Nummer 26/54776/GE en 26/56809/GE
Betreft [klager]
Datum 1 september 2026
Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op de beroepen van
[klager] (hierna: klager)
1. De procedure
Klager heeft de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (hierna: verweerder) op 26 november 2025 en op 23 december 2025 verzocht om een uitzondering te maken op het locatiegebonden bellen binnen Nederland.
Verweerder heeft deze verzoeken respectievelijk op 29 januari 2026 (26/54776/GE) en op 14 april 2026 (26/56809/GE) afgewezen.
Klagers raadsvrouw, mr. E.A. Blok, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze beslissingen.
De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsvrouw en een jurist bij de Directeur-Generaal Dienst Justitiële Inrichtingen, namens verweerder, gehoord op de digitale zitting van 14 augustus 2026.
2. De beoordeling
Sinds 1 november 2025 is de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) gewijzigd. Hierbij zijn de communicatiemogelijkheden van gedetineerden die in een Afdeling Intensief Toezicht (AIT) verblijven, zoals klager, ingeperkt. Eén van de wijzigingen houdt in dat telefoongesprekken binnen Nederland in beginsel alleen kunnen worden gevoerd vanuit bepaalde penitentiaire inrichtingen (locatiegebonden bellen). Klager heeft verzocht om een uitzondering te maken op het locatiegebonden bellen ten aanzien van zijn partner en zijn moeder. Volgens klager is het praktisch niet mogelijk dat zijn partner meerdere keren per week naar een inrichting moet afreizen met hun pasgeboren dochter. Dit komt de gezondheid van hun pasgeboren dochter niet ten goede en er is niemand die op haar kan passen. Daarnaast is klagers moeder vanwege haar ernstige medische situatie niet in staat om te reizen naar een penitentiaire inrichting.
Relevante wettelijke bepalingen en wetsgeschiedenis
Op grond van artikel 39, vijfde lid, van de Pbw kan binnen Nederland een telefoongesprek met een gedetineerde die is geplaatst in een AIT uitsluitend worden gevoerd vanuit door verweerder aangewezen plaatsen met een aangewezen toestel. In artikel 39, zesde lid, van de Pbw staat dat verweerder de plaatsen aanwijst van waaruit kan worden getelefoneerd met een gedetineerde die is geplaatst in een AIT.
In artikel 6b, tweede lid, van de Regeling toelating en weigering bezoek en beperking telefooncontacten penitentiaire inrichtingen (hierna: de Regeling) is geregeld dat plaatsen binnen Nederland als bedoeld in artikel 39, zesde lid, van de Pbw in beginsel de penitentiaire inrichtingen zijn, zoals genoemd in de bijlage van de Regeling. Deze bijlage staat overigens alleen in de toelichting op de wijziging van de Regeling (Stcrt. 2025, 34102, p. 12).
In de toelichting op de wijziging van de Regeling staat:
“De Minister kan enkel in noodgevallen naar een andere locatie, die niet in de bijlage is opgenomen, uitwijken om schrijnende situaties te voorkomen. Te denken valt aan het overlijden van een familielid van een gedetineerde. Dat vergt een individuele belangenafweging tussen enerzijds het belang van een humane tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel en anderzijds het belang van handhaving van de orde en de veiligheid binnen en buiten de inrichting.” (Stcrt. 2025, 34102, p. 5).
Bevoegdheid beroepscommissie
Klager heeft beroep ingesteld tegen de afwijzende beslissingen op zijn verzoeken om een uitzondering te maken op het locatiegebonden bellen binnen Nederland. Volgens klager volgt uit de toelichting op de wijziging van de Regeling dat tegen afwijzende beslissingen van verweerder rechtstreeks beroep openstaat bij de beroepscommissie van de RSJ. Verweerder heeft in het kader van het beroep met kenmerk 26/54776/GE (verzoek ten aanzien van partner) eerst inhoudelijk (schriftelijk) verweer gevoerd, maar in het kader van het beroep met kenmerk 26/56809/GE (verzoek ten aanzien van moeder) – eveneens op basis van de toelichting op de wijziging van de Regeling – gesteld dat de beroepscommissie niet bevoegd is om kennis te nemen van dit beroep. Dit laatstgenoemde standpunt heeft verweerder ter zitting in het kader van beide beroepen (alsnog) ingenomen.
De beroepscommissie begrijpt uit de stukken, waaronder het voorgedrukte formulier van de Dienst Justitiële Inrichtingen dat klager heeft gebruikt om het verzoek van 26 november 2025 te doen, dat gedetineerden die zijn geplaatst in een AIT (en de Extra Beveiligde Inrichting) een verzoek kunnen indienen om een uitzondering te maken op het locatiegebonden bellen binnen Nederland en dat verweerder hierop afwijzend of toewijzend beslist.
De beroepscommissie constateert echter dat de wetgever – in artikel 18 van de Pbw, artikel 39 van de Pbw of anderszins – niet heeft voorzien in een wettelijke verzoekprocedure voor het maken van een uitzondering op het locatiegebonden bellen binnen Nederland. Dat brengt met zich dat (artikel 72, eerste lid, van) de Pbw evenmin voorziet in de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen de afwijzende beslissing van verweerder op het verzoek om een uitzondering te maken op het locatiegebonden bellen binnen Nederland. De Pbw kent voor het indienen van rechtsmiddelen tegen beslissingen van verweerder een gesloten systeem. Dat betekent, voor zover hier relevant, dat niet tegen alle beslissingen van verweerder bij de beroepscommissie van de RSJ kan worden opgekomen, maar alleen tegen die beslissingen waarvoor een beroepsmogelijkheid in de wet is geregeld. In zoverre is het juist dat in de bestreden beslissingen geen rechtsmiddelenclausule is opgenomen voor het instellen van beroep bij de beroepscommissie van de RSJ.
De beroepscommissie constateert ook dat de toelichting op de wijziging van de Regeling niet ingaat op de mogelijkheden om in rechte op te komen tegen de beslissing op het verzoek om een uitzondering te maken op het locatiegebonden bellen binnen Nederland. Anders dan verweerder stelt, heeft de wetgever dit alleen toegelicht ten aanzien van de aanvraag om een uitzondering te maken op het locatiegebonden bellen in het buitenland (Stcrt. 2025, 34102, p. 9).
Wegens het ontbreken van een wettelijke beroepsmogelijkheid ten aanzien van de beslissingen op klagers verzoeken om een uitzondering te maken op het locatiegebonden bellen binnen Nederland, concludeert de beroepscommissie dat zij onbevoegd is om de beroepen in behandeling te nemen. De beroepscommissie komt daarom niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de bestreden beslissingen.
Verweerder heeft overigens ter zitting aangevuld dat ten aanzien van de mogelijkheid om in rechte op te komen tegen beslissingen zoals de onderhavige, sprake is van een omissie in de wet en dat deze omissie wordt betrokken bij de zogeheten invoeringstoets die volgend jaar plaatsvindt.
3. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart zich onbevoegd om de beroepen in behandeling te nemen.
Deze uitspraak is op 1 september 2026 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit
mr. R.A.E. van Noort, voorzitter, mr. F.H.J. van Gaal en mr. B. van der Werf, leden, bijgestaan door mr. M.G. Bikker, secretaris.
secretaris voorzitter