Nummer 26/55194/GE en 26/55763/GE
Betreft [klager]
Datum 1 september 2026
Uitspraak van de RSJ op de beroepen van
[klager] (hierna: klager)
1. De procedure
Klager heeft de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (hierna: verweerder) op 18 november 2025 verzocht om telefoongesprekken met personen buiten Nederland te voeren, te weten met zijn zus en de oma van zijn zoon.
Klager heeft verweerder op 24 november 2025 verzocht om telefoongesprekken met een persoon buiten Nederland te voeren, namelijk met zijn moeder.
Klager heeft verweerder op 12 december 2025 verzocht om telefoongesprekken met een persoon buiten Nederland te voeren, te weten met zijn tante.
Klagers voormalig raadsvrouw, mr. J. Fagel, heeft namens klager beroep ingesteld tegen de (fictieve) weigering van verweerder om een beslissing te nemen op klagers verzoeken (26/55194/GE).
Verweerder heeft op 16 januari 2026 drie van de vier verzoeken van klager afgewezen.
Klagers voormalig raadsvrouw heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze afwijzingen (26/55763/GE).
Op 28 april 2026 heeft mr. M. van Loon zich gesteld als klagers raadsman en de zaken overgenomen.
De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsman en namens verweerder twee selectiefunctionarissen, gehoord op de digitale zitting van 26 juni 2026. Klager is bijgestaan door een tolk in de Spaanse taal.
2. De standpunten in beroep
Standpunt van klager
Er staat niet expliciet in de wet of de regeling (de beroepscommissie begrijpt: de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) en de Regeling toelating en weigering bezoek en beperking telefooncontacten penitentiaire inrichtingen (hierna: de Regeling)) dat er geen beroepsmogelijkheid bestaat bij de beroepscommissie van de RSJ. Inzake een afwijzing van een verzoek om verruiming van contact met de buitenwereld, wat chronologisch kan volgen op de onderhavige verzoeken, is ook geen beroepsmogelijkheid in de Pbw of de Regeling geregeld. Uit de toelichting op de Regeling volgt dat wel beroep openstaat bij de beroepscommissie van de RSJ. Dit rijmt niet met elkaar. Daarbij speelt mee dat in dit geval – met de fictieve weigering en de afwijzende beslissing – een enorme inbreuk wordt gemaakt op het recht op ‘family life’, als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
Verweerder verwijst naar de mogelijkheid om een kort geding aan te spannen, maar die mogelijkheid is er altijd. In de praktijk gaat het om personen die zich in een kwetsbare positie bevinden. Zij zijn niet altijd in het bezit van de financiële middelen voor zo’n procedure, waardoor dit geen reële mogelijkheid is. Daarom dient er een laagdrempelig rechtsmiddel open te staan, zoals de beroepsprocedure bij de RSJ.
Standpunt van verweerder
Klager dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn beroep inzake de (fictieve) weigering om een beslissing te nemen, omdat op 2 maart 2026 op de verzoeken afwijzend is beslist. Daarnaast is de beroepscommissie inzake de afwijzing van de verzoeken niet bevoegd om deze beroepen te behandelen. Dit volgt uit de toelichting op de Regeling, waaruit blijkt dat tegen de beslissing van 2 maart 2026 geen bezwaar en beroep openstaat. Dat volgt ook uit de artikelen 17 en 73 van de Pbw. Hetzelfde geldt voor de afwijzing van verzoeken over het voeren van telefoongesprekken binnen Nederland. Als er een omissie is in het wetgevingstraject, dan zal dat worden meegenomen bij de invoeringstoets van november 2027.
Als klager in rechte wil opkomen tegen de beslissingen dan stond en staat een kort geding bij de voorzieningenrechter voor hem open, zoals is omschreven in de toelichting op de Regeling. Klagers raadsman had hem op deze mogelijkheid kunnen wijzen. Klager heeft deze rechtsgang – ook na kennisname van het verweerschrift waarin hierop wordt gewezen – niet aangewend. Nu deze route mogelijk is, kan klager op adequate wijze in rechte tegen de beslissingen opkomen. Daarbij kan een kort geding door een minder vermogende gedetineerde met behulp van een advocaat die werkt op basis van toevoeging worden aangespannen.
