Onderwerp: Bezoek-historie

Samenloop en anticumulatie van nationale en buitenlandse gezinsbijslagen (SB2159)
Geldigheid:25-08-2011 t/m 30-08-2012Versie:vergelijk Vergelijk met versie: 7: 14-05-2014 t/m 14-01-2015  X

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Beleidsregel

Schorsing van het recht

De artikelen 76 en 79, derde lid Vo Artikel 68 van Verordening (EG) nr. 1408883/71 en artikel 10, eerste en derde lid en artikel 10bis Vo. 574/72 bevatten anticumulatieregels in geval2004 bevat prioriteitsregels voor gevallen waarin sprake is van internationale samenloop van kinderbijslagenrecht op gezinsuitkeringen in verschillende lidstaten. BijDe volgorde waarin lidstaten tot toekenning van een gezinsuitkering moeten overgaan wordt ingevolge artikel 68 bepaald door de toepassing van deze regelsgrond waarop de gezinsuitkering wordt de peildatumsystematiek zoals deze geldtverleend. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanspraken op grond van artikel 11 van de AKWwerkzaamheden, niet in aanmerking genomen. Bij internationale samenloop van kinderbijslagen geldt als hoofdregel dat het land waarin beroepswerkzaamheden worden verricht bij voorrang kinderbijslag uitbetaalt. Opaanspraken op grond van Besluit nr. 207pensioen en aanspraken op grond van de Administratieve Commissie moet onderwoonplaats. De hoofdregel is dat de term ‘beroepswerkzaamheden’ mede worden verstaan een tijdelijke onderbreking wegens onbetaald verlof voor het opvoeden van kinderen, voor zover dit verlof volgens de nationale wetgeving gelijkgesteldlidstaat waarin wordt aan beroepswerkzaamhedengewerkt bij voorrang gezinsuitkering uitbetaalt.

Op grond van Besluit nr. F1 van de Administratieve Commissie neemt de SVB aan dat in een lidstaat wordt gewerkt als in die lidstaat feitelijk werkzaamheden worden verricht, maar tevens als werkzaamheden tijdelijk worden onderbroken:

  • wegens ziekte, moederschap, arbeidsongeval, beroepsziekte of werkeloosheid, voor zover voor deze gebeurtenissen loon dan wel verstrekkingen of uitkeringen met uitzondering van pensioenen of renten verschuldigd zijn, of
  • wegens betaald verlof, staking of uitsluiting, of
  • wegens onbetaald verlof voor het opvoeden van kinderen, voor zover dit verlof volgens de relevante wetgeving gelijkgesteld wordt aan werkzaamheden al dan niet in loondienst.

Bij de beoordeling of sprake is van periodes van onbetaald verlof voor het opvoeden van kinderen in de zin van Besluit nr. 207F1 wordt door de SVB aansluiting gezocht bij hoofdstuk 6 van de Wet arbeid en zorg. Indien een werkgever in het voordeel van de werknemer een langere onderbreking van de werkzaamheden toestaat dan de minimale termijn die is voorzien in de Wet arbeid en zorg, dan beschouwtgeeft de SVB deze onderbreking eveneens alsovereenkomstige toepassing aan het verrichtenbeleid betreffende de overgang van beroepswerkzaamheden, mits uit aantoonbare afspraken tussen werkgever en werknemer blijkt dat het dienstverband niet is verbroken, hetgeen bijvoorbeeld kan blijken uit een terugkeergarantiewerkzaamheden naar inactiviteit (zie SB2263 over tijdvakken op grond van Verordening (EG) nr. 883/2004).

Voor de doeleinden van het schorsen van het recht op uitkering op grond van de artikelen 76 en 79, derde lid, Vo. 1408/71 en van artikel 10, eerste en derde lid, Vo. 574/72 zijn niet de omstandigheden die zich op de peildatum voordoen, maar de omstandigheden die zich op enig moment in het desbetreffende kwartaal hebben voorgedaan, van belang. Dit heeft tot gevolg dat een voorrangsrecht op kinderbijslag in de zin van artikel 79, lid 3 ontstaat met ingang van het kwartaal waarin de werkzaamheden worden verricht.

