Onderwerp: Bezoek-historie

Voortzetting van het recht op kinderbijslag (SB1040)
Geldigheid:07-09-2016 t/m Versie:vergelijk Status: Geldig vandaag

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Beleidsregel

Tot 1 januari 2000 konden personen met langlopende socialezekerheidsuitkeringen verplicht verzekerd zijn voor de volksverzekeringen ingevolge de achtereenvolgende besluiten uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen. De verzekeringspositie van deze personen was laatstelijk geregeld in artikel 26 van KB 746. Met ingang van 1 januari 2000 is die bepaling komen te vervallen en geldt als hoofdregel dat personen met langlopende socialezekerheidsuitkeringen niet verzekerd zijn voor de volksverzekeringen indien zij in het buitenland wonen. De wetgever heeft een uitzondering gemaakt voor personen die vóór 1 januari 2000 verzekerd waren ingevolge artikel 26 en op die grond recht op kinderbijslag hadden. Deze uitzondering was vervat in artikel 27 van KB 746. Sedert 1 januari 2006 is deze overgangsregel voortgezet in artikel 7c AKW, welke materieel gelijk is aan artikel 27 van KB 746. Met deze bepalingen wordt de volgende rechtssituatie verwoord. Teneinde vanaf 1 januari 2000 recht te hebben op kinderbijslag dient de persoon genoemd in artikel 7c AKW op 31 december 1999 verzekerd te zijn geweest ingevolge artikel 26 én dient hij in het vierde kwartaal van 1999 recht te hebben gehad op kinderbijslag voor een kind dat jonger was dan 18 jaar. Aan deze voorwaarde is voldaan indien een persoon in genoemd kwartaal voldeed aan de materiële voorwaarden die gelden voor het recht op kinderbijslag. Het is niet vereist dat aan deze persoon op basis van een aanvraag daadwerkelijk kinderbijslag is toegekend over het vierde kwartaal van 1999. Dit blijkt uit een arrest van de HR van 8 april 2011. Indien een persoon wel verzekerd was in het kwartaal voorafgaande aan 1 januari 2000 maar geen recht op kinderbijslag kon doen gelden, bijvoorbeeld omdat zijn kind eerst na 1 oktober 1999 is geboren of omdat hij voor het vierde kwartaal anderszins geen recht had op kinderbijslag, voldoet hij niet aan de voorwaarden gesteld in artikel 27 en is hij met ingang van 1 januari 2000 niet verzekerd voor de AKW. Ditzelfde geldt voor de persoon die in het vierde kwartaal van 1999 wel recht had op kinderbijslag voor een kind dat jonger was dan 18 jaar, maar op 31 december 1999 niet verplicht verzekerd was ingevolge artikel 26 van KB 746.

Indien een persoon voldoet aan de voorwaarden van artikel 7c AKW, dan heeft hij voor al zijn kinderen recht op kinderbijslag mits aan de voorwaarden voor het recht op kinderbijslag wordt voldaan. Dit geldt ook ten aanzien van kinderen voor wie hij in het vierde kwartaal 1999 geen recht op kinderbijslag kon doen gelden, bijvoorbeeld omdat zij nog niet geboren waren.

Op grond van artikel 27 werd de voortgezette verzekering beëindigd indien:

  • de verzekerde persoon niet langer voldoet aan de voorwaarden voor de verzekering vervat in artikel 26 zoals die bepaling luidde vóór 1 januari 2000 (het beleid ter zake van dat artikel is terug te vinden in de Beleidsregels SVB 1999); of
  • indien het (jongste) kind waarvoor in het vierde kwartaal van 1999 kinderbijslag werd genoten, de leeftijd van 18 jaar bereikt.

Artikel 27 KB 746 stelde niet als eis dat voor het kind waarvoor in het vierde kwartaal van 1999 recht op kinderbijslag heeft bestaan, bij voortduring recht blijft bestaan. Indien derhalve na 31 december 1999 in enig kwartaal geen recht op kinderbijslag bestond voor dat kind, bijvoorbeeld omdat het uitwonend was en niet aan de onderhoudseis werd voldaan, kon in een later kwartaal weer recht op kinderbijslag voor dat kind ontstaan.

Grondslag

artikel 7c AKW, artikel 26 en 27 KB 746

Besluit beleidsregels SVB 2016

Naar boven