Nummer 26/56614/SGA
Betreft [verzoeker]
Datum 22 april 2026
Uitspraak van de voorzitter van de beroepscommissie van de RSJ op het verzoek van
[verzoeker] (hierna: verzoeker)
1. De procedure
De directeur van de locatie Norgerhaven te Veenhuizen (hierna: de directeur) heeft beslist om verzoeker intern over te plaatsen naar de locatie Esserheem te Veenhuizen.
Verzoeker vraagt om schorsing van de (verdere) tenuitvoerlegging daarvan.
De voorzitter heeft kennisgenomen van de reactie van de directeur op het schorsingsverzoek, van het klaagschrift (Nh-2026-175).
2. De beoordeling
Hoewel de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing nog niet is aangevangen, kan het verzoek inhoudelijk worden beoordeeld, nu de beslissing tot interne overplaatsing vaststaat.
De voorzitter merkt op dat bij een verzoek om schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing van de directeur slechts ruimte bestaat voor een voorlopige beoordeling. De zaak kan dus niet ten gronde worden onderzocht. De voorzitter beoordeelt alleen of de beslissing waartegen beklag is ingesteld in strijd is met een wettelijk voorschrift of dat deze zodanig onredelijk of onbillijk is dat er een spoedeisend belang is om op dit moment de (verdere) tenuitvoerlegging van die beslissing te schorsen. Naar het oordeel van de voorzitter is dat niet het geval.
Uit de schriftelijke reactie van de directeur, waaronder de bestreden beslissing, op het schorsingsverzoek komt naar voren dat verzoeker per 1 mei 2026 intern is overgeplaatst naar de locatie Esserheem, omdat de afdeling waar verzoeker verblijft in de locatie Norgerhaven zal sluiten vanwege een verbouwing.
De voorzitter overweegt als volgt.
Uit artikel 3, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) volgt dat de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een penitentiaire inrichting (PI) aanwijst en dat een inrichting kan zijn gevestigd op verschillende locaties binnen hetzelfde arrondissement.
Als de directeur beslist om een gedetineerde over te plaatsen naar een andere locatie van de PI, moet de gedetineerde op grond van artikel 57, eerste lid onder l, van de Pbw daarover eerst worden gehoord.
Verzoeker voert aan dat hij voorafgaand aan het nemen van de bestreden beslissing niet is gehoord. De voorzitter overweegt echter dat uit de bestreden beslissing voldoende aannemelijk is geworden dat verzoeker wel is gehoord dan wel in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord voordat de bestreden beslissing is genomen.
Inhoudelijk overweegt de voorzitter dat de directeur de beslissing tot interne overplaatsing op grond van vaste jurisprudentie van de beroepscommissie moet motiveren, zodat voor de gedetineerde kenbaar is waarom hij wordt overgeplaatst. Uit de reactie van de directeur is voldoende gebleken waarom verzoeker is overgeplaatst naar de locatie Esserheem. Gelet daarop is de beslissing niet zodanig onredelijk of onbillijk dat er een spoedeisend belang is om op dit moment de (verdere) tenuitvoerlegging van die beslissing te schorsen. Het verzoek zal worden afgewezen.
3. De uitspraak
De voorzitter wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is op 22 april 2026 gedaan door mr. R.H. Koning, voorzitter, bijgestaan door J.A. van der Veen, secretaris.
secretaris voorzitter