Onderwerp: Bezoek-historie

Territoriale werkingssfeer (SB2135)
Geldigheid:17-06-2010 t/m 24-08-2011Versie:vergelijk Status: Niet meer geldig

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Beleidsregel

Het toepassingsgebied van de verordening wordt territoriaal begrensd door artikel 299 EG-Verdrag, dat een opsomming bevat van de lidstaten van de Europese Gemeenschap en van de overige gebieden waarop het verdrag van toepassing is. De toepassing van Vo. 1408/71 is daarom in beginsel slechts aan de orde als een persoon binnen de grenzen van de Europese Gemeenschap woont en werkt. Uit de jurisprudentie van het HvJ EG blijkt echter dat de verordening eveneens van toepassing kan zijn als een persoon onder de personele werkingssfeer valt maar buiten het grondgebied van de Europese Gemeenschap woont of werkt. De SVB voert in dit kader het volgende beleid.

De SVB gaat ervan uit dat titel II van de verordening van toepassing is als een werknemer op het grondgebied van de Gemeenschap woont maar buiten het grondgebied van de Gemeenschap werkt voor een binnen de Gemeenschap gevestigde werkgever. Daarbij ontleent de SVB aan de overwegingen van het HvJ EG in de arresten Prodest en Aldewereld de voorwaarde dat de werknemer onmiddellijk voorafgaand aan de buiten de Gemeenschap verrichte arbeid verzekerd moet zijn in de lidstaat waar zijn werkgever is gevestigd dan wel dat de werknemer op grond van de nationale wetgeving van die lidstaat verzekerd is tijdens de arbeid buiten de Gemeenschap. Indien aan een van deze voorwaarden wordt voldaan gaat de SVB ervan uit dat de wetgeving van de lidstaat van de werkgever als toepasselijk is aangewezen gedurende de periode dat buiten de Gemeenschap arbeid wordt verricht.

De SVB neemt op grond van het arrest Chuck van het HvJ EG van 3 april 2008 aan dat hoofdstuk 3 van titel III van de verordening, betreffende ouderdom en overlijden, alsmede Bijlage VI, onderdeel R, onder 3, betreffende het recht op nabestaandenuitkering, van toepassing is ongeacht de woonplaats van de aanvrager om ouderdomspensioen of nabestaandenuitkering onder de voorwaarde dat de aanvrager onder de personele werkingssfeer van de verordening valt (zie SB 2120). Indien een buiten de Gemeenschap wonende gewezen werknemer of zelfstandige zich tijdens de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheden binnen de Gemeenschap heeft verplaatst, dient zijn ouderdomspensioen of de uitkering ten behoeve van zijn nabestaanden daarom te worden berekend met toepassing van hoofdstuk 3 van titel III. Dit uitgangspunt geldt niet voor de toepassing van hoofdstuk 8 van titel III, betreffende onder meer kinderbijslag voor pensioengerechtigden, en Bijlage VI, onderdeel R, punt 2, onder a tot en met d, betreffende in aanmerking te nemen tijdvakken voor de berekening van een ouderdomspensioen. De daarin vervatte bepalingen zijn blijkens de tekst van de verordening alleen van toepassing als de aanvrager op het grondgebied van de Gemeenschap woont.

Op grond van artikel 126 EER en artikel 24 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen, is met het grondgebied van de Gemeenschap gelijkgesteld het grondgebied van de lidstaten van de EER en Zwitserland.

Grondslag

De tekst is afgesloten naar de stand van de wetgeving op 3 maart 2010.

Besluit beleidsregels SVB 2010

Wet- en regelgeving

Naar boven