Onderwerp: Bezoek-historie

Ernst van de overtreding (SB1321)
Geldigheid:01-11-2017 t/m Versie:vergelijk
Vergelijk versie 2 met:
Status: Geldig vandaag

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Beleidsregel

De ernst van de overtreding komt tot uitdrukking in een percentage van de toepasselijke bijstandsnorm. Dit is de norm bedoeld in artikel 22 Participatiewet. Het percentage van deze norm is hoger naarmate het niet nakomen van de verplichting grotere gevolgen heeft voor het recht op AIO-aanvulling. Ten aanzien van de verplichting tot arbeidsinschakeling geldt dat een schending hiervan ernstiger wordt geacht naarmate dit concretere gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of behouden van betaalde arbeid.

De SVB onderscheidt in dit verband drie categorieën, waarbij de ernst van het niet nakomen van de verplichting het onderscheidend criterium is.

Eerste categorie:

 

  • het zich tijdig laten registreren als werkzoekende bij het UWV;
  • het tijdig laten verlengen van de registratie als werkzoekende bij het UWV;
  • het tijdig reageren op een informatieverzoek van de SVB;

 

Tweede categorie:

 

  • het naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten;
  • het meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a Participatiewet;
  • het meewerken aan een onderzoek van de SVB;
  • het gehoor geven aan een loketoproep;
  • het nakomen van de aanvullende verplichtingen.

 

Derde categorie:

 

  • het nakomen van de verplichtingen bedoeld in artikel 47c, vijfde lid Participatiewet;
  • het nakomen van een met een in artikel 47c, vijfde lid Participatiewet genoemde vergelijkbare verplichting, bijvoorbeeld het naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen in de gemeente van inwoning.

 

Bij het niet nakomen van een van de hiervoor genoemde verplichtingen legt de SVB een maatregel op van:

 

  • vijf procent van de toepasselijke bijstandsnorm gedurende een maand bij een verplichting van de eerste categorie;
  • tien procent van de toepasselijke bijstandsnorm gedurende een maand bij een verplichting van de tweede categorie;
  • honderd procent van de toepasselijke bijstandsnorm gedurende een maand bij een verplichting van de derde categorie.

 

Indien de SVB aan de betrokkene een maatregel heeft opgelegd en hij binnen een jaar na de bekendmaking daarvan opnieuw een soortgelijke verplichting niet of niet behoorlijk nakomt, bedraagt de duur van de maatregel twee maanden. Indien de SVB voor een soortgelijke verplichting een schriftelijke waarschuwing heeft gegeven in plaats van het opleggen van een maatregel geldt een periode van twee jaar na de bekendmaking van de waarschuwing. Bij een derde of volgende schending van een verplichting van de derde categorie binnen een jaar nadat voor het niet nakomen van deze verplichting een maatregel is opgelegd, bedraagt de duur van de maatregel drie maanden.

In geval van een schending van een verplichting van de eerste categorie hanteert de SVB het beleid dat zij geen maatregel oplegt maar een schriftelijke waarschuwing geeft. De SVB legt in deze situatie wel een maatregel op als zij het recht op AIO-aanvulling met toepassing van artikel 54, eerste lid Participatiewet heeft opgeschort of het niet nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van een respectievelijk twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop de SVB eerder een maatregel heeft opgelegd of een schriftelijke waarschuwing heeft gegeven.

Komt de betrokkene een of meer verplichtingen niet na die verband houden met het in voldoende mate beheersen van de Nederlandse taal, dan legt de SVB een maatregel op volgens de regels neergelegd in artikel 18b, vierde, negende, tiende en elfde lid Participatiewet. Het beleid over het opleggen van een maatregel wegens het onvoldoende beheersen van de Nederlandse taal staat in SB1324.

Indien de betrokkene een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond, legt de SVB een maatregel op die per maand tien procent van de toepasselijke bijstandsnorm bedraagt. De SVB berekent de duur van de maatregel door het bedrag dat betrokkene had kunnen aanwenden voor zijn levensonderhoud te delen door anderhalf maal de toepasselijke bijstandsnorm, met een minimum van een maand en een maximum van twaalf maanden. Indien het bedrag van de AIO-aanvulling minder bedraagt dan tien procent van de toepasselijke bijstandsnorm waardoor de maandelijks te effectueren maatregel evenredig minder bedraagt, verlengt de SVB de duur van de maatregel naar evenredigheid. In dat geval beperkt de SVB de duur van de maatregel tot ten hoogste 24 maanden. Bij de berekening van de duur van de maatregel rondt de SVB naar beneden af op hele maanden. Wanneer deze afronding ertoe leidt dat geen maatregel zou worden opgelegd, legt de SVB gedurende één maand een maatregel op.

De Participatiewet geeft geen regels over samenloop van meer dan een maatregelwaardige gedraging, bijvoorbeeld het gelijktijdig niet nakomen van meer dan één van de verplichtingen genoemd in artikel 47c, vijfde lid Participatiewet. De SVB hanteert daarom het beleid dat zij in dat geval volstaat met het opleggen van de zwaarste maatregel. Het kan ook voorkomen dat dezelfde gedraging leidt tot een schending van meer dan een verplichting. Ook in dat geval legt de SVB de zwaarste maatregel op.

Naar boven