Nummer 25/50397/GA
Betreft [klager]
Datum 15 april 2026
Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van
[klager] (hierna: klager)
1. De procedure
Klager heeft beklag ingesteld tegen een disciplinaire straf van zeven dagen opsluiting in een strafcel, vanwege zijn betrokkenheid bij een zeer ernstig geweldsincident, ingaande op 3 december 2024.
De beklagrechter bij de Penitentiaire Inrichting (PI) Vught heeft op 29 juli 2025 het beklag ongegrond verklaard (VU-2024-1940). De uitspraak van de beklagrechter is bijgevoegd.
Klagers raadsman, mr. T.S. van der Horst, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze uitspraak.
De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsman en de plaatsvervangend vestigingsdirecteur van de PI Vught gehoord op de zitting van 13 februari 2026 in de PI Vught. Een stagiair van de PI Vught was als toehoorder aanwezig. Daarnaast was mr. T.P. Sarneel als toehoorder van de zijde van de RSJ aanwezig.
2. De standpunten in beroep
Standpunt van klager
De conclusie dat klager medeplichtig is aan geweld tegen het personeel is onjuist en kan verstrekkende gevolgen hebben voor zijn detentieverloop. Dit zal immers meewegen bij de beoordeling of klager in aanmerking komt voor vrijheden en voorwaardelijke invrijheidstelling. Hij is ook overgeplaatst door het incident en dat zit hem hoog.
Dat klager vooraf in gesprek was met de medegedetineerde en de ordeverstoring bekeek, maakt niet dat kan worden aangenomen dat klager betrokken is geweest bij het beramen van het geweldsincident. Dat hij de ordeverstoring als getuige heeft waargenomen, is inherent aan het feit dat hij in hechtenis is geplaatst en verblijft op een kleine afdeling. Klager kan zich niet onttrekken aan een ordeverstoring op zijn afdeling. Zonder medewerking van het personeel kan klager de afdeling immers niet verlaten. Als al juist is dat klager heeft gelachen, moet dat worden gezien als een psychologische reactie op stress, angst en spanning.
Juist de stap naar voren op het moment dat de inrichtingsmedewerker wordt geslagen met de stofzuigerstang is een contra-indicatie voor betrokkenheid van klager. Van klager kon redelijkerwijs niet worden verwacht dat hij de inrichtingsmedewerker te hulp schoot. De medegedetineerde had immers een slagwapen in de hand en toonde zich plotseling bijzonder agressief naar (eerst) de bewaarderswacht en (daarna) de inrichtingsmedewerker. Bovendien is geen van de op de afdeling aanwezige gedetineerden of personeelsleden de aangevallen medewerker onmiddellijk te hulp geschoten, omdat de situatie zo dreigend was. Nadat de medegedetineerde de stofzuigerstang weggooide, heeft het personeel hulp geboden aan de aangevallen medewerker. Dat klager getuige is geweest van de ordeverstoring en dat hij
– zeker in deze situatie – niet heeft ingegrepen, levert geen strafwaardig gedrag op in de zin van artikel 50, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) (vergelijk RSJ 16 augustus 2022, R-20/7625/GA, en RSJ 26 april 2019, R-18/1788/GA).
Klager en zijn raadsman willen beiden de camerabeelden van het incident bekijken, zodat zij daarop een toelichting kunnen geven. Klager ontkent immers bij het incident betrokken te zijn geweest. De redenen die door de directeur worden aangehaald rechtvaardigen niet dat de beelden niet door klager en zijn raadsman mogen worden bekeken.
Klager verzoekt om aan hem een tegemoetkoming toe te kennen.
Standpunt van de directeur
De camerabeelden van het incident moeten goed worden bekeken. De directeur heeft dat zelf gedaan en vindt dat de beelden overeenkomen met het schriftelijk verslag.
De directeur gaat akkoord met het bekijken van de camerabeelden door de beroepscommissie. Aan het tonen van de camerabeelden aan de raadsman en/of klager wil de directeur zijn medewerking echter niet verlenen. Camerabeelden worden namelijk opgenomen in het kader van de veiligheid in de inrichting. Enerzijds kunnen de positie van de camera en het bereik van de camera uit veiligheidsoverwegingen niet worden vrijgegeven, omdat het daardoor mogelijk is dat veiligheidsincidenten dan bewust buiten het bereik van de camera gaan plaatsvinden. Anderzijds zijn op de camerabeelden ook andere gedetineerden en personeelsleden te zien. Het tonen van camerabeelden aan klager en zijn raadsman is een inbreuk op de privacy van deze personen.
