Onderwerp: Bezoek-historie

Terugvordering van uitkeringen (SB1114)
Geldigheid:21-02-2019 t/m Versie:vergelijk Vergelijk met versie: 3: 12-07-2009 t/m 16-06-2010  X

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Beleidsregel

De SVB is op grond van artikel 24 AOW, artikel 53 Anw, artikel 24 AKW, artikel 22, eerste lid OBR en artikel 6e Remigratiewet verplicht onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen. In artikel 22, tweede lid OBR wordt artikel 24, tweede tot en met zevende lid AOW van overeenkomstige toepassing verklaard bij de toepassing van artikel 22, eerste lid OBR. Om die reden geldt het hiernavolgende het beleid in het kader van de AOW eveneens voor de OBR. Op grond van artikel 58, eerste lid Participatiewet is de SVB eveneens verplicht onverschuldigd betaalde AIO-aanvulling terug te vorderen, indien de terugvordering het gevolg is van het niet nakomen van de mededelingsverplichting bedoeld in artikel 17, eerste lid Participatiewet. Indien de AIO-aanvulling anderszins ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, is de SVB op grond van artikel 58, tweede lid Participatiewet bevoegd om de onverschuldigd betaalde AIO-aanvulling terug te vorderen. De SVB maakt in beginsel gebruik van deze bevoegdheid.

De SVB is op grond van artikel 24 AOW, artikel 53 Anw, artikel 24 AKW en artikel 15 Uitvoeringsbesluit Remigratiewet verplicht onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, is de SVB bevoegd geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering (artikel 24, vijfde lid 4 AOW, artikel 53, vijfde lid 4 Anw, artikel 24, vijfde lid 3 AKWAKW, artikel 58, achtste lid Participatiewet en artikel 156e, derde lid 3 Uitvoeringsbesluit Remigratiewet). Het gebruik van deze bevoegdheid komt slechts aan de orde in zoverrevoor zover de SVB niet reeds in verband met deze zelfde dringende redenen geheel of gedeeltelijk heeft afgezien van intrekking van de uitkering dan wel voorziening, of herziening daarvan ten nadele van de belanghebbende (zie voor het gebruik van deze laatste bevoegdheid Deel I, VerlagingSB1078 over verlaging of intrekking met terugwerkende kracht wegens wijziging van de omstandigheden, SB1078. Voor zover de SVB de uitkering dan wel voorziening niet heeft herzien of ingetrokken, kan immers het bedrag dat in overeenstemming met de toekenningsbeschikking ten onrechte werd betaald reeds om die reden niet worden teruggevorderd.

Een situatie die geen dringende reden oplevert om geheel of gedeeltelijk af te zien van intrekking of herziening van de uitkering, maar wel een dringende reden vormt om geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering, zal zich slechts in een zeer incidenteel geval voordoen. Te denken valt aan een situatie waarin de sociale of financiële omstandigheden van de belanghebbende zich verzetten tegen volledige terugvordering. In het algemeen hanteert de SVB dan echter de door de jurisprudentie ondersteunde lijn dat zij met dergelijke omstandigheden pas rekening wordt gehoudenhoudt bij het besluit inzakeover de wijze van terugbetaling.

Specifiek voor de Remigratiewet geldt dat artikel 156e, vierde lid van het Uitvoeringsbesluit Remigratiewet de SVB verplicht geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering indien de rechthebbende aan al zijn verplichtingen heeft voldaan, en hij in redelijkheid niet heeft kunnen begrijpen dat de voorzieningen ten onrechte of tot een te hoog bedrag zijn verleend. De SVB oordeelt dat de rechthebbende dit redelijkerwijs heeft kunnen begrijpen als het hem, bij normale oplettendheid en gegeven zijn omstandigheden, redelijkerwijs duidelijk kan zijn geweest dat hij iets ontving waarop geen recht bestond. Dit zal in beginsel het geval zijn als dit duidelijk had kunnen zijn op basis van het voorlichtingsmateriaal van de SVB. Hoofdlijnen van de wet worden voorts bekend verondersteld. Bedragen die beduidend afwijken van hetgeen een gerechtigde in zijn omstandigheden zou moeten ontvangen leveren een vermoeden op dat betrokkene bij een normale oplettendheid de teveelbetaling redelijkerwijs had kunnen onderkennen. Betrokkene zal verontschuldigende omstandigheden moeten aanvoeren om dit vermoeden weg te nemen.

Artikel 24 AOW, artikel 53 Anw, artikel 24 AKW, artikel 58 Participatiewet en artikel 15 Uitvoeringsbesluit6e Remigratiewet vinden toepassing als een bedrag dat tijdens het leven van de uitkeringsgerechtigde onverschuldigd is betaald wordt teruggevorderd:

  • van de uitkeringsgerechtigde zelf, dan wel van een andere in deze artikelen genoemde persoon of instelling;
  • na het overlijden van de uitkeringsgerechtigde: van de erfgenamen van de uitkeringsgerechtigde of van diens partner.

De SVB vordert bedragen die zijn doorbetaald na het overlijden van de AOW-gerechtigde terug van de erfgenaam in wiens vermogen de onverschuldigde betalingen zijn gevallen.

Indien artikel 24 AOW, artikel 53 Anw, artikel 24 AKW, artikel 58 Participatiewet en artikel 15 Uitvoeringsbesluit6e Remigratiewet niet van toepassing zijn, kan de SVB onverschuldigd betaalde bedragen terugvorderen op grond van artikel 6:203 van het Burgerlijk Wetboek (zie Civielrechtelijke terugvordering, SB1249SB1249 over civielrechtelijke terugvordering) .

Grondslag

De tekst is afgesloten naar de stand van de wetgeving op 20 april 2009. De wijzigingen die samenhangen met de inwerkingtreding van de vierde tranche van de Algemene wet bestuursrecht zijn eveneens verwerkt.

artikel 24 AOW, artikel 53 Anw, artikel 24 AKW, artikel 58 Participatiewet, artikel 22 OBR en artikel 15 Uitvoeringsbesluit6e
Remigratiewet

Besluit beleidsregelsWijzigingsbesluit Beleidsregels SVB 2009februari 2019

Naar boven