Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 25/52391/JA, 13 april 2026, beroep
Uitspraakdatum:13-04-2026

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer          25/52391/JA

Betreft [Klager]

Datum 13 april 2026

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van

[Klager], geboren op [geboortedatum] (hierna: klager)

 

1. De procedure

Klager heeft beklag ingesteld tegen:

  1. de tijdelijke overplaatsing naar de Justitiële Jeugdinrichting (JJI) Lelystad voor de duur van twee weken, ingaande op 19 augustus 2024 (HA-2024-214);
  2. de verlenging van de tijdelijke overplaatsing voor de duur van twee weken, ingaande op 2 september 2024 (HA-2024-220).

De beklagrechter bij de Rijks Justitiële Jeugdinrichting (RJJI) Den Hey-Acker te Breda heeft op 21 oktober 2025 de klachten op formele punten gegrond verklaard en daarbij een tegemoetkoming toegekend van €10,- en de klachten inhoudelijk ongegrond verklaard. De uitspraak van de beklagrechter is bijgevoegd.

Klagers raadsman, mr. M. de Reus, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze uitspraak.

De beroepscommissie heeft klager en zijn raadsman gehoord op de zitting van 5 maart 2026 in de rechtbank Midden-Nederland te Utrecht. De directeur is niet op de zitting verschenen. Op 5 maart 2026 zijn nadere inlichtingen bij de directeur opgevraagd. De reactie van de directeur is ter informatie gedeeld met klager en zijn raadsman.

 

2. De beoordeling

Formele punten

Uit de nadere inlichtingen van de directeur komt naar voren dat de beslissingen om klager tijdelijk over te plaatsen en deze plaatsing te verlengen zijn genomen door de manager opvoeding en behandeling. De manager opvoeding en behandeling is een aanduiding voor de functie plaatsvervangend vestigingsdirecteur, zoals bedoeld in artikel 1, onder i, van de Beginselenwet Justitiële Jeugdinrichtingen (Bjj). Daarom zijn de beslissingen bevoegd genomen (volgens artikel 4, vierde lid, onder f, van de Bjj).

Naast de door de beklagrechter geconstateerde vormverzuimen, heeft klager ter zitting onweersproken gesteld dat hij voorafgaand aan de beslissing om de tijdelijke overplaatsing te verlengen ook niet is gehoord. Dit levert een schending op van artikel 61, eerste lid, onder f, van de Bjj.

Inhoudelijke beoordeling

De beroepscommissie is het eens met de beklagrechter dat de klachten inhoudelijk ongegrond zijn. Het is naar het oordeel van de beroepscommissie voldoende aannemelijk geworden dat de tijdelijke overplaatsing en de verlenging daarvan noodzakelijk was, omdat klager in het bezit was van een zelfgemaakt steekwapen en er onderzocht moest worden welke jongeren met elkaar in conflict waren en waarom. Er heerste binnen de RJJI Den Hey-Acker namelijk een onveilige situatie en eventuele risico’s moesten in kaart worden gebracht.

Namens klager is in beroep aangevoerd dat zorgvuldiger had moeten worden gekeken of klager naar de JJI Lelystad had moeten worden overgeplaatst, omdat de overplaatsing van klager niet veilig zou zijn. De beroepscommissie overweegt hierover dat in de aanvraag crisisplaatsing op de ITA van 19 augustus 2024 (hierna: de aanvraag) uitgebreid relevante informatie is opgenomen over klager en het doel van de tijdelijke overplaatsing. In de aanvraag is onder ‘bijzonderheden en aanwijzingen voor verblijf’ opgenomen dat er een jeugdige in de JJI Lelystad verblijft die bedreigingen zou hebben geuit richting klager en dat de komst van klager in JJI Lelystad goed gemonitord moet worden. Anders dan namens klager is aangevoerd, maakt het opnemen van deze informatie in de aanvraag niet dat de tijdelijke overplaatsing onveilig voor klager zou zijn of dat de inrichting niet in redelijkheid heeft kunnen beslissen om klager tijdelijk over te plaatsen naar de JJI Lelystad. De beroepscommissie is van oordeel dat de noodzaak van de bestreden beslissingen voldoende is gemotiveerd en dat de geconstateerde vormverzuimen niet leiden tot het oordeel dat deze beslissingen inhoudelijk onredelijk of onbillijk zijn.

De beroepscommissie kan zich niet vinden in de hoogte van de aan klager toegekende tegemoetkoming. De twee beslissingen zijn genomen in strijd met de hoorplicht als bedoeld in artikel 61, eerste lid, onder f, van de Bjj en de mededelingsplicht als bedoeld in artikel 62 eerste en tweede lid, van de Bjj. Hierdoor bestond er voor klager veel onduidelijkheid. Daarom ziet de beroepscommissie aanleiding om aan klager een hogere tegemoetkoming toe te kennen.

Gelet op het voorgaande zal de beroepscommissie het beroep gegrond verklaren en de uitspraak van de beklagrechter vernietigen voor zover aan klager een tegemoetkoming is toegekend. De beroepscommissie kent aan klager een tegemoetkoming toe van in totaal
€25,-. Zij bevestigt de uitspraak van de beklagrechter voor het overige met aanvulling van de gronden.

 

3. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep gegrond en vernietigt de uitspraak van de beklagrechter voor zover aan klager een tegemoetkoming is toegekend. De beroepscommissie kent aan klager een tegemoetkoming toe van €25,-.

 

Deze uitspraak is op 13 april 2026 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, voorzitter, mr. dr. B.J.M. Frederiks en dr. J.G. Vinke, leden, bijgestaan door mr. L.M. Uljee, secretaris.

 

secretaris        voorzitter

Naar boven