortduurt tot een maximum van tien jaar. De betrokkene kan evenwel verzoeken om eerdere toepassing van titel II van Verordening (EG) nr. 883/2004.

De SVB gaat ervan uit dat de volgende categorieën personen in ieder geval onder het overgangsrecht vallen:

 

  • Personen die niet onder de personele werkingssfeer van Verordening (EEG) nr. 1408/71 vielen en voorafgaand aan de eerste toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 onderworpen waren aan de wetgeving van een andere lidstaat dan de lidstaat van de woonplaats.
  • Personen werkzaam op een Rijnvaartschip die voor de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 883/2004 op grond van artikel 7, tweede lid Verordening (EEG) nr. 1408/71 en het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden onderworpen waren aan de wetgeving van een andere lidstaat dan de lidstaat die wordt aangewezen door Verordening (EG) nr. 883/2004.
  • Personen op wie artikel 13, tweede lid, onder f, Verordening (EEG) nr. 1408/71 van toepassing was en die voorafgaand aan de eerste toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 onderworpen waren aan de wetgeving van een andere lidstaat dan de lidstaat van de woonplaats.
  • Personen die voor de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 883/2004 onderworpen waren aan de wetgeving van twee lidstaten op grond van artikel 14quater of artikel 14septies Verordening (EEG) nr. 1408/71.
  • Personen werkzaam in het internationaal vervoer op wie door de toepassing van artikel 14, tweede lid, onder a Verordening (EEG) nr. 1408/71 de lidstaat van vestiging van de werkgever van toepassing was en die door de toepassing van Verordening (EEG) nr. 883/2004 onderworpen zouden raken aan de wetgeving van hun woonland.
  • Personen die werken in twee of meer lidstaten en die ingevolge artikel 14, tweede lid, onder b, sub i, Verordening (EEG) nr. 1408/17 verzekerd waren in de lidstaat van hun woonplaats omdat zij daar een gedeelte van hun werkzaamheden verrichten, maar in die lidstaat geen substantiële werkzaamheden verrichten in de zin van artikel 14, achtste lid, Verordening (EEG) nr. 987/2009.
  • Personen die onder artikel 14, derde lid Verordening (EEG) nr. 1408/71 vielen en die met toepassing van Verordening (EEG) nr. 883/2004 onderworpen zouden worden aan de wetgeving van hun woonland omdat zij daar substantieel werkzaamheden verrichten.
  • Personen die in meerdere lidstaten werkzaam zijn voor een buiten de EU gevestigde werkgever en die, al dan niet met toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71, verzekerd waren in een andere lidstaat dan de lidstaat van hun woonplaats.
  • Personen deels werkzaam in Nederland die voor 1 mei 2010 onder Verordening (EEG) nr. 1408/71 voor de werkzaamheden in Nederland als werknemer werden beschouwd, maar die onder Verordening (EG) nr. 883/2004 als zelfstandige worden beschouwd, bijvoorbeeld de directeurgrootaandeelhouder en de commissaris.

 

De toepassing van titel II van Verordening (EEG) nr. 1408/71 eindigt als zich een wijziging in de desbetreffende situatie voordoet. Als een dergelijke wijziging beschouwt de SVB elke wijziging in de feiten en omstandigheden die met toepassing van titel II van Verordening (EEG) nr. 1408/71 leidt tot de aanwijzing van een andere toepasselijke wetgeving. Dit betekent bijvoorbeeld dat een werknemer die een andere werkgever krijgt, onder het overgangsrecht blijft vallen als de wijziging van werkgever voor de werknemer niet leidt tot de aanwijzing van een andere toepasselijke wetgeving door titel II van Verordening (EEG) nr. 1408/71.

Op grond van artikel 90, eerste lid en onderdeel c Verordening (EG) nr. 883/2004 blijft Verordening (EEG) nr. 1408/71 van kracht na 1 mei 2010 in de relatie tussen de lidstaten van de Europese Unie en de lidstaten van de Europese Economische Ruimte (EER) en Zwitserland tot het moment waarop de overeenkomsten van de EU met de EER en met Zwitserland voorzien in de toepassing van de eerstgenoemde verordening. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft dit bevestigd in het arrest Wagener.

In grensoverschrijdende situaties binnen de Europese Unie waarin tevens sprake is van een aanknoping met de landen van de EER en Zwitserland past de SVB daarom titel II van Verordening (EEG) nr. 1408/71 toe tot 1 april 2012 voor Zwitserland en tot 1 juni 2012 voor de landen van de EER.

Grondslag

Artikel 87, lid 8 Vo. 883/2004Artikel 90, lid 1 Vo. 883/2004

Wijzigingsbesluit Beleidsregels SVB oktober 2017

Wet- en regelgeving

Bijzondere bepalingen met betrekking tot de verschillende soorten prestaties

Ouderdom en overlijden (pensioenen)
relaties 2
In aanmerking te nemen tijdvakken voor de opening van het recht op uitkering (SB2268)
Beleidsregel

In artikel 51, derde lid, van Verordening (EG) nr. 883/2004 is bepaald dat als een uitkering alleen kan worden toegekend als de betrokkene verzekerd is op het moment dat het verzekerde risico intreedt, deze voorwaarde wordt geacht te zijn vervuld als de betrokkene op dat moment in een andere lidstaat verzekerd is of uit een andere lidstaat een uitkering voor dat risico is verschuldigd. Deze bepaling is van belang voor de toepassing van de Anw omdat daarin de voorwaarde wordt gehanteerd dat de overledene verzekerd moet zijn op datum overlijden.

In de situatie waarin geen sprake is van verzekering bij het intreden van de verzekerde gebeurtenis is de vraag wanneer een uitkering verschuldigd is in de zin van artikel 51, derde lid. Deze vraag is van belang omdat in sommige lidstaten een keuze kan worden gemaakt tussen uitkeringen die verschillende risico's dekken, bijvoorbeeld de eigen arbeidsongeschiktheid en het overlijden van de partner.

Uit het arrest Pérez García blijkt dat geen sprake is van anticumulatie in de zin van Verordening (EG) nr. 883/2004 als het nationale recht de keuze biedt tussen twee uitkeringen en een keuze voor de ene uitkering automatisch leidt tot de complete weigering van de andere uitkering. Naar aanleiding van het arrest neemt de SVB voortaan uitsluitend aan dat een uitkering verschuldigd is uit een andere lidstaat als een uitkering daadwerkelijk is toegekend. Dit betekent onder meer dat wanneer een arbeidsongeschikte nabestaande in een lidstaat moet kiezen tussen een invaliditeitspensioen en een nabestaandenuitkering, de SVB aanneemt dat geen nabestaandenpensioen verschuldigd is in de andere lidstaat als gekozen wordt voor de ontvangst van invaliditeitspensioen.

Grondslag

artikel 51, lid 3 Vo. 883/2004

Besluit beleidsregels SVB 2016

Wet- en regelgeving
relaties 2
Samenloop van uitkeringen (SB2151)
Beleidsregel

Conform bijlage VIII, Deel 1, van Verordening (EG) nr. 883/2004 mag bij aanvragen om ouderdomspensioen krachtens de AOW van een dubbele berekening als bedoeld in artikel 52, eerste lid, onder b Verordening (EG) nr. 883/2004 worden afgezien. Dit betekent in de praktijk dat ook in het geval dat een AOW-gerechtigde aan de wetgeving van meer dan één lidstaat onderworpen is geweest de SVB het recht op AOW slechts vaststelt aan de hand van de nationale wetgeving. De SVB hanteert echter het beleid dat zij nog wél een dubbele berekening uitvoert ten aanzien van de toeslag voor de jongere partner voor zover er samenloop bestaat tussen deze toeslag en een buitenlandse wettelijke uitkering welke is gebaseerd op tijdvakken van verzekering van die partner. Indien de SVB de hoogte van de toeslag in die situatie uitsluitend zou bepalen aan de hand van het nationale recht zou er sprake zijn van dubbele korting op de toeslag, namelijk korting wegens niet verzekerde jaren en korting in verband met de inkomsten die de jongere partner op basis van die buitenlandse tijdvakken ontvangt. Door de hoogte van de toeslag vast te stellen aan de hand van de pro rata berekening als bedoeld in artikel 52, eerste lid, onder b Verordening (EG) nr. 883/2004 treedt dit nadeel niet op, aangezien artikel 54, eerste lid Verordening (EG) nr. 883/2004 verbiedt een aldus berekende uitkering te anticumuleren met een andere uitkering van gelijke aard. In de praktijk betekent dit dat een buitenlandse wettelijke uitkering niet in mindering wordt gebracht op de AOW-toeslag.

Als de gerechtigde op een nabestaandenuitkering op grond van de Anw een buitenlandse uitkering ontvangt die niet onder de werkingssfeer van Verordening (EG) nr. 883/2004 valt, of een uitkering ontvangt uit een land dat geen deel uitmaakt van de Europese Unie, worden deze uitkeringen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 niet beschouwd als uitkeringen van dezelfde aard in de zin van artikel 53, eerste lid, Verordening (EG) nr. 883/2004 doch als 'andere inkomsten' in de zin van het derde lid van dit artikel.

Dergelijke uitkeringen dienen dan op grond van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten op de nabestaandenuitkering in mindering te worden gebracht.

Grondslag

artikel 52, lid 4, bijlage VIII, Deel 1 en artikel 53 Vo. 883/2004

Besluit beleidsregels SVB 2016

Wet- en regelgeving
relaties 5
Tijdvakken van wonen of werken van minder dan één jaar (SB2152)
Beleidsregel

Uit artikel 7, eerste lid, onder b AOW vloeit voort dat geen recht op ouderdomspensioen bestaat als de totale duur van de verzekering minder dan een jaar bedraagt. Artikel 57, eerste lid Verordening (EG) nr. 883/2004 en artikel 48 van Verordening (EEG) nr. 1408/71 over het niet honoreren van tijdvakken van minder dan een jaar staan in beginsel niet in de weg aan de toepassing van artikel 7, eerste lid, onder b AOW. Echter, artikel 28, tweede lid Verordening nr. 4/58 staat hieraan wel in de weg, omdat op grond van deze bepaling alleen tijdvakken korter dan zes maanden mogen leiden tot de weigering van een pensioen. Voor personen die voor 1 oktober 1972 in Nederland als migrerend werknemer verzekerd zijn geweest met toepassing van Verordening nr. 3/58 betekent dit het volgende. De SVB weigert hun ouderdomspensioen pas als de totale duur van de verzekering in Nederland minder dan zes maanden bedraagt. De SVB baseert dit beleid op jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU over de rechtszekerheid van migrerende werknemers (zie onder meer de arresten Belbouab en Chuck).

Ten aanzien van personen op wie een bilateraal verdrag inzake sociale zekerheid van toepassing is geweest voorafgaand aan het van toepassing worden van de hiervoor genoemde verordeningen, hanteert de SVB het volgende beleid. De SVB past artikel 57, eerste lid Verordening (EG) nr. 883/2004 niet toe als dit bilateraal verdrag een gunstigere bepaling bevat. In deze gevallen kan de SVB een ouderdomspensioen toekennen als de duur van de verzekering in Nederland minder dan een jaar bedraagt. De SVB baseert dit beleid op de Rönfeldt-jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU.

In bijlage XI, Nederland, onder 2, sub a en b Verordening (EG) nr. 883/2004 is vastgelegd dat in het AOW-pensioen bepaalde tijdvakken in aanmerking kunnen worden genomen zonder dat aan de voorwaarden van verzekering als bedoeld in artikel 7 AOW is voldaan. Dit betekent dat de SVB bij de toekenning van een pensioen dat op deze tijdvakken is gebaseerd, de minimale verzekeringsduur van een jaar op grond van artikel 7 AOW niet tegenwerpt.