Er is bewust geen rechtsmiddelenclausule in de schriftelijke beslissing vermeld. Als sprake is van bijstand van een advocaat wordt ervan uitgegaan dat die klager wijst op de juiste rechtsgang. Sinds mei 2026 wordt wel standaard een rechtsmiddelenclausule opgenomen. Daarin wordt aangegeven dat als de gedetineerde het niet eens is met de beslissing, hij daartegen een kortgedingprocedure kan aanspannen bij de voorzieningenrechter.
Naast de mogelijkheid van een kort geding staat het klager uiteraard vrij om een nieuw verzoek in te dienen met de gevraagde stukken of onderbouwing waarom in zijn specifieke geval het niet mogelijk is om deze stukken aan te leveren.
3. De beoordeling
Feitenschets
Klager verblijft in de Afdeling Intensief Toezicht (AIT). Er zijn op 18 november, 24 november en 12 december 2025 door klagers (voormalig) raadsvrouw vier verzoeken gedaan om te bellen met familieleden die woonachtig zijn in het buitenland. Op 18 november 2025 heeft klager verzocht om met zijn zus en de oma van zijn zoon te kunnen bellen. Op 24 november 2025 heeft hij verzocht om met zijn moeder te bellen en op 12 december 2025 om met zijn tante te bellen.
Op 23 december 2025 heeft verweerder klager gevraagd om aanvullende informatie, omdat meerdere documenten ontbraken, namelijk een gelegaliseerd bewijs van inschrijving dan wel een bewijs van inschrijving voorzien van een apostille (zie artikel 6b, derde lid, van de Regeling). Daarom werd klager gevraagd om per contactpersoon een (gelegaliseerd) bewijs van inschrijving over te leggen. Op 19 januari, 23 januari en 29 januari 2026 heeft klagers (voormalig) raadsvrouw per e-mail aanvullende stukken overgelegd. Op 23 februari 2026 heeft klagers (voormalig) raadsvrouw beroep ingesteld tegen de (fictieve) weigering om te beslissen op klagers verzoeken (26/55194/GE). Verweerder heeft op 2 maart 2026 afwijzend beslist op drie van de vier verzoeken. Klagers (voormalig) raadsvrouw heeft namens klager op 12 maart 2026 beroep ingesteld tegen deze afwijzende beslissing (26/55763/GE).
Wijzigingen wet- en regelgeving
Per 1 november 2025 is de Pbw gewijzigd in verband met aanvullende maatregelen tegen georganiseerde criminaliteit tijdens detentie. Het doel van deze maatregelen is het toezicht te versterken op gedetineerden waarvan een ernstige gevaarzetting voor de samenleving uitgaat. Bij deze doelgroep bestaat immers, zo volgt uit de toelichting op de wetgeving, het risico dat zij iedere mogelijkheid tot contact met de buitenwereld zullen gebruiken om hun criminele praktijken vanuit detentie voort te zetten. De wetswijziging bevat een aanscherping van het Extra Beveiligde Inrichting (EBI)- en AIT-regime door middel van inperking van de communicatiemogelijkheden voor de gedetineerden – die in deze regimes verblijven – met de buitenwereld (Stcrt. 2025, 34102).
Daarnaast is met ingang van diezelfde datum de Regeling gewijzigd. Zo zijn daarin voorwaarden nader uitgewerkt voor onder meer het voeren van telefoongespreken met personen buiten Nederland (Stcrt. 2025, 34102).
