Nummer 24/45372/GA
Betreft [klager]
Datum 23 juli 2026
Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van
[klager] (hierna: klager)
1. De procedure
Klager heeft beklag ingesteld tegen de (impliciete) afwijzing van klagers verzoek om nadere informatie over een datalek van 3 november 2023.
De beklagrechter bij de Penitentiaire Inrichting (PI) Nieuwegein heeft op 19 december 2024 het beklag ongegrond verklaard (NM-2024-376). De uitspraak van de beklagrechter is bijgevoegd.
Klagers raadsman, mr. R.B.M. Poppelaars, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze uitspraak.
De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsman en de directeur van de PI Nieuwegein (hierna: de directeur) in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.
2. De standpunten in beroep
Standpunt van klager
Klager is op 20 februari 2024 schriftelijk geïnformeerd over een datalek van 3 november 2023. Deze informatie is voor klager niet voldoende. Zo wil klager weten of in de gelekte gegevens is te zien wie de goederen heeft ingevoerd, om welke persoonsgegevens het gaat en of er toezicht is gehouden op verwijdering van de gegevens door degene die deze heeft ontvangen. In sommige situaties moet meer informatie worden verstrekt. Dit is afhankelijk van de aard van het lek en de aard van de gegevens. In dit geval gaat het om gegevens van gedetineerden. Vanwege de gevoeligheid van de gelekte informatie binnen deze specifieke doelgroep is het niet onredelijk om de gevraagde aanvullende informatie te verkrijgen.
Uit de reactie van de directeur blijkt dat alleen gehoor wordt gegeven aan klagers verzoek om informatie als er beklag wordt ingediend. Dit is in strijd met de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). De informatie had onverwijld moeten worden verstrekt. In talloze e-mails en telefoontjes is gevraagd om de nadere informatie. De directeur en het afdelingshoofd hebben ruimschoots de tijd gehad om informatie te verschaffen. De informatie is niet binnen een redelijke termijn verstrekt.
Verder heeft de beklagrechter zonder overleg het beklag schriftelijk afgehandeld en is daarmee voorbijgegaan aan de reactie van de directeur dat de informatie tijdens een beklagzitting zou worden verstrekt.
Klager verzoekt om het beroep mondeling te mogen toelichten. Gezien de aard van de klacht verwacht klager een zorgvuldige en transparante behandeling van zijn klacht. Een schriftelijke afdoening doet afbreuk aan de rechtsbescherming van klager en wekt de indruk dat er al een oordeel over de zaak is gevormd.
Standpunt van de directeur
De directeur kan zich vinden in de beslissing van de beklagrechter. Na het bekend worden van het datalek zijn verschillende acties in gang gezet. Aan de persoon die de gegevens heeft ontvangen is gevraagd deze te vernietigen. Hij heeft aangegeven de informatie niet te delen met derden en het gegevensbestand te laten vernietigen. Het datalek is volgens de reguliere procedure gemeld bij de Autoriteit Persoonsgevens (AP) en de benadeelden zijn schriftelijk, dan wel via de internetpagina van DJI en verschillende media geïnformeerd. Niet aannemelijk is geworden dat de directeur structureel en in belangrijke mate tekort is geschoten in haar zorgplicht.
3. De beoordeling
Klager heeft verzocht het beroep mondeling te mogen toelichten. De beroepscommissie wijst het verzoek af omdat de stukken voldoende informatie bevatten om het beroep te kunnen beoordelen. Zoals hierna zal blijken, is de te beantwoorden rechtsvraag of de directeur in reactie op klagers verzoek heeft mogen verwijzen naar de mondelinge behandeling in de beklagprocedure. Voor de beantwoording van die vraag volstaat de informatie zoals die uit de stukken naar voren komt. Bovendien wordt klager bij een schriftelijke behandeling van het beroep in de gelegenheid gesteld zijn standpunt schriftelijk naar voren te brengen en mag hij er ook bij schriftelijke behandeling op vertrouwen dat de zaak zorgvuldig wordt bekeken.
Voorts beklaagt klager zich over de procedure bij de beklagrechter. Gelet op wat klager daarover schrijft, is niet onbegrijpelijk dat hij dit benoemt. Een bevestigend oordeel daarover van de beroepscommissie brengt hem in deze procedure echter niet in een betere positie. Zowel in het geval de beroepscommissie oordeelt dat klager op dit punt gelijk heeft als in het geval de beroepscommissie dat niet doet, wordt het beklag in beroep opnieuw beoordeeld. Daar zit geen verschil in voor klager. Zijn rechtspositie blijft in beide gevallen gelijk. De beroepscommissie gaat daarom hieraan voorbij.
