Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 25/53191/GB, 26 maart 2026, beroep
Uitspraakdatum:26-03-2026

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer          25/53191/GB

Betreft  [klager]

Datum  26 maart 2026

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van

[klager] (hierna: klager)

 

1. De procedure

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (hierna: verweerder) heeft op 25 november 2025 beslist klager in de Afdeling Intensief Toezicht (AIT) van de Penitentiaire Inrichting (PI) Krimpen aan den IJssel te plaatsen.

Klagers raadsman, mr. Y. Bouchikhi, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze beslissing.

De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsman en verweerder in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.

De beroepscommissie heeft kennisgenomen van het beroepschrift, de reactie van verweerder en de overige stukken.

 

2. De beoordeling

Klager heeft verzocht het beroep mondeling te mogen toelichten, gelet op de uitwisseling van de standpunten in beroep, de zwaarte van de bestreden beslissing en het gegeven dat klagers raadsman wederom wenst te reageren. Naar het oordeel van de beroepscommissie bevatten de stukken echter voldoende informatie om het beroep te kunnen beoordelen. De beroepscommissie wijst het verzoek daarom af.

De regelgeving

De AIT van de PI Krimpen aan den IJssel is aangewezen als huis van bewaring en gevangenis voor mannen met een regime van beperkte gemeenschap, een individueel regime en een uitgebreid beveiligingsniveau.

Op grond van artikel 13 van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden (hierna: de Regeling), kunnen in de AIT gedetineerden worden geplaatst die:

  1. een hoog vluchtrisico vormen, al dan niet met behulp van derden;
  2. een hoog risico vormen op ernstig voortgezet crimineel handelen vanuit detentie; of
  3. een hoog risico vormen op aanhoudende ongeoorloofde contacten met de buitenwereld met een maatschappelijk ontwrichtend karakter.

In artikel 26 van de Regeling worden de voorwaarden genoemd die in acht moeten worden genomen bij de beslissing tot plaatsing in de AIT en bij de beslissing tot verlenging van het verblijf in de AIT elke twaalf maanden daarna.

In artikel 1, aanhef en onder o, van de Regeling staat dat onder ‘voortgezet crimineel handelen’ wordt verstaan: handelen van een gedetineerde dat is gericht op:

  • het voortzetten van dan wel deelnemen aan een samenwerkingsverband dat het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft;
  • het ongeoorloofd beïnvloeden van het eigen dan wel van een ander strafproces; of
  • het anderszins begaan van ernstige misdrijven.

Klagers situatie

Klager is sinds 15 november 2024 gedetineerd. Hij verblijft sinds 6 december 2024 in de AIT van de PI Krimpen aan den IJssel. Klager wordt ervan verdacht dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van drugsdelicten waaronder de grootschalige invoer van harddrugs, poging tot (uitlokking) van moord ofwel zware mishandeling, poging tot uitlokking van afpersing, bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en dwang. Blijkens de reactie op het beroepschrift is de strafzaak tegen klager nog niet inhoudelijk afgewikkeld, maar heeft het Openbaar Ministerie (OM) wel laten weten dat er op hoofdlijnen een schikkingsakkoord is bereikt tussen klager en het OM. Een gevangenisstraf van negen jaar en een geldbedrag van €1.200.000,- zouden hier onderdeel van uitmaken.

De bestreden beslissing

Verweerder heeft klager in de AIT geplaatst, op grond van artikel 13, aanhef en onder b, van de Regeling (hierna: de b-grond).

De overwegingen van de beroepscommissie

De beroepscommissie is van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat klager voldoet aan de b-grond. De beroepscommissie zal dit oordeel hieronder onderbouwen.

Voor het aannemen van de b-grond is vereist dat de gedetineerde een hoog risico op ernstig voortgezet crimineel handelen vanuit detentie vormt. Het voortgezet crimineel handelen vanuit detentie hoeft niet daadwerkelijk te hebben plaatsgevonden om deze grond aan te kunnen nemen.

Uit de stukken blijkt dat het Gedetineerden Recherche Intelligencepunt (GRIP) op 5 december 2024, 4 september 2025 en 22 september 2025 rapporten heeft uitgebracht waaruit – kort gezegd – volgt dat klager een aansturende rol heeft gespeeld bij de invoer van grote partijen cocaïne, dat uit SKY-berichten naar voren is gekomen dat klager rechtstreeks contact had met [naam 1] en dat hij samen met onder andere [naam 1] en [naam 2] een groepsapp had. Klagers rol bij vijf partijen cocaïne die in beslag zijn genomen bestaat – zo blijkt uit onderzoek – voornamelijk uit het coördineren van het uithalen van de cocaïne en het vergaren van nadere informatie over spelende zaken op de terminal middels (corrupte) havencontacten. Gepaard met deze rol gaan geldbedragen van boven de honderdduizenden euro’s. Het OM heeft vastgesteld dat klager ervaren is in de invoer van verdovende middelen en dat hij een netwerk heeft opgezet dat blijft draaien. Gelet op klagers status, verwacht het OM dat klager aan de knoppen wil blijven draaien en dat hij er belang bij heeft om door te gaan met crimineel handelen wegens het genereren van inkomen en om zijn goede naam en status binnen het criminele circuit te behouden.

