Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 25/47865/TF, 24 maart 2026, beroep
Uitspraakdatum:24-03-2026

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer 25/47865/TF

Betreft  [Klager]

Datum  24 maart 2026

 

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van [Klager] (hierna: klager)

 

1. De procedure

Klager heeft een verzoek gedaan tot plaatsing in een tbs-instelling.

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (hierna: verweerder) heeft dat verzoek op 3 april 2025 afgewezen.

Klagers raadsvrouw, mr. M.J.R. Roethof, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze beslissing.

De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsvrouw en de selectiefunctionaris, namens verweerder, gehoord op de digitale zitting van 24 oktober 2025. Een andere selectiefunctionaris was als toehoorder aanwezig.

 

2. De standpunten in beroep

Standpunt van klager

Ter zitting is namens klager verwezen naar het beroepschrift en de overgelegde eindevaluatie psychologische behandeling die dateert van 4 december 2024. In aanvulling daarop is door en namens klager naar voren gebracht dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat overplaatsing van klager naar een tbs-instelling niet in de rede zou liggen. Ook is de bestreden beslissing onvoldoende gemotiveerd. Daarbij doet het verweerschrift geen recht aan de situatie zoals die daadwerkelijk is. Klager heeft eerst schematherapie en vervolgens individuele psychotherapie gevolgd, wat door de Pro Justitia-rapporteurs werd geadviseerd. De psychotherapie is beëindigd omdat de arbeidsbetrekking van de behandelaar eindigde. De overgelegde eindevaluatie heeft betrekking op de door klager gevolgde psychotherapie. Daaruit komt een ander beeld naar voren wat betreft klagers gedrag, zijn leervermogen en responsiviteit op de behandeling dan in de door verweerder aangehaalde stukken. Er is bij klager geen sprake van een gebrek aan inzet of behandelbereidheid. Ook betwist hij het door verweerder geschetste beeld dat klager door zijn opstelling de (voortgang van de) behandeling zou frustreren. Klager krijgt momenteel geen therapie aangeboden. Klagers ontwikkeling staat hierdoor stil, maar dat ligt niet aan klager. Er worden geen stappen ondernomen om klager de geïndiceerde therapie aan te bieden. Er is wat dat betreft geen behandelperspectief in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC) in Vught. De psychiatrische zorg in het PPC is dan ook niet toereikend. Er is sprake van een kale detentie. Daarnaast is er sprake van een carrouselconstructie, waardoor klager telkens op een andere afdeling binnen het PPC wordt geplaatst. Hierdoor is er een gebrek aan continuïteit, waaraan klager juist grote behoefte heeft. Klager heeft er groot belang bij dat hij wordt geplaatst in een tbs-instelling, waar de geadviseerde behandeling en continuïteit hem wel kunnen worden geboden. Dit klemt te meer gelet op het naderende toetsingsmoment.

 

Standpunt van verweerder

Ter zitting is namens verweerder verwezen naar het verweerschrift en de daarbij gevoegde stukken. De beslissing van 3 april 2025 is op goede gronden genomen. Ook is voldoende gemotiveerd waarom het verzoek van klager tot plaatsing in een tbs-instelling is afgewezen. Klager heeft niet aannemelijk gemaakt dat de adviezen die ten grondslag zijn gelegd aan de bestreden beslissing onjuist of onvolledig zijn. Verweerder heeft van deze adviezen kunnen uitgaan. Uit de uitgebrachte adviezen volgt niet dat klager detentieongeschikt zou zijn. Ook is niet gebleken dat de binnen het PPC beschikbare psychiatrische zorg gelet op klagers psychopathologie niet afdoende is en ook niet dat garanties voor een humane tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in het licht van klagers psychopathologie zouden ontbreken. De geïndiceerde therapie kan binnen het PPC aan klager worden geboden. Het behandelaanbod is er en het is ook het meest passend om de geïndiceerde therapie binnen het PPC vorm te geven. Klager behoeft de zorg, structuur en begeleiding van het PPC om zich te kunnen handhaven. Voor zover klager in het beroepschrift aan de orde stelt dat hij ontevreden is over de wijze waarop binnen het PPC zorg aan hem wordt verleend, dient hij zich daarover te beklagen bij de beklagcommissie. Deze omstandigheid kan in ieder geval geen grond opleveren voor een overplaatsing naar een tbs-instelling. Klager verliest daarnaast uit het oog dat het aan zijn eigen houding en gedrag te wijten is dat de geïndiceerde therapie niet (goed) van de grond komt, zoals blijkt uit de rapportage van het PPC van 19 december 2024. Ook dit gegeven vormt geen grond om naar een tbs-instelling over te worden geplaatst.

