Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 25/50600/GB, 20 april 2026, beroep
Uitspraakdatum:20-04-2026

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer          25/50600/GB

Betreft  [klager]

Datum  20 april 2026

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van

[klager] (hierna: klager)

 

1. De procedure

Klager heeft een verzoek gedaan tot overplaatsing naar de gevangenis van de Penitentiaire Inrichting (PI) Heerhugowaard.

De (toenmalig) Staatssecretaris Rechtsbescherming (hierna: verweerder) heeft dat verzoek op 11 augustus 2025 afgewezen.

Klagers raadsvrouw, mr. E.M.J.W. Jaspar, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze beslissing.

De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsvrouw en verweerder in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.

De beroepscommissie heeft kennisgenomen van het beroepschrift, de reactie van verweerder en de overige stukken.

 

2. De beoordeling

Ontvankelijkheid

Klager is op 31 december 2025 in vrijheid gesteld. Daardoor heeft hij in beginsel geen belang meer bij het beroep en zou hij niet‑ontvankelijk moeten worden verklaard. Dat is slechts anders, wanneer er (tijdig) is verzocht om een tegemoetkoming, zoals bedoeld in artikel 68, zevende lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw), in verbinding met artikel 73, vierde lid, van de Pbw. Volgens vaste jurisprudentie van de beroepscommissie is dit uitdrukkelijk geen schadevergoeding, maar een tegemoetkoming voor ondervonden ongemak.

Klagers raadsvrouw heeft in beroep verzocht om een vergoeding vast te stellen die de beroepscommissie geredelijk acht. Verweerder heeft aangevoerd dat dit verzoek, nu dit is gedaan door een professionele procespartij, niet kan worden beschouwd als een verzoek om tegemoetkoming zoals bedoeld in de Pbw, zodat klager niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn beroep. De beroepscommissie kan verweerder hier echter niet in volgen. Zij is van oordeel dat het verzoek van de raadsvrouw kan worden beschouwd als een verzoek om een tegemoetkoming, zoals bedoeld in de Pbw en dat dit verzoek in dit geval niet gelijkgesteld kan worden met een verzoek om een schadevergoeding. Daarom zal de beroepscommissie het beroep alsnog inhoudelijk beoordelen.

Inhoudelijke beoordeling

Klager verbleef in de gevangenis van de PI Lelystad. Hij wilde graag worden overgeplaatst naar de gevangenis van de PI Heerhugowaard, omdat hij in de Beperkt Beveiligde Afdeling (BBA) van de PI Heerhugowaard geplaatst wilde worden. Overplaatsing naar de PI Heerhugowaard zou in dat kader bevorderend zijn voor zijn resocialisatie- en detentiefaseringstraject.

Op grond van artikel 25, zevende lid, van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden (hierna: de Regeling) wordt een gedetineerde die tot een gevangenisstraf is veroordeeld, in beginsel in het arrondissement van vestiging geplaatst. Als in dat arrondissement geen gevangenis is aangewezen of als daar geen plaats beschikbaar is, dan wordt de gedetineerde in een aanpalend arrondissement geplaatst. Gedetineerden die in het plusprogramma verblijven krijgen voorrang.

Klagers vestigingsadres ligt blijkens zijn registratiekaart in het arrondissement Midden-Nederland. De PI Lelystad ligt in dit arrondissement, terwijl de PI Heerhugowaard niet in het arrondissement van vestiging en ook niet in een aanpalend arrondissement ligt. Volgens vaste jurisprudentie van de beroepscommissie moet in dat geval sprake zijn van bijzondere omstandigheden om te kunnen oordelen dat verweerder klager (alsnog) had moeten overplaatsen.

Klager voert aan dat hij naar de PI Heerhugowaard wilde worden overgeplaatst, omdat hij daar zijn resocialisatie- en detentiefaseringstraject wilde voortzetten en in de BBA geplaatst wilde worden. Klager stelt dat het in de PI Lelystad zou ontbreken aan wederzijds vertrouwen en dat zijn resocialisatie- en detentiefaseringstraject daardoor zou zijn vastgelopen.

De beroepscommissie merkt in de eerste plaats op dat een resocialisatie- en detentiefaseringstraject vanuit iedere inrichting kan worden opgestart. De inrichting waar een gedetineerde is gedetineerd, is daarbij dus niet van belang. Een verzoek om overplaatsing kan om deze reden in beginsel dan ook niet aan de orde zijn.

Waar klager stelt dat zijn vertrouwen in de PI Lelystad is beschadigd, merkt de beroepscommissie op dat een verstoorde verhouding tussen een gedetineerde en het personeel op zichzelf aanleiding kan vormen voor een overplaatsing. Het is daarbij echter niet aan de gedetineerde om te bepalen of van een dergelijke verstoring sprake is. Klager heeft niet nader onderbouwd waarom zijn vertrouwen in de PI Lelystad zou zijn geschaad. Uit de stukken blijkt daarnaast niet dat het personeel van de PI Lelystad vond dat er sprake was een verstoorde verhouding.

Gelet op het voorgaande en bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, kan de bestreden beslissing niet als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt. De beroepscommissie zal het beroep daarom ongegrond verklaren.

 

3. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond.

 

Deze uitspraak is op 20 april 2026 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. J.R.K.A.M. Waasdorp, voorzitter, mr. F.H.J. van Gaal en mr. M.F.A. van Pelt, leden, bijgestaan door mr. L.M.E. van Horssen, secretaris.

 

secretaris         voorzitter

Naar boven