Op de afdeling van klager waren al langer spanningen, omdat daar gedetineerden met een vlucht- of maatschappelijk risico zijn samengeplaatst. Op de beelden is te zien dat, voorafgaand aan het incident, sprake was van intensief contact tussen klager en de medegedetineerde. Klager stond duidelijk te kijken toen de medegedetineerde de stofzuigerstang pakte. Hij liep er vervolgens lachend achteraan en stond ongeveer op twee meter afstand. De directeur acht voldoende aannemelijk geworden dat klager betrokken is geweest bij het geweldsincident.
3. De beoordeling
Camerabeelden
De beroepscommissie heeft eerder overwogen dat het (in beginsel) van belang is dat camerabeelden worden bewaard voor een lopende beklag- en beroepsprocedure (vergelijk RSJ 7 augustus 2019, 18/2227/GA, en RSJ 26 april 2019, 18/1788/GA).
In de onderhavige zaak is een disciplinaire straf opgelegd op basis van wat te zien is op de camerabeelden. De directeur heeft de camerabeelden bekeken en in het schriftelijk verslag vermeld wat hij op de beelden heeft gezien. Klager betwist gemotiveerd de inhoud van het schriftelijk verslag en meent dat de camerabeelden zullen uitwijzen dat hij de verweten gedragingen niet heeft verricht. De beroepscommissie heeft het in dit geval noodzakelijk geacht om de camerabeelden te bekijken.
De directeur heeft – voorafgaand aan en tijdens de zitting – kenbaar gemaakt dat alleen de beroepscommissie de camerabeelden mag bekijken (en dus niet klager en zijn raadsman), om redenen die hierboven zijn opgenomen in het standpunt van de directeur.
De beroepscommissie heeft de directeur nadrukkelijk verzocht om de camerabeelden in het bijzijn van alle partijen te tonen. De directeur is echter bij zijn standpunt gebleven. De beroepscommissie betreurt deze gang van zaken ten zeerste.
In het geval de beroepscommissie aanleiding ziet om in het kader van de beroepsprocedure beschikbare camerabeelden te bekijken, dient een gedetineerde met zijn raadsman – net als de directeur – in beginsel (ook) de mogelijkheid te worden geboden om de beelden te bekijken. Hoewel de beroepscommissie kan begrijpen dat de positie van de camera een reden kan zijn om een gedetineerde niet de beelden te laten bekijken, is dat evenwel geen begrijpelijke reden om ook de raadsman de beelden niet te laten bekijken. Bovendien is klager inmiddels overgeplaatst naar een andere inrichting. Dat veiligheidsoverwegingen nog actueel zijn, is naar het oordeel van de beroepscommissie onvoldoende onderbouwd. Dat privacybelangen van andere gedetineerden en het personeel zich zouden verzetten tegen kennisname van de camerabeelden is evenmin onderbouwd, en voor de beroepscommissie ook niet goed begrijpelijk bezien tegen de achtergrond dat klager de gedetineerden en de personeelsleden van de afdeling kent.
Het voorstel van de directeur om alleen de beroepscommissie kennis te laten nemen van de camerabeelden, acht de beroepscommissie in dit geval niet passend. De beroepscommissie hechtte namelijk extra waarde aan de duiding van de beelden door beide partijen, onder meer omdat de (vermeende) gedragingen voor interpretatie vatbaar zijn en klager de gedragingen weerspreekt. Los van het feit dat de directeur de beelden ook niet wilde tonen in het bijzijn van alleen de raadsman, heeft de raadsman te kennen gegeven dat hij de beelden in dit geval alleen wil bekijken in het bijzijn van klager.
De beroepscommissie zal het beroep gelet op het voorgaande beoordelen op basis van de schriftelijke stukken en van wat ter zitting is besproken.
Disciplinaire straf
Op grond van artikel 51, eerste lid en onder a, in verbinding met artikel 50, eerste lid, van de Pbw kan de directeur een disciplinaire straf opleggen van opsluiting in een strafcel voor ten hoogste twee weken, indien een gedetineerde betrokken is bij feiten die onverenigbaar zijn met de orde of de veiligheid in de inrichting of met de ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming.
Op grond van artikel 51, vijfde lid, van de Pbw kan geen straf worden opgelegd voor het begaan van een feit indien de gedetineerde niet verantwoordelijk kan worden gesteld (vergelijk RSJ 9 januari 2014, 13/3287/GA).
Uit het schriftelijk verslag van 28 november 2024 komt naar voren dat klager omstreeks 13:15 uur is uitgesloten. Hij loopt naar een aantal medegedetineerden, onder wie de medegedetineerde die later de medewerker aanvalt. Ze zijn in gesprek met elkaar. Na dat gesprek begeeft klager zich richting cel 12. Daarna loopt klager terug naar de medegedetineerden alvorens hij zijn eigen cel in gaat. Vervolgens komt klager van zijn cel en ziet hij een medegedetineerde grijpen naar een stofzuigerstang en een bakpan pakken uit de keukeninventaris. Klager blijft bij de medegedetineerde in de buurt, kijkt en lacht naar deze actie met zijn handen op de rug. De medegedetineerde slaat met de bakpan op de ruit van de bewaarderswacht en slaat met de stofzuigerstang op de rug van een medewerker die wil ingrijpen. De medewerker wordt ernstig mishandeld. Het is zichtbaar dat klager een stap naar voren zet wanneer deze medewerker wordt aangevallen. Meteen houdt klager zich ook in. Het is duidelijk dat klager niet ingrijpt in de situatie en de medewerker geen hulp biedt. Klager bekijkt alles van dichtbij, aldus het verslag.
