Nummer 26/59479/SGA
Betreft [verzoeker]
Datum 14 augustus 2026
Uitspraak van de voorzitter van de beroepscommissie van de RSJ op het verzoek van
[verzoeker] (hierna: verzoeker)
1. De procedure
De directeur van de Penitentiaire Inrichting Dordrecht (hierna: de directeur) heeft aan verzoeker een disciplinaire straf opgelegd van vijf dagen opsluiting in de eigen cel, zonder televisie, vanwege betrokkenheid bij een spuugincident, ingaande op 12 augustus 2026 om 16:50 uur en eindigend op 17 augustus 2026 om 16:50 uur.
Verzoekers raadsvrouw, mr. B.M. Loef, vraagt namens verzoeker om schorsing van de (verdere) tenuitvoerlegging daarvan.
De voorzitter heeft kennisgenomen van de reactie van de directeur op het schorsingsverzoek en van het klaagschrift (PD-2026-729).
2. De beoordeling
De voorzitter stelt voorop dat bij een verzoek om schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing van de directeur slechts ruimte bestaat voor een voorlopige beoordeling. De zaak kan dus niet ten gronde worden onderzocht. De voorzitter beoordeelt alleen of de beslissing waartegen beklag is ingesteld in strijd is met een wettelijk voorschrift of dat deze zodanig onredelijk of onbillijk is dat er een spoedeisend belang is om op dit moment de (verdere) tenuitvoerlegging van die beslissing te schorsen. Naar het oordeel van de voorzitter is dat het geval.
Op grond van artikel 51, vijfde lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) kan geen straf worden opgelegd indien de gedetineerde voor het begaan van een feit als bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Pbw niet verantwoordelijk kan worden gesteld. Uit de stukken, waaronder het schriftelijk verslag van 13 augustus 2026, komt naar voren dat op 12 augustus 2026 is gerapporteerd dat er op/uit het raam bij de fitnessruimte was gespuugd. Hierbij is ook een personeelslid geraakt met spuug. Uit het schriftelijk verslag komt verder naar voren dat aan alle in de fitnessruimte aanwezige gedetineerden meerdere keren is gevraagd wie er heeft gespuugd. Geen van de gedetineerden heeft het spugen erkend of daarover verklaard, waarna alle gedetineerden een schriftelijk verslag is aangezegd en zij een disciplinaire straf opgelegd hebben gekregen.
De voorzitter overweegt als volgt.
Voor het opleggen van een disciplinaire straf is op grond van vaste jurisprudentie van de beroepscommissie vereist dat aan verzoeker zelf enig verwijt gemaakt moet kunnen worden (vergelijk RSJ 22 februari 2022, R-20/8053/GA). Dat is niet aannemelijk geworden. Ook is niet aannemelijk geworden dat verzoeker wist wie de verwijtbare gedraging van het spugen heeft verricht. Gelet op het voorgaande is de beslissing van de directeur om verzoeker daarvoor de bestreden disciplinaire straf op te leggen zodanig onredelijk of onbillijk is dat er een spoedeisend belang is om op dit moment de (verdere) tenuitvoerlegging van die beslissing te schorsen. De voorzitter zal het verzoek daarom toewijzen en de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing schorsen met onmiddellijke ingang tot het moment waarop de beklagcommissie op het onderliggende beklag heeft beslist.
3. De uitspraak
De voorzitter wijst het verzoek toe en schorst de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing met onmiddellijke ingang tot het moment waarop de beklagcommissie op het onderliggende beklag heeft beslist.
Deze uitspraak is op 14 augustus 2026 gedaan door mr. D. Riani el Achhab, voorzitter, bijgestaan door J.A. van der Veen, secretaris.
secretaris voorzitter