Nummer 25/50776/GB
Betreft [klager]
Datum 2 maart 2026
Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van
[klager] (hierna: klager)
1. De procedure
Klager heeft een verzoek gedaan tot plaatsing in een Beperkt Beveiligde Afdeling (BBA).
De (toenmalig) Staatssecretaris Rechtsbescherming heeft dat verzoek op 21 augustus 2025 toegewezen onder de voorwaarden van een middelenverbod, een contactverbod met de medeverdachten in zijn strafzaak en een locatiegebod met elektronische monitoring.
Klagers raadsvrouw, mr. S. Schilder, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze beslissing, meer specifiek tegen het contactverbod en locatiegebod met elektronische monitoring.
De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsvrouw en verweerder in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.
De beroepscommissie heeft kennisgenomen van het beroepschrift, de reactie van verweerder en de overige stukken.
2. De beoordeling
Voor zover klager heeft verzocht het beroep mondeling te mogen toelichten, geldt dat dit verzoek niet is onderbouwd, terwijl de stukken voldoende informatie bevatten om het beroep te kunnen beoordelen. De beroepscommissie wijst het verzoek daarom af.
Klager is sinds 27 februari 2024 gedetineerd. Hij is voorlopig gehecht vanwege een niet-onherroepelijk opgelegde gevangenisstraf van vijf jaar en acht maanden met aftrek, wegens het medeplegen van voorbereiding van moord en deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Op basis van de niet-onherroepelijke veroordeling zou klager op 30 juli 2026 voorwaardelijk in vrijheid worden gesteld.
De regelgeving
Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden kunnen gedetineerden uitsluitend in een BBA worden geplaatst, als aan hen re-integratieverlof voor extramurale arbeid is verleend.
In artikel 15 van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting staat dat re-integratieverlof alleen wordt verleend voor een re-integratiedoel dat is vastgelegd in het detentie- & re-integratieplan (D&R-plan). Bij de beslissing tot het verlenen van re-integratieverlof, worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken:
- de mate waarin en de manier waarop de gedetineerde, door zijn gedrag gedurende de gehele detentie, een bijzondere geschiktheid heeft laten zien voor een terugkeer in de samenleving;
- de mogelijkheid om de risico’s die aan het verlof zijn verbonden te beperken en te beheersen;
- de belangen van slachtoffers, nabestaanden en andere relevante personen, in ieder geval met betrekking tot het eerste verzoek om onbegeleid re-integratieverlof (als de gedetineerde is veroordeeld voor een misdrijf als bedoeld in artikel 51e, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering);
- de inspanningen die de gedetineerde heeft geleverd om de schade te vergoeden die het strafbare feit heeft veroorzaakt;
- de in het D&R-plan opgenomen aspecten, waaronder het re-integratiedoel waarvoor het verlof wordt gevraagd, de wijze waarop het verlof bijdraagt aan de realisatie van dat doel, de duur van het verlof en het aantal keren verlof dat verband houdt met het re-integratiedoel.
Het contactverbod met medeverdachten
Het bezwaar van klager ten aanzien van deze voorwaarde heeft enkel te maken met het contactverbod dat hij met zijn broers zou hebben. Klager voert in beroep aan dat de rechtbank Amsterdam – bij beslissing van 19 juli 2023 – het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis heeft gewijzigd door het contactverbod met klagers broers te laten vervallen. Een kopie van die beslissing is in beroep overgelegd. Tegen een contactverbod met de overige medeverdachten heeft klager geen bezwaar.
Naar aanleiding van deze beroepsgrond heeft verweerder contact opgenomen met het Openbaar Ministerie (OM) en de inrichting waar klager verblijft. De vrijhedencommissie van de inrichting en het OM vonden niet dat het contactverbod diende te worden gehandhaafd ten aanzien van klagers broers. Bij beslissing van 4 december 2025 is de voorwaarde van het contactverbod daarom gewijzigd, in die zin dat klager geen contact mag opnemen met de medeverdachten in zijn strafzaak, met uitzondering van zijn broers.
Gelet op het voorgaande heeft klager geen belang meer bij een inhoudelijke behandeling van deze beroepsgrond en daarom zal de beroepscommissie klager in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in zijn beroep.
Het locatiegebod met elektronische monitoring
Namens klager wordt in beroep – kort gezegd – het volgende aangevoerd. Klagers voorlopige hechtenis is lange tijd zonder problemen geschorst geweest (namelijk van 29 mei 2020 tot 27 februari 2024) en klager heeft uiteindelijk een lage straf opgelegd gekregen. De rechtbank Amsterdam heeft klagers voorlopige hechtenis bovendien geschorst zonder dat daarbij een dergelijke voorwaarde is opgelegd.
Verweerder stelt dat het van belang is dat op een verantwoorde wijze vrijheden worden verleend aan klager, gelet op de grote impact die het strafproces heeft gehad op de maatschappij in het algemeen en de slachtoffers in het bijzonder. Het verblijf op de BBA brengt veel vrijheden mee en de reclassering achtte eerder met betrekking tot kortdurende verloven al een locatiegebod met elektronische monitoring geïndiceerd. Verder heeft het OM op 3 december 2025 aan verweerder laten weten het locatiegebod met elektronische monitoring noodzakelijk te achten in verband met gecontroleerde en gefaseerde resocialisatie.
De beroepscommissie merkt de voorwaarde van een locatiegebod met elektronische monitoring niet als onredelijk of onbillijk aan, mede gelet op de aard van de feiten waarvoor klager is veroordeeld. Daarbij is van belang dat er nu geen sprake is van schorsing van de voorlopige hechtenis, maar van voorlopige hechtenis vanwege een niet-onherroepelijk opgelegde gevangenisstraf van vijf jaar en acht maanden, waarbij het locatiegebod met elektronische monitoring een ongestoorde tenuitvoerlegging daarvan dient.
Tot slot geldt dat het de beroepscommissie ook niet is gebleken dat sprake is van omstandigheden op grond waarvan het noodzakelijk is dat klagers plaatsing in een BBA zonder locatiegebod met elektronische monitoring zou moeten plaatsvinden, behoudens dat klager aangeeft dat de enkelband schuurt en dat hij de enkelband na een bepaalde tijd dient op te laden.
Gelet op het voorgaande en bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, zal de beroepscommissie het beroep ten aanzien van het locatiegebod met elektronische monitoring ongegrond verklaren.
3. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn beroep voor zover dat ziet op de voorwaarde van het contactverbod.
De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond voor zover dat ziet op de voorwaarde van het locatiegebod met elektronische monitoring.
Deze uitspraak is op 2 maart 2026 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit
mr. J.R.K.A.M. Waasdorp, voorzitter, mr. J.M.C. Louwinger-Rijk en mr. F. Sieders, leden, bijgestaan door mr. M. Olde Keizer, secretaris.
secretaris voorzitter