Onderwerp: Bezoek-historie

Personele werkingssfeer (SB2168)
Geldigheid:15-06-2008 t/m 11-07-2009Versie:vergelijk Vergelijk met versie: 10: 24-03-2022 t/m   X

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Beleidsregel

Werknemers en zelfstandigen

Een aantal verdragen bevat een definitie van het begrip ‘De SVB legt de begrippen 'werknemer' en/of het begrip ‘ 'zelfstandige’. Wanneer deze definitie verwijst naar de nationale wetgeving worden deze begrippen uitgelegd' in verdragen op dezelfde wijze uit als ten aanziende begrippen 'werkzaamheden in loondienst' respectievelijk 'werkzaamheden anders dan in loondienst' in de zin van VoVerordening (EG) nr. 1408883/712004 (zie Deel II, Werknemers-SB2121 over werkzaamheden in loondienst en zelfstandigenbegrip, SB2121werkzaamheden anders dan in loondienst). Hetzelfde gebeurt bij de toepassing van verdragen die geenDe SVB past deze gedragslijn niet toe als een definitie van deze begrippen bevattenin een verdrag daaraan in de weg staat.

Postactieve werknemers Werknemers of zelfstandigen die hun werkzaamheden hebben beëindigd kunnen zich op alle bepalingen van het verdrag beroepen, tenzij uit de tekst of de strekking van een bepaling blijkt dat deze een beperkter toepassingsgebied heeft. Dit geldt met name ten aanzien vanvoor de bepalingen inzakeover de toepasselijke wetgeving.

Gezinsleden en nabestaanden

Voor zoverAls een verdrag van toepassing is op werknemers en/of zelfstandigen en hun gezinsleden en nagelaten betrekkingennabestaanden, gaathanteert de SVB ervan uitde zogeheten afgeleide rechtenleer. Dit betekent dat dezede gezinsleden en nagelaten betrekkingenof nabestaanden zich slechts op het verdraguitsluitend kunnen beroepen voor zover het gaat om regelingenop bepalingen die een recht waarborgen dat kan worden aangemerkt als een van de werknemerzij hebben, omdat ze gezinslid of zelfstandige afgeleid recht. Een groot aantal verdragen bevatnabestaande zijn van een verwijzing naar deze zogenaamdepersoon die rechtstreeks onder de personele werkingssfeer valt. De SVB past de afgeleide rechtenleer. Doch ook bij de toepassing van de verdragen die een dergelijke verwijzing niet bevattentoe, hanteert de SVB de afgeleide rechtenleer, tenzijals uit het verdrag uitdrukkelijk blijkt dat deze leer niet van toepassing is. Een uitzondering op dit laatste uitgangspunt vormt het Nederlands-Oostenrijks Verdrag. De SVB stelt zich op het standpunt dat de afgeleide rechtenleer bij de toepassing van dit verdrag evenzeer niet aan de orde is hoewel zulks in het verdrag niet expliciet wordt aangegeven. Naar het oordeel van de SVB vloeit het buiten toepassing laten van de afgeleide rechtenleer hier evenwel voort uit artikel 5, lid 1, van het verdrag alwaar de bepalingen van EG-Verordening 1408/71 op onder meer gezinsleden en nagelaten betrekkingen van toepassing zijn verklaard. Het verdrag valt daarmee onder het bereik van het arrest van het HvJ EG in de zaak Cabanis (zie verder Deel II, Gezinsleden en nabestaanden, SB2123).

De SVB past de afgeleide rechtenleer niet toe voor het verdrag met Oostenrijk, ook al staat het verdrag niet uitdrukkelijk aan toepassing van deze leer in de weg. Reden voor de uitzondering is dat artikel 5, eerste lid, van het verdrag bepaalt dat Verordeningen (EEG) nr. 1408/71 en nr. 574/72 van overeenkomstige toepassing zijn op gezinsleden en nabestaanden. Het in dat kader gewezen arrest Cabanis is daarom ook van betekenis voor het verdrag met Oostenrijk (zie SB2123 over personele werkingssfeer).

