Onderwerp: Bezoek-historie

Anw: opening dan wel herleving van het recht op uitkering na beëindiging van een gezamenlijke huishouding (SB1239)
Geldigheid:12-07-2009 t/m 16-06-2010Versie:vergelijk Vergelijk met versie: 5: 31-08-2012 t/m 13-05-2014  X

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Beleidsregel

Omdat het voeren van een gezamenlijke huishouding in de Anw, anders dan in de AOW en andere socialezekerheidswetten, tot gevolg heeft dat geen recht op nabestaandenuitkering ontstaat of een bestaand recht definitief eindigt dan wel wordt verminderd, zijn in artikel 14, vierde lid en artikel 16, derde lid Anw een openings- en een herlevingsbepaling opgenomen. Deze houden in dat degene die een gezamenlijke huishouding voert, gedurende zes maanden na het overlijden van de verzekerde respectievelijk na de intrekking van de nabestaandenuitkering de tijd krijgt om deze gezamenlijke huishouding te beëindigen. Indien de termijn van zes maanden leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard, dan is de SVB bevoegd een langere termijn vast te stellen (artikel 14, vijfde lid 5 en artikel 16, vierde lid 4 Anw).

Na beëindiging van de gezamenlijke huishouding ontstaat het recht op nabestaandenuitkering alsnog, of herleeft het recht op nabestaandenuitkering met ingang van de eerste dag van de maand waarin de gezamenlijke huishouding is beëindigd. Uit jurisprudentie van de CRvB en de Hoge Raad volgt dat de gezamenlijke huishouding alleen kan worden beëindigd doordat een van de partners een andere woning betrekt. Als men de relatie een andere, commerciële, vorm geeft dan staat het in Deel I, Onweerlegbaar rechtsvermoeden, SB1006 beschreven onweerlegbaar rechtsvermoeden eraan in de weg dat de gezamenlijke huishouding als beëindigd wordt beschouwd (CRvB 29 januari 2002 en HR 20 februari 2004). Dit betekent dat, indien de SVB een gezamenlijke huishouding heeft vastgesteld, betrokkenen deze gezamenlijke huishouding uitsluitend kunnen beëindigen door zich apart te huisvesten.

De SVB interpreteert de herlevingsbepaling vervat in artikel 16, derde lid Anw in samenhang met het overgangsrecht Anw (artikel 67, lid 1eerste lid, aanhef) zo, dat artikel 16, derde lid niet van toepassing is als de gezamenlijke huishouding eindigt door het overlijden van de echtgenoot. De nabestaande die voor de aanvang van de gezamenlijke huishouding recht op uitkering ontleent aan het overgangsrecht Anw kan indien een nieuwe echtgenoot overlijdt binnen zes maanden nadat de gezamenlijke huishouding een aanvang heeft genomen, geen recht verkrijgen op herleving van een nabestaandenuitkering verstrekt uit hoofde van het overgangsrecht. Deze nabestaande kan daarentegen in beginsel een nieuw recht op uitkering ontlenen aan de Anw. Deze beleidsregel is bevestigd in jurisprudentie van de CRvB (CRvB 25 april 2003 en CRvB 13 juni 2003).

Indien de uitkering met toepassing van artikel 16 Anw met terugwerkende kracht wordt ingetrokken omdat een gezamenlijke huishouding is vastgesteld, vangt de termijn van een half jaar aan met ingang van de dag na bekendmaking van de primaire beschikking betreffende het voeren van een gezamenlijke huishouding.

Betrokkene dient zich zo spoedig mogelijk na verbreking van de gezamenlijke huishouding en in beginsel vóór het verstrijken van de zesmaandentermijn bij de SVB te melden met het verzoek tot - eventueel hernieuwde - toekenning van een uitkering. De SVB onderzoekt dan of de gezamenlijke huishouding feitelijk is verbroken.

Indien het verzoek wordt ingediend nadat de termijn van zes maanden is verlopen, is het voor de SVB moeilijker om uit directe observatie vast te stellen of de gezamenlijke huishouding tijdig is verbroken. De SVB stelt daarom in die situatie zwaardere eisen aan het door belanghebbende te leveren bewijs betreffende het moment waarop de gezamenlijke huishouding is verbroken. Naarmate meer tijd is verstreken, stelt de SVB zwaardere eisen aan het te leveren bewijs. De SVB is bevoegd af te wijken van de termijn van zes maanden indien toepassing van die termijn leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Van deze bevoegdheid maakt de SVB alleen gebruik indien de individuele omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven. Uit de toelichting van de wetgever op de onderhavige bepalingen blijkt dat bijvoorbeeld kan worden gedacht aan de situatie waarin een van beide partners nieuwe woonruimte heeft gevonden, maar deze pas na de periode van zes maanden kan betrekken.

Grondslag

De tekst van de beleidsregels internationaal is afgesloten naar de stand van de wetgeving en jurisprudentie op 20 april 20091 mei 2012. De wijzigingen die samenhangen met de inwerkingtredingtekst van de vierde trancheoverige delen van de Algemene wet bestuursrecht zijn eveneens verwerktbeleidsregels (het deel AOW, Anw, AKW, Remigratiewet, MKOB, TOG, TAS en TNS, en de delen Awb en Overige onderwerpen) is niet aangepast.

artikel 14, vierde en vijfde lid 4 en artikel 16, derde lid 3en vierde lid Anw

Besluit beleidsregels internationaal SVB 20092012

Naar boven