Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 25/47216/GA (hersteluitspraak), 18 mei 2026, beroep
Uitspraakdatum:18-05-2026

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer          25/47216/GA (hersteluitspraak)

Betreft  [klager]

Datum  18 mei 2026

 

Hersteluitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van

[klager] (hierna: klager)

 

1. De procedure

Klager heeft beklag ingesteld tegen de weigering om contact te onderhouden met een Jehova getuige als geestelijk verzorger.

De beklagrechter bij de Penitentiaire Inrichting (PI) Vught heeft op 27 februari 2025 het beklag ongegrond verklaard (VU-2024-1486). De uitspraak van de beklagrechter is bijgevoegd.

Klagers (voormalig) gemachtigde, […], heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze uitspraak.

De beroepscommissie heeft klager, zijn (voormalig) gemachtigde en de directeur van de PI Vught (hierna: de directeur) in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.

De beroepscommissie heeft op 24 februari 2026 het beroep gegrond verklaard (25/47216/GA).

De directeur heeft per e-mail van 5 maart 2026 verzocht om de uitspraak te herstellen, omdat een aanvullend verweerschrift van de directeur, verstuurd op 27 mei 2025, niet in het dossier is gevoegd. Gebleken is dat de beroepscommissie dit aanvullende verweerschrift door een technische fout niet bij haar beoordeling heeft betrokken. Het verzoek van de directeur is daarom toegewezen en de zaak is heropend. Het voorgaande is aan partijen bericht.

De beroepscommissie zal met deze uitspraak de eerdere uitspraak herstellen. Zij doet dat uit praktische overwegingen in gewijzigde samenstelling, met mr. W.S. Korteling als voorzitter.

De beroepscommissie heeft klager, zijn (voormalig) gemachtigde en de directeur opnieuw in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.

Op 21 april 2026 heeft mr. F.A. van Katwijk zich gesteld als raadsman van klager.

 

2. De beoordeling

Artikel 41 van de Penitentiaire beginselenwet:

  1. De gedetineerde heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden en te beleven.
  2. De directeur draagt zorg dat in de inrichting voldoende geestelijke verzorging, die zoveel mogelijk aansluit bij de godsdienst of levensovertuiging van de gedetineerden, beschikbaar is.
  3. De directeur stelt de gedetineerde in de gelegenheid op in de huisregels vastgestelde tijden en plaatsen:
    1. persoonlijk contact te onderhouden met de geestelijke verzorger van de godsdienst of levensovertuiging van zijn keuze, die aan de inrichting is verbonden;
    2. contact te onderhouden met andere dan de onder a genoemde geestelijke verzorgers volgens artikel 38;
    3. in de inrichting te houden godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten van zijn keuze bij te wonen. Artikel 23 is van overeenkomstige toepassing.
  4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld ten aanzien van de beschikbaarheid van de geestelijke verzorging. Deze regels hebben betrekking op de verlening van geestelijke verzorging door of vanwege verschillende richtingen van godsdienst of levensovertuiging, op de organisatie en de bekostiging van de geestelijke verzorging en op de indienstneming van geestelijke verzorgers bij een inrichting.

Artikel 25 van de Penitentiaire maatregel (Pm):

Aan een inrichting zijn geestelijk verzorgers van verschillende godsdiensten of levensovertuigingen verbonden, doch in elk geval geestelijk verzorgers van boeddhistische, hindoeïstische, islamitische, joodse, protestantse en rooms-katholieke gezindte en geestelijk verzorgers van het humanistisch verbond.

Artikel 27 van de Pm:

Een andere geestelijk verzorger dan de in artikel 25 van de Pm genoemde kan door de directeur toegang worden verleend tot de inrichting. De directeur neemt deze beslissing niet dan na overleg met Onze Minister.

In de toelichting bij dit artikel (Stb. 2020, 457) staat dat de toegang tot de inrichting van eventuele andere geestelijk verzorgers langs reguliere weg geschiedt, ter beoordeling aan de directeur van de inrichting. “Hiervan kan zowel sprake zijn wanneer het een geestelijk verzorger betreft die weliswaar behoort tot een van de in het besluit genoemde denominaties, maar die niet is aangesteld bij de inrichting (bijvoorbeeld een geestelijk verzorger van de eigen gemeente) als wanneer het een geestelijk verzorger betreft die niet behoort tot een van de genoemde denominaties. De directeur van de inrichting kan in dat geval die geestelijk verzorger toegang verlenen tot de inrichting”.

Het contact met een geestelijk verzorger van de Christelijke Gemeente van Jehovah’s Getuigen (CGJG) is nader geregeld in de Circulaire Geestelijke verzorging Jehova’s getuigen (geldig vanaf 1 december 2017).

Overwegingen van de beroepscommissie

In beklag heeft de directeur toegelicht dat de geestelijk verzorger van de CGJG de toegang tot de inrichting is geweigerd, omdat de Jehova getuige niet een aan de inrichting verbonden geestelijk verzorger is.

Voor het eerst in beroep stelt de directeur dat klager “het afgelopen jaar” op regelmatige basis bezoek heeft ontvangen van een geestelijk verzorger van de CGJG, maar dat het “vanwege een fout in de bezoekadministratie” eenmalig is voorgekomen dat deze geestelijk verzorger klager niet kon bezoeken. Klager heeft dit niet weersproken. Hoewel de directeur zijn stelling in beroep niet nader specificeert, hij kennelijk ook niet weet wanneer de fout is voorgevallen en het voor de beroepscommissie niet duidelijk is wat de directeur precies bedoelt met “een fout in de bezoekadministratie”, begrijpt de beroepscommissie dat de betreffende geestelijk verzorger van de CGJG (eenmalig) de toegang tot de inrichting is geweigerd, terwijl klager toestemming had om bezoek te ontvangen van deze geestelijk verzorger. De directeur erkent met zoveel woorden dat deze weigering onterecht was en dat de oorzaak daarvan ligt bij de inrichting.

Naar het oordeel van de beroepscommissie is de beslissing om de geestelijk verzorger van de CGJG (alsnog) de toegang tot de inrichting te weigeren daarom onredelijk en onbillijk. De beroepscommissie zal het beroep daarom gegrond verklaren, de uitspraak van de beklagrechter vernietigen en het beklag alsnog gegrond verklaren. De beroepscommissie zal ook de beslissing van de directeur vernietigen. Zij draagt de directeur op om aan klager – voor zover dat mogelijk is – het ‘gemiste’ bezoek met de geestelijk verzorger van de CGJG alsnog zo spoedig mogelijk te verlenen, maar uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van deze uitspraak. Voor zover dit bezoek niet (meer) mogelijk is en de rechtsgevolgen van de bestreden beslissing niet meer ongedaan zijn te maken, kent de beroepscommissie aan klager een tegemoetkoming toe van €7,50.

 

3. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de beklagrechter en verklaart het beklag alsnog gegrond. Zij vernietigt de beslissing waarover is geklaagd en draagt de directeur op aan klager – voor zover dit mogelijk is – het ‘gemiste’ bezoek met de geestelijk verzorger van de CGJG alsnog zo spoedig mogelijk te verlenen, maar uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van deze uitspraak. Voor zover dit bezoek niet (meer) mogelijk is, kent de beroepscommissie aan klager een tegemoetkoming toe van €7,50.

 

Deze uitspraak is op 18 mei 2026 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit  mr. W.S. Korteling, voorzitter, mr. J.J. Klomp en mr. A.M.G. Smit, leden, bijgestaan door mr. M.G. Bikker, secretaris.

 

secretaris                                                                                voorzitter

Naar boven