Onderwerp: Bezoek-historie

Betaling aan een derde (SB1085)
Geldigheid:03-06-2007 t/m 14-06-2008Versie:vergelijk Status: Niet meer geldig

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Beleidsregel

Op basis van een machtiging van de gerechtigde kan de uitkering worden overgemaakt op een bank- of girorekening van een ander dan van hemzelf.

Bij beslagleggingen en bij machtigingen tot betaling van een deel van de uitkering aan een ander uitvoeringsorgaan is gesplitste betaling van de uitkering mogelijk. De SVB heeft echter het beleid dat machtigingen om een deel van een uitkering aan een andersoortige derde te betalen niet worden gehonoreerd. Hetzelfde geldt met betrekking tot cessie-constructies waarmee deurwaarders soms trachten een deelbetaling van een pensioen of uitkering te verkrijgen. In geval van cessie of van machtiging tot uitbetaling aan een andere persoon of instelling geeft de SVB hieraan alleen gevolg indien het de betaling van de gehele uitkering (inclusief de eventuele toeslag en de vakantie-uitkering) betreft. De SVB baseert deze beleidslijn op het uitgangspunt dat de administratie van de SVB niet onnodig mag worden verzwaard bij de betaling van uitkeringen en pensioenen.

Op basis van artikel 26, tweede lid AOW kan een machtiging tot uitbetaling van het pensioen aan een ander door de gerechtigde worden ingetrokken. Aan deze intrekking zal gehoor worden gegeven met ingang van de in artikel 19, vierde lid AOW bepaalde maand. In de Anw en de Remigratiewet is niet expliciet de mogelijkheid tot verlening dan wel intrekking van een machtiging tot betaling aan een ander dan de rechthebbende opgenomen. Ook in dit geval gaat de SVB er echter van uit dat een machtiging kan worden verleend en ingetrokken.

Ook een kinderbijslaggerechtigde kan de SVB machtigen de hem toekomende kinderbijslag aan een ander dan hemzelf over te maken. Ook een dergelijke machtiging kan weer door de gerechtigde worden ingetrokken (artikel 23, tweede lid AKW). Indien recht op kinderbijslag voor meerdere kinderen bestaat, kan de betaling voor elk der kinderen apart worden verricht.

Van de bevoegdheid van artikel 49, eerste lid Anw en artikel 21 AKW maakt de SVB bijvoorbeeld gebruik indien blijkt - na een zorgvuldig onderzoek naar aanleiding van een extern signaal, eventueel na het horen van de raad voor de kinderbescherming -, dat de wezenuitkering of de kinderbijslag evident niet ten goede komt aan het kind ten behoeve waarvan de kinderbijslag of waaraan de wezenuitkering is toegekend.

Indien de gerechtigde handelingsonbekwaam is of onder bewind is gesteld wordt de betaling op grond van het BW aan de curator of bewindvoerder gedaan.

Naar boven