Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 26/55150/GE, 1 september 2026, beroep
Uitspraakdatum:01-09-2026

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer          26/55150/GE

Betreft  [klager]

Datum  1 september 2026

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van

[klager] (hierna: klager)

 

1. De procedure

Klager heeft de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (hierna: verweerder) op 11 oktober 2025 verzocht om toe te staan dat hij twee andere (extra) rechtsbijstandverleners aanwijst die toegang tot hem hebben, te weten M.F. Günes en K.H. Soydemir, met ingang van 1 november 2025.

Klager heeft verweerder op 17 oktober 2025 verzocht om toe te staan dat hij een andere (extra) rechtsbijstandverlener aanwijst die toegang tot hem heeft, te weten S. Gülmez, met ingang van 1 november 2025.

Verweerder heeft de verzoeken op 14 november 2025 afgewezen.

Klager heeft daartegen bezwaar ingesteld. Verweerder heeft op 13 februari 2026 het bezwaar ongegrond verklaard.

Klagers raadsman, mr. T.S. van der Horst, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze beslissing.

De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsman en namens verweerder (twee kantoorgenoten van) de landsadvocaat gehoord op de digitale zitting van 10 juli 2026. E.B. Nijman, lid van de Afdeling rechtspraak van de RSJ, was als toehoorder aanwezig.

 

2. De standpunten in beroep

Standpunt van klager

Voor klager is niet begrijpelijk dat zijn verzoek om vertrouwelijk contact te mogen hebben met mr. M.F. Günes is afgewezen. Niet (meer) ter discussie staat immers dat klager in Turkije (ook) wordt bijgestaan door mr. M.F. Günes, zodat hij in staat moet worden gesteld om vertrouwelijk contact te kunnen hebben met deze advocaat. Het enkele feit dat volgens verweerder niet blijkt dat de inhoudelijke behandeling van de strafzaak – waarin mr. Günes zich heeft gesteld en werkzaamheden verricht – plaatsvindt, rechtvaardigt niet de gevolgtrekking dat vertrouwelijk overleg niet noodzakelijk is. Dat klager inmiddels vertrouwelijk contact kan hebben met mr. M.F. Solak, maakt dat niet anders.

Daarnaast is ook niet begrijpelijk dat klagers verzoeken om vertrouwelijk contact te mogen hebben met mr. K.H. Soydemir en mr. S. Gülmez zijn afgewezen. Zij verlenen aan klager juridische bijstand, wat volgt uit een door klager (ook in het aangekondigde kort geding) toegezonden machtiging. Beide advocaten hebben klager ten behoeve van de lopende strafzaak en vanuit de hoedanigheid als rechtsbijstandverlener(s) veelvuldig bezocht in de Turkse gevangenis. Nadat klager naar Nederland is overgebracht, heeft hij telefonisch contact gehouden met mr. Soydemir en mr. Gülmez. Mr. Soydemir heeft klager op 31 oktober 2025 zelfs bezocht in de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) van de PI Vught.

Gelet daarop is voor klager niet begrijpelijk dat verweerder – enkel en alleen vanwege de wetswijziging van 1 november 2025 – heeft beslist om klager niet langer te faciliteren in het vertrouwelijk contact met de drie voornoemde Turkse advocaten. Er is niet toereikend gemotiveerd waarom deze advocaten niet worden aangewezen als geprivilegieerd contact als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder l, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw).

Klager verzoekt om aan hem een tegemoetkoming toe te kennen, althans dat verweerder opdracht wordt gegeven om binnen een gegeven termijn een nieuwe beslissing te nemen.

Standpunt van verweerder

De Turkse advocaten zijn geen rechtsbijstandverlener in de zin van artikel 1, onder i, van de Pbw en artikel 40a, zesde lid, van de Pbw (zie RSJ 10 november 2023, 23/32624/GA). Nu artikel 40a, zesde lid, van de Pbw geen grondslag biedt voor het toestaan van geprivilegieerd contact met een ander dan de rechtsbijstandverlener, kunnen de verzoeken van klager om deze personen als extra rechtsbijstandverlener aan te wijzen, niet worden toegewezen. Het beroep is reeds om die reden ongegrond.

Er is wel een andere grondslag om een ander dan een in Nederland ingeschreven advocaat toe te staan als geprivilegieerd contact, namelijk artikel 37, eerste lid, onder l, van de Pbw. Die bepaling geeft aan zowel de Minister als de inrichtingsdirecteur de bevoegdheid om ‘andere personen of instanties’ aan te wijzen die geprivilegieerd contact mogen hebben met een gedetineerde.

