Nummer 26/56190/SGA en 26/56264/SGA
Betreft verzoeker
Datum 9 april 2026
Uitspraak van de voorzitter van de beroepscommissie van de RSJ op het verzoek van verzoeker (hierna: verzoeker)
1. De procedure
De directeur van de Penitentiaire Inrichting Arnhem (hierna: de directeur) heeft
- op 1 april 2026 aan verzoeker een disciplinaire straf opgelegd van drie dagen opsluiting in een andere verblijfsruimte dan een strafcel, zonder televisie, voorwaardelijk met een proeftijd van twee maanden, vanwege pesten van een medegedetineerde (26/56190/SGA);
- op 31 maart 2026 beslist tot ontbinding van verzoekers arbeidsovereenkomst voor de duur van veertien dagen, als gevolg waarvan hij tijdens die periode is uitgesloten van deelname aan de arbeid (26/56264/SGA).
Verzoekers raadsman, mr. M. de Reus, vraagt namens verzoeker om schorsing van de (verdere) tenuitvoerlegging daarvan.
De voorzitter heeft kennisgenomen van de reactie van de directeur op het schorsingsverzoek en van het klaagschrift.
2. De beoordeling
Ten aanzien van a.
Van een voorwaardelijk opgelegde disciplinaire straf kan pas om schorsing worden gevraagd zodra deze straf ten uitvoer zou worden gelegd. Dit is momenteel niet het geval. Om die reden kan verzoeker in zoverre op dit moment (nog) niet worden ontvangen in zijn verzoek.
Ten aanzien van b.
De voorzitter stelt voorop dat bij een verzoek om schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing van de directeur slechts ruimte bestaat voor een voorlopige beoordeling. De zaak kan dus niet ten gronde worden onderzocht. De voorzitter beoordeelt alleen of de beslissing waartegen beklag is ingesteld in strijd is met een wettelijk voorschrift of dat deze zodanig onredelijk of onbillijk is dat er een spoedeisend belang is om op dit moment de (verdere) tenuitvoerlegging van die beslissing te schorsen. Naar het oordeel van de voorzitter is dat het geval.
Uit de stukken, waaronder de bestreden beslissing, komt naar voren dat is beslist om de arbeidsovereenkomst van verzoeker op grond van artikel 1a van de Regeling arbeid gedetineerden (hierna: Rag) te ontbinden voor de duur van veertien dagen, vanwege verzoekers gedrag tijdens zijn deelname aan de arbeid. Verzoeker heeft zich tijdens de arbeid op 30 maart 2026 misdragen door met een compressor kaften van de tafel te blazen en seksueel grensoverschrijdend gedrag dan wel pestgedrag te vertonen tegenover een medegedetineerde.
De voorzitter overweegt als volgt.
Op grond van artikel 1a, tweede lid, van de Rag kan de directeur beslissen om een gedetineerde structureel uit te sluiten van toegang tot de arbeid. De directeur bepaalt in het besluit de duur van de uitsluiting.
In de memorie van toelichting bij (onder meer) de Rag (Stcrt. 2021, nr. 28357) heeft de wetgever in dit verband het volgende overwogen:
“Het tweede lid van artikel 1a bepaalt dat de directeur kan besluiten om gedetineerden vanwege structureel wangedrag tijdens de arbeid uit te sluiten van de arbeid. […]”.
Er moet dus sprake zijn van structureel wangedrag.
Gelet op wat er uit de stukken naar voren komt, is naar het oordeel van de voorzitter in dit geval geen sprake van structureel wangedrag tijdens de arbeid. Hoewel in de beslissing staat dat verzoeker meerdere keren is aangesproken op zijn gedrag, maar onvoldoende verbetering heeft laten zien, blijkt daar verder niet van uit de stukken. De voorzitter is dan ook van oordeel dat de beslissing tot uitsluiting van deelname aan de arbeid vanwege het incident op 30 maart 2026 niet op basis van artikel 1a, tweede lid, van de Rag kon en had mogen worden genomen en dat die beslissing zodanig onredelijk en onbillijk is dat er een spoedeisend belang is om de verdere tenuitvoerlegging daarvan te schorsen met onmiddellijke ingang tot het moment waarop de beklagcommissie op het onderliggende beklag heeft beslist.
Ten overvloede merkt de voorzitter nog het volgende op.
Indien de directeur verzoeker tijdelijk wilde uitsluiten van de arbeid, had dit gekund op basis van een ordemaatregel als bedoeld in artikel 23, eerste lid, onder a., van de Penitentiaire beginselenwet. Daarin is opgenomen dat de directeur bevoegd is om een gedetineerde uit te sluiten van deelname aan een of meer activiteiten indien dit in het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting dan wel van een ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming noodzakelijk is (zie onder meer RSJ 31 maart 2025, 24/43110/GA). Dat is echter niet gebeurd. De voorzitter begrijpt dat geen sprake is van ‘gebruik van een verkeerd format’, nu de bestreden beslissing namens de (plaatsvervangend) directeur is genomen door het plaatsvervangend hoofd arbeid, en niet door de directeur zelf.
3. De uitspraak
De voorzitter verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek onder a. en wijst het verzoek onder b. toe en schorst de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing met onmiddellijke ingang tot het moment waarop de beklagcommissie op het onderliggende beklag heeft beslist.
Deze uitspraak is op 9 april 2026 gedaan door mr. M.L. Plas, voorzitter, bijgestaan door J.A. van der Veen, secretaris.
secretaris voorzitter