Onderwerp: Bezoek-historie

Procedurele aspecten (SB1029)
Geldigheid:15-06-2008 t/m 11-07-2009Versie:vergelijk Vergelijk met versie: 9: 07-09-2016 t/m 20-02-2019  X

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Beleidsregel

Hetgeen hiervoor is gesteld ten aanzienBij de beoordeling van het ingezetenschap laat onverlet datsteunt de praktijk vanSVB in de beoordeling zeerpraktijk sterk steunt op de vraag of de betrokkene al of niet ingeschreven staat bij de GBA in een bepaalde periodebasisregistratie personen (BRP). Bijvoorbeeld: indien verzekerde tijdvakken voor de AOW moeten worden vastgesteld wordt aangenomenDit betekent dat de betrokken persoon in beginsel niet langerSVB aanneemt dat een betrokkene geen ingezetene is vanaf het moment datals hij zich uitniet in de GBA laat uitschrijven naar het buitenlandBRP staat ingeschreven. Dit wilDe SVB kan echter niet zeggen dat geen van de GBA-indicatie afwijkende periodes van ingezetenschap kunnen worden aangenomenaannemen die afwijken van de BRP-indicatie. Nader onderzoek zal wordenDe SVB verricht indien de SVBnader onderzoek als zij over aanwijzingen beschikt die duiden op een van de GBABRP-indicatie afwijkende situatie, dan wel en wanneer de betrokkene daar uitdrukkelijk om verzoekt.

De inschrijving bij de GBA en de codering in de GBA van de verblijfsrechtelijke status van de belanghebbende zijn ook van bijzondere betekenis bij de uitvoering van de Koppelingswet. Bij de toepassing van de Koppelingswet gelden enkele bijzondere regels.

Ten aanzien van een vreemdeling die zonder verblijfstitel in de GBABRP is opgenomen wordt, gaat de SVB er niet zonder meer van uitgegaanuit dat hij niet over een verblijfstitel beschikt. Deze vreemdeling wordt voordatVoordat de uitkering wordt geweigerd of de betaling ervan wordt opgeschort, stelt de SVB de vreemdeling in de gelegenheid gesteldom aan te tonen dat de VreemdelingendienstIND heeft vastgesteld dat hij rechtmatig in Nederland verblijft. Slaagt de vreemdeling daarin niet of reageert hij niet binnen de door de SVB gestelde termijn, dan gaat de SVB ervan uit dat hij niet over een verblijfstitel beschikt. De SVB is van oordeel dat zij, behoudens situaties waarop het Unierecht ziet, niet de bevoegdheid heeft zelfstandig de rechtmatigheid van verblijf van een vreemdeling in Nederland vast te stellen.

Onderdanen van de Europese Unie, de Europese Economische Ruimte en Zwitserland hebben op grond van Europese regelgeving, met name Richtlijn 2004/38, een rechtstreeks verblijfsrecht in Nederland. Bij deze onderdanen neemt de SVB op grond van de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 19 maart 2013 en 20 januari 2015 aan dat uitsluitend sprake is van onrechtmatig verblijf vanaf de datum waarop de IND dit aan de betrokkene bij besluit bekend heeft gemaakt.

Voor onderdanenUit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) volgt dat een staatsburger van een derde land die een Unieburger als kind heeft, aan artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Economische RuimteUnie (VWEU) een recht op verblijf kan ontlenen in de lidstaat waarvan zijn kind de nationaliteit bezit. Dit recht doet zich voor als de weigering van een verblijfsrecht tot gevolg zou hebben dat het kind feitelijk wordt verplicht om het grondgebied van de lidstaat waarvan hij staatsburger is te verlaten, maar ook dat van de Unie als geheel (EERHvJ EU 8 maart 2011 en 15 november 2011). In deze gevallen vloeit het verblijfsrecht van een staatsburger van een derde land rechtstreeks voort uit het VWEU. Dit betekent dat een dergelijk verblijfsrecht bestaat ook als de staatsburger van het derde land zich niet bij de IND heeft gemeld (Zie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 9 augustus 2013 en Zwitserland geldtHoge Raad 14 februari 2014). In voorkomende gevallen onderzoekt de SVB daarom of de betrokkene een bijzondere regelverblijfsrecht kan ontlenen aan artikel 20 VWEU. De SVB leidt uit het arrest Martinez Salaonderzoekt dit aan de hand van het HvJ EG af dat deze personen, indien zij bevoegd zijninformatie die de betrokkene heeft verstrekt. Bij dit onderzoek gaat het niet om het antwoord op Nederlands grondgebied te verblijven, onder dezelfde voorwaarden als personen metde vraag of de Nederlandse nationaliteit verzekerd zijn op grond van de volksverzekeringen of recht hebben op Nederlandse socialeverzekeringsuitkeringen, ongeachtweigering om een uitkering toe te kennen tot gevolg heeft dat het kind wordt verplicht het grondgebied van Nederland of zij in het bezit zijnde Unie als geheel te verlaten, maar om de vraag of de weigering van een geldig document waaruit hun verblijfsrecht blijkt. Indien een onderdaan van de EU, de EER of Zwitserland zonder verblijfstitel inmet zich brengt dat het kind geen andere keus heeft dan met de GBA is opgenomenouder, wordtstaatsburger van deze persoon dan ook niet gevraagd aan te tonen dathet derde land, buiten de Vreemdelingendienst heeft vastgesteld dat hij rechtmatig in Nederland verblijftUnie te verblijven. De SVB gaat ervan uit dat de betrokkenebaseert deze zienswijze op grondeen uitspraak van Europese regelgeving een rechtstreeks verblijfsrecht in Nederland heeft, tenzij een bevoegde instantie opde CRvB van 17 december 2012. De SVB laat zich bij het gebied van verblijfsrecht aanonderzoek adviseren door de IND en past bij de SVB meldt dat er sprake is van onrechtmatig verblijfbeoordeling de relevante beleidsregels toe uit de Vreemdelingencirculaire 2000.

Grondslag

De tekst is afgesloten naar de stand van zaken op 7 april 2008, met dien verstande dat het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten dat per 1 mei 2008 in werking is getreden wel is verwerkt.

Besluit beleidsregels SVB 20082016

Naar boven