Op grond van de letterlijke tekst van artikel 57, eerste lid Verordening (EG) nr. 883/2004 zou de SVB geen nabestaandenuitkering hoeven toe te kennen als de overledene op de datum van overlijden krachtens de wetgeving van een andere lidstaat verzekerd was en hij ingevolge de Anw korter dan één jaar verzekerd is geweest. In het arrest Malfitano van het Hof van Justitie EU is echter beslist dat deze bepaling niet aan de betrokkene mag worden tegengeworpen als de desbetreffende nationale regeling geen eisen stelt aan de duur van de verzekering voor de opening van het recht op uitkering. Voor de toepassing van de Anw, in het kader van welke wet geen wachttijd geldt, betekent dit dat een nabestaandenuitkering ook kan worden toegekend als de duur van de verzekering in Nederland korter was dan één jaar en de betrokkene op datum van overlijden krachtens de wetgeving van een andere lidstaat verzekerd was.

In de situatie waarin de uitsluitingsgrond van artikel 15, eerste lid, onder b Anw van toepassing is en uitsluitend recht op uitkering zou kunnen ontstaan via een beroep op de arresten Moscato en Klaus (zie SB2150 over in aanmerking te nemen tijdvakken voor de opening van het recht op uitkering), is artikel 57 Verordening (EG) nr. 883/2004 wel van toepassing. Dit brengt met zich dat indien een verzekerde uitsluitend in het jaar voorafgaande aan het overlijden tijdvakken van verzekering ingevolge de Anw heeft vervuld, en de gezondheidstoestand van de verzekerde bij aanvang van de verzekering het overlijden binnen een jaar redelijkerwijs moest doen verwachten, er geen recht op nabestaandenuitkering ontstaat.

Artikel 57, tweede lid Verordening (EG) nr. 883/2004 schrijft voor dat als een uitkering uit een lidstaat wordt geweigerd op grond van het eerste lid van dat artikel, andere lidstaten de periode van verzekering van minder dan één jaar in aanmerking dienen te nemen voor de berekening van een pensioen krachtens artikel 52, eerste lid, onder b), i) Verordening (EG) nr. 883/2004. Uit het Hof van Justitie EU-arrest Vermaut volgt dat dit ook dient te gebeuren als het pensioen nationaalrechtelijk wordt berekend, dus zonder terug te vallen op samentellings- en prorateringsregels. Wanneer een ouderdomspensioen door een lidstaat wordt geweigerd op grond van het eerste lid van artikel 57 Verordening (EG) nr. 883/2004, worden de tijdvakken van verzekering korter dan één jaar in aanmerking genomen bij de berekening van een pensioen krachtens de AOW, alsof die tijdvakken krachtens de AOW waren vervuld. Door de SVB worden tijdvakken korter dan één jaar eveneens in aanmerking genomen bij de berekening van de uitkering ingevolge de AOW als deze reeds zijn meegeteld voor de berekening van een ouderdomspensioen uit een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland.

Bij de toepassing van de Anw is het tweede lid van artikel 57 Verordening (EG) nr. 883/2004 uitsluitend relevant voor de berekening met toepassing van de samentellings- en prorateringsregels. Ingeval van een nationaalrechtelijke berekening is de duur van het verzekeringsverleden in verband met het risicokarakter van de Anw immers niet van belang voor de hoogte van de uitkering.

Grondslag

artikel 57 Vo. 883/2004

Besluit beleidsregels SVB 2016

Wet- en regelgeving
relaties 4
Aanpassing en herberekening van de uitkering (SB2153)
Beleidsregel

Op grond van de letterlijke tekst van artikel 59, eerste lid, Verordening (EG) nr. 883/2004 dient een herberekening op basis van de bepalingen van Verordening (EG) nr. 883/2004 alleen dan te geschieden, indien de wijze van vaststellen of de regels voor de berekening van de uitkering wijzigingen ondergaan. Indien evenwel de uitkeringen conjuncturele aanpassingen ondergaan, behoeft geen herberekening op grond van Verordening (EG) nr. 883/2004 plaats te vinden. In deze situatie dient de conjuncturele aanpassing rechtstreeks in de op basis van Verordening (EG) nr. 883/2004 berekende uitkering te worden verwerkt. Dit volgt uit het eerste lid van artikel 59 Verordening (EG) nr. 883/2004.

Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie EU volgt dat voor de toepassing van artikel 59 Verordening (EG) nr. 883/2004 niet van belang is of de uitkering zuiver nationaalrechtelijk is berekend, dan wel is berekend met toepassing van de samentellings- en prorateringsregels. Het Hof van Justitie EU heeft dienaangaande overwogen dat ouderdomspensioenen en nabestaandenuitkeringen die zijn vastgesteld overeenkomstig Verordening (EG) nr. 883/2004, na de vaststelling elk een eigen, autonome indexontwikkeling ondergaan en elkaar alleen weer beïnvloeden in geval van structurele wijzigingen. Onder 'structurele wijzigingen' dienen zowel te worden verstaan wijzigingen in de wijze van vaststelling of in de regels voor de berekening van de uitkering als bedoeld in artikel 59, eerste lid Verordening (EG) nr. 883/2004 als rechtens relevante wijzigingen in de persoonlijke omstandigheden van de gerechtigde.

De SVB verstaat onder een wijziging van de persoonlijke omstandigheden evenzeer een wijziging in het inkomen van een AOW- of Anw-gerechtigde, voor zover deze wijziging niet louter wordt veroorzaakt door omstandigheden zoals genoemd in artikel 59, tweede lid Verordening (EG) nr. 883/2004.

Slechts als een uitkering wordt herberekend naar aanleiding van een wijziging in structurele omstandigheden, wordt bij de herberekening rekening gehouden met inmiddels ontstane koersverschillen.

Grondslag

artikel 59 Vo. 883/2004

Besluit beleidsregels SVB 2016

Wet- en regelgeving
relaties 2
Bijzonderheden voor de toepassing van de AOW (SB2154)
Beleidsregel

Bijlage XI, Nederland, onder 2 Verordening (EG) nr. 883/2004 kent een voorziening voor de gehuwde partner van een AOW-verzekerde. Deze partner heeft recht op zogenaamde 'huwelijkse tijdvakken' over periodes tijdens het huwelijk waarin de AOW-gerechtigde in Nederland verplicht of vrijwillig verzekerd is geweest en de echtgenoot in een andere lidstaat dan Nederland woonde. De regeling van huwelijkse tijdvakken is met ingang van 2 augustus 1989 omgezet in een mogelijkheid tot vrijwillige verzekering voor de huwelijkspartner van een AOW-verzekerde.

Bijlage XI Verordening (EG) nr. 883/2004 gebruikt op diverse plaatsen de term 'echtgenoot'. De SVB gaat ervan uit dat deze term uitsluitend ziet op personen die formeel zijn gehuwd en de in de Nederlandse wetgeving per 1 januari 1998 met hen gelijkgestelde geregistreerde partners. Er vindt geen gelijkstelling plaats van gehuwden met personen die een gezamenlijke huishouding voeren. Dit standpunt is bevestigd in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 6 november 2013.

Het begrip 'wonen' zoals dat in bijlage XI wordt gehanteerd, interpreteert de SVB op dezelfde wijze als het woonbegrip zoals dat voorkomt in artikel 3 van de AOW. Zie hierover SB1022 over ingezetene/wonen.

Vanaf 1 januari 2013 wordt de leeftijd waarop recht ontstaat op AOW-pensioen jaarlijks met een of meer maanden verhoogd. Als gevolg daarvan is in artikel 13, eerste en tweede lid AOW '15-jarige leeftijd' vervangen door: aanvangsleeftijd en '65-jarige leeftijd' door: pensioengerechtigde leeftijd. Bij de toepassing van bijlage XI, Nederland, onder 2, Verordening (EG) nr. 883/2004 a en b honoreert de SVB daarom uitsluitend tijdvakken die zijn gelegen in de periode tussen de aanvangsleeftijd en de pensioengerechtigde leeftijd die op grond van artikel 7a AOW op de betrokkene van toepassing is.

Huwelijkse tijdvakken die de SVB op grond van bijlage XI Verordening (EG) nr. 883/2004 in aanmerking kan nemen, mogen op grond van bijlage XI, Nederland, onder 2, e Verordening (EG) nr. 883/2004 niet worden meegeteld voor de berekening van een AOW-pensioen als deze tijdvakken samenvallen met tijdvakken die in aanmerking kunnen worden genomen bij de berekening van pensioenrechten ingevolge de ouderdomspensioenregeling van een andere lidstaat dan Nederland, of met tijdvakken waarvoor de betrokkene een ouderdomspensioen ontvangt op grond van dergelijke wetgeving. De SVB past deze regel niet toe ingeval de tijdvakken die op grond van bijlage XI Verordening (EG) nr. 883/2004 in aanmerking kunnen worden genomen, samenvallen met tijdvakken van vrijwillige of vrijwillig voortgezette verzekering vervuld krachtens de wetgeving van een andere lidstaat.

Grondslag

bijlage XI, Nederland, onder 2, a tot en met i Vo. 883/2004

Wijzigingsbesluit Beleidsregels SVB februari 2019

Wet- en regelgeving
relaties 4
Vrijwillige verzekering (SB2155)
Beleidsregel

Tijdvakken vanaf 2 augustus 1989 kunnen op grond van bijlage XI Verordening (EG) nr. 883/2004 niet langer in aanmerking worden genomen voor de echtgenoot van een in Nederland werkende persoon. Om niettemin een volledige dekking van het gezinspensioen ingevolge de AOW voor de duur van de arbeid in Nederland mogelijk te maken, wordt met ingang van die datum in bijlage XI Verordening (EG) nr. 883/2004 de echtgenoot van de AOW-verzekerde in de gelegenheid gesteld zich vrijwillig te verzekeren voor de AOW en de Anw. Uit bijlage XI, Nederland, onder 2 Verordening (EG) nr. 883/2004 volgt dat de vrijwillige verzekering in ieder geval eindigt op de dag waarop de vrijwillig verzekerde de leeftijd van 65 jaar bereikt. In verband met de verhoging van de AOW-leeftijd gaat de SVB er evenwel van uit dat de mogelijkheid om verzekerd te blijven pas eindigt op de dag dat de vrijwillig verzekerde de pensioengerechtigde leeftijd als bedoeld in artikel 7a AOW bereikt.

Een aanvraag voor de vrijwillige verzekering ingevolge bijlage XI Verordening (EG) nr. 883/2004 moet worden ingediend binnen één jaar vanaf het moment waarop de verzekering van de echtgenoot van betrokkene aanvangt. Personen die na afloop van de aanvraagtermijn een aanvraag indienen, worden niet meer tot vrijwillige verzekering toegelaten, tenzij sprake is van een bijzonder geval. De criteria die zijn beschreven in SB1071 over bijzonder geval zijn van overeenkomstige toepassing.

Ingeval een persoon reeds verplicht verzekerd is ingevolge de AOW en deze persoon in het huwelijk treedt met een niet verzekerde persoon dan kan laatstbedoelde persoon zich eveneens vrijwillig verzekeren op grond van de bijlage. In dat geval moet deze persoon binnen één jaar na sluiting van het huwelijk een verzoek om vrijwillige verzekering indienen.

Een bijzondere situatie doet zich voor met betrekking tot de echtgenoten van werknemers uit landen die nieuw tot de Europese Unie toetreden, met uitzondering van Kroatië. Deze echtgenoten kunnen zich met ingang van die datum vrijwillig verzekeren op grond van XI Verordening (EG) nr. 883/2004 maar zij zullen veelal niet van deze mogelijkheid afweten. Aangezien niet bekend is welke personen het betreft, kan de SVB aan hen over de mogelijkheid van vrijwillige verzekering geen gerichte voorlichting geven. In verband hiermee hanteert de SVB het beleid dat zij de overschrijding van de aanmeldingstermijn niet tegenwerpt aan personen die zich aanmelden in het tweede jaar na de datum van toetreding. De SVB hanteert deze verlengde aanmeldingstermijn naar analogie van het bepaalde in artikel 87, vierde tot en met zevende lid van Vo. 883/2004.