De directeur houdt klager verantwoordelijk voor het geweldsincident, nu volgens hem aannemelijk is geworden dat klager betrokken was bij dit incident en geen enkele poging heeft ondernomen om de medewerker te helpen.
De beroepscommissie ziet zich voor de vraag gesteld wat de rol van klager in het geweldsincident was en of hem enig (individueel) verwijt kan worden gemaakt.
De beroepscommissie overweegt dat het schriftelijk verslag – waarin is beschreven wat op de camerabeelden te zien is – niet enkel uit objectieve beschrijvingen van handelingen bestaat. Ten aanzien van klager gaat het voornamelijk om de interpretatie van zijn lichaamstaal en lichaamshouding, door het bekijken van de beelden achteraf. In het verslag wordt onder meer benoemd dat sprake is van ‘lachen’ en ‘in de buurt zijn’ en – op het moment van de mishandeling van de medewerker – van ‘een stap naar voren zetten en zich weer inhouden’ en ‘alles [van] dichtbij bekijken’. Dit zijn gedragingen die voor verschillende interpretaties vatbaar zijn en waarvan niet zonder meer kan worden gezegd dat ze agressief zijn, of de orde en veiligheid in de inrichting verstoren.
Nu de beroepscommissie de camerabeelden niet heeft kunnen bekijken, wordt zij beperkt in haar oordeelsvorming over wat klagers afstand tot het geweldsincident was en hoe de (vermeende) gedragingen van klager moeten worden geduid. Daar komt bij dat andere door de directeur verrichte onderzoekshandelingen – het uitluisteren van gesprekken op de afdeling en het voeren van gesprekken met medegedetineerden en personeelsleden – die wat meer context en duiding hadden kunnen geven bij de gedragingen zoals omschreven in het schriftelijk verslag, geen informatie hebben opgeleverd over de rol van klager in het geweldsincident.
Het is de beroepscommissie niet gebleken dat klager concrete gedragingen heeft verricht die hebben bijgedragen aan het geweldsincident tegen de medewerker. Klager heeft de verweten gedragingen weersproken en ter zitting bovendien aangevoerd dat de directeur niet de hele situatie heeft weergegeven. Volgens klager waren alle gedetineerden van de afdeling in de buurt van het geweldsincident, omdat het luchtmoment aanving. Volgens de directeur liepen de andere gedetineerden op dat moment door om te gaan luchten. Voor de beroepscommissie is niet duidelijk geworden welke versie juist is, nu in het schriftelijk verslag hierop niet wordt ingegaan.
Naar het oordeel van de beroepscommissie is onvoldoende aannemelijk geworden dat klager een aandeel in (de gestelde voorbereiding van) het geweldsincident heeft gehad, zodat hem geen individueel verwijt als bedoeld in artikel 51, vijfde lid, van de Pbw kan worden gemaakt. Dat klager het geweldsincident wel heeft zien gebeuren, maakt overigens niet per definitie dat van hem kan worden verwacht dat hij op dat moment zelf ingrijpt om de (zeer) agressieve medegedetineerde tegen te houden. In dit geval is het voor de beroepscommissie niet aannemelijk geworden dat het niet ingrijpen duidt op betrokkenheid, en daarmee ook niet dat sprake is geweest van strafwaardig gedrag als bedoeld in artikel 50 van de Pbw.
Gelet op het voorgaande en bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, moet het opleggen van de disciplinaire straf als onredelijk en onbillijk worden aangemerkt. De beroepscommissie zal het beroep daarom gegrond verklaren, de uitspraak van de beklagrechter vernietigen en het beklag alsnog gegrond verklaren. Nu de rechtsgevolgen van de bestreden beslissing niet meer ongedaan zijn te maken, komt klager een tegemoetkoming toe. De beroepscommissie zal deze vaststellen op €87,50.
4. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de beklagrechter en verklaart het beklag alsnog gegrond. Zij kent aan klager een tegemoetkoming toe van €87,50.
Deze uitspraak is op 15 april 2026 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit
mr. J.T.W. van Ravenstein, voorzitter, mr. S.M. Krans en mr. F. Sieders, leden, bijgestaan door mr. P.L. Kraaijenbrink, secretaris.
secretaris voorzitter