Onderwerp: Bezoek-historie

Huwelijk en duurzaam gescheiden leven (SB1002)
Geldigheid:01-11-2017 t/m Versie:vergelijk Status: Geldig vandaag

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Beleidsregel

Indien gehuwde personen duurzaam gescheiden gaan leven is dit van invloed op het recht op of de hoogte van hun uitkering. Scheiding van tafel en bed en echtscheiding zijn niet van invloed op de uitkering als al sprake is van duurzaam gescheiden leven voorafgaand aan het moment van scheiding van tafel en bed of echtscheiding.

Het begrip duurzaam gescheiden leven is nader uitgewerkt in rechterlijke uitspraken. Uit onder meer het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 1960, leidt de SVB het volgende af. Voor het aannemen van duurzaam gescheiden leven is naast de feitelijke toestand ook de wil van de echtgenoten van belang, tenzij er sprake is van feitelijke onmogelijkheid tot hervatting van de samenleving. De CRvB heeft dit standpunt nadien bevestigd in de uitspraken van 17 december 1987 en 6 december 1989.

Volgens de CRvB (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 30 mei 1973, 5 september 1989 en 5 oktober 1989) is er sprake van duurzaam gescheiden leven in de situatie waarin:

 

  • de echtelijke samenleving is geëindigd door de wil van één of beide echtgenoten;
  • ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd; en
  • deze toestand door één of beide echtgenoten als bestendig is bedoeld.

 

De wil van (een van) de echtgenoten noch de feitelijke toestand is op zichzelf doorslaggevend. De echtelijke samenleving wordt pas verbroken geacht als de wil daartoe zich naar buiten toe uitdrukkelijk manifesteert of als zich een bestendige toestand van een verbroken samenleving voordoet (zie in dit verband de uitspraken van de CRvB van 25 februari 1985 en 21 november 1990). De SVB leidt uit een uitspraak van de CRvB van 17 december 2013 af dat het enkele feit dat een van de echtgenoten een gezamenlijke huishouding gaat voeren met een ongehuwde niet betekent dat hij duurzaam gescheiden leeft van zijn huwelijkspartner.

Op grond van deze jurisprudentie hanteert de SVB het volgende beleid.

De SVB merkt gehuwden als duurzaam gescheiden levend aan indien:

 

  • er sprake is van een door (een van) de echtgenoten gewilde en als bestendig bedoelde situatie waarbij de feitelijke toestand uitwijst dat beiden een afzonderlijk leven leiden alsof er geen huwelijk was, of
  • er sprake is van een door de echtgenoten ongewilde situatie waarbij de samenleving onmogelijk is geworden en feitelijk en (naar gangbare objectieve maatstaven beoordeeld) permanent is verbroken. Als beide echtgenoten in deze situatie echter aangeven dat zij als gehuwd willen worden aangemerkt dan respecteert de SVB deze wens. Daarbij is niet van belang of betrokkenen zich nog als echtgenoten gedragen en presenteren. Op een rechtens onaantastbare beschikking waarin is vastgesteld dat sprake is van duurzaam gescheiden leven komt de SVB uitsluitend terug indien sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 Awb of indien de beschikking onmiskenbaar onjuist moet worden geacht zoals bedoeld in SB1076 over terugkomen van een rechtens onaantastbaar besluit op verzoek van de belanghebbende.

 

Indien een van de echtgenoten voor langere tijd wegens verpleging is opgenomen in een instelling, maar deze situatie niet op voorhand als onomkeerbaar is aan te merken, slaat de SVB bij de beoordeling of sprake is van duurzaam gescheiden leven ook acht op andere factoren, die erop duiden dat niet de wil bestaat tot verbreking van de echtelijke samenleving. Te denken valt aan regelmatig contact en gemeenschappelijke financiën.

De gevolgen van het aangaan van een huwelijk, dan wel het duurzaam gescheiden gaan leven van een huwelijkspartner verschillen per wet.

