Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 09/1235/SGA, 8 mei 2009, schorsing
Uitspraakdatum:08-05-2009

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Uitspraak

Nummer: 09/1235/SGA

Betreft: [klager] datum: 8 mei 2009

De voorzitter van de beroepscommissie als bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen verzoekschrift van

[...], verder verzoeker te noemen, verblijvende in de landelijke afdeling beheersgevaarlijke gedetineerden (labg) van de penitentiaire inrichtingen Vught.

Verzoeker vraagt om schorsing, met toepassing van artikel 66, eerste lid Pbw, van de (verdere) tenuitvoerlegging van de beslissing van de directeur van voormelde labg van 5 mei 2009, inhoudende de oplegging van een disciplinaire straf van vier dagen
opsluiting in een andere verblijfsruimte dan een strafcel, ingaande op 5 mei 2009 om 13.40 uur en eindigend op 9 mei 2009 om 13.40 uur, wegens het onheus bejegenen van het personeel zonder dat daar enige reden toe was.

De voorzitter heeft voorts kennisgenomen van het op 7 mei 2009 bij de beklagcommissie ontvangen klaagschrift,alsmede van de schriftelijke inlichtingen van de directeur van 8 mei 2009.

1. De standpunten van verzoeker en van de directeur
Verzoeker heeft aangevoerd dat hij de hem opgelegde disciplinaire straf te zwaar vindt voor hetgeen hem wordt verweten. Klager is immers ook door dat personeelslid onheus bejegend.

De directeur heeft onder meer het volgende naar voren gebracht. Aan verzoeker is op 3 mei verslag aangezegd wegens het uitschelden en bedreigen van een personeelslid. De directeur heeft aan verzoeker daarvoor de onderhavige disciplinaire straf
opgelegd.

2. De beoordeling
De voorzitter stelt voorop dat in het kader van het verzoek om schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing van de directeur slechts ruimte bestaat voor een voorlopige beoordeling en dat de zaak niet ten gronde kan worden onderzocht en
beslist.
Aan de orde is daarom slechts de vraag of de beslissing waartegen beklag is ingediend zodanig onredelijk of onbillijk is dat er een spoedeisend belang is om thans over te gaan tot schorsing van de (verdere) tenuitvoerlegging van die beslissing. Naar
het
oordeel van de voorzitter is dat niet het geval. Weliswaar is de mededeling van de betreffende disciplinaire straf – naar het voorlopig oordeel van de voorzitter – niet onverwijld aan verzoeker uitgereikt, maar die niet onverwijlde uitreiking kan niet
leiden tot een toewijzing van het verzoek. Het doel van die uitreiking is immers (mede) om klager tijdig op de hoogte te stellen van de rechtsmiddelen die verzoeker tegen die beslissing kan indienen. Nu verzoeker op 5 mei 2009, en dus vóór de
uitreiking
van die mededeling, beklag heeft ingesteld en om schorsing heeft verzocht, is – naar het voorlopig oordeel van de voorzitter – aannemelijk dat verzoeker door die late uitreiking niet zodanig in zijn belangen is geschaad dat dit een toewijzing van het
verzoek zou kunnen rechtvaardigen. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

3. De uitspraak
De voorzitter wijst het verzoek af.

Aldus gegeven door mr. A. van Waarden, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H.M.J.D. Maes, secretaris, op 8 mei 2009.

secretaris voorzitter

Naar boven