Onderwerp: Bezoek-historie

Onderwijs van kinderen in Nederland (SB1016)
Geldigheid:07-09-2016 t/m Versie:vergelijk Status: Geldig vandaag

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Beleidsregel

Op grond van de Leerplichtwet 1969 zijn kinderen verplicht onderwijs te volgen tot zij een startkwalificatie hebben verkregen, door het behalen van een diploma op Havo, VWO of MBO2-niveau.

Voor kinderen van 16 jaar of 17 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald, bestaat uitsluitend recht op kinderbijslag of wezenuitkering als zij voldoen aan de verplichtingen van de Leerplichtwet 1969.

Het toezicht op de naleving van de Leerplichtwet 1969 wordt uitgeoefend door leerplichtambtenaren. Op grond van artikel 7, derde lid AKW en artikel 26, zesde lid, Anw meldt de leerplichtambtenaar aan de SVB wanneer een kind niet voldoet aan de verplichtingen van de Leerplichtwet 1969. De SVB gaat er daarom van uit dat een kind aan de verplichtingen uit de Leerplichtwet 1969 voldoet, tenzij de leerplichtambtenaar de SVB meedeelt dat dit niet het geval is. In dat geval beëindigt de SVB het recht op kinderbijslag of wezenuitkering. Dit recht herleeft met ingang van het kwartaal respectievelijk de maand waarin het kind naar het oordeel van de leerplichtambtenaar opnieuw aan de verplichtingen voldoet.

Voor een kind van 16 of 17 jaar dat een startkwalificatie heeft behaald, gelden voor het recht op kinderbijslag geen nadere voorwaarden ten aanzien van de tijdbesteding van het kind. Een wees van 16 of 17 jaar die een startkwalificatie heeft behaald, kan recht hebben op een wezenuitkering als hij een vervolgstudie volgt. Een wees van 18 jaar of ouder maar jonger dan 21 jaar die een vervolgstudie volgt, kan ook recht hebben op een wezenuitkering. Deze wees hoeft geen startkwalificatie te hebben behaald.

Voor een nadere invulling van het begrip vervolgstudie sluit de SVB aan bij de artikelen 4a en 4c van de Leerplichtwet 1969. Het kind moet zijn ingeschreven bij een school of instelling die volledig dagonderwijs verzorgt (of een bij wet geregelde combinatie van leren en werken die ook een volledige dag beslaat) en het kind moet de school geregeld bezoeken. Ten aanzien van deze laatste voorwaarde sluit de SVB aan bij het bepaalde in artikel 21 van de Leerplichtwet 1969. Dit betekent dat het kind een school niet geregeld bezoekt als het gedurende een periode van vier weken 16 uren les- of praktijkles zonder geoorloofde reden afwezig is. Als geoorloofde reden worden bijvoorbeeld de volgende omstandigheden beschouwd: ziekte van het kind, sluiting van de school, of tijdelijke ontzegging van de toegang tot de school bij wijze van tuchtmaatregel.

Uit artikel 7aa AKW volgt dat de verzekerde geen recht op kinderbijslag heeft voor een kind, dat op de eerste dag van een kalenderkwartaal recht heeft op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000. De SVB legt deze bepaling zo uit dat er ook geen recht op kinderbijslag bestaat als nog niet onherroepelijk is beslist op een aanvraag om studiefinanciering.

Grondslag

artikel 26, tweede lid Anw, artikel 7, tweede lid onder a, b en c en derde lid, onder a  sub i, artikel 7aa AKW

Besluit beleidsregels SVB 2016

Naar boven