Tegen een beslissing van verweerder op grond van deze bepaling staat echter – anders dan tegen eenzelfde beslissing van de directeur – geen beroep open. Of verweerder gehouden was om meer van de door klager aangedragen Turkse advocaten aan te wijzen op grond van artikel 37, eerste lid, onder l, van de Pbw, ligt in deze procedure dan ook niet voor. Aan het verzoek van klager om te bepalen dat de advocaten moeten worden aangemerkt als geprivilegieerd contact als bedoeld in voornoemd wetsartikel kan dus niet worden toegekomen.

Ook als dat anders was, zou dat niet tot een gegrondverklaring kunnen leiden. Uit de processen-verbaal van de Turkse rechtbank volgt dat de strafzaak tegen klager zich in een voorbereidende fase bevindt. De zaak wordt kennelijk iedere paar maanden op zitting gepland, waarbij de voorlopige hechtenis van de gedetineerde verdachten wordt getoetst, maar een inhoudelijke behandeling vindt niet plaats. Ten aanzien van klager is slechts vermeld dat zijn advocaten verzoeken hebben gedaan om vertaling en betekening van bepaalde stukken (welke verzoeken zijn afgewezen) en dat de rechtbank de ‘uitwisselingsprocedure’ (uitlevering van klager aan Turkije) afwacht. Tegen deze achtergrond valt niet in te zien dat het op dit moment noodzakelijk is om klager geprivilegieerd contact toe te staan met meer dan één Turkse advocaat. Klager heeft dat ook niet toegelicht.

 

3. De beoordeling

Ontvankelijkheid van klager in het beroep

Klager kan op grond van het per 1 november 2025 in werking getreden artikel 40a, zesde lid, van de Pbw een verzoekschrift indienen bij verweerder om andere (extra) rechtsbijstandverleners aan te wijzen. Op grond van artikel 17, eerste lid, sub c, van de Pbw kan klager een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen tegen de weigering om andere (extra) rechtsbijstandverleners toe te staan als bedoeld in artikel 40a, zesde lid, van de Pbw. Op grond van artikel 72, eerste lid, van de Pbw kan klager beroep instellen tegen de ongegrondverklaring van het door hem ingediende bezwaarschrift. De beroepscommissie is op grond van het voorgaande van oordeel dat klager in zijn beroep kan worden ontvangen.

Mocht klager alvast een verzoek indienen?

Klager heeft zijn verzoeken op 23 september, 7 en 15 oktober 2025 al ingediend bij verweerder, terwijl artikel 40a, zesde lid, van de Pbw op dat moment nog niet in werking was getreden. Op het moment van indienen van klagers verzoeken was het echter wel al bekend dat artikel 40a, zesde lid, van de Pbw op 1 november 2025 in werking zou treden (Stb. 2025, 197 en 206). De beroepscommissie ziet in (de wetsgeschiedenis van) dit artikel geen steun voor de opvatting dat klager pas vanaf de inwerkingtreding van het artikel een verzoek bij verweerder mocht indienen. De beroepscommissie is dan ook van oordeel dat klager zijn verzoeken mocht indienen, ook al was artikel 40a, zesde lid, van de Pbw nog niet in werking getreden. Overigens was de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) kennelijk ook al hierop voorbereid, want klager heeft voor zijn verzoeken gebruikgemaakt van voorgedrukte formulieren.

Beslissing bevoegd genomen?

De beroepscommissie toetst ambtshalve of sprake is van een bevoegd genomen beslissing. De directeur-generaal van de DJI heeft namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op klagers verzoeken en bezwaarschrift beslist. De beroepscommissie beoordeelt of sprake is van een rechtsgeldig mandaat aan de directeur-generaal en overweegt daarover het volgende.

Op grond van artikel 1, aanhef en onder dd., van het Besluit bekendmaking taak Staatssecretaris Justitie en Veiligheid is de staatssecretaris in het bijzonder belast met de aangelegenheden betreffende DJI. Uit de artikelen 2 en 3 van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid blijkt dat de staatssecretaris mandaat heeft verleend aan de secretaris-generaal en dat deze ondermandaat kan verlenen. Uit artikel 1, aanhef en onder g., van het Mandaatbesluit hoofden taakorganisatie Ministerie van Justitie en Veiligheid blijkt dat ondermandaat is verleend aan de directeur-generaal van de DJI ten aanzien van de aangelegenheden die zijn dienstonderdeel betreffen.

Naar het oordeel van de beroepscommissie valt de beslissing op klagers bezwaarschrift aan te merken als een aangelegenheid die de DJI betreft. Het gaat immers om de uitvoering van klagers vrijheidsstraf. De beroepscommissie komt dan ook tot het oordeel dat deze beslissing met een rechtsgeldig mandaat en om die reden bevoegd door de directeur-generaal is genomen.