In artikel 39, vijfde lid, van de Pbw is sinds 1 november 2025 geregeld dat een telefoongesprek vanuit het buitenland, met een gedetineerde die is geplaatst in een AIT of EBI, enkel met toestemming van verweerder en onder door hem gestelde voorwaarden mag worden gevoerd. Deze voorwaarden kunnen inhouden dat uitsluitend vanuit aangewezen plaatsen wordt gebeld, bijvoorbeeld bij de ambassade, consulaten of overige vertegenwoordigingen (Kamerstukken II, 36372, nr. 3, p. 36-37). De procedure voor de schriftelijke aanvraag voor het voeren van deze telefoongesprekken met personen buiten Nederland is vervolgens in artikel 6b van de Regeling beschreven.
Advies RSJ en geboden rechtsgang
Een concept van de wijziging van de regelgeving is voor advies voorgelegd aan de Afdeling advisering van de RSJ. In het advies van 3 april 2025 wijst de Afdeling advisering van de RSJ erop dat het onduidelijk is in hoeverre er een adequaat rechtsmiddel openstaat tegen een beslissing van verweerder, inclusief de gestelde voorwaarden, over telefoneren met een contactpersoon in het buitenland, zoals opgenomen in artikel 6b, vierde lid, van de Regeling. De Afdeling advisering van de RSJ adviseerde daarom om ervoor te zorgen dat er een adequaat rechtsmiddel openstaat tegen deze beslissing.
In de toelichting op de wijziging van de Regeling: (Stcrt. 2025, 34102) staat:
“Tot slot vraagt de RSJ aandacht voor de vormgeving van de rechtsbescherming tegen de beslissing van de Minister op een aanvraag voor het bellen naar een contactpersoon in het buitenland. Naar aanleiding van dit aandachtspunt wijs ik erop dat tegen deze beslissing geen bezwaar en beroep openstaat conform de artikelen 17 en 73 van de wet. Hiervoor kan een gedetineerde zich tot de burgerlijke rechter, meer specifiek de voorzieningenrechter in kort geding, wenden. Via deze route kan de gedetineerde tegen een dergelijke beslissing op adequate wijze in rechte opkomen”.
De beroepscommissie stelt op basis hiervan vast dat de wetgever ten aanzien van de verzoeken die klager heeft gedaan bewust de bezwaar- en de beroepsmogelijkheid bij de RSJ heeft uitgesloten. Verweerder heeft desgevraagd nader toegelicht dat dit dan ook de reden betrof dat er in de bestreden beslissing op klagers verzoeken geen rechtsmiddelenclause was opgenomen. Dit is voor gelijksoortige beslissingen met ingang van mei 2026 anders; daarin wordt de rechtsgang via een kortgedingprocedure bij de voorzieningenrechter vermeld.
Bevoegdheid beroepscommissie
De Pbw kent voor het indienen van rechtsmiddelen tegen beslissingen van verweerder een gesloten systeem. Dat betekent, voor zover hier relevant, dat niet tegen alle beslissingen van verweerder bij de beroepscommissie van de RSJ kan worden opgekomen, maar alleen tegen die beslissingen waarvoor een beroepsmogelijkheid in de wet is geregeld. Wegens het ontbreken van die wettelijke beroepsmogelijkheid ten aanzien van genomen beslissingen op verzoeken om telefoongesprekken met personen buiten Nederland te voeren, komt de beroepscommissie tot het oordeel dat zij onbevoegd is om deze (rechtstreekse) beroepen in behandeling te nemen. Nu er geen beroep bij de beroepscommissie van de RSJ mogelijk is tegen de afwijzende beslissing op verzoeken om telefoongesprekken met personen buiten Nederland te voeren (26/55763/GE), is er ook geen beroep bij de beroepscommissie van de RSJ mogelijk tegen een (fictieve) weigering om hierop te beslissen (26/55194/GE).
4. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart zich onbevoegd om de beroepen in behandeling te nemen.
Deze uitspraak is op 1 september 2026 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. W.S. Korteling, voorzitter, mr. D. Riani el Achhab en drs. W.M. van der Vlist, leden, bijgestaan door mr. S.J.S. Uiterweerd, secretaris.
secretaris voorzitter