Nummer 26/56118/SGA
Betreft verzoeker
Datum 3 april 2026
Uitspraak van de voorzitter van de beroepscommissie van de RSJ op het verzoek van verzoeker (hierna: verzoeker)
1. De procedure
De directeur van de Penitentiaire Inrichting Grave (hierna: de directeur) heeft aan verzoeker een ordemaatregel opgelegd van - zo begrijpt de voorzitter - plaatsing in een luwtecel met cameratoezicht en uitsluiting van deelname aan activiteiten (waaronder arbeid), voor de duur van veertien dagen, vanwege verzoekers eigen veiligheid en vanwege het handhaven van de orde, rust en veiligheid op de afdeling, ingaande op 31 maart 2026 om 13:00 uur en eindigend op 14 april 2026 om 13:00 uur.
Verzoekers raadsvrouw, mr. R. Dijkstra, vraagt namens verzoeker om schorsing van de (verdere) tenuitvoerlegging daarvan.
De voorzitter heeft kennisgenomen van de reactie van de directeur op het schorsingsverzoek en van het klaagschrift.
2. De beoordeling
De voorzitter stelt voorop dat bij een verzoek om schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing van de directeur slechts ruimte bestaat voor een voorlopige beoordeling. De zaak kan dus niet ten gronde worden onderzocht. De voorzitter beoordeelt alleen of de beslissing waartegen beklag is ingesteld in strijd is met een wettelijk voorschrift of dat deze zodanig onredelijk of onbillijk is dat er een spoedeisend belang is om op dit moment de (verdere) tenuitvoerlegging van die beslissing te schorsen. Naar het oordeel van de voorzitter is dat het geval.
Op grond van artikel 57, eerste lid, sub b. en sub j., van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) dient de directeur de gedetineerde in de gelegenheid te stellen te worden gehoord, alvorens te beslissen tot oplegging van een ordemaatregel. Uit de Memorie van Toelichting volgt dat ook dit horen in de zin van artikel 57 Pbw uitdrukkelijk is voorbehouden aan de directeur of zijn plaatsvervanger (Kamerstukken II, 1994/95, 24263, nr. 3, p. 70). De voorzitter constateert dat het horen in dit geval achterwege is gebleven, omdat - hoewel dit namens verzoeker wordt betwist - het afdelingshoofd met verzoeker heeft gesproken over de bestreden ordemaatregel. De directeur geeft daarvoor als reden dat verzoeker herhaaldelijk is gesproken en in goed contact staat met het afdelingshoofd van de afdeling. Om dit contact niet onnodig te verstoren heeft de directeur ervoor gekozen het tussen verzoeker en het afdelingshoofd te laten.
De voorzitter overweegt dat nu verzoeker niet door de directeur is gehoord alvorens is beslist tot oplegging van de bestreden ordemaatregel, de bestreden beslissing in strijd met de wet is genomen. Voor zover de directeur bedoeld heeft dat het horen in dit geval achterwege kon blijven, is naar het oordeel van de voorzitter niet gebleken van een situatie zoals bedoeld in artikel 57, derde lid, van de Pbw. Bovendien is het horen bij het opleggen van cameratoezicht dwingend voorgeschreven (artikel 57, eerste lid, sub j. van de Pbw). Gelet op het voorgaande zal de voorzitter het verzoek toewijzen en de bestreden beslissing schorsen met onmiddellijke ingang tot het moment waarop de beklagcommissie op het onderliggende beklag heeft beslist.
3. De uitspraak
De voorzitter wijst het verzoek toe en schorst de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing met onmiddellijke ingang tot het moment waarop de beklagcommissie op het onderliggende beklag heeft beslist.
Deze uitspraak is op 3 april 2026 gedaan door mr. D. Riani el Achhab, voorzitter, bijgestaan door J.A. van der Veen, secretaris.
secretaris voorzitter