Onderwerp: Bezoek-historie

Aanvullend voordeel bij gezinsuitkeringen (SB2271)
Geldigheid:07-09-2016 t/m Versie:vergelijk Status: Geldig vandaag

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Beleidsregel

De prioriteitsregels voor gezinsuitkeringen hebben in beginsel tot gevolg dat gezinsuitkeringen die van dezelfde aard zijn slechts op grond van de wetgeving van één enkele lidstaat tot uitbetaling komen. Zie ook SB2328 over uitkeringen van dezelfde aard. Het Hof van Justitie EU heeft echter bepaald dat toepassing van de prioriteitsregels niet tot gevolg kan hebben dat de betrokkene het hoogst mogelijke bedrag aan gezinsuitkeringen wordt onthouden. Een lidstaat met een hogere gezinsuitkering dan de bij voorrang aangewezen lidstaat dient daarom een aanvulling te betalen ter hoogte van het verschil tussen het bedrag van de eigen gezinsuitkeringen en het bedrag dat de andere lidstaat verschuldigd is. Dit principe is opgenomen in artikel 68, tweede lid van Verordening (EG) nr. 883/2004.

Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie EU over de bijzondere bepalingen betreffende gezinsuitkeringen in Verordening (EEG) nr. 1408/71 (onder meer de arresten Salzano, Burchell, Kracht en Schwemmer) blijkt dat een lidstaat uitsluitend tot schorsing van gezinsuitkeringen mag overgaan indien daadwerkelijk gezinsuitkeringen worden toegekend door een andere lidstaat. De SVB acht deze jurisprudentie onverminderd van belang voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 en Verordening (EG) nr. 987/2009. Zij geeft om die reden bij de vaststelling van het recht op Nederlandse gezinsuitkeringen aan artikel 68, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 883/2004 uitsluitend toepassing indien in een andere lidstaat daadwerkelijk gezinsuitkeringen verschuldigd zijn.

Artikel 68, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 883/2004 bepaalt dat geen aanvulling hoeft te worden toegekend voor kinderen die in een andere lidstaat wonen als het recht op deze aanvulling uitsluitend is gebaseerd op de woonplaats. Deze bepaling is echter niet van toepassing als in de lidstaat waar de kinderen wonen geen gezinsuitkeringen worden betaald. De SVB geeft daarom geen toepassing aan de mogelijkheid om geen gezinsuitkeringen uit te betalen voor kinderen die in een andere lidstaat wonen als de aanvrager om gezinsuitkering voor de AKW verzekerd is op grond van ingezetenschap.

De hoogte van de aanvulling wordt conform artikel 5 van Besluit nr. 150 van de Administratieve Commissie berekend uiterlijk twaalf maanden nadat is vastgesteld dat recht op kinderbijslag is ontstaan in de andere lidstaat. Daarna wordt het recht op aanvulling om de twaalf maanden opnieuw berekend.

Grondslag

Artikel 68, tweede lid Vo. 883/2004 en Besluit nr. F1 van de Administratieve Commissie  van 12 juni 2009

Besluit beleidsregels SVB 2016

Naar boven