Onderwerp: Bezoek-historie

Beëindiging nabestaandenuitkering wegens toegenomen arbeidsgeschiktheid (SB1287)
Geldigheid:07-09-2016 t/m 31-10-2017Versie:vergelijk Vergelijk met versie: 1: 14-05-2014 t/m 14-01-2015  X

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Beleidsregel

Op grond van artikel 16, eerste lid, onderdeel a Anw eindigt het recht op nabestaandenuitkering als de nabestaande niet langer voor ten minste 45% arbeidsongeschikt is (zie SB1018 over arbeidsongeschiktheid). Het tweede lid van artikel 16 Anw schrijft voor dat de nabestaandenuitkering in dat geval eindigt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin deze wijziging zich voordoet. De CRvB heeft in het kader van de arbeidsongeschiktheidswetten meermalen overwogen dat het zorgvuldigheidsbeginsel met zich meebrengt dat, indien een uitkering wordt verlaagd of ingetrokken vanwege toegenomen arbeidsgeschiktheid, een uitlooptermijn in acht moet worden genomen. Deze uitlooptermijn bedraagt in beginsel twee maanden (zie bijvoorbeeld CRvB 21 februari 1992 en 24 juli 1992). Voor personen die buiten Nederland wonen moet een langere termijn in acht genomen worden, omdat de toegankelijkheid van de Nederlandse arbeidsmarkt hierbij een rol speelt (zie bijvoorbeeld CRvB 14 juli 1999 en 19 april 2000). Uit de uitspraak van 15 juli 2011 van de CRvB blijkt dat deze zogenoemde 'aanzegjurisprudentie' ook geldt bij de beëindiging van een nabestaandenuitkering wegens toegenomen arbeidsgeschiktheid.

De SVB hanteert in dit kader het volgende beleid.

Indien de beëindiging van een nabestaandenuitkering uitsluitend het gevolg is van de toegenomen arbeidsgeschiktheid van de nabestaande wijkt de SVB af van het bepaalde in artikel 16, tweede lid Anw en past zij een uitlooptermijn toe. De SVB hanteert voor nabestaanden die in Nederland wonen een uitlooptermijn van twee maanden, voor buiten Nederland wonende EU-onderdanen vier maanden en voor overige in het buitenland wonende nabestaanden zes maanden.

De uitlooptermijn begint op de dag volgend op de dag waarop de SVB het beëindigingsbesluit heeft verzonden. Indien het UWV de nabestaande al voorafgaand aan de verzending van het beëindigingsbesluit schriftelijk heeft geïnformeerd over de eindconclusie van de herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid en de voorgehouden functies waarop die conclusie is gebaseerd, begint de uitlooptermijn op de dag volgend op de dag waarop de nabestaande door het UWV schriftelijk is geïnformeerd.

Rekening houdend met de uitlooptermijnen en artikel 16, tweede lid Anw beëindigt de SVB de nabestaandenuitkering op de eerste dag van de derde, respectievelijk vijfde respectievelijk zevende kalendermaand volgend op de maand waarin de uitlooptermijn is gaan lopen.

De SVB past geen uitlooptermijn toe indien het de nabestaande redelijkerwijs duidelijk kan zijn dat geen recht meer bestaat op een nabestaandenuitkering. Hiervan is in ieder geval sprake als de nabestaande het eigen werk volledig heeft hervat.

Grondslag

De tekst van de beleidsregels AOW, Anw, AKW, OBR, Remigratiewet, MKOB, Regeling niet-KOB-gerechtigden, TOG, TAS en TNS en de beleidsregels Internationaal is afgesloten naar de stand van de wetgeving op 31 december 2013 en de stand van de jurisprudentie op 21 februari 2014. De tekst van de overige delen van de beleidsregels (de delen Awb en Overige onderwerpen) is niet aangepast.

artikel 14, eerste lid, onderdeel b, artikel 16, leden 1 en 2 Anw

Besluit beleidsregels SVB 20132016

Naar boven