Onderwerp: Bezoek-historie

Prioriteitsregels voor gezinsuitkeringen (SB2159)
Geldigheid:07-09-2016 t/m Versie:vergelijk Status: Geldig vandaag

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Beleidsregel

Artikel 68 van Verordening (EG) nr. 883/2004 bevat prioriteitsregels voor gevallen waarin sprake is van samenloop van recht op gezinsuitkeringen in verschillende lidstaten. De volgorde waarin lidstaten tot toekenning van een gezinsuitkering moeten overgaan wordt ingevolge artikel 68 bepaald door de grond waarop de gezinsuitkering wordt verleend. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanspraken op grond van werkzaamheden, aanspraken op grond van pensioen en aanspraken op grond van de woonplaats. De hoofdregel is dat de lidstaat waarin wordt gewerkt bij voorrang gezinsuitkering uitbetaalt.

Op grond van Besluit nr. F1 van de Administratieve Commissie neemt de SVB aan dat in een lidstaat wordt gewerkt als in die lidstaat feitelijk werkzaamheden worden verricht, maar tevens als werkzaamheden tijdelijk worden onderbroken:

  • wegens ziekte, moederschap, arbeidsongeval, beroepsziekte of werkeloosheid, voor zover voor deze gebeurtenissen loon dan wel verstrekkingen of uitkeringen met uitzondering van pensioenen of renten verschuldigd zijn, of
  • wegens betaald verlof, staking of uitsluiting, of
  • wegens onbetaald verlof voor het opvoeden van kinderen, voor zover dit verlof volgens de relevante wetgeving gelijkgesteld wordt aan werkzaamheden al dan niet in loondienst.

Bij de beoordeling of sprake is van periodes van onbetaald verlof voor het opvoeden van kinderen in de zin van Besluit nr. F1 wordt door de SVB aansluiting gezocht bij hoofdstuk 6 van de Wet arbeid en zorg. Indien een werkgever in het voordeel van de werknemer een langere onderbreking van de werkzaamheden toestaat dan de minimale termijn die is voorzien in de Wet arbeid en zorg, dan geeft de SVB overeenkomstige toepassing aan het beleid betreffende de overgang van werkzaamheden naar inactiviteit (zie SB2263 over tijdvakken op grond van Verordening (EG) nr. 883/2004).

Uit de systematiek van Verordening (EG) nr. 883/2004 en van Besluit nr. F1 leidt de SVB af dat een recht op gezinsuitkering, ongeacht de aard van het uitkeringsstelsel, moet worden beschouwd als te zijn gebaseerd op ingezetenschap indien een persoon niet onder een van de bovengenoemde situaties valt en een betrokkene evenmin een pensioen ontvangt.

Grondslag

artikel 68 Verordening (EG) nr. 883/2004 en Besluit nr. F1 van de Administratieve  Commissie

Besluit beleidsregels SVB 2016

Naar boven