 

3. De beoordeling

Klager is bij onherroepelijk geworden uitspraak veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Klager heeft verzocht om plaatsing in een tbs-instelling. Op 3 april 2025 heeft verweerder klagers verzoek afgewezen.

Op een dergelijk verzoek is artikel 6:2:8, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (WvSv) van toepassing. Op grond van die bepaling kan een veroordeelde tot gevangenisstraf die wegens een psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap daarvoor in aanmerking komt, worden geplaatst in een instelling voor verpleging van ter beschikking gestelden. Op de plaatsing van een gedetineerde in een tbs-instelling is de Wet forensische zorg (Wfz) van toepassing, zoals volgt uit artikel 6:2:8, derde lid, van het WvSv.

In het WvSv of de Wfz is niet voorzien in de mogelijkheid om een verzoek in te dienen tot plaatsing in een tbs-instelling, maar uit de rechtspraak van de beroepscommissie kan worden afgeleid dat een gedetineerde hiertoe wel een verzoek kan indienen bij verweerder. Tegen de afwijzing van zo’n verzoek staat vervolgens beroep open bij de beroepscommissie (zie bijvoorbeeld RSJ 4 november 2024, 24/40133/TF en RSJ 25 juli 2017, 17/0548/TR).

Plaatsing in een tbs‑instelling ligt in de rede als sprake is van detentieongeschiktheid, maar ook als de in het gevangeniswezen beschikbare psychiatrische zorg niet afdoende is voor de gedetineerde in verband met zijn psychopathologie of als garanties voor een humane tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in het licht van die pathologie ontbreken.

Aan de bestreden beslissing ligt onder meer het selectieadvies van de (plaatsvervangend) vestigingsdirecteur van 8 november 2024 en de rapportage van het PPC van 19 december 2024 ten grondslag. Daaruit komt naar voren dat het behandelteam en het MDO geen aanwijzingen zien dat klager andere (psychiatrische) zorg behoeft dan die in het PPC kan worden geboden. Ook is er geen indicatie dat klager detentieongeschikt zou zijn. Verder volgt uit de overgelegde stukken dat de door pro Justitia-rapporteurs in januari 2023 geadviseerde (vorm van) psychotherapie ook in een detentiesetting kan worden aangeboden. Ook in het PPC is het mogelijk om de geïndiceerde behandeling aan klager te bieden. Gelet op klagers pathologie is de verwachting dat de behandeling meerdere jaren in beslag zal nemen.

De beroepscommissie is van oordeel dat op grond van de overgelegde stukken niet aannemelijk is geworden dat klager detentieongeschikt is. Ook is niet aannemelijk geworden dat sprake is van ontoereikende psychiatrische zorg of dat de tenuitvoerlegging van klagers gevangenisstraf in het licht van zijn psychopathologie inhumaan zou zijn. Gebleken is dat aan klager in detentie passende psychiatrische zorg kan worden geboden. Naar het oordeel van de beroepscommissie heeft verweerder op grond van de uitgebrachte adviezen in redelijkheid op 3 april 2025 klagers verzoek tot plaatsing in een tbs-instelling kunnen afwijzen.

Gelet op het voorgaande en bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, kan de bestreden beslissing niet als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt. De beroepscommissie zal het beroep daarom ongegrond verklaren.

Overigens heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat klager zich kan wenden tot de beklagcommissie om zich te beklagen over de wijze waarop binnen het PPC zorg aan hem wordt verleend. Op een dergelijke klacht is het medisch klachtrecht zoals neergelegd in artikel 71b en verder van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) van toepassing, op grond waarvan – na verplichte bemiddeling door de medisch adviseur bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid – bij de medische beroepscommissie van de RSJ beroep kan worden ingesteld tegen het medisch handelen van de inrichtingsarts.

 

4. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond.

 

Deze uitspraak is op 24 maart 2026 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit  mr. N.C. van Lookeren Campagne, voorzitter, M. Bakker MSc en mr. A.M.G. Smit, leden, bijgestaan door mr. G.J.M. Ankersmit, secretaris.

 

 secretaris        voorzitter

Naar boven