Met ingang van 1 juli 2013 is Kroatië toegetreden tot de Europese Unie. Daardoor zijn in de relatie met Kroatië vanaf genoemde datum de Verordeningen (EG) nr. 883/2004, en nr. 987/2009 en Verordening (EU) nr. 1231/2010 van toepassing. Het bilaterale verdrag inzake sociale zekerheid met Kroatië kent - net als Verordening (EG) nr. 883/2004 - de mogelijkheid dat de echtgenoot van een AOW-verzekerde zich vrijwillig verzekert voor de AOW en Anw. In geval de echtgenoot voor de toetreding van Kroatië tot de Europese Unie van deze vrijwillige verzekering gebruik heeft gemaakt, gaat de SVB ervan uit dat deze verzekering doorloopt met toepassing van bijlage XI Verordening (EG) nr. 883/2004.

relaties 5
Bijzonderheden voor de toepassing van de Anw (SB2156)
Beleidsregel

Bijlage XI, Nederland, onder 3 Verordening (EG) nr. 883/2004 is van toepassing op de Anw. Als een persoon ten tijde van zijn overlijden niet verzekerd is ingevolge de Anw, kan het recht op een Nederlandse nabestaandenuitkering toch geopend worden als die persoon verzekerd was in een andere lidstaat ten tijde van zijn overlijden. In een dergelijke situatie wordt de uitkering pro rata berekend op de wijze zoals voorgeschreven in artikel 52, eerste lid, onder b van Verordening (EG) nr. 883/2004. De aanvrager van de uitkering moet dan voor het recht op een Nederlandse nabestaandenuitkering voldoen aan de voorwaarden gesteld in de Anw met betrekking tot het recht op uitkering. Voorts moet de overledene tijdvakken van verzekering hebben vervuld ingevolge de Anw of de AWW.

Bijlage XI, Nederland, onder 3 Verordening (EG) nr. 883/2004 wordt door de SVB ook van toepassing geacht in de volgende situatie. Op grond van artikel 4 Anw kan ook de pseudo-nabestaande aanspraak maken op een nabestaandenuitkering mits hij een dergelijke aanspraak zou hebben gehad wanneer het overlijden van de gewezen echtgenoot plaats zou hebben gehad op de datum van ontbinding van het huwelijk. Indien een aanspraak in laatstbedoelde zin uitsluitend kan worden geconstrueerd met toepassing van artikel 51, derde lid Verordening (EG) nr. 883/2004, wordt de pseudo-nabestaandenuitkering pro rata vastgesteld zoals voorgeschreven in artikel 52, eerste lid, onder b van Verordening (EG) nr. 883/2004, zelfs als de overledene op datum van overlijden verzekerd was op grond van de Anw.

Uit het arrest Blottner van het Hof van Justitie EU zoals uitgelegd door de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraak van 14 november 1990, blijkt dat een overledene geacht wordt te hebben voldaan aan de voorwaarde van verzekering krachtens de Anw of de AWW als hij voor 1 oktober 1959 tijdvakken heeft vervuld als bedoeld in Bijlage XI, Nederland, onder 3, a Verordening (EG) nr. 883/2004.

Als de overledene niet verzekerd was in het buitenland dan kan het recht op een Nederlandse nabestaandenuitkering nog geopend worden vanaf het moment waarop de nabestaande een nabestaandenuitkering krachtens de wetgeving van een andere lidstaat gaat ontvangen.

In sommige lidstaten geldt dat het recht op uitkering pas ingaat in de maand volgende op de maand van overlijden. Door de SVB wordt in die gevallen niettemin een nabestaandenuitkering toegekend met ingang van de maand van overlijden.

Grondslag

artikel 51, lid 3, en bijlage XI, Nederland, onder 3 Vo. 883/2004

Besluit beleidsregels SVB 2016

Wet- en regelgeving
Gezinsuitkeringen
relaties 2
Materiële werkingssfeer: (SB2157)
Beleidsregel

Hoofdstuk 8 (de artikelen 67 tot en met 69) van Verordening (EG) nr. 883/2004 bevat specifieke bepalingen inzake gezinsuitkeringen. De hoofdregels betreffende gezinsuitkeringen zijn neergelegd in artikel 67. Daarin is bepaald dat het recht op gezinsuitkeringen van een persoon moet worden vastgesteld met toepassing van de wetgeving waaraan hij is onderworpen op grond van titel II van Verordening (EG) nr. 883/2004. Een pensioengerechtigde heeft echter recht op gezinsbijslag overeenkomstig de wetgeving van de lidstaten die bevoegd zijn voor zijn pensioen.

Kinderbijslag ingevolge de AKW en een tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming ouders van thuiswonende gehandicapte kinderen zijn gezinsuitkeringen in de zin van artikel 1, onder z van Verordening (EG) nr. 883/2004. De door de Belastingdienst/Toeslagen verzorgde uitkeringen op grond van de Wet op het kindgebonden budget en de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen vormen eveneens gezinsuitkeringen in de zin van artikel 1, onder z van Verordening (EG) nr. 883/2004.

Grondslag

artikel 1, aanhef en onder z Vo. 883/2004 en artikel 4 Regeling samenloop met

buitenlandse tegemoetkomingen

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 5
Gezinsleden die in een andere lidstaat wonen (SB2269)
Beleidsregel

In artikel 67 van Verordening (EG) nr. 883/2004 is bepaald dat een persoon recht heeft op gezinsuitkering voor gezinsleden die in een andere lidstaat wonen, alsof zij in de voor de kinderbijslag bevoegde lidstaat wonen. Uit onder meer de arresten Hoever en Zachow, Humer en Slanina van het Hof van Justitie EU blijkt dat deze gezinsleden hierdoor zelfstandig aanspraak kunnen maken op gezinsuitkeringen in de bevoegde lidstaat. Naar aanleiding van deze jurisprudentie voert de SVB het volgende beleid.

Voor gezinsleden van een in Nederland verzekerde persoon die in een andere lidstaat wonen, hanteert de SVB uitsluitend voor het recht op gezinsbijslag de fictie dat zij in Nederland wonen en op die grond verzekerd zijn voor de AKW. Het aldus ontstane recht op gezinsbijslag is een zelfstandig recht. Dit gaat niet verloren als de in Nederland verzekerde persoon niet voldoet aan de voorwaarden voor het recht op kinderbijslag, bijvoorbeeld omdat het kind uitwonend is en de in Nederland verzekerde persoon geen onderhoudsbijdrage levert. De SVB hanteert voor de toepassing van dit beleid de voorwaarde dat zowel de buiten Nederland wonende aanvrager als het kind waarvoor kinderbijslag wordt aangevraagd, gezinslid zijn van de in Nederland verzekerde persoon. Als gezinslid merkt de SVB in dit verband aan:

de echtgenoot van de verzekerde,

de persoon van wie de verzekerde gescheiden is,

de persoon met wie de in Nederland verzekerde een eigen kind heeft en

de persoon met wie de in Nederland verzekerde een gezamenlijke huishouding voert.

Voorts merkt de SVB als gezinslid aan, elk kind waarvoor de verzekerde recht op kinderbijslag zou kunnen doen gelden indien aan de in de AKW gestelde voorwaarden zou worden voldaan.

De SVB behandelt het recht op kinderbijslag van een gezinslid van een Nederlands verzekerde alsof dit recht op grond van ingezetenschap direct aan de Nederlandse wet is ontleend. Dit betekent onder meer dat de SVB de voorschriften toepast over de betaling van kinderbijslag zoals neergelegd in artikel 18 AKW (zie SB1095 over kinderbijslagbetaling binnen een huishouden en SB1096 over kinderbijslagbetaling bij gescheiden huishoudens; echtscheiding en co-ouderschap). Indien een verzekerde een aanvraag om kinderbijslag bij de SVB indient en uit de aanvraag blijkt dat een gezinslid van de verzekerde bij voorrang recht heeft op betaling van kinderbijslag draagt de SVB er zorg voor dat het gezinslid een aanvraag om kinderbijslag indient. Deze beleidsregel vindt overeenkomstige toepassing in geval in Nederland recht op gezinsbijslagen bestaat voor een pensioengerechtigde.

Een persoon die in Nederland verzekerd is, ontleent aan de hiervoor genoemde jurisprudentie van het Hof van Justitie EU geen andere rechten dan de rechten die deze persoon ontleent aan de nationale wetgeving. Dit betekent dat een in Nederland verzekerde persoon die niet voldoet aan de voorwaarden voor het recht op kinderbijslag, geen recht op de betaling van kinderbijslag kan verkrijgen met een beroep op artikel 60, eerste lid, derde volzin Verordening (EG) nr. 987/2009. Deze bepaling houdt in dat het bevoegde orgaan van een lidstaat rekening moet houden met een aanvraag voor gezinsuitkeringen ingediend door een andere persoon dan de uitkeringsgerechtigde als deze gerechtigde geen aanvraag om uitkering indient. De andere persoon verkrijgt daarmee echter niet het recht op de uitkering zelf. Wie recht heeft op betaling van de uitkering wordt door het nationale recht bepaald. De SVB leidt dit af uit het arrest van het Hof van de Justitie EU van 22 oktober 2015 in de zaak Trapkowski.

Grondslag

artikel 67 Vo. 883/2004

Besluit beleidsregels SVB 2016

Wet- en regelgeving
relaties 2
Prioriteitsregels voor gezinsuitkeringen (SB2159)
Beleidsregel

Artikel 68 van Verordening (EG) nr. 883/2004 bevat prioriteitsregels voor gevallen waarin sprake is van samenloop van recht op gezinsuitkeringen in verschillende lidstaten. De volgorde waarin lidstaten tot toekenning van een gezinsuitkering moeten overgaan wordt ingevolge artikel 68 bepaald door de grond waarop de gezinsuitkering wordt verleend. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanspraken op grond van werkzaamheden, aanspraken op grond van pensioen en aanspraken op grond van de woonplaats. De hoofdregel is dat de lidstaat waarin wordt gewerkt bij voorrang gezinsuitkering uitbetaalt.

Op grond van Besluit nr. F1 van de Administratieve Commissie neemt de SVB aan dat in een lidstaat wordt gewerkt als in die lidstaat feitelijk werkzaamheden worden verricht, maar tevens als werkzaamheden tijdelijk worden onderbroken:

  • wegens ziekte, moederschap, arbeidsongeval, beroepsziekte of werkeloosheid, voor zover voor deze gebeurtenissen loon dan wel verstrekkingen of uitkeringen met uitzondering van pensioenen of renten verschuldigd zijn, of
  • wegens betaald verlof, staking of uitsluiting, of
  • wegens onbetaald verlof voor het opvoeden van kinderen, voor zover dit verlof volgens de relevante wetgeving gelijkgesteld wordt aan werkzaamheden al dan niet in loondienst.

 

Bij de beoordeling of sprake is van periodes van onbetaald verlof voor het opvoeden van kinderen in de zin van Besluit nr. F1 wordt door de SVB aansluiting gezocht bij hoofdstuk 6 van de Wet arbeid en zorg. Indien een werkgever in het voordeel van de werknemer een langere onderbreking van de werkzaamheden toestaat dan de minimale termijn die is voorzien in de Wet arbeid en zorg, dan geeft de SVB overeenkomstige toepassing aan het beleid betreffende de overgang van werkzaamheden naar inactiviteit (zie SB2263 over tijdvakken op grond van Verordening (EG) nr. 883/2004).

Uit de systematiek van Verordening (EG) nr. 883/2004 en van Besluit nr. F1 leidt de SVB af dat een recht op gezinsuitkering, ongeacht de aard van het uitkeringsstelsel, moet worden beschouwd als te zijn gebaseerd op ingezetenschap indien een persoon niet onder een van de bovengenoemde situaties valt en een betrokkene evenmin een pensioen ontvangt.

Grondslag

artikel 68 Verordening (EG) nr. 883/2004 en Besluit nr. F1 van de Administratieve  Commissie

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 1
Wijziging van toepasselijke wetgeving of bevoegdheid tot betaling (SB2270)
Beleidsregel

Artikel 59, eerste lid Verordening (EG) nr. 987/2009 regelt de situatie waarin door een wijziging in de omstandigheden van een persoon in de loop van een maand na elkaar twee verschillende lidstaten bij voorrang gezinsuitkering moeten uitbetalen. De SVB past artikel 59 eveneens toe in de situatie waarin de overgang van bevoegde lidstaat niet plaatsvindt in de loop van een maand maar samenvalt met de overgang van een maand op een andere maand (zodat op de laatste dag van de maand lidstaat A bevoegd is en op de eerste dag van de volgende maand lidstaat B).

