Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 10/0379/TA, 8 juni 2010, beroep
Uitspraakdatum:08-06-2010

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Uitspraak

nummer: 10/379/TA

betreft: [klager] datum: 8 juni 2010

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 67 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (Bvt) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift van

het hoofd van de Pompestichting te Nijmegen, verder te noemen de inrichting,

gericht tegen een uitspraak van 2 februari 2010 van de beklagcommissie bij genoemde inrichting, gegeven op een klacht van [...], verder te noemen klager,

alsmede van de overige stukken, waaronder de uitspraak waarvan beroep, welke in afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

Het hoofd van de inrichting heeft schriftelijk bericht te zijn verhinderd te verschijnen ter zitting van de beroepscommissie van 6 mei 2010, gehouden in de penitentiaire inrichtingen Amsterdam Over-Amstel te Amsterdam.
Hoewel voor klagers vervoer naar de zitting was zorggedragen, heeft hij geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om te worden gehoord.

Op grond van de stukken en haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt:

1. De inhoud van het beklag en de uitspraak van de beklagcommissie
Het beklag betreft de vermeende oplegging van een disciplinaire straf naar aanleiding van een incident op 19 augustus 2009.

De beklagcommissie heeft het beklag gegrond verklaard en een tegemoetkoming van
€ 10,= toegekend op de gronden als in de aangehechte uitspraak weergegeven.

2. De standpunten
Het hoofd van de inrichting heeft in beroep het tegenover de beklagcommissie ingenomen standpunt als volgt toegelicht.
Er is geen sprake van afzondering, noch van een disciplinaire straf, maar van een ordemaatregel. Klager was op 19 augustus 2009 met vier medepatiënten in de tuin van de afdeling. Alle vijf patiënten hebben toegegeven dat eieren tegen de ramen van
gedetineerden op de bovenverdieping zijn gegooid. Geen van hen heeft daarvoor verantwoordelijkheid genomen. Personeel van klagers afdeling heeft het voorval niet gezien, maar werd ingelicht door personeel van de bovengelegen afdeling, omdat daar onrust
onder de gedetineerden was ontstaan. De gedetineerden van wie de ramen getroffen waren, waren bijzonder aangedaan en woedend door het voorval. Besloten is om alle vijf patiënten gelijkelijk verantwoordelijk te stellen en gelijk te behandelen om de
negatieve sfeer op de afdeling (er was al enige tijd een zeer negatieve houding op de groep) niet verder te benadelen. Bovendien kon vanuit behandelperspectief direct een duidelijke grens worden gesteld en konden alle vijf patiënten op hun
verantwoordelijkheid voor de sfeer en het klimaat op de afdeling worden aangesproken. Besloten is hen alle vijf tijdelijk beter te monitoren en beperktere uitsluittijden te geven, zodat tijdens hun uitsluiting in de gaten kon worden gehouden of zij
geen
nieuwe ‘geintjes’ beraamden en telkens personeel aanwezig was als zij in de tuin waren, wat noodzakelijk werd geacht, omdat gedetineerden van de bovengelegen afdeling rechtstreeks zicht op de tuin hebben en nieuwe provocerende acties tussen de
gedetineerden en de patiënten onwenselijk waren.
Een minder ingrijpende manier (zoals het sluiten van tuindeuren en het ontzeggen van de toegang tot de tuin) was er niet nu de inrichting vooral niet de andere patiënten wilde duperen voor het veroorzaakte incident. Daarom is de in deze meest geschikte
beslissing genomen om de rust op de afdeling en de daarboven gelegen afdeling te herstellen.

Klager heeft het tegenover de beklagcommissie ingenomen standpunt in beroep niet toegelicht.

3. De beoordeling
In het licht van de verklaringen van het hoofd van de inrichting is voldoende aannemelijk te achten dat klager in het belang van de orde en veiligheid in de inrichting vanwege het incident van 19 augustus 2009 en de daardoor ontstane onrust is beperkt
in zijn uitsluittijden van 20 augustus 2009 tot en met 23 augustus 2009. Klager heeft daarbij tenminste vier uren per dag samen met een of meer medeverpleegden kunnen doorbrengen. Daarmee is naar het oordeel van de beroepscommissie geen sprake van een
disciplinaire straf als bedoeld in artikel 49, eerste lid, onder a, Bvt, maar van een tijdelijke ordemaatregel, waartegen geen beklag openstaat. Er is immers geen sprake van afzondering als bedoeld in artikel 34 Bvt, noch van een beperking van het in
artikel 31, tweede lid, Bvt neergelegde recht om tenminste vier uren per dag samen met een of meer medeverpleegden door te brengen.
De omstandigheid dat de tijdelijke ordemaatregel mogelijk door klager als een (disciplinaire) straf is ervaren, kan niet tot een ander oordeel leiden.

Het beroep zal derhalve gegrond worden verklaard.

4. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de beklagcommissie en verklaart klager alsnog niet-ontvankelijk in zijn beklag.

Aldus gegeven door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. S.L. Donker, voorzitter, prof. dr. F.A.M.M. Koenraadt en mr. C.A.M. Schaap-Meulemeester, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.W. Bevaart, secretaris, op 8 juni 2010

secretaris voorzitter

Naar boven