Onderwerp: Bezoek-historie

Inkomenstoets, herleiding naar maandinkomen (SB1049)
Geldigheid:03-06-2007 t/m 14-06-2008Versie:vergelijk Vergelijk met versie: 4: 17-06-2010 t/m 24-08-2011  X

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Beleidsregel

De AOW-pensioengerechtigde wiens (huwelijks)partner jonger is dan 65 jaar, heeft mogelijkerwijs recht op een toeslag. De volledige toeslag op het AOW-pensioen voor een pensioengerechtigde met een jongere partner wordt toegekend zolang het inkomen van de partner nihil is. Als de partner inkomen uit of in verband met arbeid verwerft, wordt dit inkomen geheel of gedeeltelijk op de toeslag in mindering gebracht.

Volgens artikel 10, vierde lid AOW worden nadere regels gesteld met betrekking tot de vaststelling van het inkomen. Dit is gebeurd in het Inkomensbesluit AOW 1996.

De hoogte van de nabestaandenuitkering is eveneens inkomensafhankelijk. Inkomsten van de Anw-gerechtigde worden geheel of gedeeltelijk op de nabestaandenuitkering in mindering gebracht. Volgens artikel 10, tweede lid Anw worden nadere regels gesteld met betrekking tot de vaststelling van het inkomen, alsmede de periode waarop de vaststelling betrekking heeft. Dit is gebeurd in het Inkomens- en samenloopbesluit Anw.

Uitgangspunt in AOW en Anw is, dat het door de partner of de Anw-gerechtigde in een bepaalde maand verworven inkomen op de toeslag of de nabestaandenuitkering over die maand in mindering wordt gebracht. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen inkomen uit arbeid en inkomen in verband met arbeid. Van het inkomen uit arbeid wordt een deel vrijgelaten. Het inkomen in verband met arbeid wordt geheel gekort op de toeslag of de nabestaandenuitkering. Voor personen die ten tijde van de inwerkingtreding van de Algemene nabestaandenwet een weduwenpensioen op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet ontvingen geldt een deels afwijkende regeling, die is opgenomen in artikel 67 Anw.

Als inkomen uit arbeid wordt ingevolge de beide inkomensbesluiten aangemerkt het loon in de zin van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv). Het beleid van de SVB is om bij de vaststelling van inkomen in verband met arbeid eveneens aan te sluiten bij de bepalingen van de Wfsv.

De SVB hanteert het beleid dat ook als inkomen in verband met arbeid wordt aangemerkt een uitkering waarop recht bestaat maar die niet aangevraagd wordt of in ontvangst wordt genomen. De reden voor dit beleid is dat wordt vermeden dat belanghebbenden een hogere uitkering op grond van de AOW of Anw kunnen krijgen door het niet in ontvangst nemen van andere inkomensaanspraken. Dit acht de SVB in strijd met de hiërarchie van inkomensbronnen die in de inkomensafhankelijkheid van de AOW-toeslag en de Anw-uitkering besloten ligt.

Artikel 8, eerste lid van de inkomensbesluiten schrijft voor dat het inkomen dient te worden bepaald op het tot een bedrag per maand herleide inkomen dat wordt verworven in de maand waarover recht op uitkering bestaat. Indien dit voorschrift leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat, geven artikel 10 van het Inkomensbesluit AOW 1996 en artikel 13 van het Inkomens- en samenloopbesluit Anw de SVB de bevoegdheid het inkomen op andere wijze te bepalen. Ten aanzien van deze bepalingen voert de SVB het volgende beleid:

