Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 25/48033/GA, 17 augustus 2026, beroep
Uitspraakdatum:17-08-2026

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer          25/48033/GA

Betreft  [klager]

Datum  17 augustus 2026

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van

[klager] (hierna: klager)

 

1. De procedure

Klager heeft beklag ingesteld tegen de omstandigheid dat hij tweemaal te laat naar het bezoekmoment met zijn advocaat is gebracht.

De beklagrechter bij de Penitentiaire Inrichting (PI) Krimpen aan den IJssel heeft op 22 april 2025 klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag (IJ‑2025‑419). De uitspraak van de beklagrechter is bijgevoegd.

Klagers raadsman, mr. N.M. van Boekel, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze uitspraak.

De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsman en de directeur van de PI Krimpen aan den IJssel (hierna: de directeur) in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.

 

2. De beoordeling

Op grond van artikel 61, derde lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) vermeldt het klaagschrift zo nauwkeurig mogelijk de beslissing waarover wordt geklaagd en de redenen van het beklag. De beklagrechter heeft klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag, omdat klager in zijn klaagschrift geen data vermeldt wanneer hij te laat naar zijn advocaat zou zijn gebracht en hij daardoor onvoldoende nauwkeurig zou hebben aangegeven waarover hij klaagt.

In de memorie van toelichting op de Pbw (Kamerstukken II 1994/95, 24263, nr. 3, p. 77) staat:

“Aan het indienen van een klaagschrift is het vereiste toegevoegd dat dit zo nauwkeurig mogelijk de beslissing vermeldt waarover wordt geklaagd en met redenen is omkleed. Het is om diverse redenen van belang dat een beklagcommissie en de directeur aanstonds duidelijk is over welke kwestie geklaagd wordt. Het betreft met name de voorbereiding van de zaak door de directeur en de beperking van de verplichting om een zitting te houden.”

Klager geeft in zijn klaagschrift aan dat hij tweemaal een halfuur te laat naar het bezoek van zijn advocaat is gebracht en dat hij dat ook met het afdelingshoofd heeft besproken. Naar het oordeel van de beroepscommissie is daarmee voldoende duidelijk waar het beklag tegen is gericht. Het (enkele) niet noemen van een datum van de beslissing of in dit geval een (of meer) gebeurtenis(sen) waarover wordt geklaagd in het klaagschrift kan zonder meer relevant zijn voor de beoordeling van de ontvankelijkheid, en ook voor een inhoudelijke beoordeling van het beklag, maar het betekent niet per definitie dat ieder klaagschrift reeds daardoor als onvoldoende nauwkeurig moet of kan worden aangemerkt. Dit hangt af van de feiten en omstandigheden van het geval. Gelet op het onderwerp van dit beklag is voldoende nauwkeurig aangegeven waar het beklag op ziet en moet de directeur in staat worden geacht zich te kunnen voorbereiden op de behandeling daarvan, zo nodig door navraag te doen bij zijn medewerkers. Klager vermeldt in zijn klaagschrift overigens dat de data ‘bij de inrichting bekend zijn’. 

Het klaagschrift vormt de basis van het beklag. Het is duidelijk waar de klacht op ziet. Klagers standpunt kan in beklag met feiten en gronden (die binnen de reikwijdte van het beklag vallen) worden aangevuld en verduidelijkt. Als sprake is van een mondelinge behandeling van het beklag kan dat ook nog ter zitting (vergelijk RSJ 29 april 2024, 23/30339/GA). Dat past bij het laagdrempelige karakter van het beklagrecht, waar rechtsbijstand niet verplicht is.

In dit geval heeft er geen mondelinge behandeling van het beklag plaatsgevonden, noch is, zo leidt de beroepscommissie af uit de stukken, de directeur om een schriftelijke reactie op het klaagschrift gevraagd. Klager is, zo begrijpt de beroepscommissie, niet in de gelegenheid gesteld om zijn standpunt aan te vullen of te verduidelijken. De beklagrechter is daartoe op zichzelf ook niet gehouden.        

De raadsman heeft zich in beklag tijdig (binnen de door de beklagrechter gegeven termijn) gesteld. Hij heeft verzocht om de onderliggende stukken aan hem toe te sturen. In beroep stelt de raadsman dat aan dat verzoek geen gevolg is gegeven en dat klager niet in de gelegenheid is gesteld om verduidelijking van het beklag te verschaffen, dan wel het beklag te specificeren. De beroepscommissie wijst erop dat het op de weg van de beklagrechter ligt om de raadsman desgevraagd het onderliggende dossier toe te sturen, (mogelijk) ter aanvulling van de gronden van het beklag (vergelijk RSJ 4 november 2020, R-20/6355/GA).

Gelet op het bovenstaande kan de beroepscommissie het oordeel van de beklagrechter dat het klaagschrift onvoldoende nauwkeurig is omschreven, zoals bedoeld in artikel 61, derde lid, van de Pbw, niet volgen. Zij zal de uitspraak van de beklagrechter om die reden vernietigen. De beroepscommissie beschikt over onvoldoende informatie om de klacht inhoudelijk te beoordelen en zal in dit geval de zaak terugwijzen naar de beklagrechter om alsnog op de klacht te beslissen.

 

3. De uitspraak

De beroepscommissie vernietigt de uitspraak van de beklagrechter en wijst het beklag terug naar de beklagrechter om de klacht alsnog inhoudelijk te beoordelen.

 

Deze uitspraak is op 17 augustus 2026 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. S.M. Krans, voorzitter, drs. T.A. Venrooij en mr. S.C.M. Wouda-van Velzen, leden, bijgestaan door mr. L.A.E. Rijnja, secretaris.

 

secretaris         voorzitter

Naar boven