Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 09/3286/GV, 22 december 2009, beroep
Uitspraakdatum:22-12-2009

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Uitspraak

nummer: 09/3286/GV

betreft: [klager] datum: 22 december 2009

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 73, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift van

[...], verder te noemen klager,

gericht tegen een op 17 november 2009 genomen beslissing van de Staatssecretaris van Justitie (de Staatssecretaris),

alsmede van de onderliggende stukken.

De beroepscommissie heeft de Staatssecretaris in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het beroep en klager om het beroep schriftelijk toe te lichten.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt.

1. De inhoud van de bestreden beslissing
De Staatssecretaris heeft klagers verzoek tot het tijdelijk verlaten van de inrichting in het kader van algemeen verlof afgewezen.

2. De standpunten
Klager heeft het beroep als volgt toegelicht.
Het verzoek om verlof betreft 21 november 2009 en niet 12 november 2009. Klager heeft bij het BSD van de inrichting waar hij thans verblijft een verzoek tot algemeen verlof ingediend voor eind juli 2009 en eind september 2009. Deze beide verzoeken zijn
niet in behandeling genomen en nu heeft het BSD geheel op eigen initiatief een verzoek ingediend voor 21 november 2009. Dit zou volgens het BSD klagers eerste verlofaanvraag zijn. Hiervoor heeft het BSD op eigen initiatief de datum van eind september
op
het aanvraagformulier veranderd in 21 november 2009. Klager stelt al vanaf juli 2009 voor verlof in aanmerking te komen.

Namens de Staatssecretaris is de bestreden beslissing als volgt toegelicht.
De directeur van de gevangenis Veenhuizen geeft aan dat het de eerste verlofaanvraag van klager betreft na een onttrekking aan detentie. Hierdoor heeft de directeur geen vertrouwen in het verlenen van vrijheden en hij heeft dan ook een negatief advies
afgegeven. Klager geeft aan tweemaal eerder bij het BSD een verlofaanvraag te hebben ingediend en daar geen reactie op te hebben ontvangen. In het selectieadvies van de gevangenis Veenhuizen was aangegeven dat klager nog een openstaande zaak had.
Klager
is voor deze zaak in eerste aanleg veroordeeld tot zes maanden en de kans was groot dat deze zaak tenuitvoer zou worden gelegd tijdens klagers huidige detentie. Klager vond echter dat deze openstaande zaak niet meegerekend diende te worden en kwam
daarom op een eerste verlofmogelijkheid in juli 2009. De openstaande zaak is inmiddels afgedaan en de straf van zes maanden is tenuitvoer gelegd. Klagers ontslagdatum is daarbij vast komen te staan op 19 november 2010. Klagers eerste verlofmogelijkheid
zal zijn op 21 november 2009. Gezien klagers onttrekking aan detentie en vlucht naar het buitenland is er geen vertrouwen in een goed verloop van verlof en is er opnieuw vluchtgevaar aanwezig. De inrichting heeft vanwege de onttrekking tevens een
negatief advies afgegeven. De onduidelijkheid rond de openstaande zaak is niet meer aan de orde.

Op klagers verlofaanvraag zijn de volgende adviezen uitgebracht.
De directeur van de gevangenis Veenhuizen heeft negatief geadviseerd ten aanzien van de verlofaanvraag.

3. De beoordeling
Klager ondergaat een gevangenisstraf van vier jaar en vijf maanden met aftrek, wegens het medeplegen van moord. De v.i.- datum valt op of omstreeks 26 maart 2010. Aansluitend dient hij 240 dagen hechtenis te ondergaan in het kader van een
schadevergoedingsmaatregel.

Het beroep richt zich tegen de afwijzing van klagers eerste verlofaanvraag. Hij kan in totaal zes verlofaanvragen indienen.

Het verzoek om algemeen verlof is afgewezen omdat er vrees bestaat voor vluchtgevaar. In beroep geeft de Staatssecretaris aan dat klager zich heeft onttrokken aan zijn huidige detentie. Uit de stukken blijkt dat klager op 7 juni 2005 is veroordeeld tot
een gevangenisstraf van vier jaar en vijf maanden. Klager heeft zich op 2 augustus 2005 onttrokken aan zijn huidige detentie. Hij heeft slechts een korte periode in detentie verbleven en is lange tijd voortvluchtig geweest. Op 7 november 2008 is hij in
Zweden gearresteerd en sindsdien zit klager gedetineerd. Reeds gelet op het vorenstaande is de vrees dat klager zich tijdens een te verlenen verlof aan zijn detentie zal onttrekken gerechtvaardigd. De beroepscommissie is van oordeel dat voornoemde
omstandigheid een forse contra-indicatie vormt voor verlofverlening en dat deze een afwijzing van klagers verlofaanvraag rechtvaardigt. Derhalve kan de beslissing van de Staatssecretaris, bij afweging van alle in aanmerking komende belangen en gelet op
de weigeringsgronden zoals bedoeld in artikel 4 onder a van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting, niet als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

4. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. U. van de Pol, voorzitter, mr. M. Boone en mr. J.M.M. van Woensel, leden, in tegenwoordigheid van bc. L. van Alff, secretaris, op 22 december 2009

secretaris voorzitter

Naar boven