Als een persoon ophoudt onderworpen te zijn aan de wetgeving van een andere lidstaat en aansluitend de verzekering ingevolge de AKW van deze persoon begint, ontbreekt in Verordening (EG) nr. 883/2004 een bepaling op grond waarvan de voorwaarde van verzekering ingevolge de AKW op de peildatum van een kwartaal, buiten toepassing kan worden gelaten. Een dergelijke bepaling is voor pensioenen, zoals de nabestaandenuitkering op grond van de Anw, opgenomen in artikel 51, derde lid, van Verordening (EG) nr. 883/2004 en was in Verordening (EEG) nr. 1408/71 opgenomen in Bijlage VI, onder R, onderdeel 5. Ingevolge de AKW ontstaat daarom strikt genomen eerst recht op kinderbijslag met ingang van het kwartaal waarin een verzekerde op de eerste dag in Nederland verzekerd is. In document 15514/07 van de Raad van de Europese Unie van 28 november 2007 staat echter toegelicht dat de Uniewetgever aanneemt dat in die situatie de toepassing van artikel 59, tweede lid Verordening (EG) nr. 987/2009 ertoe zal leiden dat Nederlandse kinderbijslag wordt betaald met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de betaling van gezinsbijslagen uit een andere lidstaat stopt. De SVB hanteert daarom in deze gevallen de fictie dat op de peildatum van het kwartaal verzekering in Nederland bestaat. Wordt met toepassing van die fictie voldaan aan de voorwaarden voor het recht op kinderbijslag op grond van de AKW dan wordt dit recht met toepassing van artikel 59 Verordening (EG) nr. 987/2009 toegekend. De SVB past deze handelwijze naar analogie toe in de situatie waarin artikel 59 Verordening (EG) nr. 987/2009 niet van toepassing is omdat in de laatstelijk bevoegde lidstaat geen gezinsbijslagen verschuldigd waren.

Grondslag

artikel 59 Vo. 987/2009

Besluit beleidsregels SVB 2016

Wet- en regelgeving
relaties 8
Aanvullend voordeel bij gezinsuitkeringen (SB2271)
Beleidsregel

De prioriteitsregels voor gezinsuitkeringen hebben in beginsel tot gevolg dat gezinsuitkeringen die van dezelfde aard zijn slechts op grond van de wetgeving van één enkele lidstaat tot uitbetaling komen. Zie ook SB2328 over uitkeringen van dezelfde aard. Het Hof van Justitie EU heeft echter bepaald dat toepassing van de prioriteitsregels niet tot gevolg kan hebben dat de betrokkene het hoogst mogelijke bedrag aan gezinsuitkeringen wordt onthouden. Een lidstaat met een hogere gezinsuitkering dan de bij voorrang aangewezen lidstaat dient daarom een aanvulling te betalen ter hoogte van het verschil tussen het bedrag van de eigen gezinsuitkeringen en het bedrag dat de andere lidstaat verschuldigd is. Dit principe is opgenomen in artikel 68, tweede lid van Verordening (EG) nr. 883/2004.

Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie EU over de bijzondere bepalingen betreffende gezinsuitkeringen in Verordening (EEG) nr. 1408/71 (onder meer de arresten Salzano, Burchell, Kracht en Schwemmer) blijkt dat een lidstaat uitsluitend tot schorsing van gezinsuitkeringen mag overgaan indien daadwerkelijk gezinsuitkeringen worden toegekend door een andere lidstaat. De SVB acht deze jurisprudentie onverminderd van belang voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 en Verordening (EG) nr. 987/2009. Zij geeft om die reden bij de vaststelling van het recht op Nederlandse gezinsuitkeringen aan artikel 68, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 883/2004 uitsluitend toepassing indien in een andere lidstaat daadwerkelijk gezinsuitkeringen verschuldigd zijn.

Artikel 68, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 883/2004 bepaalt dat geen aanvulling hoeft te worden toegekend voor kinderen die in een andere lidstaat wonen als het recht op deze aanvulling uitsluitend is gebaseerd op de woonplaats. Deze bepaling is echter niet van toepassing als in de lidstaat waar de kinderen wonen geen gezinsuitkeringen worden betaald. De SVB geeft daarom geen toepassing aan de mogelijkheid om geen gezinsuitkeringen uit te betalen voor kinderen die in een andere lidstaat wonen als de aanvrager om gezinsuitkering voor de AKW verzekerd is op grond van ingezetenschap.

De hoogte van de aanvulling wordt conform artikel 5 van Besluit nr. 150 van de Administratieve Commissie berekend uiterlijk twaalf maanden nadat is vastgesteld dat recht op kinderbijslag is ontstaan in de andere lidstaat. Daarna wordt het recht op aanvulling om de twaalf maanden opnieuw berekend.

Grondslag

Artikel 68, tweede lid Vo. 883/2004 en Besluit nr. F1 van de Administratieve Commissie  van 12 juni 2009

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 4
Uitkeringen van dezelfde aard (SB2328)
Beleidsregel

Uit het arrest Wiering van het Hof van Justitie van de Europese Unie blijkt dat gezinsuitkeringen binnen de EU alleen op elkaar in mindering mogen worden gebracht als zij van dezelfde aard zijn. Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie EU volgt dat uitkeringen van dezelfde aard zijn wanneer het voorwerp en de doelstelling alsook de berekeningsgrondslag en de toekenningsvoorwaarden gelijk zijn. Zuiver formele kenmerken zijn voor de classificatie van uitkeringen niet van belang.

Uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 januari 2015 concludeert de SVB dat het begrip 'van dezelfde aard' strikt moet worden opgevat. De SVB brengt daarom een gezinsuitkering uit een andere lidstaat alleen in mindering op kinderbijslag en kindgebonden budget voor zover een uitkering uit een andere lidstaat overeenkomende kenmerken heeft met deze Nederlandse uitkeringen.

De SVB leidt voorts uit de jurisprudentie af dat gelijknamige uitkeringen die op grond van dezelfde wet worden toegekend, gelet op de doelstelling en toekenningsvoorwaarden van de uitkeringen, wel degelijk van verschillende aard kunnen zijn. De SVB maakt daarom in de AKW onderscheid tussen twee typen kinderbijslag. Enerzijds het deel van de kinderbijslag dat zij toekent omdat het kind een zorgindicatie heeft of wegens ziekte en gebreken uitwonend is. Anderzijds het deel van de kinderbijslag dat zij toekent uitsluitend omdat het kind geacht wordt ten laste van de rechthebbende op kinderbijslag te komen. Dit betreft kinderen jonger dan 16 jaar en kinderen die uitwonend zijn in verband met het volgen van onderwijs. De SVB neemt aan dat het laatste type kinderbijslag en kindgebonden budget, uitkeringen van dezelfde aard zijn. De SVB leidt uit de uitspraak van de rechtbank Limburg van 30 maart 2015 af dat kinderopvangtoeslag niet van dezelfde aard is als kinderbijslag of kindgebonden budget.

Grondslag

artikel 68, tweede lid 2 Vo. 883/2004

Besluit beleidsregels SVB 2016

Wet- en regelgeving
relaties 1
Aanvraag (SB2161)
Beleidsregel

Artikel 45, onder B, Verordening (EG) nr. 987/2009 ziet op de procedure die moet worden gevolgd voor de indiening van een aanvraag. Een aanvraag om AOW-pensioen of een nabestaandenuitkering dient te worden ingediend in het woonland van de aanvrager of, als de aanvrager nimmer in het woonland verzekerd is geweest, in het laatste land waar de aanvrager verzekerd is geweest. De SVB neemt evenwel ook aanvragen in behandeling van in het buitenland wonende gerechtigden. In die situaties stelt de SVB het buitenlands orgaan op de hoogte van de aanvraag.

Grondslag

artikel 36 Vo. 987/2009

Besluit beleidsregels SVB 2016

Wet- en regelgeving
Terugvordering en verrekening
relaties 2
Terugvordering en verrekening van voorschotten (SB2162)
Beleidsregel

Als de SVB op grond van artikel 50 Verordening (EG) nr. 987/2009 een voorschot heeft uitbetaald of een voorlopige betaling heeft verricht, kan zij het buitenlandse orgaan op grond van artikel 73 Verordening (EG) nr. 987/2009 verzoeken de nabetaling van de buitenlandse uitkering aan haar over te maken ter verrekening van het te veel betaalde gedeelte van het voorschot. Indien het bedrag van de nabetaling van de buitenlandse uitkering onvoldoende is of indien er geen achterstallige betalingen zijn, kan het buitenlandse orgaan binnen de grenzen van de door dat orgaan toe te passen wetgeving door verrekening het bedrag inhouden op de lopende betalingen. Uit het arrest van het Hof van Justitie EU in de zaak Romano leidt de SVB af dat het eventuele koersverlies, veroorzaakt door het feit dat de verlening van voorschotten eerder heeft plaatsgevonden dan het moment waarop verrekening met de nabetaling plaatsvindt, voor rekening van de SVB komt.

Grondslag

artikel 73 Vo. 987/2009

Besluit beleidsregels SVB 2016

Wet- en regelgeving
relaties 5
Temporele werkingssfeer (SB2126)
Beleidsregel

In artikel 87 Verordening (EG) nr. 883/2004 zijn de regels opgenomen voor de situatie waarin deze verordening voor het eerst van toepassing wordt doordat de toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71 eindigt of omdat een land toetreedt tot de Europese Unie. Artikel 87 bevat daarom zowel bepalingen over de regels ter vaststelling van de toepasselijke wetgeving in de situatie waarin Verordening (EEG) nr. 1408/71 op een persoon van toepassing was als regels over de vaststelling van verschillende categorieën uitkeringen. Voor het beleid aangaande het overgangsrecht ten aanzien van de toepasselijke wetgeving van titel II Verordening (EG) nr. 883/2004 wordt verwezen naar SB2267over het overgangsrecht van de toepasselijke wetgeving.

Het overgangsrecht voor uitkeringen is vooral van belang als een land als lidstaat toetreedt tot de Europese Unie. In die situatie herziet de SVB op grond van het vierde tot en met zevende lid van artikel 87 op verzoek van de betrokkene uitkeringen die zijn vastgesteld voor het moment van eerste toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004. In geval een verzoek om herziening wordt ingediend meer dan twee jaren na het moment waarop Verordening (EG) nr. 883/2004 van toepassing werd in een lidstaat, geeft de SVB toepassing aan het zevende lid van artikel 87 door de uitkering te herzien met een terugwerkende kracht van ten hoogste een jaar te rekenen vanaf de maand waarin het verzoek om herziening werd ingediend. In bijzondere gevallen waarin sprake is van hardheid wordt in dat geval het beleid zoals beschreven in SB1070 over terugwerkende kracht van meer dan een jaar toegepast.

De SVB gaat er op grond van het arrest Baldone van het Hof van Justitie EU van uit dat een herziening ten nadele van de betrokkene, ten gevolge van de toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004, uitsluitend mogelijk is als de betrokkene om toepassing van deze verordening heeft verzocht.

