Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 25/50834/GA, 18 mei 2026, beroep
Uitspraakdatum:18-05-2026

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer          25/50834/GA

Betreft             [klager]

Datum             18 mei 2026

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van [klager] (hierna: klager)

 

1. De procedure

Klager heeft (voor zover in beroep aan de orde) beklag ingesteld tegen:

  1. de maatregelen die hem op 15 mei 2025 zijn opgelegd vanwege zijn status als gedetineerde met een vlucht-/maatschappelijk risico (GVM-maatregelen) (IJ‑2025‑775);
  2. de beslissing van 15 mei 2025 tot plaatsing in de Afdeling Intensief Toezicht (AIT) (IJ‑2025-812);
  3. het niet krijgen van een verspakket (IJ-2025-878);
  4. het niet tijdig beslissen over promoveren naar het plusprogramma (IJ-2025-879).

De beklagcommissie bij de Penitentiaire Inrichting (PI) Krimpen aan den IJssel heeft op 22 augustus 2025:

  1. beklag a. ongegrond verklaard;
  2. beklag b. ongegrond verklaard;
  3. beklag c. gegrond verklaard en daarbij aan klager een tegemoetkoming toegekend van €15,-;
  4. beklag d. gegrond verklaard, maar daarbij aan klager geen tegemoetkoming toegekend.

De uitspraak van de beklagcommissie is bijgevoegd.

Klagers raadsvrouw, mr. E.A. Blok, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze uitspraak, wat betreft beklag c. tegen de hoogte van de toegekende tegemoetkoming en wat betreft beklag d. tegen het niet toekennen van een tegemoetkoming.

De beroepscommissie had een digitale zitting gepland op 13 januari 2026. Klager, […], juridisch medewerker en waarnemer van klagers raadsvrouw, en de plaatsvervangend vestigingsdirecteur van de PI Krimpen aan den IJssel waren daarbij aanwezig. De behandeling van de zaak is toen aangehouden, omdat de directeur ter zitting bezwaar maakte tegen het feit dat […] optrad als gemachtigde van klager, terwijl zij niet de aangewezen rechtsbijstandverlener van klager is.

De beroepscommissie heeft nadien aanvullende schriftelijke vragen gesteld aan de directeur. De directeur heeft daar op 30 januari 2026 op gereageerd. Deze reactie heeft de beroepscommissie ter kennisgeving toegestuurd aan klager en zijn raadsvrouw.

Klager is geplaatst in de AIT. Dat betekent dat ten hoogste twee aangewezen rechtsbijstandverleners toegang tot hem hebben (artikel 40a, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet). Uit inlichtingen van de directeur volgt dat mr. E.A. Blok één van klagers aangewezen rechtsbijstandsverleners is. […] is dat niet. Zij is juridisch medewerker bij het kantoor van mr. E.A. Blok.

De directeur heeft contact gehad met de afdeling Juridische Zaken van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI). Het is de beroepscommissie naar aanleiding daarvan gebleken dat het volgens de DJI wel is toegestaan dat […] als gemachtigde optreedt tijdens de zitting. Zij mag echter geen geprivilegieerd contact met klager hebben. Zij zou enkel contact met klager mogen hebben onder toezicht, na het doorlopen van de screeningsprocedure. De directeur heeft in het kader van de digitale zitting op 11 februari 2026 (zie hierna) verder toegelicht dat de stukken van het beroep naar mr. E.A. Blok worden gestuurd en dat eventuele onregelmatigheden tijdens de zitting door de andere aanwezigen kunnen worden geconstateerd.

Gelet op het voorgaande heeft de beroepscommissie geen bezwaar gezien tegen het feit dat […], waarnemer van klagers raadsvrouw, als gemachtigde van klager optreedt tijdens de zitting.

De beroepscommissie heeft klager, […], waarnemer van klagers raadsvrouw, en de plaatsvervangend vestigingsdirecteur van de PI Krimpen aan den IJssel, gehoord op de digitale zitting van 11 februari 2026. Mr. S.J.S. Uiterweerd, secretaris bij de RSJ, was als toehoorder aanwezig.

