Onderwerp: Bezoek-historie

Betekenis van registraties (BRP en IND) (SB1029)
Geldigheid:07-09-2016 t/m Versie:vergelijk Status: Geldig vandaag

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Beleidsregel

Bij de beoordeling van het ingezetenschap steunt de SVB in de praktijk sterk op de basisregistratie personen (BRP). Dit betekent dat de SVB aanneemt dat een betrokkene geen ingezetene is als hij niet in de BRP staat ingeschreven. De SVB kan echter periodes van ingezetenschap aannemen die afwijken van de BRP-indicatie. De SVB verricht nader onderzoek als zij over aanwijzingen beschikt die duiden op een van de BRP-indicatie afwijkende situatie en wanneer de betrokkene daar uitdrukkelijk om verzoekt.

Ten aanzien van een vreemdeling die zonder verblijfstitel in de BRP is opgenomen, gaat de SVB er niet zonder meer van uit dat hij niet over een verblijfstitel beschikt. Voordat de uitkering wordt geweigerd of de betaling ervan wordt opgeschort, stelt de SVB de vreemdeling in de gelegenheid om aan te tonen dat de IND heeft vastgesteld dat hij rechtmatig in Nederland verblijft. Slaagt de vreemdeling daarin niet of reageert hij niet binnen de door de SVB gestelde termijn, dan gaat de SVB ervan uit dat hij niet over een verblijfstitel beschikt. De SVB is van oordeel dat zij, behoudens situaties waarop het Unierecht ziet, niet de bevoegdheid heeft zelfstandig de rechtmatigheid van verblijf van een vreemdeling in Nederland vast te stellen.

Onderdanen van de Europese Unie, de Europese Economische Ruimte en Zwitserland hebben op grond van Europese regelgeving, met name Richtlijn 2004/38, een rechtstreeks verblijfsrecht in Nederland. Bij deze onderdanen neemt de SVB op grond van de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 19 maart 2013 en 20 januari 2015 aan dat uitsluitend sprake is van onrechtmatig verblijf vanaf de datum waarop de IND dit aan de betrokkene bij besluit bekend heeft gemaakt.

Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) volgt dat een staatsburger van een derde land die een Unieburger als kind heeft, aan artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) een recht op verblijf kan ontlenen in de lidstaat waarvan zijn kind de nationaliteit bezit. Dit recht doet zich voor als de weigering van een verblijfsrecht tot gevolg zou hebben dat het kind feitelijk wordt verplicht om het grondgebied van de lidstaat waarvan hij staatsburger is te verlaten, maar ook dat van de Unie als geheel (HvJ EU 8 maart 2011 en 15 november 2011). In deze gevallen vloeit het verblijfsrecht van een staatsburger van een derde land rechtstreeks voort uit het VWEU. Dit betekent dat een dergelijk verblijfsrecht bestaat ook als de staatsburger van het derde land zich niet bij de IND heeft gemeld (Zie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 9 augustus 2013 en Hoge Raad 14 februari 2014). In voorkomende gevallen onderzoekt de SVB daarom of de betrokkene een verblijfsrecht kan ontlenen aan artikel 20 VWEU. De SVB onderzoekt dit aan de hand van informatie die de betrokkene heeft verstrekt. Bij dit onderzoek gaat het niet om het antwoord op de vraag of de weigering om een uitkering toe te kennen tot gevolg heeft dat het kind wordt verplicht het grondgebied van Nederland of de Unie als geheel te verlaten, maar om de vraag of de weigering van een verblijfsrecht met zich brengt dat het kind geen andere keus heeft dan met de ouder, staatsburger van het derde land, buiten de Unie te verblijven. De SVB baseert deze zienswijze op een uitspraak van de CRvB van 17 december 2012. De SVB laat zich bij het onderzoek adviseren door de IND en past bij de beoordeling de relevante beleidsregels toe uit de Vreemdelingencirculaire 2000.

Naar boven