AOW:

Voor de toepassing van de AOW is het van belang of de pensioengerechtigde gehuwd of ongehuwd is in verband met de hoogte van het pensioenbedrag en het recht op toeslag. Indien een echtpaar waarvan beide partners pensioengerechtigd zijn duurzaam gescheiden gaat leven, dienen beide gehuwdenpensioenen verhoogd te worden tot het bedrag van het ongehuwdenpensioen. Als een echtpaar waarvan een van de partners de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, duurzaam gescheiden gaat leven heeft de pensioengerechtigde op grond van artikel 1, derde lid, onder b AOW recht op een ongehuwdenpensioen. Indien aan deze pensioengerechtigde tevens een recht op een toeslag is toegekend, vervalt dit recht op toeslag.

Wanneer aan het duurzaam gescheiden leven van twee pensioengerechtigden een einde komt, anders dan door overlijden, verlaagt de SVB beide ongehuwdenpensioenen tot het bedrag van het gehuwdenpensioen. Indien aan het duurzaam gescheiden leven een einde is gekomen na 31 december 2014 en een van de huwelijkspartners is jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, kan geen recht op toeslag meer ontstaan. Dit volgt uit artikel 8, tweede lid, onder b AOW.

Anw:

Voor de toepassing van de Anw is het van belang vast te stellen of een persoon als gehuwd moet worden aangemerkt in verband met zowel het verkrijgen als het vervallen van een recht op nabestaandenuitkering. Als een persoon aan wie een nabestaandenuitkering is toegekend een gezamenlijke huishouding gaat voeren moet deze persoon als gehuwd worden aangemerkt en vervalt het recht op nabestaandenuitkering. Daarentegen kan door het overlijden van een echtgenoot een recht op nabestaandenuitkering ontstaan voor de nog levende echtgenoot.

De Anw kent geen bepaling op grond waarvan duurzaam gescheiden levende echtgenoten als ongehuwd moeten worden aangemerkt. Dit heeft tot gevolg dat bij het overlijden van een van de duurzaam gescheiden levende echtgenoten de andere echtgenoot als nabestaande kan worden aangemerkt. Er kan zich de bijzondere situatie voordoen dat een gehuwde persoon duurzaam gescheiden leeft van zijn echtgenoot en een gezamenlijke huishouding voert met een andere persoon. Op grond van artikel 3, tweede lid Anw is hij dan gehuwd met degene met wie hij een gezamenlijke huishouding voert. De SVB interpreteert artikel 3, tweede lid Anw zo, dat hij als ongehuwd wordt aangemerkt ten opzichte van de echtgenoot van wie hij duurzaam gescheiden leeft. Dit betekent dat de SVB een gehuwde persoon na het overlijden van de echtgenoot van wie hij duurzaam gescheiden leeft niet als nabestaande aanmerkt. De SVB merkt hem wel als nabestaande aan na het overlijden van degene met wie hij een gezamenlijke huishouding voert.

Een andere situatie die zich kan voordoen, betreft de echtgenoot die duurzaam gescheiden leeft en geen gezamenlijke huishouding voert. Hij blijft gehuwd met zijn wettige echtgenoot, ook als deze echtgenoot een gezamenlijke huishouding voert met een andere persoon. Dit leidt tot de bijzondere situatie dat als de echtgenoot die een gezamenlijke huishouding voert met een andere persoon komt te overlijden, zowel zijn echtgenoot waarvan hij duurzaam gescheiden leeft als de persoon met wie hij een gezamenlijke huishouding voert als nabestaande in de zin van de Anw recht kunnen hebben op een nabestaandenuitkering. De SVB baseert deze interpretatie op de systematiek van de Anw, in het bijzonder artikel 3, tweede lid Anw.

