Nummer 26/58802/GV
Betreft [klager]
Datum 23 juli 2026
Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van
[klager] (hierna: klager)
1. De procedure
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (hierna: verweerder) heeft op 16 juli 2026 klagers verzoek om incidenteel verlof afgewezen.
Klagers raadsvrouw, mr. C.J. Tiemessen, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze beslissing.
De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsvrouw en verweerder in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.
De beroepscommissie heeft kennisgenomen van het beroepschrift, de reactie van verweerder en de overige stukken.
2. De beoordeling
Klager is sinds 9 februari 2025 gedetineerd. Hij ondergaat een gevangenisstraf van vier jaar met aftrek, wegens poging tot doodslag. De datum waarop klager (voorwaardelijk) in vrijheid wordt gesteld, is momenteel bepaald op 9 oktober 2027.
De regelgeving
Volgens artikel 1, aanhef en onder d, van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting (hierna: de Regeling) wordt onder ‘ouder’ verstaan: de ouder van de gedetineerde, alsmede de stiefouder, pleegouder of grootouder, voor zover deze gedurende een langere tijd de ouderrol heeft vervuld.
In artikel 21 van de Regeling staat dat incidenteel verlof kan worden verleend voor het bijwonen van gebeurtenissen in de persoonlijke sfeer van de gedetineerde, waarbij zijn aanwezigheid noodzakelijk is.
Op grond van artikel 23 van de Regeling kan incidenteel verlof worden verleend voor een bezoek aan een in levensgevaar of ernstig psychische nood verkerende levenspartner, kind, ouder, broer, zuster, grootouder of schoonouder van de gedetineerde.
In artikel 24, eerste lid, van de Regeling is bepaald dat incidenteel verlof kan worden verleend voor een bezoek in verband met het overlijden van de levenspartner, of een kind, ouder, broer, zuster, grootouder of schoonouder van de gedetineerde. In het tweede lid is bepaald dat het bezoek kan bestaan in het bijwonen van de uitvaart, een rouwbezoek dan wel een bezoek aan graf of columbarium.
Op grond van artikel 25 van de Regeling kan incidenteel verlof worden verleend voor een bezoek aan een niet tot reizen in staat zijnde levenspartner, kind en ouder, indien deze wegens medische of psychische belemmeringen niet in staat is de inrichting te bezoeken en de gedetineerde gedurende drie maanden niet heeft kunnen ontmoeten.
Klagers verzoek
Klager heeft verzocht om incidenteel verlof, omdat hij afscheid wenst te nemen van zijn stiefopa. Klagers stiefopa is ernstig ziek en bevindt zich in een palliatieve fase. Klagers wenst daarnaast na het overlijden de crematie bij te wonen.
De overwegingen van de beroepscommissie
Naar het oordeel van de beroepscommissie voldoet het verzoek niet aan de in de artikelen 23, 24 en 25 van de Regeling genoemde voorwaarden, omdat de stiefgrootouder van de gedetineerde niet behoort tot de kring van de te bezoeken personen. Onder ‘ouder’ kan weliswaar ook een grootouder worden verstaan, maar de beroepscommissie is met verweerder van oordeel dat kennelijk niet bedoeld is een stiefgrootouder hier ook onder te scharen. In tegenstelling tot bijvoorbeeld het stiefkind van de gedetineerde of de stiefouder van de gedetineerde, voor zover deze gedurende een langere tijd de ouderrol heeft vervuld, heeft de regelgever dit niet nader gespecificeerd ten aanzien van de grootouder.
Overigens geldt dat het kunnen bezoeken van een grootouder pas aan de orde kan zijn indien de grootouder gedurende langere tijd de ouderrol heeft vervuld. Nog los van het gegeven dat de stiefgrootouder niet behoort tot de kring van de te bezoeken personen, geldt dat het naar het oordeel van de beroepscommissie ook niet aannemelijk is geworden dat klagers stiefgrootouder deze ouderrol zou hebben vervuld. Klager heeft in een brief aangegeven dat zijn opa van kleins af aan een belangrijke rol speelt in zijn leven, omdat zijn ouders niet veel in zijn leven aanwezig konden zijn. Klager zou daarom een groot deel van zijn jeugd bij zijn opa en oma kind aan huis zijn geweest. Ook zouden zijn opa en oma hem veel hebben gesteund tijdens een langdurig revalidatietraject.
Hoewel de beroepscommissie het voldoende aannemelijk acht dat klager met zijn stiefopa een goede en nauwe band heeft (gehad), is zij van oordeel dat de informatie onvoldoende wijst op een langdurige ouderrol. Daarvoor is onvoldoende gespecificeerd welke rol klagers stiefopa speelde op het moment dat klager daar verbleef en gedurende welke periode daarvan sprake is geweest (vergelijk RSJ 28 augustus 2024, 24/40927/GV). Ook de bijgevoegde foto’s kunnen niet leiden tot een ander oordeel, nu sprake is van momentopnames. Dit zegt op zichzelf nog niets over de (ouder)rol die klagers stiefopa zou hebben vervuld.
Gelet op het voorgaande en bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, kan de bestreden beslissing niet als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt. De beroepscommissie zal het beroep dan ook ongegrond verklaren.
3. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is op 23 juli 2026 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit
mr. G.C. Bos, voorzitter, mr. A.B. Baumgarten en mr. dr. A. Pahladsingh, leden, bijgestaan door mr. A. Back, secretaris.
secretaris voorzitter