Grondslag

artikel 87 Vo. 883/2004

Besluit beleidsregels SVB 2016

Wet- en regelgeving

Overeenkomsten met derde landen

Overeenkomsten met derde landen (SB2164)

Beleidsregel

De EG heeft met enkele landen die niet tot de Europese Unie behoren (Algerije, Marokko, Tunesië en Turkije) overeenkomsten gesloten waarin discriminatieverboden inzake nationaliteit op het terrein van de sociale zekerheid zijn opgenomen.

relaties 11

Rechtstreekse werking van de non-discriminatiebepalingen (SB2165)

Beleidsregel

In de arresten Kziber, Krid en Hallouzi heeft het Hof van Justitie EU bepaald dat de non-discriminatiebepalingen van de overeenkomsten met Marokko en Algerije rechtstreekse werking hebben. Uit deze jurisprudentie volgt dat de gelijkluidende non-discriminatiebepalingen in andere overeenkomsten eveneens rechtstreeks werken. De SVB acht de rechtstreekse werking beperkt tot de non-discriminatie- en exportbepalingen en gaat ervan uit dat geen rechtstreekse werking toekomt aan de overige bepalingen van de overeenkomsten, die onder meer betrekking hebben op de samentelling van tijdvakken van verzekering. Daarbij stelt de SVB zich op het standpunt dat voor de toepassing van deze overige bepalingen nadere uitvoeringsregels onontbeerlijk zijn. Dergelijke regels zijn echter nooit tot stand gekomen.

De rechtstreekse werking geldt op grond van de arresten van het Hof van Justitie EU in de zaken Sürül en Akdas evenzeer voor de in artikel 3, eerste lid en artikel 6, eerste lid van Besluit 3/80 van de Associatieraad EEG-Turkije opgenomen non-discriminatie- en exportbepalingen. Ten aanzien van de overige bepalingen van Besluit 3/80 gaat de SVB er op grond van de Hof van Justitie EU-arresten Taflan-Met en Sürül van uit dat deze bepalingen niet kunnen worden toegepast zolang de Associatieraad geen nadere uitvoeringsmaatregelen heeft getroffen.

Grondslag

artikel 65, lid 1, eerste volzin Euro-mediterrane overeenkomst EG-Marokko, artikel 68,  lid 1 Europees-mediterrane overeenkomst EEG-Algerije, artikel 65, lid 1 Euro-mediterrane  overeenkomst EG-Tunesië, artikel 3, lid 1 en artikel 6, lid 1 Besluit 3/80 van de  Associatieraad EEG-Turkije

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 9

Reikwijdte van de non-discriminatiebepalingen ten aanzien van gezinsleden (SB2166)

Beleidsregel

Gezinsleden van een werknemer of een zelfstandige kunnen zich in beginsel slechts beroepen op de overeenkomsten tussen de EG en Algerije, Marokko, Turkije en Tunesië voor zover het gaat om rechten die zij aan hun familierelatie met de werknemer of de zelfstandige ontlenen. Deze gezinsleden kunnen, zolang zij op het grondgebied van de Europese Unie verblijven, zelfstandig aanspraak maken op gelijke behandeling door elk der lidstaten. Voor de toekenning van de nationale overgangsvoordelen zie SB1051 over overgangsvoordelen.

Uit het arrest Mesbah van het Hof van Justitie EU kan worden afgeleid dat voor de invulling van het begrip 'gezinsleden' in de overeenkomsten met Algerije, Marokko en Tunesië niet zonder meer kan worden teruggevallen op de definitie van dat begrip zoals opgenomen in artikel 1, onder i, sub 1 van Verordening (EG) nr. 883/2004. Het begrip gezinslid wordt aldaar gedefinieerd als degene die in het desbetreffende nationale socialezekerheidsstelsel als zodanig wordt beschouwd. Nu deze wijze van definiëring niet kan worden gevolgd, dient de SVB een ander aanknopingspunt te hanteren ter beantwoording van de vraag welke personen voor de doeleinden van de overeenkomsten met Algerije, Marokko en Tunesië als gezinsleden kunnen worden aangemerkt. Het gekozen aanknopingspunt is dat van de feitelijke omschrijving van categorieën van familieleden in artikel 2 Richtlijn 2004/38/EG. Deze bepaling wordt uit pragmatische overwegingen naar analogie toegepast. Aldus vallen onder het begrip gezinsleden de verwanten en aanverwanten van de werknemer in opgaande en neergaande lijn voor zover zij tot zijn huishouden behoren. Dit beleid geldt niet ten aanzien van gezinsleden van Turkse werknemers, ter aanduiding waarvan ingevolge artikel 1, onderdeel a) van Besluit 3/80 van de Associatieraad EEG-Turkije de definitie geldt zoals vervat in artikel 1, onder f, i Verordening (EEG) nr. 1408/71.

Grondslag

artikel 65, lid 1, eerste volzin Euro-mediterrane overeenkomst EG-Marokko, artikel 68,  lid 1 Europees-mediterrane overeenkomst EEG-Algerije, artikel 65, lid 1 Euro-mediterrane  overeenkomst EG-Tunesië, artikel 3, lid 1 Besluit 3/80 van de Associatieraad  EEG-Turkije

Besluit beleidsregels SVB 2016

Verdragen inzake sociale zekerheid

relaties 2

Verdragen inzake sociale zekerheid (SB2167)

Beleidsregel

Hierna zijn de beleidsregels met betrekking tot bilaterale verdragen inzake sociale zekerheid bijeengebracht. Deze regels gaan echter in de meeste gevallen slechts over de vraag of interpretaties onder het Europese coördinatierecht mede worden gevolgd onder het bilaterale verdragsregime, of juist uitdrukkelijk niet worden gevolgd. De vraag in hoeverre unitaire jurisprudentie van het Hof van Justitie of aan het unierecht gebonden beleidsinterpretaties 'reflexwerking' hebben voor de toepassing van overeenkomstige niet-unitaire internationale normen, is niet in het algemeen te beantwoorden. Vast staat dat een dergelijke reflexwerking voor jurisprudentie van het Hof van Justitie EU rechtens niet bestaat. Dit is bevestigd door zowel de Centrale Raad van Beroep als de Hoge Raad (zie bijvoorbeeld CRvB 24 november 1992, RSV 1993/147 en HR 17 april 1996, nr. 258, n.g.). In het algemeen hanteert de SVB voor de toepassing van bilaterale verdragen een eigen interpretatiekader, dat geenszins synchroon hoeft te lopen met het kader zoals dat is ontwikkeld onder het unierecht. Ten aanzien van bijzondere onderwerpen kan de SVB echter evenzeer uit beleidsmatige overwegingen ervoor kiezen juist een gelijkvormig interpretatiekader aan te houden. Bij de keuze om wel of niet reflexwerking te geven aan unitaire jurisprudentie of interpretatienormen spelen verschillende factoren een rol, zoals de specifieke formulering van verdragsbepalingen, de bedoelingen van de verdragspartijen, de mate waarin unitaire jurisprudentie gekoppeld is aan specifieke doelstellingen van het EG-Verdrag. Algemene regels hierover kunnen niet worden gegeven. Waar ten aanzien van afzonderlijke onderwerpen bewuste keuzes zijn gemaakt ter zake van reflexwerking, zijn deze keuzes in ieder geval in de beleidsregels tot uitdrukking gebracht.

Algemene bepalingen

relaties 1
Personele werkingssfeer (SB2168)
Beleidsregel

Een aantal verdragen bevat een definitie van het begrip 'werknemer' en/of het begrip 'zelfstandige'. Wanneer deze definitie verwijst naar de nationale wetgeving dan geeft de SVB aan deze begrippen een zodanige invulling dat deze overeenkomen met de personen die 'werkzaamheden in loondienst', respectievelijk, 'werkzaamheden anders dan in loondienst' verrichten in de zin van Verordening (EG) nr. 883/2004 (zie SB2121 over werkzaamheden in loondienst en werkzaamheden anders dan in loondienst). Hetzelfde gebeurt bij de toepassing van verdragen die geen definitie van deze begrippen bevatten.

Werknemers of zelfstandigen die hun werkzaamheden hebben beëindigd kunnen zich op alle bepalingen van het verdrag beroepen, tenzij uit de tekst of de strekking van een bepaling blijkt dat deze een beperkter toepassingsgebied heeft. Dit geldt met name ten aanzien van de bepalingen inzake de toepasselijke wetgeving.

Voor zover een verdrag van toepassing is op werknemers en/of zelfstandigen en hun gezinsleden en nagelaten betrekkingen, gaat de SVB ervan uit dat deze gezinsleden en nagelaten betrekkingen zich slechts op het verdrag kunnen beroepen voor zover het gaat om regelingen die een recht waarborgen dat kan worden aangemerkt als een van de werknemer of zelfstandige afgeleid recht. Een groot aantal verdragen bevat een verwijzing naar deze zogenaamde afgeleide rechtenleer. Doch ook bij de toepassing van de verdragen die een dergelijke verwijzing niet bevatten, hanteert de SVB de afgeleide rechtenleer, tenzij uit het verdrag uitdrukkelijk blijkt dat deze leer niet van toepassing is. Een uitzondering op dit laatste uitgangspunt vormt het Nederlands-Oostenrijks Verdrag. De SVB stelt zich op het standpunt dat de afgeleide rechtenleer bij de toepassing van dit verdrag evenzeer niet aan de orde is hoewel zulks in het verdrag niet expliciet wordt aangegeven. Naar het oordeel van de SVB vloeit het buiten toepassing laten van de afgeleide rechtenleer hier evenwel voort uit artikel 5, lid 1, van het verdrag alwaar de bepalingen van EG-Verordening 1408/71 op onder meer gezinsleden en nagelaten betrekkingen van toepassing zijn verklaard. Het verdrag valt daarmee onder het bereik van het arrest van het Hof van Justitie EU in de zaak Cabanis (zie verder SB2123 over gezinsleden en nabestaanden).

Omdat het arrest Cabanis is gebaseerd op de beginselen van de artikelen 48 tot en met 51 van het EG-Verdrag, welke beginselen geen deel uitmaken van de rechtsorde die wordt beheerst door de onderscheiden bilaterale verdragen, hecht de SVB overigens voor de toepassing van die verdragen geen betekenis aan dit arrest.

Als twee landen die partij zijn bij een verdrag inzake sociale zekerheid, tevens zijn aangesloten bij het Vluchtelingenverdrag dan wel het Staatlozenverdrag, wordt het verdrag inzake sociale zekerheid van toepassing geacht op vluchtelingen respectievelijk staatlozen, ook als dit niet expliciet in het verdrag is vermeld. Vluchtelingen en staatlozen worden daarbij op dezelfde wijze behandeld als onderdanen van de verdragsstaten. Voorwaarde is dat de vluchteling respectievelijk de staatloze rechtmatig verblijft op het grondgebied van een der verdragsstaten.

Op grond van artikel XXVI van het verdrag met Canada is een apart akkoord tot stand gekomen tussen de provincie Québec en Nederland ter aanvulling op het verdrag, voor socialeverzekeringsuitkeringen in de provincie Québec. De personele werkingssfeer van de overeenkomst met Québec ziet op personen die onderworpen zijn of zijn geweest aan het Québec Pension Plan. Het verdrag met Canada ziet op personen die onderworpen zijn of zijn geweest aan het Canada Pension Plan. Indien een persoon zowel onderworpen is geweest aan het Québec Pension Plan als aan het Canada Pension Plan, is zowel het akkoord met Québec als het verdrag met Canada op hem van toepassing. Aangezien de bepalingen van het verdrag en het akkoord niet geheel gelijkluidend zijn, kan het voorkomen dat het resultaat van de toepassing van deze bepalingen verschillend is. In dergelijke situaties neemt de SVB beleidsmatig aan dat de bepalingen van het verdrag voorgaan.

In het arrest Gottardo heeft het Hof van Justitie EU bepaald dat bilaterale verdragen die door een lidstaat zijn afgesloten met derde landen door onderdanen van andere lidstaten op gelijke voet kunnen worden ingeroepen als door de onderdanen van de bilaterale verdragsstaten, mits de rechten en plichten van de derde staat niet worden aangetast. Deze gelijkstelling van nationaliteit kan er volgens de SVB echter niet toe leiden dat bij de toepassing van verdragen inzake sociale zekerheid die Nederland heeft gesloten met derde landen, de territoriale werkingssfeer van het verdrag wordt opgeheven. Voor zover de toepassing van een verdrag territoriaal is begrensd, geldt deze begrenzing derhalve voor EU-onderdanen op dezelfde wijze en in gelijke mate als voor onderdanen van de verdragsluitende partijen.

