Nummer 25/50177/GA en 25/50181/GA (wraking)
Betreft verzoeker
Datum 16 april 2026
Uitspraak van de wrakingskamer uit de RSJ, zoals bedoeld in artikel 31 van de Instellingswet Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming 2015 (hierna: de Instellingswet)
1. De procedure
verzoeker (hierna: verzoeker) verzoekt om wraking van de beroepscommissie die op de zitting van 26 februari 2026 de beroepszaken 25/50177/GA en 25/50181/GA behandelde.
De wrakingskamer heeft verzoeker en de beroepscommissie in de gelegenheid gesteld om hun opmerkingen schriftelijk kenbaar te maken.
De wrakingskamer heeft kennisgenomen van de gemaakte opmerkingen.
2. De beoordeling
Verzoeker heeft verzocht het wrakingsverzoek mondeling te mogen toelichten. Dit verzoek is niet onderbouwd, terwijl de stukken voldoende informatie bevatten om het verzoek te kunnen beoordelen. De wrakingskamer wijst het verzoek daarom af.
Verzoeker heeft het wrakingsverzoek als volgt, zakelijk weergegeven, toegelicht.
De beroepszaken 25/50177/GA en 25/50181/GA gaan grotendeels (weer) over klagers hechtenis in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC) met dus klachten over psychiaters van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) en het PPC. Dat maakt volgens klager dat de huidige beroepscommissie onbevoegd is om te oordelen, want geen van de leden (leden) is arts. Dat is een wrakingsgrond, want voorzitter (voorzitter) reageerde niet toen klager ter zitting stelde dat deze beroepscommissie onbevoegd was om te oordelen over medische klachten. De voorzitter had direct uitsluitsel moeten geven over de bevoegdheid. Een beroepscommissie die onbevoegd is maakt de beslissing al op voorhand nietig.
Verzoeker kreeg desgevraagd te horen dat er 45 minuten waren uitgetrokken voor de behandeling van de beroepszaken, terwijl het om veertien zaaknummers gaat. Dat is een kleine vier minuten per beroepschrift en dat is in strijd met een goede procesorde. Voorzitter (voorzitter) ging de zaak marginaliseren en heeft verzoeker in feite voor querulant uitgemaakt omdat er heel veel herhaling in de klachten zou zitten. Het geven van een onjuiste voorstelling van zaken, verzoeker betichten van het herhalen van klachten en het blokkeren van het systeem en vier minuten behandeling per klacht geven, kan nooit leiden tot onafhankelijke rechtspraak want verzoeker heeft geen klachtzaak kunnen verdedigen. Zelfs de zaaknummers zijn niet genoemd.
Verzoeker had een pleitnota maar kon deze op de digitale zitting niet overhandigen. Als er maar 45 minuten tijd is, zou het indienen van stukken ter zitting mogelijk moeten zijn. Op artikel 6.4 onder B van het procesreglement (Afdeling rechtspraak van de RSJ) is niet gereageerd terwijl klager nog stukken wilde overleggen. Op grond van artikel 6.4 onder C van het procesreglement kan de beroepscommissie toestaan om na de zitting nog stukken in te dienen. Dat wilde verzoeker, maar daar kwam geen reactie op. Dan komt artikel 6.4 onder D in beeld en als verzoeker stukken zou nazenden zouden die buiten beschouwing worden gelaten. Voorzitter Korteling had gemotiveerd moeten aangeven dat nazenden wel of niet kon.
Op een gegeven moment werd aangegeven “dat de tijd erop zit”. Niet werd gezegd dat de beroepscommissie voldoende was geïnformeerd en dat er uitspraak zou volgen. Dat blijft nu een open eind en dat kan niet. De beroepscommissie is niet voldoende geïnformeerd want in feite is geen enkele klacht behandeld.
Verzoeker heeft nu het recht om gehoord te worden. De bal ligt bij de gewraakte rechters die hierin kunnen berusten of niet, aldus klager.