  • Vast inkomen dat met een periodiciteit van een maand tot uitbetaling komt, wordt toegerekend aan de maand waarin het wordt genoten. Op deze wijze wordt aangesloten bij de systematiek van de AOW en Anw en de beide inkomensbesluiten, waarin wordt uitgegaan van een uitbetaling van de AOW-toeslag dan wel de nabestaandenuitkering per maand en van bepaling en verrekening van het inkomen per maand.
  • In geval van periodiek loon dat met een andere periodiciteit dan eens per maand wordt betaald, of ingeval het loon afhankelijk is van het aantal werkdagen, wordt het inkomen herleid tot een inkomen per maand.
  • Winst uit onderneming wordt geacht gelijkelijk over het boek- of kalenderjaar te zijn genoten.
  • Incidentele uitkeringenbetalingen zoals overwerkvergoedingen, winstdelingsuitkeringen en eindejaarsuitkeringen, worden conform de standaardsystematiek van artikel 16 Wfsv juncto artikel 13a Wet op de loonbelasting 1964 toegerekend aan het tijdstip waarop ze worden genoten. Dit leidt er over het algemeen toe dat een incidentele uitkering in mindering wordt gebracht in de maand waarin deze wordt uitbetaald. Uit een uitspraak van de CRvB van 15 november 2002 volgt echter dat deze regel kan leiden tot een kennelijk onredelijk resultaat ingeval een incidentele uitkering door - maandelijkse - opbouw tot stand is gekomen en deze uitkering geheel of gedeeltelijk is opgebouwd vóór het moment waarop recht op nabestaandenuitkering of ouderdomspensioen is ontstaan. In een dergelijk geval geeft de SVB toepassing aan artikel 10 van het Inkomensbesluit AOW dan wel artikel 13 van het Inkomens- en samenloopbesluit Anw en neemt het gedeelte van de incidentele uitkering dat is opgebouwd voordat recht op de nabestaandenuitkering of AOW-pensioen is ontstaan, niet in aanmerking als in mindering te brengen inkomen.
  • Ingeval recht op een uitkering bestaat, rekent de SVB bij nabetalingen de bedragen toe aan de uitkeringstermijnen waarover recht bestaat. In het geval van een eenmalige betaling van aanvullend pensioen die voortvloeit uit een indexering door een pensioenfonds neemt de SVB deze betaling geheel in aanmerking in de maand van uitbetaling.

Op grond van artikel 8, derde lid van beide inkomensbesluiten heeft de SVB de bevoegdheid om bij per maand wisselende inkomsten op basis van een geschat inkomen een gemiddeld inkomen te bepalen, op basis waarvan de AOW-toeslag of de nabestaandenuitkering kan worden vastgesteld. In dat geval dient ieder half jaar een herberekening plaats te vinden op basis van het reëel genoten inkomen.

Bij wisselende inkomsten vraagt de SVB de betrokkene zelf een schatting te maken van het te verwachten inkomen per maand. Periodiek onderzoekt de SVB het werkelijk genoten inkomen. Als dit inkomen gedurende de volledige periode, of gedurende een deel daarvan, heeft gelegen binnen de grenzen waartussen een gekorte toeslag of nabestaandenuitkering wordt verleend, wordt het recht over de betreffende periode vastgesteld met behulp van het gemiddelde inkomen per maand in deze periode. Voor zover het inkomen buiten deze grenzen heeft gelegen wordt de hoogte van het recht vastgesteld op basis van het feitelijk in de betreffende maand genoten inkomen. In totaal ontvangt betrokkene dan een even groot bedrag aan toeslag of nabestaandenuitkering als hij zou ontvangen bij vaststelling per maand op basis van het feitelijk genoten inkomen.

Artikel 10 van het Inkomensbesluit AOW 1996 en artikel 13 van het Inkomensbesluit Anw geven de SVB de bevoegdheid af te wijken van de voorgeschreven wijze van inkomensvaststelling indien deze tot een kennelijk onredelijk resultaat leidt.

Met betrekking tot de AOW heeft de SVB het volgende beleid vastgesteld. Voor een kleine groep AOW-gerechtigden met een wegens inkomen gekorte toeslag valt het gezinsinkomen lager uit dan het gezinsinkomen van AOW-gerechtigden van wie het gezinsinkomen bestaat uit AOW-pensioen met een volledige toeslag. De verklaring hiervoor is dat voor de Nederlandse loonheffing verschillende tarieven gelden voor personen ouder en jonger dan 65 jaar. In een dergelijke situatie hanteert de SVB het beleid dat artikel 10 van het Inkomensbesluit AOW 1996 toegepast wordt als de Nederlandse loonheffing tot resultaat heeft dat het netto inkomen van de AOW-gerechtigde en zijn partner lager uitvalt dan het netto AOW-pensioen met volledige toeslag. De SVB verlaagt in dat geval het inkomen in verband met arbeid van de partner zodanig, dat het netto gezinsinkomen van de AOW-gerechtigde even hoog is als het netto AOW-pensioen met volledige toeslag. De SVB beoordeelt zoveel mogelijk zelf wanneer artikel 10 van het Inkomensbesluit toepassing verdient. Zij doet dit aan de hand van de door de AOW-gerechtigde aangeleverde gegevens over zijn inkomen en dat van zijn partner.

Aangezien deze problematiek niet speelt voor Anw-gerechtigden, is het hierboven weergegeven beleid slechts van toepassing op de AOW.

