Nummer 25/49343/GM
Betreft klager
Datum 24 februari 2026
Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van
klager (hierna: klager)
1. De procedure
Klagers raadsvrouw, mr. S.A.C. de Ridder, heeft namens klager beroep ingesteld tegen het medisch handelen van de inrichtingsarts van de Penitentiaire Inrichting (PI) Achterhoek te Zutphen (hierna: de inrichtingsarts). Klager beklaagt zich erover dat hij geen contra-indicatie krijgt voor een meerpersoonscel (MPC).
De medisch adviseur bij het ministerie van Justitie & Veiligheid heeft bemiddeld. Het bemiddelingsverslag bevindt zich in het dossier.
De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsvrouw en de inrichtingsarts in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.
2. De standpunten in beroep
Standpunt van klager
Klager is zich ervan bewust dat eerst een voorgesprek moet plaatsvinden voordat hij een afspraak kan krijgen bij de psycholoog. Klager wil een gesprek met de psycholoog vanwege zijn agressieproblematiek en de (psychische) gevolgen die dit met zich meebrengt. De verpleegkundige heeft tijdens het voorgesprek ingeschat dat een gesprek met de psycholoog niet noodzakelijk is, maar heeft hierbij een verkeerde inschatting gemaakt. Klager maakt zich zorgen dat hij, door zijn agressieproblematiek, niet langer met een medegedetineerde op cel kan verblijven zonder dat dit tot problemen leidt. Agressieproblematiek kan een contra-indicatie zijn voor plaatsing op een MPC, waarvan klager meent dat hij hiervoor in aanmerking komt. Alleen de psycholoog kan hierover advies geven en daarom is het belangrijk dat klager met een psycholoog in gesprek kan. Dit wordt hem echter geweigerd. Klager verzoekt om aan hem een tegemoetkoming toe te kennen.
Standpunt van de inrichtingsarts
Klager is sinds 25 augustus 2025 niet meer gedetineerd. De inrichtingsarts sluit zich aan bij het advies van de medisch adviseur, die duidelijk beschrijft wat de procedures zijn met betrekking tot plaatsing op een eenpersoonscel (EPC) en het spreken met een psycholoog.
3. De beoordeling
In het bemiddelingsadvies van 23 juni 2025 heeft de medisch adviseur aangegeven dat uit het medisch dossier blijkt dat klager op 17 februari 2025 voor het eerst heeft verzocht om plaatsing op een EPC vanwege zijn agressieproblematiek. De beroepscommissie kan deze informatie niet inhoudelijk toetsen, nu zij niet beschikt over het medisch dossier van klager, omdat klager geen toestemmingsverklaring heeft ondertekend en opgestuurd naar de RSJ.
De beroepscommissie is daarom van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat klager in de periode waarop de klacht ziet, heeft verzocht om een contra-indicatie voor plaatsing op een MPC.
Gelet op het voorgaande kan het handelen van de inrichtingsarts niet worden aangemerkt als in strijd met de norm zoals bedoeld in artikel 71f, derde lid, onder a. of b., van de Penitentiaire beginselenwet. De beroepscommissie zal het beroep daarom ongegrond verklaren.
Ten overvloede merkt de beroepscommissie op dat de klacht van klager dateert van 6 februari 2025. Dit betekent dat de klacht slechts kan zien op het medisch handelen van de inrichtingsarts tot maximaal veertien dagen vóór 6 februari 2025.
4. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is op 24 februari 2026 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit
mr. G.C. Bos, voorzitter, drs. B.A. Geurts en drs. N.C.J.A.M. Kochx, leden, bijgestaan door mr. J. Sarkisjan, secretaris.
secretaris voorzitter