Territoriale werkingssfeer
Territoriale werkingssfeer (SB2169)
Beleidsregel

De SVB baseert zich voor het bepalen van de territoriale werkingssfeer van verdragen op internationaal erkende grenzen. Zij hanteert het uitgangspunt dat in geval een persoon valt onder de personele werkingssfeer van een verdrag inzake sociale zekerheid de territoriale werking van dit verdrag niet beperkt kan worden tot het territorium van de verdragsluitende partijen, tenzij in het verdrag anders is bepaald. Een persoon kan zich daarom ook op een verdrag inzake sociale zekerheid beroepen als hij woont buiten het grondgebied van een van de verdragsluitende partijen. Dit uitgangspunt geldt niet voor de toepassing van de conflictregels. Deze regels gelden alleen zolang de betrokken persoon met beide verdragsluitende partijen een nauwe actuele band heeft doordat hij op het grondgebied van een van de verdragsluitende partijen woont en op het grondgebied van de andere partij arbeid verricht. Voor de toepassing van de conflictregels van het akkoord tussen de provincie Québec en Nederland geldt dat een persoon op Canadees of Nederlands grondgebied moet wonen en onderworpen moet zijn aan het Québec Pension Plan. De SVB gaat ervan uit dat het Hof van Justitie EU-arrest Aldewereld (zie SB2135 over territoriale werkingssfeer) naar zijn aard slechts betrekking kan hebben op situaties die zich binnen de unitaire rechtssfeer afspelen omdat alleen daar het grondbeginsel van vrij verkeer van werknemers een rol speelt.

relaties 1
Nederlands deel van het continentaal plat (SB2272)
Beleidsregel

Het Nederlands deel van het onder de Noordzee gelegen continentaal plat maakt geen deel uit van het grondgebied van Nederland. Verdragen inzake sociale zekerheid zijn daarom in beginsel niet van toepassing op het continentaal plat. Met ingang van 1 januari 2012 wordt het continentaal plat in het kader van de volksverzekeringen echter ingeval van werknemers wel behandeld als ware het een deel van Nederland. Hierdoor is het mogelijk dat werknemers die op het continentaal plat werken en niet in Nederland wonen zowel in Nederland als in hun woonland sociaal verzekerd en premieplichtig zijn. Om tegemoet te komen aan de aard en strekking van de verdragen inzake sociale zekerheid past de SVB daarom de aanwijsregels en met name de detacheringsbepalingen uit internationale en bilaterale socialezekerheidsverdragen toe. Deze beleidsregel geldt, in tegenstelling tot het beleid dat geldt voor de toepassing van het unitaire recht naar aanleiding van het arrest Salemink (zie SB2135, Territoriale werkingssfeer), uitsluitend voor arbeid verricht na 31 december 2011.

Arbeid verricht door zelfstandigen op het continentaal plat leidt op dit moment ingevolge de AOW en het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 niet tot verzekering in Nederland. De regering is echter wel voornemens voornoemd Besluit zo aan te passen dat ook zelfstandigen die arbeid verrichten op het continentaal plat verzekerd zijn. Vanaf het moment waarop dit zal zijn gerealiseerd is het in de vorige alinea weergegeven beleid van overeenkomstige toepassing.

Vaststelling van de toe te passen wetgeving

Vaststelling van de toe te passen wetgeving (SB2173)
Beleidsregel

Voor zover in de onderliggende paragrafen niet anders is beschreven, hanteert de SVB bij de toepassing van conflictregels in verdragen inzake sociale zekerheid dezelfde beleidsregels als bij toepassing van conflictregels in Verordening (EG) nr. 883/2004, tenzij de bepalingen van een verdrag zich daartegen verzetten.

relaties 2
Uitzondering op het beginsel van exclusieve werking (SB2174)
Beleidsregel

De verdragen inzake sociale zekerheid bevatten bepalingen inzake toepasselijke wetgeving. Deze bepalingen beogen te voorkomen dat een werknemer of zelfstandige gelijktijdig onder de wetgeving van meerdere verdragslanden verzekerd is, of juist in het geheel niet verzekerd is. De SVB gaat er dan ook van uit dat de aanwijzing van de wetgeving van een verdragsstaat toepassing van de wetgeving van een andere verdragsstaat uitsluit (zogenaamde exclusieve werking), ook als dit niet met zoveel woorden in het verdrag is bepaald. Een uitzondering geldt ten aanzien van het verdrag met Joegoslavië en het daaraan voorafgaande verdrag met Zuid-Slavië. Uit het arrest van de Hoge Raad van 25 juni 1986, blijkt dat de artikelen 7 en 8 van het Verdrag met Joegoslavië vanaf de inwerkingtreding van het verdrag geen exclusieve werking heeft. De Centrale Raad van Beroep heeft bij uitspraak van 4 juni 1997, een gelijk oordeel uitgesproken over het verdrag met Zuid-Slavië.

Personen ten aanzien van wie één van beide verdragen de Joegoslavische c.q. de Zuid-Slavische wetgeving aanwees of aanwijst, zijn tegelijkertijd in Nederland verzekerd als zij aan de nationale Nederlandse verzekeringsvoorwaarden voldoen.

relaties 1
Nawerking van conflictregels (SB2176)
Beleidsregel

De conflictregels in de verdragen inzake sociale zekerheid die aansluiting zoeken bij het verrichten van beroepswerkzaamheden, hebben geen nawerking. Zij zijn uitsluitend van toepassing zolang de betrokkene daadwerkelijk actief is. Bij beëindiging van de werkzaamheden wordt de verzekeringspositie weer beoordeeld aan de hand van de nationale wetgeving.

relaties 2
Detachering (SB2177)
Beleidsregel

De SVB hanteert bij de toepassing van de detacheringsbepalingen in de bilaterale verdragen zoveel mogelijk de uitgangspunten die zij hanteert bij detachering binnen de Europese Unie (zie SB2139 over detachering). De SVB gaat er, naar analogie van artikel 5 van Verordening (EG) nr. 987/2009, dan ook van uit dat een detacheringsverklaring die is afgegeven door het bevoegde orgaan van een verdragsluitende partij, bindend is voor het orgaan van de andere partij. De SVB stelt de verzekeringspositie van een naar Nederland gedetacheerde werknemer daarom vast overeenkomstig de door het buitenlandse orgaan afgegeven detacheringsverklaring.

In een aantal verdragen is bepaald dat gezinsleden van gedetacheerde werknemers en zelfstandigen onderworpen zijn aan dezelfde wetgeving als de gedetacheerde. De SVB past deze bepalingen ook toe als het gezinslid voorafgaand aan de detachering niet verplicht verzekerd was ingevolge die wetgeving. Als een ander voorschrift uit het verdrag ertoe leidt dat het gezinslid onderworpen is aan de wetgeving van het land waar de gedetacheerde zijn arbeid verricht, dan past de SVB dat voorschrift toe. Van 'medeverzekering' van het gezinslid kan dan geen sprake zijn.

De verdragen met Japan, India en China kennen in beginsel een detacheringstermijn van ten hoogste vijf jaar. Daarnaast kennen deze verdragen een bepaling op grond waarvan de bevoegde organen van de verdragsluitende staten een langere detacheringstermijn overeen kunnen komen indien de detachering langer duurt dan vijf jaar. De SVB staat na afloop van de termijn van vijf jaar een verlenging met maximaal één jaar toe als een verlenging van de detacheringstermijn noodzakelijk is wegens:

  • bijzondere individuele omstandigheden van de gedetacheerde werknemer of zelfstandige; of,
  • aantoonbaar onvoorziene zakelijke omstandigheden.

Kroatië is met ingang van 1 juli 2013 lid van de Europese Unie. Daardoor is het bilaterale verdrag inzake sociale zekerheid met Kroatië niet langer van toepassing. De SVB gaat er echter van uit dat detacheringsverklaringen die vóór 1 juli 2013 zijn afgegeven op grond van het bilaterale verdrag met Kroatië hun geldigheid behouden voor de duur waarvoor ze zijn afgegeven.

Bijzondere bepalingen met betrekking tot de verschillende soorten prestaties

In aanmerking te nemen tijdvakken voor de opening van het recht op uitkering (SB2178)
Beleidsregel

Een groot aantal verdragen inzake sociale zekerheid bevat een bepaling, soortgelijk aan artikel 6 Verordening (EG) nr. 883/2004. De SVB hanteert de beleidsregel die is geformuleerd in SB2150 over in aanmerking te nemen tijdvakken voor de opening van het recht op uitkering ook bij de toepassing van die verdragen.

Tijdvakken van wonen of werken minder dan één jaar (SB2179)
Beleidsregel

Uit artikel 7, eerste lid, onder b AOW vloeit voort dat geen recht op ouderdomspensioen bestaat als de totale duur van de verzekering minder dan een jaar bedraagt. Diverse verdragen inzake sociale zekerheid bevatten het beginsel van de samentelling van tijdvakken. Dit beginsel beoogt te voorkomen dat personen nadeel ondervinden van migratie doordat aan hen prestaties worden geweigerd vanwege een te korte duur van verzekering in een van de verdragsluitende staten. Indien een verdrag een dergelijk samentellingsvoorschrift bevat dat van toepassing is op de AOW dan kent de SVB een ouderdomspensioen toe, ook als de duur van de verzekering in Nederland minder dan een jaar bedraagt. De SVB weigert een ouderdomspensioen in die situatie wel als het verdrag expliciet voorziet in de mogelijkheid een pensioen te weigeren.

Diverse verdragen inzake sociale zekerheid bevatten de bepaling dat een orgaan niet verplicht is uitkeringen toe te kennen indien de totale duur van de vervulde tijdvakken van verzekering krachtens de door dit orgaan toegepaste wetgeving minder bedraagt dan een jaar, en er, uitsluitend rekening houdende met deze tijdvakken, geen recht op uitkering bestaat. In het kader van de Anw past de SVB deze bepalingen letterlijk toe. Dit houdt in dat de SVB geen pro rata berekende nabestaandenuitkering toekent als de overledene op de datum van het overlijden niet verzekerd was ingevolge de Anw en de totale duur van zijn verzekeringstijdvakken ingevolge de Anw minder bedraagt dan een jaar. De SVB past in deze situatie het arrest Malfitano van het Hof van Justitie EU niet toe (zie SB2152 over tijdvakken van wonen of werken van minder dan één jaar).

Als het orgaan van de andere verdragsstaat uitkering heeft geweigerd omdat de tijdvakken van verzekering krachtens de door dit orgaan toegepaste wetgeving minder dan een jaar bedragen, houdt de SVB met deze tijdvakken rekening tenzij in het desbetreffende bilaterale verdrag is bepaald dat de Nederlandse uitkering rechtstreeks en uitsluitend op basis van de Nederlandse verzekeringstijdvakken dient te worden berekend.

relaties 1
Aanpassing en herberekening van de uitkering (SB2180)
Beleidsregel

De meeste verdragen inzake sociale zekerheid bevatten geen specifieke bepalingen over de herberekening van uitkeringen. De SVB zoekt bij de toepassing van deze verdragen zoveel mogelijk aansluiting bij artikel 59 Verordening (EG) nr. 883/2004 (zie SB2153 over aanpassing en herberekening van de uitkering). In geval van structurele wijzigingen berekent de SVB de uitkering opnieuw volgens de voorschriften van het betreffende verdrag. De SVB voert een periodieke herberekening uit indien de Nederlandse wetgeving dit voorschrijft, ook als geen structurele wijziging heeft plaatsgevonden. In die situatie wordt de nationaalrechtelijke verplichting tot periodieke herberekening niet door enige verdragsnorm terzijde gesteld. Bij conjuncturele wijziging van de Nederlandse uitkeringsbedragen wordt deze wijziging rechtstreeks verwerkt in de vastgestelde uitkering. Een periodieke herberekening wordt voorgeschreven voor de inkomensafhankelijke toeslag ingevolge de AOW en de uitkeringen ingevolge de Anw (zie artikel 4:3, tweede lid, onder b Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten).

Ten aanzien van het Verdrag met Nieuw-Zeeland bestaan bijzondere regels. Deze zijn opgenomen in SB2184 over het verdrag met Nieuw-Zeeland.