De beroepscommissie heeft niet in de wraking berust. Zij heeft naar voren gebracht dat de beroepscommissie uit hoofde van haar aanstelling vermoed wordt onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat zij jegens een partij vooringenomenheid koestert, of dat de vrees van verzoeker dat hiervan sprake is, objectief gerechtvaardigd is. Die uitzonderlijke omstandigheden doen zich volgens de beroepscommissie niet voor. Er is 45 minuten uitgetrokken voor de behandeling van twee beroepszaken, waarbij tevens is getracht om bespreekbaar te maken waarom klager in het algemeen veel brieven en klaagschriften indient. Klager is tijdens de hoorzitting zeer uitgebreid aan het woord geweest, maar heeft geen antwoord gegeven op de concrete vragen van de beroepscommissie die zagen op de ontvankelijkheid. Het feit dat de beroepscommissie zich pas in de uitspraak zal uitlaten over de bevoegdheid is gebruikelijk en duidt op geen enkele manier op vooringenomenheid.
Overwegingen van de wrakingskamer
Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Instellingswet kan een lid of de voorzitter van de beroepscommissie (slechts) worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.
De wrakingskamer stelt voorop dat de beroepscommissie uit hoofde van haar aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat zij jegens een partij vooringenomenheid koestert, of dat de vrees van de verzoeker dat hiervan sprake is, objectief gerechtvaardigd is.
De wrakingskamer maakt uit de reactie van de beroepscommissie op dat op de zitting van 26 februari 2026 twee beroepszaken van verzoeker stonden ingepland en dat voor de behandeling daarvan 45 minuten waren uitgetrokken. Het dossier in de beroepszaken omvatte meerdere klaagschriften en beroepschriften. Er is voor gekozen om twee van de beroepszaken mondeling te behandelen. Welke zaken op zitting worden behandeld en hoeveel tijd daarvoor wordt uitgetrokken betreft zogenaamde procesbeslissingen. Dat verzoeker het hier niet mee eens is, levert niet een bijzondere omstandigheid op als bedoeld in artikel 31 van de Instellingswet. Dat geldt ook voor het ter zitting niet kunnen overhandigen van een schriftelijk stuk door verzoeker. Uit de reactie van de beroepscommissie blijkt dat verzoeker in de gelegenheid is gesteld om een en ander mondeling toe te lichten tijdens de zitting.
De wrakingskamer begrijpt dat ter zitting aan verzoeker is uitgelegd dat de zitting ook is georganiseerd om te bezien wat precies verzoekers (onderliggende) belang/zorg is en of tot een oplossing kan worden gekomen. Aanleiding hiervoor is de constatering van de beroepscommissie dat verzoeker veel brieven schrijft en veel klaagschriften en beroepschriften heeft ingediend. Uit deze uitleg haalt de wrakingskamer geen zwaarwegende aanwijzing dat de beroepscommissie jegens verzoeker vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker bestaande vrees hiervoor objectief gerechtvaardigd is.
Dat geldt eveneens voor de reactie van de voorzitter op verzoekers vraag of de beroepscommissie bevoegd is kennis te nemen van de klachten in verband met de medische aard daarvan. Uit de reactie van de beroepscommissie blijkt dat de voorzitter kort de onderwerpen in de beroepschriften heeft benoemd en heeft aangegeven dat die onderwerpen niet medisch van aard lijken te zijn. Een oordeel over de bevoegdheid is ter zitting niet gegeven. Doorgaans wordt daarover in de schriftelijke uitspraak van de beroepscommissie pas een oordeel gegeven. Dit levert naar het oordeel van de wrakingskamer niet een grond op voor wraking.
De wrakingskamer komt tot de conclusie dat niet is gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan de onpartijdigheid van de leden van de beroepscommissie die op 26 februari 2026 de beroepszaken van verzoeker hebben behandeld, schade zou kunnen lijden. Het wrakingsverzoek wordt daarom afgewezen.
3. De uitspraak
De wrakingskamer wijst het verzoek tot wraking af.
Deze uitspraak is op 16 april 2026 gedaan door mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, voorzitter, dr. T. Jambroes en mr. S.C.M. Wouda-van Velzen, leden, bijgestaan door mr. S. Jousma, secretaris.
secretaris voorzitter