Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 26/55534/SGB, 13 maart 2026, schorsing
Uitspraakdatum:13-03-2026

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer 26/55534/SGB

Betreft  verzoeker

Datum  13 maart 2026

 

 

Uitspraak van de voorzitter van de beroepscommissie van de RSJ op het verzoek van verzoeker (hierna: verzoeker)

 

 

1. De procedure

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (hierna: verweerder) heeft op 3 maart 2026 beslist verzoeker over te plaatsen naar de gevangenis van de locatie Roermond.

Verzoekers raadsman, mr. T.S. van der Horst, vraagt namens verzoeker om schorsing van de (verdere) tenuitvoerlegging van die beslissing.

De voorzitter heeft kennisgenomen van de reactie van verweerder op het schorsingsverzoek en van het bezwaarschrift.

 

2. De beoordeling

Gelet op artikel 73, vierde lid, in verbinding met artikel 66, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw), kan in beginsel pas om schorsing worden verzocht in de beroepsprocedure (dus nadat verweerder het bezwaarschrift ongegrond heeft verklaard en verzoeker tegen die ongegrondverklaring beroep heeft ingesteld). Daarop kan alleen een uitzondering worden gemaakt als de beslissing van verweerder meer dan zes weken op zich laat wachten (artikel 17, vierde lid, van de Pbw) of als sprake is van uitzonderlijke omstandigheden.

Verweerder heeft het bezwaarschrift minder dan zes weken geleden ontvangen. Naar het oordeel van de voorzitter is echter sprake van een uitzonderlijke omstandigheid op grond waarvan kan worden afgeweken van het uitgangspunt dat pas in de beroepsprocedure om schorsing kan worden verzocht. Verzoeker kan daarom worden ontvangen in zijn verzoek.

De voorzitter merkt op dat bij een verzoek om schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing van verweerder slechts ruimte bestaat voor een voorlopige beoordeling. De zaak kan dus niet ten gronde worden onderzocht. De voorzitter beoordeelt alleen of de beslissing waartegen bezwaar is ingesteld in strijd is met een wettelijk voorschrift of dat deze zodanig onredelijk of onbillijk is dat er een spoedeisend belang is om op dit moment de (verdere) tenuitvoerlegging van die beslissing te schorsen. Naar het oordeel van de voorzitter is dat het geval.

Namens verzoeker is aangevoerd dat hij in de locatie Roermond op een afdeling is geplaatst met een gedetineerde waarvan uit opsporingsonderzoek is gebleken dat hij in het verleden een liquidatieopdracht voor verzoeker heeft aangenomen. Dit volgt ook uit berichtgeving in de media en is vastgesteld door de rechtbank Midden-Nederland, aldus verzoekers raadsman. In de reactie op het schorsingsverzoek heeft verweerder naar voren gebracht dat de zorgen van verzoeker en zijn raadsman worden gedeeld en dat er een onderzoek loopt naar een contra-indicatie met betrekking tot verzoeker en de betreffende medegedetineerde. Verweerder is voornemens de medegedetineerde over te plaatsen naar een andere inrichting en de locatie Roermond zal daarvoor een selectieadvies indienen. Bij verzoekers binnenkomst in de locatie Roermond is hij in een individueel programma geplaatst vanwege de vermeende dreiging en het lopende onderzoek daarnaar.

Naar het oordeel van de voorzitter had verweerder redelijkerwijs kunnen, dan wel moeten weten van de verhouding tussen verzoeker en de betreffende medegedetineerde en met het oog daarop had verweerder de uitkomst van het bovengenoemde onderzoek eerst moeten afwachten en kon verzoeker bij de huidige stand van zaken (nog) niet worden overgeplaatst naar de locatie Roermond. De voorzitter is niet gebleken dat in de Penitentiaire Inrichting Krimpen aan den IJssel – waar verzoeker eerst verbleef – sprake was van een spoedeisende situatie waardoor hij daar per direct moest worden weggeplaatst.

Gelet op het voorgaande is de voorzitter van oordeel dat de bestreden beslissing zodanig onredelijk of onbillijk is dat er een spoedeisend belang is om op dit moment de (verdere) tenuitvoerlegging daarvan te schorsen. Het verzoek zal daarom worden toegewezen.

 

3. De uitspraak

De voorzitter wijst het verzoek toe en schorst de tenuitvoerlegging van de beslissing van verweerder met onmiddellijke ingang tot het moment waarop verweerder op het onderliggende bezwaar heeft beslist.

 

Deze uitspraak is op 13 maart 2026 gedaan door mr. R.H. Koning, voorzitter, bijgestaan door mr. L. van der Linden, secretaris.

secretaris         voorzitter

Naar boven