Onderwerp: Bezoek-historie

Uitsluiting van verzekering op grond van de verblijfsstatus (SB1029)
Geldigheid:21-02-2019 t/m Versie:vergelijk Vergelijk met versie: 9: 07-09-2016 t/m 20-02-2019  X

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Beleidsregel

Bij de beoordelingOp grond van het ingezetenschap steunt de SVB in de praktijk sterk op de basisregistratie personen (BRP). Dit betekent dat de SVB aanneemt datAOW, Anw en AKW is een betrokkene geen ingezetene isvreemdeling niet verzekerd als hij niet rechtmatig in Nederland verblijft in de BRP staat ingeschreven. De SVB kan echter periodes van ingezetenschap aannemen die afwijkenzin van artikel 8, onder a tot en met e en l van de BRP-indicatieVreemdelingenwet 2000. De SVB verricht nader onderzoek als zij over aanwijzingen beschikt die duiden op een vanEen vreemdeling verblijft rechtmatig in Nederland in de BRP-indicatie afwijkende situatie en wanneer de betrokkene daar uitdrukkelijk om verzoekt.zin van deze bepaling als hij:

  • over een geldige verblijfstitel beschikt; of
  • zijn verblijfsrecht rechtstreeks aan het Unierecht ontleent.

Ten aanzien vanDe SVB stelt een vreemdeling die zonder verblijfstitel in de BRP is opgenomen, gaat in de SVB er niet zonder meer van uitgelegenheid om op andere wijze aan te tonen dat hij niet over een verblijfstitel beschikt. Voordatdesondanks rechtmatig in Nederland verblijft in de uitkering wordt geweigerd of de betaling ervan wordt opgeschortzin van artikel 8, stelt de SVBonder a tot en met e en l van de vreemdeling in de gelegenheid om aan te tonen datVreemdelingenwet 2000. Dit kan door een vaststelling van de IND heeft vastgesteld dat hij rechtmatig in Nederland verblijftof door bewijs te leveren van een rechtstreeks aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht. Slaagt de vreemdeling daarin niet of reageert hij niet binnen de door de SVB gestelde termijn, dan gaat de SVB ervan uit dat hij niet over een verblijfstitel beschikt. De SVB is van oordeel dat zij, behoudens situaties waarop het Unierecht ziet, niet de bevoegdheid heeft zelfstandig de rechtmatigheid van verblijf van een vreemdelingrechtmatig in Nederland vast te stellenverblijft.

Onderdanen van de Europese Unie, de Europese Economische Ruimte en Zwitserland hebben op grond van Europese regelgeving, met name Richtlijn 2004/38,regels een rechtstreeks verblijfsrecht in Nederland. Bij deze onderdanenpersonen neemt de SVB op grond van de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 19 maart 2013 en 20 januari 2015 aan dat uitsluitendpas sprake is van onrechtmatig verblijf vanaf de datum waarophet moment dat dit door de IND dit aan de betrokkeneis vastgesteld en bij besluit bekend heeftis gemaakt. Dit volgt uit de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 19 maart 2013 en 20 januari 2015.

Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU)arrest Ruiz Zambrano volgt dat een staatsburger van een derde land diemet een Unieburger als kind heeft,met de Nederlandse nationaliteit een recht op verblijf in Nederland kan ontlenen aan artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) een recht op verblijf kan ontlenen in de lidstaat waarvan zijn kind de nationaliteit bezit. Dit recht doet zich vooris het geval als de weigering van eenhet verblijfsrecht van deze ouder tot gevolg zou hebben dat het kind feitelijk wordt verplicht om het grondgebied van de lidstaat waarvan hij staatsburger is te verlaten, maar ook dat van de Unie als geheel (HvJ EU 8 maart 2011 en 15 november 2011). In deze gevallen vloeit het verblijfsrecht van een staatsburger van een derde land rechtstreeks voort uit het VWEU. Dit betekent dat een dergelijk verblijfsrecht bestaat ook als de staatsburger van het derde land zich niet bij de IND heeft gemeld (Zie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 9 augustus 2013 en Hoge Raad 14 februari 2014). In voorkomende gevallen onderzoekt de SVB daarom of de betrokkene een verblijfsrecht kan ontlenen aan artikel 20 VWEU. De SVB onderzoekt dit aan de hand van informatie die de betrokkene heeft verstrekt. Bij dit onderzoek gaat het niet om het antwoord op de vraag of de weigering om een uitkering toe te kennen tot gevolg heeft dat het kind wordt verplicht het grondgebied van Nederland ofen de Unie als geheel te verlaten, maar om de vraag of de weigering van een verblijfsrecht met zich brengt dat. Uit het arrest Chavez-Vilchez volgt dat hiervan sprake is als deze ouder zorg- en opvoedingstaken verricht jegens het kind. Als hij geen andere keus heeft dan metzorg- en opvoedingstaken verricht, vraagt de ouder, staatsburger van het derde land, buitenSVB de IND om advies over de Unie te verblijven. De SVB baseertmate waarin het kind afhankelijk is van deze zienswijze op een uitspraak vanouder alvorens te beslissen over de CRvB van 17 december 2012. De SVB laat zich bij het onderzoek adviseren doorvraag of de IND en past bij de beoordeling de relevante beleidsregels toe uit de Vreemdelingencirculaire 2000ouder recht op verblijf ontleent aan het Unierecht.

Naar boven