Artikel 13 van het Inkomens- en samenloopbesluit Anw wordt door de SVB toegepast ten aanzien van nabestaanden van personen die als Belgisch grensarbeider in Nederland hebben gewerkt, voor zover deze nabestaanden voor de jaren van arbeid in Nederland van Belgische zijde een aanvulling ontvangen op het Belgische overlevingspensioen. Om een spiraalwerking van een steeds hoger wordende aanvulling uit België en een steeds groter wordende korting op de Nederlandse nabestaandenuitkering te voorkomen wordt de Belgische aanvulling niet als inkomen in de zin van het Inkomens- en samenloopbesluit Anw beschouwd.

Krachtens de artikelen 3, tweede lid, onder a, en de artikelen 7, tweede lid, onder e, van het Inkomensbesluit AOW 1996 en het Inkomens- en samenloopbesluit Anw (artikelen niet opgenomen in deze bundel) worden vakantiebonnen niet als inkomen uit of in verband met arbeid aangemerkt. Een vakantiebon wordt aan sommige werknemers en uitkeringsgerechtigden verstrekt en vervangt de vakantie-uitkering waarop de meeste werknemers of uitkeringsgerechtigden aanspraak kunnen maken. In sommige situaties vervangt de vakantiebon eveneens de loondoorbetaling tijdens verlof. Op het moment dat een vakantiebon wordt verzilverd wordt het daardoor verkregen inkomen door de SVB als inkomen in de zin van het Inkomensbesluit AOW 1996 en het Inkomens- en samenloopbesluit Anw aangemerkt. De SVB hanteert daarbij ingevolge artikel 10 van het Inkomensbesluit AOW 1996 en artikel 13 van het Inkomens- en samenloopbesluit Anw als beleid dat slechts het gedeelte van de vakantiebon dat bedoeld is als loondoorbetaling tijdens verlof in aanmerking wordt genomen als inkomen. Het gedeelte van de vakantiebon dat bedoeld is als vakantie-uitkering wordt derhalve niet in mindering gebracht op de uitkering. Dit beleid hanteert de SVB eveneens bij reserveringen van loon voor vakantie- en verlofperioden bij uitzendkrachten.

Op 21 juni 2000 heeft de CRvB uitgesproken dat uit de artikelen 8 en 10 AOW voortvloeit dat het Inkomensbesluit AOW er niet toe kan leiden dat inkomen op de toeslag in mindering wordt gebracht, als dit inkomen niet direct is gerelateerd aan arbeid. Voorts heeft de CRvB in uitspraken van 5 juli 2000 en 28 februari 2001 bepaald dat een buitenlandse wettelijke ouderdomsverzekering naar aard en strekking niet overeenkomt met een aanvullend ouderdomspensioen zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c van het Inkomensbesluit AOW 1996. Uit de genoemde uitspraken van de CRvB leidt de SVB af dat in het kader van de AOW in ieder geval niet als inkomen in mindering mogen worden gebracht:

  • studiebeurzen;
  • uitkeringen op grond van de Anw;
  • niet op arbeid gebaseerde uitkeringen aan oorlogsslachtoffersbuitenlandse wettelijke uitkeringen;
  • niet op arbeid gebaseerde buitenlandse wettelijke uitkeringen;
  • buitenlandse wettelijke (vervroegde) ouderdomsuitkeringen ongeacht of de uitkering op arbeid is gebaseerd.

In het kader van de Anw brengt de SVB niet als inkomen in mindering:

  • studiebeurzen;
  • buitenlandse wettelijke uitkeringen, tenzij deze naar aard en strekking overeenkomen met een loondervingsuitkering of een bedrijfsbeëindigingsvergoeding als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c en d van het Inkomens- en samenloopbesluit Anw.

Met betrekking tot de omrekening van in buitenlandse valuta uitgedrukt inkomen en koerswijzigingen wordt verwezen naar het in Deel I, § 2.4.3.4 beschreven beleidOntheffing van de verplichte verzekering, SB1038.

Grondslag

Deze Beleidsregels zijn gebaseerd opDe tekst is afgesloten naar de volgende wetsartikelen, zoals die luiddenstand van de wetgeving op 4 april 20073 maart 2010.

artikel 8 AOW, artikel 3, lid 1, artikel 8 en artikel 10 Inkomensbesluit AOW 1996,
artikel 10, artikel 18, artikel 19, artikel 67, lid 1, aanhef en onder b en c en lid 2 Anw,
artikel 3,
lid 1, artikel 8 en artikel 13 Inkomensbesluit Anw

Besluit beleidsregels SVB 20072010