Nummer 25/52710/JA
Betreft [Klager]
Datum 26 maart 2026
Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van de directeur van de Rijks Justitiële Jeugdinrichting (RJJI) De Hartelborgt te Spijkenisse (hierna: de directeur)
1. De procedure
[Klager], geboren op [geboortedatum] (hierna: klager) heeft beklag ingesteld tegen een ordemaatregel van uitsluiting van activiteiten, voor de duur van één dag, vanwege het niet opvolgen van de instructies van het personeel, ingaande op 26 augustus 2026.
De beklagrechter bij de RJJI De Hartelborgt heeft op 10 november 2025 het beklag gegrond verklaard en daarbij aan klager een tegemoetkoming toegekend van één goed uit de compensatielijst (Hb-2025-263). De uitspraak van de beklagrechter is bijgevoegd.
De directeur heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld.
De beroepscommissie heeft de locatiedirecteur van de RJJI De Hartelborgt gehoord op de zitting van 5 maart 2026 in de rechtbank Midden-Nederland te Utrecht. De beroepscommissie heeft vervoer voor klager geregeld, zodat hij op de zitting kon worden gehoord. Klager heeft aangegeven dat hij geen gebruik wilde maken van deze mogelijkheid.
2. De beoordeling
Voor zover de directeur heeft aangevoerd dat klagers klacht niet ziet op dat onvoldoende duidelijk is of de uitsluiting als straf of als ordemaatregel moet worden aangemerkt, gaat de beroepscommissie hieraan voorbij nu klager dit punt niet specifiek hoefde te benoemen. Hij komt namelijk op tegen de beslissing die wordt getoetst aan de wet en de redelijkheid en billijkheid.
De beroepscommissie overweegt dat het verschil tussen de ordemaatregel en de disciplinaire straf hierin is gelegen dat bij een disciplinaire straf aan de jeugdige een verwijt kan worden gemaakt en bij een ordemaatregel niet. Voor het opleggen van een disciplinaire straf is daarom vereist dat een jeugdige voor de betreffende feiten verantwoordelijk kan worden gehouden. Anders dan bij een disciplinaire straf, speelt bij de oplegging van een ordemaatregel de verwijtbaarheid van de geconstateerde gedraging geen rol. De ordemaatregel wordt opgelegd als dit in het belang van de orde en veiligheid van de inrichting noodzakelijk is.
De directeur heeft ter zitting toegelicht dat er op 26 augustus 2025 om 13:15 uur een vechtpartij plaatsvond op de gang. Klager is het klaslokaal uitgelopen om te gaan kijken, terwijl de docent heeft gezegd dat hij binnen moest blijven. Om die reden heeft klager bijgedragen aan een onveilige situatie. Tijdens een alarmsituatie is het volgens de directeur gebruikelijk dat alle jeugdigen in het klaslokaal blijven. Klager heeft de instructies van de docent genegeerd. Diezelfde dag om 15:30 uur is hij gehoord. Hij wilde niks vertellen over zijn intenties en waarom hij het klaslokaal uitliep. De directeur heeft vervolgens om 16:00 uur een ordemaatregel van uitsluiting van activiteiten voor de duur van één dag (24 uur) aan klager opgelegd.
De beroepscommissie komt op basis van de stukken en dat wat ter zitting is besproken tot het oordeel dat de directeur klager een (individueel) verwijt maakt ten aanzien van de voornoemde gedraging. Het gaat om een strafwaardige gedraging. De beroepscommissie is van oordeel dat in dit geval de opgelegde ordemaatregel het karakter heeft van een disciplinaire straf. Het is de beroepscommissie immers niet gebleken dat er bijvoorbeeld ten tijde van het opleggen van de ordemaatregel nog nader onderzoek moest worden verricht naar het incident of dat de ordemaatregel anderszins noodzakelijk was in het belang van de orde en veiligheid van de inrichting. Tegen deze achtergrond is ten onrechte een ordemaatregel en geen disciplinaire straf opgelegd.
Gelet op het voorgaande is de beroepscommissie van oordeel dat de beklagrechter het beklag terecht gegrond heeft verklaard en kan de beroepscommissie zich ook verenigen met de toegekende tegemoetkoming. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.
4. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de beklagrechter met aanvulling van de gronden.
Deze uitspraak is op 26 maart 2026 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, voorzitter, mr. dr. B.J.M. Frederiks en dr. J.G. Vinke, leden, bijgestaan door mr. L.M. Uljee, secretaris.
secretaris voorzitter