Onderdanen van andere EU-lidstaten, EER-landen en Zwitserland

Omdat het arrest CabanisIn een aantal verdragen is gebaseerd op de beginselenbepaald dat alleen onderdanen van de artikelen 48 tot en met 51verdragsluitende staten onder de personele werkingssfeer vallen. Op grond van het EGarrest Gottardo past de SVB deze verdragen ook toe op onderdanen van andere EU-Verdraglidstaten, welke beginselenEER-landen of Zwitserland als zij vanwege hun nationaliteit niet onder de personele werkingssfeer van het verdrag vallen. Dit beleid vindt geen deel uitmakentoepassing als dat leidt tot aantasting van de rechtsorde die wordt beheerst doorrechten van de onderscheiden bilaterale verdragen, hecht de SVB overigens voor de toepassing vanandere verdragsluitende staat of tot het opleggen van nieuwe verplichtingen aan die verdragen geen betekenis aan ditstaat. Dit volgt eveneens uit het arrest Gottardo.

Vluchtelingen en staatlozen

Als twee landen die partij zijn bij een verdrag inzake sociale zekerheid, tevens zijn aangesloten bij het Vluchtelingenverdrag dan wel het Staatlozenverdrag, wordt het verdrag inzake sociale zekerheid van toepassing geachtSommige verdragen bevatten geen bepaling waaruit blijkt dat vluchtelingen en staatlozen onder de personele werkingssfeer vallen. De SVB past deze verdragen toch toe op vluchtelingen respectievelijken staatlozen, ook als dit niet expliciet inde verdragsluitende staten zijn aangesloten bij het verdrag is vermeld. Vluchtelingen en staatlozen worden daarbij op dezelfde wijze behandeld als onderdanen van de verdragsstatenVluchtelingenverdrag respectievelijk het Staatlozenverdrag. Voorwaarde is dat de vluchteling respectievelijkof de staatloze rechtmatig verblijft op het grondgebied van een der verdragsstatenvan de verdragsluitende staten.

Verdrag met Canada

Op grond van artikel XXVI van het verdrag met Canada is een apart akkoord tot stand gekomen tussen de provincie Québec en Nederland ter aanvulling op het verdrag, voor socialeverzekeringsuitkeringensociale verzekeringsuitkeringen in de provincie Québec. De personele werkingssfeer van de overeenkomst met Québec ziet op personen die onderworpen zijn of zijn geweest aan het Québec Pension Plan. Het verdrag met Canada ziet op personen die onderworpen zijn of zijn geweest aan het Canada Pension Plan. Indien een persoon zowel onderworpen is geweest aan het Québec Pension Plan als aan het Canada Pension Plan, is zowel het akkoord met Québec als het verdrag met Canada op hem van toepassing. Aangezien de bepalingen van het verdrag en het akkoord niet geheel gelijkluidend zijn, kan het voorkomen dat het resultaat van de toepassing van deze bepalingen verschillend is. In dergelijke situaties neemt de SVB beleidsmatig aan dat de bepalingen van het verdrag voorgaan.

In het arrest Gottardo heeft het HvJ EG bepaald dat bilaterale verdragen die door een lidstaat zijn afgesloten met derde landen door onderdanen van andere lidstaten op gelijke voet kunnen worden ingeroepen als door de onderdanen van de bilaterale verdragsstaten, mits de rechten en plichten van de derde staat niet worden aangetast. Deze gelijkstelling van nationaliteit kan er volgens de SVB echter niet toe leiden dat bij de toepassing van verdragen inzake sociale zekerheid die Nederland heeft gesloten met derde landen, de territoriale werkingssfeer van het verdrag wordt opgeheven. Voor zover de toepassing van een verdrag territoriaal is begrensd, geldt deze begrenzing derhalve voor EU-onderdanen op dezelfde wijze en in gelijke mate als voor onderdanen van de verdragsluitende partijen.

Grondslag

De tekst is afgesloten naar de stand van zaken op 7 april 2008, met dien verstande dat het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten dat per 1 mei 2008 in werking is getreden wel is verwerkt.

Besluit beleidsregelsWijzigingsbesluit Beleidsregels SVB 2008maart 2022