Bijzonderheden voor de toepassing van de AOW
relaties 3
Huwelijkse tijdvakken (SB2181)
Beleidsregel

Een aantal verdragen inzake sociale zekerheid bevat, evenals Verordening (EG) nr. 883/2004, een regeling over het in aanmerking nemen van tijdvakken tijdens het huwelijk waarin de man verzekerd was voor de AOW en zijn vrouw op het grondgebied van de andere verdragsstaat woonde. Het gaat om de verdragen met voormalig Joegoslavië, Kaapverdië, Kroatië, Marokko, Noord-Macedonië, Slovenië en Tunesië. Deze zogenaamde huwelijkse tijdvakken zijn van belang voor het AOW-pensioen en de toeslag op het AOW-pensioen. Uit de uitspraak van de CRvB van 8 september 2017 blijkt dat het voor de opbouw van huwelijkse tijdvakken op grond van deze verdragen niet uitmaakt of de verzekerde echtgenoot verplicht of vrijwillig verzekerd was voor de AOW.

De SVB past de bepalingen over huwelijkse tijdvakken in de verdragen inzake sociale zekerheid sekseneutraal toe. Voor zover een verdrag de toepassing van die bepalingen beperkt tot gehuwde personen, weduwen en weduwnaars past de SVB deze ook toe op personen die gescheiden zijn.

Vanaf 1 januari 2013 wordt de leeftijd waarop recht ontstaat op AOW-pensioen jaarlijks met een of meer maanden verhoogd. Als gevolg daarvan is in artikel 13, eerste en tweede lid AOW '15-jarige leeftijd' vervangen door: aanvangsleeftijd en '65-jarige leeftijd' door: pensioengerechtigde leeftijd. Bij de toepassing van de bepalingen over huwelijkse tijdvakken in de verschillende verdragen honoreert de SVB daarom uitsluitend tijdvakken die zijn gelegen in de periode tussen de aanvangsleeftijd en de pensioengerechtigde leeftijd die op grond van artikel 7a AOW op de betrokkene van toepassing is.

Huwelijkse tijdvakken kunnen alleen worden gehonoreerd in het AOW-pensioen of de AOW-toeslag als zij niet samenvallen met tijdvakken van verzekering vervuld krachtens de wetgeving van een andere verdragsstaat. Evenals het geval is bij de overeenkomstige regels in Verordening (EG) nr. 883/2004 houdt de SVB hierbij geen rekening met tijdvakken van vrijwillige verzekering (zie SB2155 over vrijwillige verzekering).

Door middel van een wijziging van het verdrag met Kaapverdië, respectievelijk Kroatië, Marokko, Noord-Macedonië, Slovenië en Tunesië zijn de bepalingen over de huwelijkse tijdvakken in die verdragen vervangen door een regeling op grond waarvan de huwelijkspartner zich vrijwillig kan verzekeren voor de AOW. Op grond van die verdragen mogen huwelijkse tijdvakken die zijn opgebouwd vóór de verdragswijziging slechts worden gehonoreerd als de huwelijkspartner zich in aansluiting op die tijdvakken vrijwillig heeft verzekerd op grond van het desbetreffende verdrag. Uit de uitspraak van de CRvB van 29 juli 2011 over het verdrag met Marokko blijkt dat in geval van een verdragswijziging het overgangsrecht van artikel 39 van het verdrag van toepassing is. Dit betekent dat de eis van vrijwillige verzekering voor het honoreren van huwelijkse tijdvakken niet mag worden gesteld, omdat hierdoor aanspraken in de zin van dit artikel verloren zouden gaan. De SVB geeft aan de verdragen met Kaapverdië, Kroatië, Noord-Macedonië, Slovenië en Tunesië overeenkomstige toepassing.

Indien de vrijwillig verzekerde huwelijkspartner gaat scheiden van de in Nederland verzekerde werknemer, of overlijdt, eindigt de vrijwillig verzekering. Ingeval de verzekerde werknemer na de echtscheiding of het overlijden van de huwelijkspartner opnieuw trouwt, stelt de SVB de nieuwe huwelijkspartner in de gelegenheid om zich vrijwillig te verzekeren.

In geval van polygamie schrijft het verdrag met Marokko voor dat het recht op vrijwillige verzekering slechts toekomt aan de eerste echtgenote. Als de verzekerde werknemer na overlijden of echtscheiding van de eerste echtgenote nog steeds is gehuwd, stelt de SVB de vrouw die vervolgens het langst met de verzekerde gehuwd is in de gelegenheid om zich vrijwillig te verzekeren.

In verband met de verhoging van de AOW-leeftijd gaat de SVB ervan uit dat de bevoegdheid om zich vrijwillig te verzekeren pas eindigt op de dag dat de huwelijkspartner de pensioengerechtigde leeftijd bereikt.

In de relatie met Slovenië en Kroatië geldt voorts nog het volgende. Slovenië is met ingang van 1 mei 2004 lid van de Europese Unie. Vanaf 1 mei 2004 tot 1 mei 2010 waren voor Slovenië de Verordeningen (EG) nr. 1408/71 en nr. 574/72 van toepassing. Vanaf 1 mei 2010 zijn de Verordeningen (EG) nr. 883/2004 en nr. 987/2009 en Verordening (EU) nr. 1231/2010 van toepassing. Voor 1 mei 2004 gold in de relatie met Slovenië het bilaterale verdrag inzake sociale zekerheid met Slovenië. Kroatië is met ingang van 1 juli 2013 lid van de Europese Unie. Daardoor zijn vanaf genoemde datum de Verordeningen (EG) nr. 883/2004 en nr. 987/2009 en Verordening (EU) nr. 1231/2010 van toepassing. Voor genoemde datum gold in de relatie met Kroatië het bilaterale verdrag inzake sociale zekerheid met Kroatië. Indien in het ouderdomspensioen of de toeslag recht bestaat op zogenaamde huwelijkse tijdvakken, kan de SVB deze op grond van Bijlage XI van Verordening (EG) nr. 883/2004 slechts in aanmerking nemen tot 2 augustus 1989, terwijl de SVB deze tijdvakken op grond van het verdrag met Kroatië respectievelijk Slovenië in aanmerking kan nemen tot 1 oktober 2000 respectievelijk 1 mei 2003. In geval op grond van het bilaterale verdrag met Kroatië respectievelijk Slovenië in het tijdvak van 2 augustus 1989 tot 1 oktober 2000 respectievelijk 1 mei 2003 recht bestaat op huwelijkse tijdvakken in het pensioen of de toeslag dan honoreert de SVB deze tijdvakken.

relaties 3
Tijdvakken van medeverzekering (SB2329)
Beleidsregel

Het verdrag inzake sociale zekerheid met Turkije bevat een regeling op grond waarvan de gehuwde vrouw tijdens het huwelijk is meeverzekerd met haar echtgenoot voor de AOW gedurende tijdvakken dat zij in Turkije woont. Deze medeverzekeringstijdvakken zijn van belang voor de hoogte van het AOW-pensioen en de toeslag. Op grond van de uitspraak van de CRvB van 31 januari 2014 moet de SVB tijdvakken van medeverzekering honoreren over tijdvakken dat de echtgenoot verplicht of vrijwillig verzekerd was voor de AOW. Voorafgaand aan deze uitspraak honoreerde de SVB uitsluitend medeverzekeringstijdvakken over tijdvakken van verplichte verzekering.

De SVB past de bepaling over medeverzekering sekse-neutraal toe. De SVB gaat er voorts van uit dat de regeling over medeverzekering uitsluitend ziet op personen die formeel zijn gehuwd en op personen met een geregistreerd partnerschap. Er vindt geen gelijkstelling plaats van gehuwden met personen die een gezamenlijke huishouding voeren. Dit standpunt is in het kader van de toepassing van Bijlage XI Verordening (EG) nr. 883/2004 bevestigd in de uitspraak van de CRvB van 6 november 2013.

Vanaf 1 januari 2013 wordt de leeftijd waarop recht ontstaat op AOW-pensioen jaarlijks met een of meer maanden verhoogd. Als gevolg daarvan is in artikel 13, eerste en tweede lid AOW '15-jarige leeftijd' vervangen door: aanvangsleeftijd en '65-jarige leeftijd' door: pensioengerechtigde leeftijd. Bij de toepassing van de bepaling over medeverzekering honoreert de SVB daarom tijdvakken die zijn gelegen in de periode tussen de aanvangsleeftijd en de pensioengerechtigde leeftijd die op grond van artikel 7a AOW op de betrokkene van toepassing is.

Medeverzekeringstijdvakken kunnen alleen worden gehonoreerd in het AOW-pensioen of de toeslag als zij niet samenvallen met tijdvakken van verzekering vervuld krachtens de Turkse wetgeving of tijdvakken waarover de betrokkene recht heeft op een Turks ouderdomspensioen. Evenals het geval is bij de overeenkomstige regels in Verordening (EG) nr. 883/2004 houdt de SVB hierbij geen rekening met tijdvakken van vrijwillige verzekering (zie SB2155 over vrijwillige verzekering).

Grondslag

artikel 24 Verdrag met Turkije

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 1
Polygamie: bijzondere regeling ouderdomspensioen Marokko en Tunesië (SB2183)
Beleidsregel

De verdragen met Marokko en Tunesië kenden aanvankelijk een specifieke regeling voor de vaststelling van het ouderdomspensioen in situaties van polygamie. Op grond van deze regeling werd als echtgenote van de werknemer aangemerkt de echtgenote met wie de werknemer bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd het langst was gehuwd. Voor die echtgenote werden huwelijkse tijdvakken in het ouderdomspensioen in aanmerking genomen. Bij de wijziging van de verdragen per 1 november 2004 is deze specifieke regeling komen te vervallen. Sedertdien worden huwelijkse tijdvakken in aanmerking genomen in het pensioen van de vrouw die vrijwillig verzekerd is geweest (zie SB2181 over huwelijkse tijdvakken). Omdat bij polygamie een man gelijktijdig met meerdere vrouwen is gehuwd en het mogelijk is dat ieder van deze vrouwen vrijwillig verzekerd kan geraken, zou het bij een letterlijke toepassing van de verdragsbepalingen kunnen voorkomen dat meerdere vrouwen aanspraak krijgen op overlappende huwelijkse tijdvakken. Naar het oordeel van de SVB zou dit indruisen tegen de bedoeling van de verdragsluitende partijen. Deze zijn ervan uitgegaan dat de voorwaarde van vrijwillige verzekering voor de toewijzing van huwelijkse tijdvakken met zich meebrengt dat slechts één vrouw hiervoor in aanmerking komt. Om deze reden handelt de SVB als volgt. Huwelijkse tijdvakken worden toegerekend aan de vrouw die op de datum van inwerkingtreding van het gewijzigde verdrag bevoegd is zich vrijwillig te verzekeren. Op deze tijdvakken kan door andere vrouwen geen aanspraak worden gemaakt. Andere vrouwen kunnen wel aanspraak maken op huwelijkse tijdvakken voor zover deze niet samenvallen met de tijdvakken van de eerstbedoelde vrouw. Ontstaan aldus concurrerende aanspraken voor deze andere vrouwen, dan prevaleert het recht van de vrouw die het eerst met de man gehuwd was. De CRvB acht dit beleid niet onjuist of onredelijk, aangezien het honoreren van eenzelfde verzekeringstijdvak van meer dan één rechthebbende, niet past binnen de systematiek van de AOW (zie CRvB 8 januari 2014).

relaties 1
Verdrag met Nieuw-Zeeland (SB2184)
Beleidsregel

Evenals de Overeenkomst inzake Sociale Zekerheid die vóór 1 augustus 2000 werd toegepast, bevat het op 1 november 2003 in werking getreden verdrag met Nieuw-Zeeland een bijzondere regeling met betrekking tot de berekening van het AOW-pensioen voor zover dit is gebaseerd op tijdvakken van wonen of werken in Nederland vóór 1 januari 1957. Deze regeling is tevens van invloed op de wijze waarop onder de werking van deze overeenkomst ouderdomspensioenen worden herberekend.