Juridisch kader

Op 1 november 2025 zijn de wijzigingen in de Pbw in werking getreden. Op grond van artikel 40a, eerste lid, van de Pbw doet de gedetineerde die verblijft in een EBI opgave aan de directeur van ten hoogste twee rechtsbijstandverleners die toegang hebben tot de gedetineerde. Volgens het tweede lid draagt de directeur, in afwijking van artikel 37, eerste lid, van de Pbw, zorg dat brieven of andere poststukken, gericht aan of afkomstig van andere rechtsbijstandverleners dan de aangewezen rechtsbijstandverleners, niet worden uitgereikt aan de gedetineerde. Op grond van het derde en vierde lid is vrije toegang van de rechtsbijstandverlener tot de gedetineerde (bezoek) en het recht op het voeren van telefoongesprekken met een rechtsbijstandverlener beperkt tot de aangewezen rechtsbijstandverleners. Volgens het zesde lid heeft de gedetineerde het recht om bij verweerder een met redenen omkleed verzoekschrift in te dienen, strekkende tot het toestaan dat de gedetineerde een of meer andere rechtsbijstandverleners aanwijst die toegang hebben tot de gedetineerde indien bijzondere omstandigheden hiertoe aanleiding geven.

Uit de memorie van toelichting bij de wijziging van de Penitentiaire beginselenwet in verband met aanvullende maatregelen tegen georganiseerde criminaliteit tijdens detentie (Kamerstukken II 2022/23, 36 372, nr. 3) volgt dat communicatiemogelijkheden met de buitenwereld een cruciale rol spelen in het voortgezet crimineel handelen vanuit detentie. Het contact met de rechtsbijstandverlener is één van mogelijkheden die de gedetineerde heeft om zonder toezicht met de buitenwereld te communiceren. Het beperken van het aantal rechtsbijstandverleners met wie geprivilegieerd contact wordt gefaciliteerd tot ten hoogste twee, heeft tot doel het verminderen van de mogelijkheden die een gedetineerde heeft om contacten met de buitenwereld te misbruiken en in dit kader het beschermen van rechtsbijstandverleners tegen druk, dwang, of dreiging vanuit de georganiseerde criminaliteit.

De Minister kan – naast de twee aangewezen rechtsbijstandverleners – op gemotiveerd verzoek van de gedetineerde één of meer extra rechtsbijstandverleners aanwijzen met wie de gedetineerde geprivilegieerd contact mag hebben indien bijzondere omstandigheden hiertoe aanleiding geven. Onder bijzondere omstandigheden wordt verstaan de situatie dat een gedetineerde bij andere rechtszaken betrokken is dan de straf- of daaraan gerelateerde zaken en die andere rechtszaken niet door de aangewezen rechtsbijstandverlener kan worden gedaan. Onder de reikwijdte van straf- of daaraan gerelateerde zaken vallen, in overeenstemming met de indeling van specialisaties die de Nederlandse orde van advocaten hanteert, de volgende rechtsgebieden: strafrecht, jeugdstrafrecht, internationaal strafrecht, tbs, uit- en overleveringszaken, vreemdelingenstrafrecht en penitentiair recht. Indien een gedetineerde op andere rechtsgebieden betrokken raakt bij een rechtszaak en twee aangewezen rechtsbijstandverleners niet over de juiste kennis en kunde beschikken, dan moet het mogelijk zijn voor de gedineerde om een extra advocaat te krijgen met wie er ook geprivilegieerd contact kan zijn. 

Verzoeken om andere (extra) rechtsbijstandverleners

Klager verblijft in de EBI van de PI Vught. Hij heeft twee aangewezen rechtsbijstandverleners. In zijn verzoekschriften om andere (extra) rechtsbijstandverleners aan te wijzen, heeft klager toegelicht dat hij in een strafzaak […] – die in Turkije aanhangig is – wordt bijgestaan door drie Turkse advocaten. Mr. Günes staat hem bij in de zaak met betrekking tot verdenking van witwassen. Mr. Soydemir staat klager bij in de zaak die ziet op verdenking van deelname aan een criminele organisatie. Mr. Gülmez staat klager bij in de zaak ten aanzien van een verdenking van het vervalsen van officiële documenten. De advocaten waren voornemens om hem in november 2025 te komen bezoeken. De verzoeken van klager om de voornoemde Turkse advocaten als andere (extra) rechtsbijstandverleners aan te wijzen zijn door verweerder afgewezen.