Feiten
Op 20 februari 2024 is klager schriftelijk geïnformeerd over een datalek van 3 november 2023, waarbij persoonsgegevens van meerdere gedetineerden, onder wie klager, ten onrechte zijn verstrekt aan een contactpersoon van een andere gedetineerde. Het gaat hierbij om de namen, celnummers, registratienummers en ingevoerde goederen van 385 gedetineerden die op 3 november 2023 in de PI Nieuwegein verbleven. Klager heeft via zijn raadsman op 23 februari 2024 de directeur verzocht om aanvullende informatie over het datalek. Op 22 maart 2024 heeft de directeur schriftelijk gereageerd. De directeur verwijst naar de zitting van de beklagrechter waarin nader zal worden ingegaan op de evaluatie van het datalek en de maatregelen die worden getroffen om te zorgen dat een dergelijk incident in de toekomst kan worden voorkomen. Tijdens de zitting kunnen volgens de directeur specifieke vragen worden beantwoord. Klager heeft hierop zijn verzoek om informatie herhaald. Hierop is volgens klager geen reactie gekomen. Op 2 april 2024 heeft klager een klaagschrift ingediend bij de beklagcommissie die het klaagschrift op 19 december 2024 schriftelijk, dus zonder mondelinge behandeling, heeft afgedaan.
Ontvankelijkheid in beklag
Op grond van artikel 60, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) kan een gedetineerde beklag instellen tegen een hem betreffende door of namens de directeur genomen beslissing. De beroepscommissie merkt de schriftelijke reactie van de directeur van 22 maart 2024 aan als een (impliciete) afwijzing van klagers verzoek om aanvullende informatie. Klager is daarom terecht ontvangen in zijn beklag.
Inhoudelijk
De beroepscommissie merkt op dat in deze zaak niet de AVG maar de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) van toepassing is. Het gaat immers om persoonsgegevens die betrekking hebben op de tenuitvoerlegging van straffen (artikel 2, tweede lid, onder d, van de AVG).
De beroepscommissie stelt op grond van de stukken vast dat de directeur met toepassing van artikel 26g van de Wjsg van het datalek een melding heeft gedaan bij de AP alsmede aan klager. De mededeling aan de betrokkene (klager) dient op grond van artikel 26g, vijfde lid van de Wjsg te omvatten een omschrijving van de aard van de inbreuk op de beveiliging en “ten minste” de naam en de contactgegevens van de functionaris voor gegevensbescherming of een ander contactpunt waar meer informatie kan worden gegeven, een beschrijving van de waarschijnlijke gevolgen van de inbreuk en een beschrijving van de voorgestelde en uitgevoerde maatregelen om de inbreuk te beëindigen en, in voorkomend geval, de maatregelen ter beperking van de eventuele nadelige gevolgen ervan. Gelet op de redactie van dit artikel sluit de Wjsg niet uit dat aanvullende informatie wordt verstrekt, maar dit artikel voorziet niet in een wettelijke verplichting hiervoor. De beroepscommissie volgt klagers stelling dat dit onverwijld dient te geschieden dan ook niet.
De directeur heeft in reactie op het verzoek van klager om aanvullende informatie verwezen naar de mondelinge behandeling van het beklag door de beklagrechter. De beroepscommissie
is van oordeel dat een dergelijke verwijzing alleen in de rede ligt indien voorzienbaar is dat die mondelinge behandeling (op korte termijn) daadwerkelijk plaatsvindt en er gelegenheid is voor klager tijdens die mondelinge behandeling de aanvullende informatie te verkrijgen waar hij om heeft verzocht. Indien dit niet het geval is, dient de directeur het verzoek van klager af te wijzen dan wel aan te geven op welke termijn de gevraagde informatie wel aan hem verstrekt kan worden. In dit geval heeft geen mondelinge behandeling plaatsgevonden, terwijl niet is gesteld of gebleken dat de aanvullende informatie op een ander moment alsnog aan klager is verstrekt.
Gelet hierop dient de beslissing van de directeur bij afweging van alle in aanmerking komende belangen als onredelijk en onbillijk te worden aangemerkt. Het beroep zal daarom gegrond worden verklaard. De uitspraak van de beklagrechter zal worden vernietigd en het beklag zal alsnog gegrond worden verklaard. De beroepscommissie zal ook de beslissing van de directeur van 22 maart 2024 vernietigen en de directeur opdragen een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van deze uitspraak binnen een termijn van twee weken na ontvangst daarvan.
De beroepscommissie ziet geen aanleiding klager een tegemoetkoming toe te kennen.
4. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de beklagrechter en verklaart het beklag alsnog gegrond.
Zij vernietigt de beslissing waarover is geklaagd en draagt de directeur op een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van haar uitspraak binnen een termijn van twee weken na ontvangst daarvan.
Zij kent klager geen tegemoetkoming toe.
Deze uitspraak is op 23 juli 2026 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit
mr. J.T.W. van Ravenstein, voorzitter, mr. W.J.M. Fleskens en mr. J.J. Klomp, leden, bijgestaan door mr. R. Kokee, secretaris.
secretaris voorzitter