Hoewel namens klager in beroep – kort gezegd – wordt aangevoerd dat de vermeende feiten waar het GRIP over rapporteert feiten betreffen van meer dan vijf jaar geleden en dat uit de rapporten geenszins volgt dat klager in de recente jaren de veronderstelde rol (indien daar al sprake van zou zijn geweest) nog steeds zou vervullen, is de beroepscommissie van oordeel dat dit niet maakt dat de GRIP-rapportages niet meer als voldoende actueel, betrouwbaar en concreet zouden kunnen worden aangemerkt. Het gaat immers om de rol die klager in een criminele organisatie zou hebben ingenomen. Een hoog risico op ernstig voortgezet crimineel handelen vanuit detentie wordt in ieder geval verondersteld aanwezig te zijn als de gedetineerde een aanzienlijke positie heeft binnen een criminele machtsstructuur. Dit betreft niet per se de positie van oprichter, leider of bestuurder van de organisatie, maar de laag hieronder die desalniettemin geacht wordt voldoende geld, macht en middelen tot zijn beschikking te hebben om ernstig voortgezet crimineel handelen vanuit detentie te kunnen plegen (Stcrt. 2025, 34097). Dat klager – zoals klagers raadsman stelt en ook uit het selectieadvies blijkt – zich over het algemeen goed gedraagt in de inrichting, maakt het voorgaande niet anders.

Klagers raadsman wijst nog op het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 7 november 2025 van een klaagschrift van klager. Hoewel daarin staat dat de beklagcommissie vaststelt dat “een deel van de informatie oudere informatie betreft” staat daar ook in dat er volgens de beklagcommissie “ook recentere GRIP informatie is waarin is opgenomen dat de omstandigheden nog steeds actueel zijn”.

Uit het selectieadvies van de inrichting van 22 oktober 2025 blijkt verder dat zich tijdens klagers detentie een aantal bijzonderheden hebben voorgedaan tijdens verschillende bezoekmomenten. Op 14 januari 2025 is klager na zijn bezoek door het personeel gewaarschuwd dat hij tijdens zijn bezoek duidelijk en luid moest praten. Tijdens het bezoekmoment werd er steeds op de tafel getikt. Tijdens een bezoekmoment op 2 juli 2025 kwalificeert de inrichting een deel van het gesprek tussen klager en zijn broer als versluierd taalgebruik. Tevens heeft de tolk aangegeven dat er frequent op de tafel werd getikt waardoor het gesprek lastig te volgen was. Verder werden er woorden ingeslikt of niet volledig uitgesproken. Het gesprek was voor de inrichting niet navolgbaar. Uit het selectieadvies volgt verder dat wordt geadviseerd om klagers verblijf in de AIT te handhaven, gelet op de sturende rol en het netwerk waar klager onderdeel van uitmaakt.

Gelet op al het voorgaande begrijpt de beroepscommissie dat verweerder heeft geconcludeerd dat klager een hoog risico vormt op ernstig voortgezet crimineel handelen vanuit detentie. Dat uit het proces-verbaal van 7 november 2025 ook nog volgt dat de beklagcommissie heeft overwogen dat zij “hetgeen is opgenomen over het tikkende geluid achterwege laten en dit niet meenemen in de beoordeling, nu niet kan worden vastgesteld wat de inhoud van dit gesprek is geweest en of dit relevant is geweest”, maakt niet dat verweerder daarom anders had moeten beslissen.

Fysiek en mentaal welbevinden in de AIT

Hoewel klager aangeeft het heel zwaar te hebben in de AIT en dat het beperkte contact met zijn ouders en familie hem het meest raakt, acht de beroepscommissie het niet aannemelijk geworden dat klagers mentale welbevinden op dit moment in de weg staat aan een plaatsing in een AIT.

Conclusie

Gelet op het voorgaande heeft verweerder in redelijkheid kunnen concluderen dat klager voldoet aan de b-grond. De bestreden beslissing kan daarom – bij afweging van alle in aanmerking komende belangen – niet als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt. De beroepscommissie acht ook voldoende aannemelijk dat toepassing van maatregelen voor gedetineerden met een vlucht- en/of maatschappelijk risico of andere toezichtmaatregelen (bij plaatsing van klager in een minder beveiligde inrichting) de genoemde risico’s op dit moment onvoldoende kan beperken. De bestreden beslissing voldoet daarmee ook aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De beroepscommissie zal het beroep dan ook ongegrond verklaren.

 

3. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond.

 

Deze uitspraak is op 26 maart 2026 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit  mr. W.J.M. Fleskens, voorzitter, F. van Dekken en mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, leden, bijgestaan door mr. M. Olde Keizer, secretaris.

 

secretaris         voorzitter

Naar boven