Participatiewet:

Voor de toepassing van de Participatiewet is het van belang of de rechthebbende op een AIO-aanvulling gehuwd of ongehuwd is in verband met de hoogte van de toepasselijke norm. Het recht op AIO-aanvulling komt de echtgenoten gezamenlijk toe, tenzij een van de echtgenoten geen recht op een AIO-aanvulling heeft. Indien een echtpaar waarvan beide partners de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, duurzaam gescheiden gaat leven, kunnen beide echtgenoten een zelfstandig recht hebben op een AIO-aanvulling naar de norm van een alleenstaande. De hoogte van deze norm is afhankelijk van de vraag of de echtgenoot zijn hoofdverblijf deelt met een of meer kostendelende medebewoners als bedoeld in artikel 19a Participatiewet. Zie SB1292 over toepassing van de kostendelersnorm in de Anw en Participatiewet voor het beleid over kostendelende medebewoners. Als een echtpaar waarvan een van de partners jonger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, duurzaam gescheiden gaat leven heeft de oudste partner recht op een AIO-aanvulling naar de norm van een alleenstaande. De hoogte van deze norm is afhankelijk van de vraag of de echtgenoot zijn hoofdverblijf deelt met een of meer kostendelende medebewoners als bedoeld in artikel 19a Participatiewet. De jongste partner heeft in die situatie niet langer recht op een AIO-aanvulling.

Wanneer aan het duurzaam gescheiden leven een einde komt, anders dan door overlijden, verleent de SVB de AIO-aanvulling naar de norm van een gehuwde. De hoogte van deze norm is afhankelijk van de vraag of het echtpaar hun hoofdverblijf deelt met een of meer kostendelende medebewoners als bedoeld in artikel 19a Participatiewet.

OBR:

Voor de toepassing van de OBR is het van belang of de rechthebbende gehuwd of ongehuwd is in verband met de hoogte van de overbruggingsuitkering. Indien een echtpaar waarvan beide partners recht hebben op overbruggingsuitkering, duurzaam gescheiden gaat leven, dienen beide uitkeringen verhoogd te worden tot het bedrag van een ongehuwdenuitkering. Als een rechthebbende aan wie een overbruggingsuitkering voor gehuwden is toegekend, duurzaam gescheiden gaat leven, heeft hij recht op een ongehuwdenuitkering.

Wanneer aan het duurzaam gescheiden leven een einde komt, anders dan door overlijden, verlaagt de SVB beide ongehuwdenuitkeringen tot het bedrag van de uitkering voor gehuwden.

Rem:

De Remigratiewet kent geen algemene bepaling op grond waarvan de remigrant die duurzaam gescheiden van zijn echtgenoot leeft als ongehuwd wordt aangemerkt. Wel kent de Remigratiewet de voorwaarde dat de gehuwde remigrant wiens echtgenoot of partner in Nederland woont slechts voor voorzieningen op grond van de Remigratiewet in aanmerking kan komen indien beide echtgenoten of partners tot remigratie overgaan. Deze voorwaarde geldt niet voor de remigrant die duurzaam gescheiden van zijn echtgenoot of partner leeft. Dit volgt uit artikel 2b, derde lid Remigratiewet.

Artikel 5, eerste lid Remigratiewet bepaalt voorts dat indien de remigrant een partner heeft en hij ophoudt met deze persoon een gezamenlijke huishouding te voeren, de remigrant en zijn partner ieder een recht verkrijgen op remigratievoorzieningen voor een alleenstaande remigrant. De SVB past dit artikel ook toe op een gehuwde remigrant, met dien verstande dat zij deze als alleenstaande remigrant aanmerkt als hij duurzaam gescheiden van zijn echtgenoot of partner leeft.

TAS 2014/TNS:

Voor de toepassing van de TAS 2014 en de TNS is van belang of sprake is van duurzaam gescheiden leven omdat bij overlijden van de persoon bij wie maligne mesothelioom of asbestose is vastgesteld zijn echtgenoot recht op uitkering kan hebben. Op grond van de artikelen 1, derde lid TAS 2014 en 1, derde lid TNS merkt de SVB de persoon die duurzaam gescheiden leeft van degene bij wie maligne mesothelioom of asbestose is vastgesteld niet aan als echtgenoot.

Grondslag

artikel 1, derde lid, onder b AOW, artikel 3, tweede lid Anw, artikel 3, tweede lid,  onder b Participatiewet, artikel 1, derde lid OBR, artikel 2b, derde lid en artikel 5  Remigratiewet, artikel 1, derde lid TAS 2014 en artikel 1, derde lid TNS

Wijzigingsbesluit Beleidsregels SVB oktober 2017

Naar boven