Overwegingen van de beroepscommissie

Klagers verzoeken zijn afgewezen, omdat de drie Turkse advocaten niet op het tableau van de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) staan ingeschreven noch op andere wijze als advocaat in Nederland hun beroep mogen uitoefenen. De beroepscommissie overweegt daarover als volgt.

In artikel 1, onder i, van de Pbw is bepaald dat onder rechtsbijstandverlener wordt verstaan: de advocaat of de medewerker van de voorziening, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wet op de rechtsbijstand.

De beroepscommissie heeft in RSJ 10 november 2023, 23/32624/GA bepaald dat voor de invulling van het begrip ‘rechtsbijstandverlener’ moet worden gekeken naar de definitie van ‘advocaat’ in de Advocatenwet.

In artikel 1 van de Advocatenwet staat dat ‘de advocaten’ worden ingeschreven op het tableau van de NOvA. In de Advocatenwet wordt ook geregeld welke advocaten die werkzaam zijn in het buitenland voor het uitoefenen van hun beroep in Nederland in aanmerking (kunnen) komen. Zo volgt uit artikel 16h van de Advocatenwet dat degene die afkomstig is uit een lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, en die in zijn staat van herkomst gerechtigd is zijn beroepswerkzaamheid uit te oefenen onder de benaming advocaat of een daarmee overeenkomstige benaming, het recht heeft om in Nederland permanent dezelfde werkzaamheden uit te oefenen als de overeenkomstig artikel 1 van de Advocatenwet ingeschreven advocaat, nadat hij zich heeft laten inschrijven op het tableau van de NOvA.

Niet gebleken is dat de door klager aangedragen personen als advocaat op het tableau staan ingeschreven of op andere wijze als advocaat in Nederland hun beroep mogen uitoefenen (zie artikel 16h van de Advocatenwet). Nu zij voor wat betreft het uitoefenen van hun beroep in Nederland niet kunnen worden aangemerkt als advocaat, kunnen zij ook niet worden aangemerkt als rechtsbijstandverlener in de zin van de Pbw. Gelet daarop is de beroepscommissie van oordeel dat verweerder de verzoeken van klager om hen als andere (extra) rechtsbijstandverleners aan te wijzen in redelijkheid heeft kunnen afwijzen.

Artikel 37, eerste lid, onder l, van de Pbw

Op grond van artikel 37, eerste lid, onder l, van de Pbw kan de Minister een persoon of instantie aanwijzen als geprivilegieerd contact. Anders dan in artikel 40a, zesde lid, van de Pbw geldt hier niet dat het moet gaan om een rechtsbijstandverlener in de zin van de Pbw. Indien de Minister een persoon of instantie als geprivilegieerd contact aanwijst, is daartegen geen beklag-, bezwaar of beroepsmogelijkheid in de Pbw opgenomen.

Als een verzoek als bedoeld in artikel 40a, zesde lid, van de Pbw wordt afgewezen, omdat de aangedragen persoon geen rechtsbijstandverlener is in de zin van de Pbw, betekent dit niet dat verweerder vervolgens is gehouden om geprivilegieerd contact als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder l, van de Pbw mogelijk te maken. De Minister kan daarin een eigen afweging maken. Indien de Minister daartoe aanleiding ziet – bijvoorbeeld vanwege een in het buitenland aanhangige strafprocedure – kan hij gebruikmaken van zijn bevoegdheid om een persoon of instantie alsnog aan te wijzen als geprivilegieerd contact.

In dit geval heeft verweerder beslist om mr. E. Solak, een Turkse advocaat, als geprivilegieerd contact aan te wijzen. Namens klager is aangevoerd dat daarnaast ook de drie door hem aangedragen Turkse advocaten als geprivilegieerde contacten hadden moeten worden aangewezen. De beroepscommissie merkt op dat de beoordeling zich in deze zaak evenwel beperkt tot de vraag of het verzoek op grond van artikel 40a, zesde lid, van de Pbw, in redelijkheid kon worden afgewezen. Een beslissing van verweerder als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder l, van de Pbw – waartegen geen beklag-, bezwaar- of beroepsmogelijkheid openstaat – ligt dus niet voor. De beroepscommissie zal zich hierover dan ook niet uitlaten.

Conclusie

Gelet op al het voorgaande en bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, kan de afwijzing van klagers verzoeken niet als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt. De beroepscommissie zal het beroep daarom ongegrond verklaren.

 

4. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond.

 

Deze uitspraak is op 1 september 2026 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. F. Sieders, voorzitter, F. van Dekken en mr. L.C.P. Goossens, leden, bijgestaan door de secretaris.

   

voorzitter

Naar boven