Onderwerp: Bezoek-historie

Bijzonder geval (SB1071)
Geldigheid:07-09-2016 t/m Versie:vergelijk Status: Geldig vandaag

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Beleidsregel

Volgens het beleid van de SVB is er sprake van een bijzonder geval:

  • indien de belanghebbende door een niet aan hem toe te rekenen oorzaak niet in staat was tijdig een aanvraag in te dienen of te laten indienen;
  • indien de belanghebbende onbekend was met zijn mogelijke recht op pensioen of uitkering én deze onbekendheid verschoonbaar was.

Dit beleid is in de jurisprudentie aanvaard (zie onder andere de uitspraken van de CRvB van 13 maart 1984, 30 januari 1991 en 29 april 1993).

Op grond van dit beleid wordt in elk voorkomend geval aan de hand van de individuele feiten en omstandigheden bezien of het geval als bijzonder kan worden aangemerkt. Beoordeeld wordt of het complex van omstandigheden in onderlinge samenhang een bijzonder geval oplevert.

De volgende - niet limitatief opgesomde - gevallen kunnen zich voordoen:

  • De aanvraag is te laat ingediend omdat de aanvrager als gevolg van een geestelijke stoornis of een zware lichamelijke handicap niet in staat was tijdig een aanvraag in te dienen (zie bijvoorbeeld CRvB 6 oktober 1992). In deze situatie wordt echter geen bijzonder geval aangenomen indien van betrokkene redelijkerwijs gevergd mocht worden dat hij zich liet vertegenwoordigen.
  • De te late aanvraag is een aantoonbaar gevolg van onjuiste en/of onvolledige voorlichting door een publiekrechtelijk orgaan en betrokkene had redelijkerwijs niet aan die voorlichting hoeven twijfelen (zie CRvB 14 juni 1960 en 10 mei 1989).
  • De te late aanvraag is een gevolg van onbekendheid met rechten, welke voortvloeien uit verdragsbepalingen of uit bijzondere nationale bepalingen (CRvB 15 november 1995). Hoofdregel is, dat onbekendheid met de wet of een internationale regeling niet zonder meer leidt tot het aannemen van een bijzonder geval, tenzij blijkt van een bijkomende omstandigheid op grond waarvan betrokkene niet op de hoogte kon zijn van zijn wettelijke rechten (zie hiervoor bijvoorbeeld CRvB 27 september 1983).

Het uitgangspunt hierbij is dat iedereen weet dat hij als hij de pensioengerechtigde leeftijd als bedoeld in artikel 7a AOW bereikt of als zijn echtgenoot overlijdt, waarschijnlijk een pensioen- of uitkeringsrecht geldend kan maken. Gebeurt dit in Nederland, dan zullen uitvoeringsorganen wijzen op eventuele rechten in andere lidstaten van de EU of verdragslanden. Dient men in een ander land een aanvraag in, dan zullen de uitvoeringsorganen in dat land attenderen op het bestaan van eventuele rechten in Nederland. Dit laatste hoeft echter niet altijd het geval te zijn omdat:

  • iemand na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd doorgaat met werken;
  • een buitenlands pensioen kan ingaan vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd;
  • iemand in het buitenland geen recht heeft op een uitkering.

Deze concrete situaties kunnen volgens de jurisprudentie een bijkomende omstandigheid vormen, waardoor onbekendheid met rechten kan worden geëxcuseerd. Er kan dan sprake zijn van een bijzonder geval.

  • De wetgever heeft nationale bepalingen niet tijdig in overeenstemming gebracht met internationale, rechtstreeks werkende bepalingen. De hoogste bevoegde rechter acht op een zeker moment strijdigheid met een dergelijke internationale bepaling aanwezig. Voorwaarde is dat de betrokkene naar aanleiding van zo'n omslag in jurisprudentie, die voldoende bekend is gemaakt, een aanvraag heeft ingediend. Indien niet binnen één jaar na de bekendmaking van de jurisprudentie een aanvraag wordt ingediend, is er geen sprake van een bijzonder geval, omdat algemeen bekend is geworden dat die aanspraken (kunnen) bestaan. Voor de termijn van één jaar is aansluiting gezocht bij de in de wet gehanteerde termijnen.

De SVB leidt voorts uit de jurisprudentie af dat de volgende situaties geen bijzonder geval opleveren:

  • een fout van de belangenbehartiger van de betrokkene (CRvB 17 november 1965 en 25 mei 1966);
  • onvoldoende activiteit van de betrokkene (CRvB 16 november 1966 en 27 september 1967);
  • het niet-aangetekend verzenden van stukken door de betrokkene;
  • onvoldoende oplettendheid van de betrokkene;
  • enkele onbekendheid met de wettelijke bepalingen (CRvB 9 januari 1963 en 27 september 1983);
  • een noodgedwongen verblijf in het buitenland;
  • niet kunnen lezen en schrijven, terwijl men over voldoende hulp kan beschikken;
  • niet op de hoogte zijn van gepubliceerde beleidswijzigingen en voldoende bekend geworden jurisprudentie vormt na verloop van een bepaalde termijn - in het algemeen een jaar - geen verschoonbare onbekendheid en derhalve geen bijzonder geval (CRvB 12 november 1993 en 29 april 1993).

Naar boven