De artikelen 10 en 10bis Vo. 574/72 bevatten de anticumulatieregels in geval van samenloop van kinderbijslag uit de ene lidstaat op grond van ingezetenschap en een andere lidstaat op grond van werknemers- of zelfstandigenverzekering. Artikel 10bis Vo. 574/72 regelt welke lidstaat over welke periode kinderbijslag moet uitbetalen als er met betrekking tot een en dezelfde verzekerde binnen één kwartaal een wisseling van voorrangsrecht heeft plaatsgevonden. De SVB past dit artikel, behalve voor zover de betreffende lidstaat zich hiertegen uitdrukkelijk verzet, ook toe in de situatie dat een aanvang van werkzaamheden van de partner van de werknemer of zelfstandige de prioriteit doet wisselen. Daarnaast schorst de SVB analoog aan artikel 76, tweede lid Vo. 1408/71 het recht op kinderbijslag krachtens de AKW indien een andere lidstaat bij voorrang kinderbijslag moet uitbetalen, terwijl in die andere lidstaat geen aanvraag is ingediend. Schorsing vindt in de laatstbedoelde situaties evenwel niet plaats indien het niet indienen van een aanvraag in een andere lidstaat niet verwijtbaar is aan de belanghebbende. Van dit laatste kan sprake zijn ingeval de belanghebbende door overmacht niet in staat is een aanvraag in de andere lidstaat in te dienen, of indien de belanghebbende voor het indienen van zo’n aanvraag afhankelijk is van de medewerking van een derde en deze derde niet kan worden gedwongen tot het verlenen van medewerking. De SVB acht laatstbedoelde situatie aanwezig indien sprake is van de beëindiging van een huwelijk of van een gezamenlijke huishouding.

Aanvullend voordeel

De bovenomschreven aanwijsregels en anticumulatiebepalingen hebben in beginsel tot gevolg dat kinderbijslag slechts door de wetgeving van één enkele lidstaat tot uitbetaling kan komen. Het HvJ EG heeft echter bepaald dat toepassing van de bijzondere aanwijsregels of de anticumulatiebepalingen niet tot gevolg kan hebben dat de betrokkene het hoogst mogelijke kinderbijslagbedrag wordt onthouden. Het orgaan van de lidstaat met de hoogste uitkering dient een aanvulling te betalen ten belope van het verschil tussen het bedrag van de eigen kinderbijslag en het bedrag dat de andere lidstaat verschuldigd is. Dit principe is thans opgenomen in de volgende anticumulatiebepalingen: artikel 76, eerste lid, artikel 79, derde lid Vo. 1408/71 en artikel 10 Vo. 574/72.

De hoogte van de aanvulling wordt conform artikel 5 van Besluit nr. 150 van de Administratieve Commissie berekend uiterlijk twaalf maanden nadat is vastgesteld dat recht op kinderbijslag is ontstaan in de andere lidstaat. Daarna wordt het recht op aanvulling om de twaalf maanden opnieuw berekend.

Uit de jurisprudentiesystematiek van het HvJ EG blijkt dat de verplichting van een lidstaat tot het betalenVerordening en van een aanvullend voordeel uitsluitend bestaat indien het pensioen dat, of de uitkering die, uit hoofde van de wetgeving van die lidstaat wordt betaald, uitsluitend op grond van de wetgeving van die lidstaat is verkregenBesluit nr. Deze beperking inF1 leidt de verplichting tot het betalen van een aanvullend voordeel geldt zowel in de situatie waarin het bedrag aan kinderbijslagSVB af dat uit een andere lidstaat wordt ontvangen lager is dan het bedrag aan kinderbijslag uit de eerste lidstaat, als in de situatie waarin het recht op bijslag ingezinsuitkering, ongeacht de andere lidstaat eindigt omdataard van het kind niet meer aan de aldaar geldende voorwaarden voldoet. De SVB leidt dit af uituitkeringsstelsel, moet worden beschouwd als te zijn gebaseerd op ingezetenschap indien een persoon niet onder een van de HvJ EG-arresten Bastos Moriana, Gómez Rodriguezbovengenoemde situaties valt en Martínez Domínguezeen betrokkene evenmin een pensioen ontvangt.

Grondslag

De tekst van de beleidsregels AOW, Anw, AKW, OBR, Remigratiewet, MKOB, Regeling niet-KOB-gerechtigden, TOG, TAS en TNS en de beleidsregels Internationaal is afgesloten naar de stand van de wetgeving op 1 juni 2011. De beleidsregels zijn nog niet aangepast aan31 december 2013 en de inwerkingtredingstand van de EG-Verordeningen 883/2004jurisprudentie op 21 februari 2014. De tekst van de overige delen van de beleidsregels (de delen Awb en 987/2009 per 1 mei 2010Overige onderwerpen) is niet aangepast.

artikel 76, artikel 79, lid 3 Vo68 Verordening (EG) nr. 1408883/71, artikel 10, leden 12004 en 3 en artikel 10bis,Besluit nr. F1 van de Administratieve
aanhef onder a en d Vo. 574/72Commissie

Besluit beleidsregels SVB 20112013

Wet- en regelgeving