Onderwerp: Bezoek-historie

Overlijdensuitkering (SB1092)
Geldigheid:07-09-2016 t/m Versie:vergelijk Status: Geldig vandaag

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Beleidsregel

Na overlijden van een AOW- of Anw-gerechtigde, betaalt het pensioen of de uitkering vanaf de dag na het overlijden in de vorm van een overlijdensuitkering uit aan de door de wet aangewezen rechthebbende(n). De uitkering die aan de gerechtigde zelf is uitbetaald over een tijdvak gelegen na de dag van zijn overlijden verrekent de SVB met de overlijdensuitkering.

Op grond van artikel 45, vijfde lid Participatiewet betaalt de SVB na overlijden van een rechthebbende op een AIO-aanvulling, de AIO-aanvulling vanaf de dag na het overlijden tot en met een maand na de dag van overlijden in de vorm van een overlijdensuitkering uit aan de door de wet aangewezen rechthebbende(n), mits voor de rechthebbende(n) door het overlijden geen recht meer bestaat op een AIO-aanvulling of deze naar een lagere norm zou worden verleend.

Indien rechthebbenden op de overlijdensuitkering niet bij de SVB bekend zijn, verricht de SVB een onderzoek door een verzoek om informatie te zenden naar het laatstbekende huis- of correspondentie-adres van de overledene.

De SVB betaalt de overlijdensuitkering vervolgens belastingvrij en zo mogelijk in een bedrag ineens uit aan degenen die daar op basis van de betreffende bepalingen voor in aanmerking komen. De overlijdensuitkering wordt berekend aan de hand van de op het moment van overlijden geldende pensioen- en uitkeringsbedragen. Er wordt geen rekening gehouden met eventuele wijzigingen van deze bedragen die na de datum van overlijden zijn doorgevoerd. Na de dag van overlijden van een AIO-gerechtigde betaalt de SVB de AIO-aanvulling in de vorm van een overlijdensuitkering op basis van de norm die van toepassing is op het moment van overlijden. De SVB leidt uit de wetsgeschiedenis af dat hierop de middelen van de rechthebbende(n) op overlijdensuitkering in mindering moeten worden gebracht.

Met betrekking tot remigratievoorzieningen geldt het onderscheid tussen de nalatenschap en een overlijdensuitkering niet. Artikel 8, eerste tot en met derde lid, van het Remigratiebesluit bepaalt dat het recht op remigratievoorzieningen vervalt, dan wel wordt omgezet, met ingang van de eerste dag van de tweede maand na het overlijden van de rechthebbende. Het vierde lid van dit artikel bepaalt dat de na het overlijden nog verschuldigde voorzieningen worden uitbetaald aan achtereenvolgens de partner van de remigrant, de kinderen van de remigrant, dan wel personen die hiervoor naar het oordeel van de SVB op billijkheidsoverwegingen in aanmerking komen en die binnen zes maanden na het overlijden een hiertoe strekkende aanvraag hebben ingediend. De SVB gaat ervan uit dat deze bepaling mede betrekking heeft op voorzieningen waarop voor het overlijden van de rechthebbende aanspraak is ontstaan, maar die nog niet tot uitbetaling zijn gekomen. Als personen die op billijkheidsoverwegingen voor uitbetaling van de nog verschuldigde voorzieningen in aanmerking komen beschouwt de SVB in de eerste plaats personen met wie de overledene in gezinsverband leefde. Zijn dergelijke personen niet aan te wijzen, dan kan de persoon in aanmerking komen die geheel of gedeeltelijk de kosten van de laatste ziekte of de uitvaart van de overledene heeft bekostigd, dan wel anderszins financiële verplichtingen van de overledene op zich heeft genomen of in diens levensonderhoud heeft voorzien. Deze laatste categorie van personen kan ook voor uitbetaling van de nog verschuldigde voorzieningen als bedoeld in artikel 9, lid 2, Remigratiebesluit in aanmerking komen.

Grondslag

artikel 18 AOW, artikel 51 Anw en artikel 8, Remigratiebesluit

Besluit beleidsregels SVB 2016

Naar boven