Onderwerp: Bezoek-historie

Het opleggen van een maatregel en het geven van een schriftelijke waarschuwing (SB1102)
Geldigheid:07-09-2016 t/m Versie:vergelijk Status: Geldig vandaag

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Beleidsregel

Het hierna volgende beleid over het opleggen van een maatregel en het geven van een schriftelijke waarschuwing heeft betrekking op de AOW, Anw, AKW, OBR en Remigratiewet. Het beleid dat ziet op de Participatiewet staat in SB1315.

De SVB is onder meer verplicht de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk te weigeren als de door de SVB vastgestelde controlevoorschriften niet of niet behoorlijk worden nageleefd of als degene op wie een mededelingsverplichting rust, na een verzoek om informatie van de SVB, de gevraagde informatie niet binnen de gestelde termijn verstrekt. De SVB dient een dergelijke maatregel ook toe te passen als de betrokkene de identificatieverplichting van artikel 55, tweede lid, van de Wet SUWI niet is nagekomen, of als hij weigert zich aan een in de Anw voorzien geneeskundig onderzoek te onderwerpen.

Ook op grond van artikel 17, eerste lid OBR is de SVB onder meer verplicht een maatregel op te leggen als de door de SVB vastgestelde controlevoorschriften niet of niet behoorlijk worden nageleefd of als degene op wie een mededelingsverplichting rust, na een verzoek om informatie van de SVB, de gevraagde informatie niet binnen de gestelde termijn verstrekt. Daarnaast moet de SVB een maatregel opleggen als degene op wie een mededelingsverplichting rust feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk kan zijn dat die van invloed kunnen zijn op de overbruggingsuitkering, niet onverwijld spontaan aan de SVB meldt. In het tweede lid van artikel 17 OBR zijn artikel 17b, tweede, derde, vierde en zesde lid AOW en het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten van overeenkomstige toepassing verklaard. Om die reden geldt het hiernavolgende beleid in het kader van de AOW eveneens voor de OBR.

Met ingang van 1 juli 2014 is de SVB op grond van artikel 6aa Remigratiewet eveneens verplicht een maatregel op te leggen als de door de SVB vastgestelde controlevoorschriften niet of niet behoorlijk worden nageleefd of als degene op wie een mededelingsverplichting rust, na een verzoek om informatie van de SVB, de gevraagde informatie niet binnen de gestelde termijn verstrekt. De SVB legt uitsluitend een maatregel op voor overtredingen die op of na 1 juli 2014 zijn begaan. Het hierna volgende beleid geldt eveneens voor de Remigratiewet.

Indien de mededelingsverplichting niet binnen de in het verzoek gestelde termijn wordt nagekomen, kan de SVB op grond van en onder de voorwaarden genoemd in artikel 17b, derde lid AOW, artikel 38, derde lid Anw, artikel 17, derde lid 3 AKW en artikel 6aa, derde lid Remigratiewet volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing. De SVB volstaat niet met het geven van een waarschuwing, indien zij al een schorsingsbeslissing heeft genomen.

De SVB legt geen maatregel op als het pensioen, de uitkering of de kinderbijslag is beëindigd en niet kan herleven.

In het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten worden nadere regels gegeven voor het bepalen van de hoogte en de duur van een maatregel. De SVB geeft aan dit besluit de volgende invulling.

Een schending van de in de AOW, de Anw, de AKW en de Remigratiewet opgenomen verplichtingen doet zich uitsluitend voor op het moment waarop de termijn verloopt waarbinnen aan de verplichting moet zijn voldaan of op het tijdstip waarop de belanghebbende zijn medewerking weigert. Door het eenmalige karakter van deze schending is er geen sprake van een zogenoemde duurovertreding. Gelet hierop legt de SVB alleen maatregelen op voor de minimale duur genoemd in artikel 2, eerste lid, onder a of artikel 2, eerste lid, onder b van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten.

De hoogte van de maatregel moet worden afgestemd op de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid. De mate waarin de gedraging aan de belanghebbende kan worden verweten, beoordeelt de SVB aan de hand van de regels die zijn beschreven in SB1244 over het bepalen van de mate van verwijtbaarheid. Deze regels gaan ook over opzet en grove schuld. Deze begrippen spelen echter geen rol bij het opleggen van een maatregel. Daarom maakt de SVB geen onderscheid tussen opzet, grove schuld of verwijtbaarheid als zij een maatregel oplegt.

Bij het bepalen van de hoogte van de maatregel hanteert de SVB het volgende beleid. Bij het niet tijdig of niet behoorlijk nakomen van een verplichting van de eerste categorie, bedraagt de hoogte van de maatregel 5% van het uitkeringsbedrag bedoeld in artikel 2 van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten met het in dat besluit voorgeschreven minimum van € 25,-. Indien verminderde verwijtbaarheid daartoe aanleiding geeft, bedraagt het percentage 2%, met het minimum van € 25,-.

Bij het niet tijdig of behoorlijk nakomen van een verplichting van de tweede categorie bedraagt de hoogte van de maatregel 10% van het uitkeringsbedrag bedoeld in artikel 2 van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten, met het minimum van € 25,-. Indien verminderde verwijtbaarheid daartoe aanleiding geeft, legt de SVB een maatregel op van 5%, met het minimum van € 25,-.

Indien aan de belanghebbende een maatregel is opgelegd en binnen twee jaar na de bekendmaking daarvan opnieuw een soortgelijke verplichting niet of niet behoorlijk wordt nagekomen wordt het percentage van de op te leggen maatregel met 50% verhoogd, nadat rekening is gehouden met de mate van verwijtbaarheid. De SVB onderscheidt drie soorten verplichtingen:

  • het tijdig voldoen aan een verzoek om informatie van de SVB;
  • de verplichtingen van de tweede categorie, zoals bedoeld in artikel 4 van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten;
  • het naleven van de controlevoorschriften, voor zover deze verplichting niet valt onder de voorgaande twee soorten verplichtingen.

De SVB effectueert de maatregel door het bedrag in mindering te brengen op de eerstvolgende termijn of termijnen van het pensioen, de uitkering, de kinderbijslag of de remigratievoorzieningen. Indien er gedurende vijf jaar geen recht op (uitbetaling van) het pensioen, de uitkering of de kinderbijslag bestaat, vervalt de maatregel. De reden hiervoor is dat de SVB het dossier na vijf jaar afsluit als geen recht meer bestaat op pensioen, uitkering of kinderbijslag. De SVB leidt voorts uit de wetsgeschiedenis af dat een reeds opgelegde maatregel vervalt als het recht op pensioen, uitkering of kinderbijslag eindigt en niet kan herleven.

De SVB hanteert als beleid dat een belanghebbende tijdig een verplichting is nagekomen als de informatie die moet worden verstrekt uiterlijk op de laatste dag van de termijn door de SVB is ontvangen (ontvangsttheorie).

Grondslag

artikel 17b AOW, artikel 38 Anw, artikel 17 AKW, artikel 17 OBR, artikel 6aa  Remigratiewet en het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten

Besluit beleidsregels SVB 2016

Naar boven