Bij de toepassing van de bepaling van artikel 15, vierde lid van het Verdrag gaat de SVB ervan uit dat de 'national superannuation' krachtens de Nieuw-Zeelandse wetgeving een uitkering is van gelijke aard en strekking als het Nieuw-Zeelandse gewaarborgd ouderdomspensioen.

Ingevolge artikel 15, vierde lid wordt het AOW-pensioen van in Nederland wonende pensioengerechtigden die tevens een Nieuw-Zeelands pensioen ontvangen, gekort ('afgetopt') indien de som van het AOW-pensioen en het Nieuw-Zeelandse pensioen hoger is dan het maximale AOW-pensioen. Deze korting mag alleen worden toegepast op dat gedeelte van het AOW-pensioen dat gebaseerd is op de periode vóór 1 januari 1957 waarover geen premie verschuldigd was. Tijdvakken van vrijwillige verzekering worden door de SVB buiten beschouwing gelaten.

Bij de aftopping wordt uitgegaan van bruto pensioenbedragen zonder dat rekening wordt gehouden met eventuele overmakingskosten.

Ingevolge artikel 15, vijfde lid zijn wijzigingen in de wisselkoers niet van invloed op de aftopping van het AOW-pensioen, mits ten minste eenmaal per jaar een omrekening plaatsvindt met gebruikmaking van de wisselkoers zoals die wordt geadviseerd door De Nederlandsche Bank NV op de dag van betaling van de Nieuw-Zeelandse uitkering voor de maand waarin de herberekening plaatsvindt. In afwijking van de letter van dit voorschrift hanteert de SVB bij de jaarlijkse omrekening de wisselkoers die in de maand van herberekening is gehanteerd bij de betaling van de Nieuw-Zeelandse uitkering. Met dit beleid beoogt de SVB te voorkomen dat AOW-gerechtigden in een maand met twee verschillende wisselkoersen worden geconfronteerd. De SVB past de aftoppingsbepaling van artikel 15, vierde lid ook toe in die gevallen waarin de AOW-gerechtigde geen aanspraak (meer) laat gelden op een Nieuw-Zeelands ouderdomspensioen, waardoor er geen aanvraag daartoe wordt ingediend en er dus ook geen beslissing inzake het Nieuw-Zeelandse pensioenrecht wordt afgegeven. De SVB houdt in deze gevallen rekening met de hoogte van het Nieuw-Zeelandse pensioen waarop rechtens aanspraak bestaat.

Grondslag

artikel 15, leden 4, 5 en 6 Verdrag met Nieuw-Zeeland

Besluit beleidsregels SVB 2016

Bijzonderheden bij de toepassing van de Anw
relaties 3
Het recht op uitkering (SB2185)
Beleidsregel

Als in de wetgeving van een verdragsstaat de toekenning van een uitkering afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat de betrokkene verzekerd was op het moment waarop de verzekerde gebeurtenis zich voordeed, wordt krachtens een groot aantal verdragen aan deze voorwaarde geacht te zijn voldaan als de betrokkene op dat moment was onderworpen aan de wetgeving van de andere verdragsstaat. Van een dergelijke fictieve verzekering is blijkens de jurisprudentie uitsluitend sprake als de betrokkene op het tijdstip waarop het risico zich manifesteert, daadwerkelijk verzekerd is. Dit wil zeggen dat hij op dit tijdstip verzekerd was en uit hoofde daarvan premies of bijdragen verschuldigd was, dan wel op grond van de desbetreffende wettelijke regeling als verzekerd dient te worden aangemerkt. Aan deze voorwaarde wordt naar het oordeel van de SVB niet voldaan als de betrokkene bij het intreden van het risico niet verzekerd is, doch op een later tijdstip alsnog met terugwerkende kracht postuum tot verzekering wordt toegelaten.

Een bijzondere situatie doet zich voor ten aanzien van de Turkse socialezekerheidsregeling die wordt uitgevoerd door de organisatie Bag-Kur. In de ter zake geldende wetgeving is geregeld dat bepaalde groepen personen verplicht verzekerd en premieplichtig zijn indien zij aan de inkomstenbelasting zijn onderworpen of geregistreerd staan bij hun beroepsorganisatie. Deze personen zijn voorts wettelijk verplicht zich binnen drie maanden aan te melden voor registratie en premieafdracht bij de Bag-Kur. Totdat aanmelding en premiebetaling hebben plaatsgevonden, kunnen aan de verzekering geen rechten worden ontleend. Uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 1 december 1999 blijkt dat de uit de toepasselijke wetgeving voortvloeiende premieverschuldigdheid een voldoende voorwaarde vormt om een betrokkene als verzekerd aan te merken, ook indien de aanmelding en premieafdracht bij de Bag-Kur postuum en na het verstrijken van de wettelijke termijn van drie maanden is geschied.

De SVB gaat ervan uit dat voor zover verdragen inzake sociale zekerheid niet uitdrukkelijk voorzien in het in aanmerking nemen van tijdvakken van wonen of werken voorafgaande aan het tijdstip van de AWW, dergelijke tijdvakken bij de pro rata-berekening niet als verzekerde tijdvakken in aanmerking kunnen worden genomen.

Pseudo-nabestaanden (SB2186)
Beleidsregel

Pseudo-nabestaanden kunnen onder bepaalde voorwaarden aanspraak hebben op een nabestaandenuitkering als de overledene zowel op de datum van de echtscheiding als op de datum van het overlijden verzekerd was krachtens de Nederlandse wetgeving of de wetgeving van de andere verdragsstaat.

In de situatie dat de overledene op de dag van de echtscheiding verzekerd was krachtens de wetgeving van een andere verdragsstaat, en op de dag van het overlijden krachtens de Nederlandse wetgeving, hangt de hoogte van de uitkering af van de tekst van het toepasselijke verdrag. Als het toepasselijke verdrag een pro rata-berekening voorschrijft in alle gevallen waarin het recht op uitkering met toepassing van het verdrag is ontstaan, wordt de uitkering pro rata temporis berekend. Er bestaat dan ook geen recht op een zodanige aanvulling dat de Nederlandse en de buitenlandse uitkering samen ten minste het niveau van de naar nationaal recht berekende nabestaandenuitkering bereiken. Het gaat hier om de verdragen met Joegoslavië, Kaapverdië, Turkije en Tunesië. Andere verdragen schrijven enkel een pro rata-berekening voor in gevallen waarin de overledene op de datum van het overlijden in de andere verdragsstaat verzekerd was. Bij verzekering in Nederland op de dag van het overlijden wordt in die situaties de uitkering naar nationaal recht berekend, ongeacht de plaats van verzekering ten tijde van de echtscheiding.

relaties 2
Polygamie (SB2188)
Beleidsregel

Op grond van artikel 23 van het verdrag met Marokko en het gelijkluidende artikel 30 van het verdrag met Tunesië wordt in geval van polygamie het weduwenpensioen tussen de rechthebbenden verdeeld.

Pseudo-nabestaanden vallen buiten de verdelingsbepalingen van artikel 23 van het verdrag met Marokko en artikel 30 van het verdrag met Tunesië. Zij kunnen een volledige nabestaandenuitkering ontvangen, ongeacht het aantal echtgenotes van de overledene op datum overlijden.

Grondslag

artikel 23 Verdrag met Marokko en artikel 30 Verdrag met Tunesië

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 1
In mindering brengen van inkomen op pro rata temporis berekende uitkeringen (SB2189)
Beleidsregel

Verdragen inzake sociale zekerheid bevatten dikwijls geen bepalingen met betrekking tot de vermindering van uitkeringen in verband met het ontvangen van soortgelijke uitkeringen of andere inkomsten. Behoudens andere voorschriften in een verdrag hanteert de SVB hierbij de volgende regels. Als een belanghebbende een pro rata temporis berekende nabestaandenuitkering of wezenuitkering ontvangt, worden soortgelijke uitkeringen uit de andere staat hierop niet in mindering gebracht. Ongelijksoortige uitkeringen en andere inkomsten worden op de nabestaandenuitkering in mindering gebracht, en wel - met toepassing van artikel 4:1, elfde lid Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten - voor een met de pro rata-breuk overeenkomend gedeelte.

EVRM

relaties 4

Respect voor gezinsleven (SB2190)

Beleidsregel

Uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (zie de arresten Petrovic en Fretté) volgt dat artikel 8 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) geen verplichting behelst om kinderbijslag of andere op de gezinssituatie afgestemde uitkeringen te verstrekken. Louter het bestaan van gezinsleven in de zin van artikel 8, lid 1 EVRM kan er derhalve niet toe leiden dat de SVB in weerwil van de wettelijke criteria kinderbijslag verstrekt, zodat niet in strijd met het EVRM wordt gehandeld indien ten aanzien van kinderen die niet tot het huishouden van de verzekerde behoren voor het recht op kinderbijslag de zogenoemde onderhoudseis wordt gesteld (zie Centrale Raad van Beroep 21 november 1990).

Grondslag

artikel 8, lid 1 EVRM

Besluit beleidsregels SVB 2016

relaties 7

Eigendomsrecht (SB2191)

Beleidsregel

In procedures over uitkeringsrechten wordt in toenemende mate een beroep gedaan op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De reden voor het beroep is dan gelegen in een vermeende aantasting van het recht op eigendom, bijvoorbeeld indien een korting op de uitkering wordt toegepast, of in een vermeende schending van het gelijkheidsbeginsel vervat in artikel 14 EVRM.

Ten aanzien van de vraag of sprake is van een eigendomsrecht leidt de SVB uit de stand van de jurisprudentie het volgende af.

Een uitkering kan in ieder geval als eigendom worden aangemerkt indien de belanghebbende krachtens de door de SVB uitgevoerde regeling uitkeringsgerechtigd is. Daarbij is niet van belang of het recht op uitkering voortvloeit uit de betaling van premies (zie Europees Hof voor de Rechten van de Mens 30 september 2003).

Een tijdvak van verzekering ingevolge een risicoverzekering, zoals de Anw, kan niet als eigendom worden aangemerkt indien het verzekerde risico in het bewuste tijdvak niet intreedt. Dit blijkt uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 5 december 2003. De SVB gaat ervan uit dat tijdvakken van verzekering vervuld krachtens een opbouwverzekering wel als eigendom in de zin van artikel 1 van het Eerste Protocol moeten worden aangemerkt, waarmee echter niets is gezegd over het recht van de overheid de wet te wijzigen.

Tijdvakken van verzekering voor de AOW die vanaf het vijftiende jaar zijn opgebouwd, moeten worden aangemerkt als een eigendomsrecht als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol. Dit blijkt uit uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 18 juli 2016. Uit deze uitspraken blijkt tevens dat de verhoging van de AOW-leeftijd leidt tot een inmenging in het eigendomsrecht omdat de aanvangsleeftijd respectievelijk de pensioengerechtigde leeftijd zijn verschoven. Deze inmenging is in het algemeen proportioneel en niet in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol, maar in individuele gevallen kan de verhoging van de AOW-leeftijd leiden tot een onevenredig zware last en tot een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol. In het kader van de beoordeling van de onevenredig zware last voert de SVB het volgende beleid. Er is sprake van een onevenredig zware last als een betrokkene voldoet aan de voorwaarden van de Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW (OBR). De compensatie voor deze last bestaat uit een recht op overbruggingsuitkering.

In geval van personen bij wie de verzekerde gebeurtenis is voorgevallen, maar aan wie recht op uitkering wordt ontzegd in verband met criteria die mogelijk strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel zoals vervat in artikel 14 EVRM, hanteert de SVB het uitgangspunt dat het ontbreken van een vermogensrecht niet in de weg staat van toetsing aan artikel 14. Van een eigendomsrecht kan in die gevallen echter pas sprake zijn indien moet worden geconcludeerd dat de ontzegging van het recht op uitkering strijdig is met artikel 14 EVRM (zie Europees Hof voor de Rechten van de Mens 16 december 2003).

Inhoudsopgave

Alles dichtklappenAlles openklappen
Naar boven