 

2. De beoordeling

Beklag a. en beklag b.

Op basis van de stukken en van wat ter zitting is besproken, is de beroepscommissie van oordeel dat de beklagcommissie beklag a. en beklag b. terecht ongegrond heeft verklaard. De beroepscommissie is van oordeel dat de directeur ten tijde van de bestreden beslissingen, op grond van de resultaten van het digitaal onderzoeksteam en het advies vanuit het Operationeel Overleg, in redelijkheid heeft kunnen beslissen tot het opleggen van GVM-maatregelen en plaatsing in de AIT. Het beroep zal daarom in zoverre ongegrond worden verklaard.

Beklag c.

Namens klager is ter zitting gesteld dat hij van 15 april 2025 tot en met 26 mei 2025 twee keer per week geen verspakket ontving, terwijl hij daar wel om had gevraagd. De directeur heeft toegelicht dat in een verspakket mogelijk producten met lactose zitten en dat klager daarom naar de medische dienst is verwezen om goedkeuring te krijgen voor het ontvangen van een verspakket. Klager heeft contact opgenomen met de medische dienst en op 18 juni 2025 is goedkeuring gegeven om klager vanaf 20 juni 2025 een verspakket te geven. Het is niet duidelijk wanneer klager contact heeft opgenomen met de medische dienst. Klager heeft in ieder geval op 4 juni 2025 zijn beklag ingesteld.

De beklagcommissie heeft het beklag over het niet krijgen van het verspakket gegrond verklaard. De beklagcommissie heeft geoordeeld dat het te lang heeft geduurd voordat klager een verspakket verstrekt kreeg. Dat oordeel is in beroep niet aan de orde en de beroepscommissie zal alleen oordelen over de hoogte van de tegemoetkoming. De beroepscommissie is van oordeel dat, gelet op het tijdsverloop, een iets hogere tegemoetkoming op zijn plaats is.

Gelet op het voorgaande kan de beroepscommissie zich niet vinden in de toegekende tegemoetkoming. Zij zal het beroep daarom gegrond verklaren en aan klager een hogere tegemoetkoming toekennen, namelijk van €20,-.

Beklag d.

Aan klager is geen tegemoetkoming toegekend, omdat hij de aangeboden compensatie van €40,- heeft geweigerd. De beroepscommissie overweegt dat het niet zo is dat er nooit meer ruimte kan zijn voor het toekennen van een tegemoetkoming als de directeur op enig moment een passende compensatie heeft aangeboden (RSJ 2 september 2024, 23/35785/GA).

Aan klager is eerst een tegemoetkoming van €30,- aangeboden en daarna van €40,-. Klager vond deze tegemoetkoming te laag en hij heeft het beklag daarom doorgezet. Ter zitting heeft klager toegelicht dat het aanbod niet was onderbouwd. Klager was niet op de hoogte van de standaardbedragen die de beroepscommissie hanteert en hij kon niet overleggen met zijn advocaat. Onder deze omstandigheden is de beroepscommissie van oordeel dat het voor klager niet duidelijk is geweest waarom hem dit aanbod werd gedaan en wat de gevolgen daarvan waren.

Gelet op het voorgaande kan de beroepscommissie zich niet vinden in het oordeel van de beklagcommissie om geen tegemoetkoming toe te kennen. Zij zal het beroep daarom gegrond verklaren en aan klager een tegemoetkoming toekennen van €40,-.

 

3. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep inzake beklag a. en beklag b. ongegrond en bevestigt in zoverre de uitspraak van de beklagcommissie.

De beroepscommissie verklaart het beroep inzake beklag c. en beklag d. gegrond en vernietigt in zoverre de uitspraak van de beklagcommissie voor zover in beroep aan de orde. Zij kent aan klager een tegemoetkoming toe van in totaal €60,-.

Deze uitspraak is op 18 mei 2026 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. drs. F.A.M. Bakker, voorzitter, mr. W.J.M. Fleskens en mr. R.A.E. van Noort, leden, bijgestaan door mr. A. Laagland, secretaris.

 

 

 

secretaris        voorzitter

Naar boven