Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 10/0472/GA, 12 mei 2010, beroep
Uitspraakdatum:12-05-2010

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Uitspraak

nummer: 10/472/GA

betreft: [klager] datum: 12 mei 2010

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift van

de directeur bij de locatie Noordsingel Rotterdam,

gericht tegen een uitspraak van 12 februari 2010 van de beklagcommissie bij voormelde locatie, gegeven op een klacht van [...], verder te noemen klager,

alsmede van de overige stukken, waaronder de uitspraak waarvan beroep, welke in afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

Ter zitting van de beroepscommissie van 9 april 2010, gehouden in de penitentiaire inrichtingen Amsterdam, is gehoord [...], plaatsvervangend vestigingsdirecteur bij de locatie Noordsingel Rotterdam. Hoewel voor klagers vervoer naar de zitting was
zorggedragen, heeft hij daarvan geen gebruik gemaakt.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt:

1. De inhoud van het beklag en de uitspraak van de beklagcommissie
Het beklag betreft het niet mogen deelnemen aan de arbeid in de weken 36 en 37.

De beklagcommissie heeft het beklag gegrond verklaard op de gronden als in de aangehechte uitspraak weergegeven.

2. De standpunten van de directeur en klager
De directeur heeft in beroep zijn tegenover de beklagcommissie ingenomen standpunt als volgt toegelicht. In de weken 36 en 37 was er door ziekte een gebrek aan werkmeesters in de arbeidszaal. Om de veiligheid in de inrichting te kunnen blijven
garanderen, kunnen dan niet alle gedetineerden worden opgeroepen voor de arbeid. De te verrichten arbeid is op contractbasis, de producten moeten volgen afspraak worden afgeleverd. In een periode dat door personeelsgebrek niet aan iedereen arbeid kan
worden geboden, roept de werkmeester die werknemers op die het best presteren om daarmee de afspraken met de opdrachtgever te kunnen voldoen. Klager is een zeer aanwezig en druk persoon. Zijn aanwezigheid brengt in de groep met regelmaat onrust teweeg.
Hierdoor kan de voortgang op de werkzaal stagneren. Om die reden is in de weken 36 en 37 gekozen om andere gedetineerden op te roepen waardoor het productieproces beter kon worden gegarandeerd.
Het niet oproepen van klager was een noodmaatregel die niet structureel is toegepast. In de overige weken is klager gewoon opgeroepen voor de arbeid. In de belangenafweging is prioriteit toegekend aan het optimaliseren van het productieproces. Ook
andere gedetineerden zijn niet opgeroepen voor de arbeid. Klagers loon is gewoon doorbetaald. Door krapte van het personeelsbestand, zijn er steeds minder mogelijkheden voor alternatieven. In het geval van klager is hem extra persoonlijke verzorging
aangeboden, waardoor hij extra kon recreëren, bellen en over de galerij lopen.

Klager heeft zijn standpunt, zoals ingenomen tegenover de beklagcommissie, in beroep niet toegelicht.

3. De beoordeling
Gelet op artikel 47, tweede lid, van de Pbw rust op de directeur een inspanningsverplichting om gedetineerden die aan de arbeid kunnen deelnemen ook arbeid aan te bieden. Het incidenteel uitvallen van de arbeid levert naar het oordeel van de
beroepscommissie op zichzelf nog niet een schending van deze inspanningsverplichting op. In een dergelijk geval ligt het op de weg van de directeur een redelijk alternatief voor de uitgevallen arbeid aan te bieden.

Vast staat dat door ziekte van een werkmeester in de weken 36 en 37 niet genoeg arbeid beschikbaar was om alle gedetineerden arbeid aan te bieden. De werkmeester heeft rekening houdend met de te behalen productienormen een keuze gemaakt welke
gedetineerden hij zou vragen voor de arbeid. De keuze is hierbij niet op klager gevallen. Volgens de directeur is klager een druk persoon, wat regelmatig tot onrust op de werkzaal leidt. In plaats van de arbeid is aan klager een extra moment
persoonlijke verzorging aangeboden. Klagers loon is doorbetaald. Tegen deze achtergrond is de beroepscommissie van oordeel dat de beslissing van de directeur, bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, niet als onredelijk of onbillijk kan
worden aangemerkt. Het beroep van de directeur zal derhalve gegrond worden verklaard. De uitspraak van de beklagcommissie zal worden vernietigd en het beklag zal alsnog ongegrond worden verklaard.

4. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart. het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de beklagcommissie en verklaart. het beklag alsnog ongegrond.

Aldus gegeven door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. A.H. de Wild, voorzitter, dr. J.P.S. Fiselier en mr. dr. L.M. Moerings, leden, in tegenwoordigheid van
R. Kokee, secretaris, op 12 mei 2010

secretaris voorzitter

Naar boven